1876-1877 Euphonia: Difference between revisions
voorbereiding |
opslaan |
||
| Line 2: | Line 2: | ||
===1876, 20 mei=== | ===1876, 20 mei=== | ||
<u>Euponia 8/5</u> | <u>Euponia 8/5</u> | ||
'''JJK 86''' LFOL advertentie (PDF#77) | * '''JJK 86''' LFOL advertentie LFOL met redactioneel naschrift (PDF#77) | ||
<blockquote>Naar aanleiding van een in de Kunstbode van 25 April ll. voorkomend schrijven van den heer Alberdingh Thijm aan den Redacteur van Vloten, waarin de eerste zich spottend en ongeloovig over het veel besproken Oera Linda Bok uitlaat leest men de volgende advertentie in het N.v.d. Dag.<blockquote>„De heer Alberdingh Thijm bezit niet de noodige kennis om over de echtheid van het ''Oera Linda Bok'' (niet ''Ora Linda Bok'') te kunnen oordeelen. Hij zelf weet dat het best. Als hij het toch doet, dan speelt zijne waanwijsheid hem parten. | |||
L.F. <u>Over de Linden</u>. ''Helder'', 27 April 1876.”</blockquote>[redactie:] Wij kunnen ons geen partij stellen in deze moeielijke kwestie, waarover zoo even eene belangrijke studie van de hand des Heeren J. Beckering Vinckers verscheen, die dit boek zelfs ''wartaal'' noemt, maar vinden eene terechtwijzing per advertentie niet zeer letterkundig.</blockquote> | |||
===1876, 27 mei=== | ===1876, 27 mei=== | ||
<u>Euponia 9/3</u> | <u>Euponia 9/3</u> | ||
'''JJK 87''' T.H. de Beer: ''Een nieuwe Macpherson'' (PDF#82-83) | * '''JJK 87''' T.H. de Beer: ''Een nieuwe Macpherson'' (PDF#82-83) | ||
<blockquote>'''Een nieuwe Macpherson.''' | |||
Toen Macpherson zijne gewaande gedichten van Ossian uitgaf, duurde het betrekkelijk korten tijd of het bedrog kwam aan het licht, door dat de ''industrieel'' Macpherson den Schotschen bard woorden in den mond legde, die in Ossians tijd nog niet bestonden. | |||
Als ik in een werk, dat voor tweehonderd jaar geschreven heette te zijn, over spoortreinen of photogrammen mocht lezen, zou ik tot de overtuiging komen, dat het boek bepaald van veel jonger datum was; een werk dat het woord ''spoliateur'' bevat, kan ''niet'' voor Napoleon I en een werk, waarin het woord ''bienfaisance'' te vinden is, kan ''niet'' vóor Bernardin de St. Pierre geschreven zijn; want deze zijn het, die deze woorden het eerst hebben gebruikt. | |||
Aan die kleinigheid hebben de samenstellers of heeft de samensteller van het ''Oera Linda Bok'' niet gedacht, niet begrepen, dat men met bijna mathematische juistheid den ouderdom van een of ander geschrift kan bepalen. Dit nu is geschied. Men heeft den tijd der vervaardiging omstreeks 1853 geplaatst en op voldoende gronden. | |||
Het bericht in N° 8 van ''Euphonia'' had mij de pen | |||
nog niet in de hand gegeven, ware het niet, dat ik juist | |||
met den Hr. ''L.F. Over de Linden'' in correspondentie | |||
was. Ziehier waarom. | |||
In de vorige maand bracht ik een paar weken te Londen door en ontmoette daar Dr. ''Doran'', den Redacteur van ''Notes and Queries'', die juist de merkwaardige historie van ''Neef Teunis'' en van het klassieke ''Walcheren'' (Hoe oud is dat eiland, heeren geologen?) had gelezen en zeer verlangend was te weten, wat men in Nederland van de zaak zei. Gelijk men weet, is bij Trübner & Co. eene Engelsche vertaling uitgekomen. Verschillende geleerden hadden even als hij den draak met het werk gestoken en verklaarden het eenstemmig voor een lomp bedrog. ''The Times'', ''Pall Mall'', ''the Liverpool Mercury'' en onlangs ook ''the Academy'' maakten zich vroolijk met het werk en bewezen inderdaad de onechtheid door het aanhalen van woorden, onbekend in den tijd, waarin het boek heet geschreven te zijn. Op het museum te Middelburg had ik een photogram van eene bladzijde van het handschrift bezien en het boek geraadpleegd — ik had de overtuigende redevoeringen van de HH. Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk op het congres te Maastricht gehoord en was ontstemd door al den spot, waarmede men sprak over de Nederlandsche geleerden, die nog aan de echtheid mochten gelooven. Een der eerste verrassingen bij mijn thuiskomst is de adv. in het N.v.d.D. | |||
Ik heb daarop de vrijheid genomen den onderteekenaar dier advertentie te schrijven, dat geen deskundige, ja geen verstandig mensch aan de onechtheid van het boek twijfelde — dat ik begreep, dat het gemaakt was om eer of geld, of met het doel, een ernstig wetenschappelijk onderzoek uit te lokken, dat ik dit kon begrijpen; maar dat het niet meer dan billijk dan fatsoenlijk was, nu de zaak te laten rusten in plaats van hen uit te schelden, die niet goed vinden zich te laten bedriegen. | |||
Er kwam geen ander antwoord, dan de vraag, waarom ik gemelden brief had geschreven. | |||
Ik heb daarvoor mijne gronden opgegeven en beleefd gevraagd: | |||
# Waarom de echtheid van het O.L.B. te Maastricht niet is gehandhaafd tegenover het verpletterend oordeel daar uitgesproken. | |||
# Waarom het Ms. niet eerder is vertoond en hoe het mogelijk was, dat het zoolang verborgen bleef. | |||
# Hoe het kwam dat niemand in ons klein landje wist, dat er een zoo merkwaardig persoon bestond als de bezitter van zulk een eenig handschrift. | |||
'''JJK 88''' LFOL meer over advertentie (PDF#85) | Waarom ’t niet ''eerder'' verscheen schrijft de heer ''Over de Linden'', dat „heeft geen antwoord noodig” 2. ’t Is „meermalen en aan verschillende personen vertoond.” 3. „De gelukkige bezitter is bekend geworden” 4. Had ik gevraagd welke achtenswaardige personen het Ms. tusschen 1800 en 1850 hadden gezien — mij dunkt, 't worde spoedig bekend als deze of gene iets zeer zeldzaams bezit, iets van groote historische: waarde. | ||
Op die laatste vraag ’t antwoord dat ''drie'' met name genoemde familieleden het Hs. gezien hebben vóor 1830. Ik zeg: dat te bewijzen is. Maar ’t meest doorslaand bewijs der echtheid:<blockquote>„Ik (L.F.O.d.L.) bezit eene behoorlijk op zegel geteekende en gelegaliseerde verklaring van drie respectabele menschen, dat het bestaan van het Hs. hen tusschen 1848 en 1850 bekend was”</blockquote>Dat doet de deur toe. Men verklaart ''niet'' dat men het ''gezien'' heeft. Men wist (hoe?) dat ’t bestond tusschen 1848 en 1850. Hebben onze anti-Bokkers zich dan een jaar of drie verrekend? | |||
Het is te hopen voor den wetenschappelijken naam van Nederland, dat men zich niet langer zal laten beet nemen. De brochure van den Heer Beckering Vinckers en de handelingen van het Maastrichtsche congres mogen ''druk'' gekocht en de Bokken-historie goed gelezen worden. | |||
De aanhangers van de ''Bok'' — zijn — na alles wat er ''bewezen'' is inderdaad ''dwazen'' als ze aan de echtheid gelooven en ''schurken'' als ze er niet aan gelooven. | |||
''Goes''. T.H. <u>de Beer</u>. | |||
P.S. Zooals de misdaad was moet ook de straf zijn. Het zou hoogst wenschelijk wezen, dat uitgemaakt werd wie het MS. heeft gefabriceerd. De man heeft eene belooning verdiend voor al het monnikewerk, dat hij zich getroost heeft en voor de opwekking tot beoefening der oude Friesche taal, die hij heeft gegeven. Mochten eenige personen zich met de opsporing willen belasten dan zou het niet ongepast zijn een fonds bijeen te brengen om hen daaruit schadeloos te stellen en de voorgestelde belooning uit te reiken. Ik ben bereid de lijst daartoe te openen met eene eerste bijdrage van ''tien gulden''.</blockquote> | |||
* '''JJK 88''' LFOL meer over advertentie (PDF#85) | |||
===1876, 3 juni=== | ===1876, 3 juni=== | ||
<u>Euponia 10/2-3 en 6</u> | <u>Euponia 10/2-3 en 6</u> | ||
'''JJK 90''' Dekker: ''Wat ik van den man weet...'' (PDF#90-91) | * '''JJK 90''' Dekker: ''Wat ik van den man weet...'' (PDF#90-91) | ||
<blockquote>'''Wat ik van den man weet, die het „Oera Linda Bok” uit het stof te voorschijn bracht.''' | |||
In 1840 heb ik den Heer C. Over de Linden, modelwerker op ’s Rijkswerf alhier leeren kennen. Hij was een man, die goed van ’t lager onderwijs had gebruik gemaakt, niet meer. Hij was, voor zijn stand, goed ontwikkeld. In zijn vak was hij zeer bekwaam. Dat wisten zijne superieuren en verdroegen van hem, wat zij niet in een anderen werkman zouden hebben geduld. Als baas Over de Linden geen lust in ’t werk had of niet best slaagde in ‘t geen hij te doen had, ging hij heen, niet zelden tusschentijds en kwam soms in een paar dagen niet terug. Men liet zulk eene handeling van hem oogluikend toe. | |||
'' | Ik was in dien tijd hulponderwijzer aan de openbare school (Hoofdgracht, hoofdonderwijzer P. Rijkers) bij wien de Heer C. Over de Linden met nog een modelwerker, Korver, een paar avonden per week les kwam nemen in de Fransche taal. Ik heb die les meermalen bijgewoond en bij ontstentenis van den Heer Rijkers die enkele malen waargenomen. Baas Over de Linden deed zich daarbij als een schrander man kennen. Nadat hij een jaar les had genomen las hij een Fransch werk, met behulp van een woordenboek. Door eigen oefening is hij verder gekomen. “Andere talen kende hij niet. In dien tijd wist hij misschien niet, dat er eene Oud-Friesche taal bestond. Hij had een talrijk gezin, meest zoons, jongens met goede geestvermogens. Ze werden reeds ‘vroeg in ’t bedrijvig leven geplaatst. Geen lid van de Heldersche familie Over de Linden kan het Ms. gefabriceerd hebben. Zij, noch zijne zoons hadden tijd voor ’t samenstellen van het werk, al hadden zij er ook al hunne vrije uren en een groot deel van hunne nachtrust aan opgeofferd. Ook durf ik gerust beweren, — en de nog levenden zullen het met mij erkennen, — dat noch de vader noch de zoons de bekwaamheid bezaten tot het maken van het O.L.B. Hoe kwam het handschrift in de Heldersche familie? Ook daarvan weet ik iets. In 1872 werd ik door den Heer C. Over de Linden, (vader) verzocht om voor hem een lijstje samen te stellen van woorden niet in Hollandsche woordenboeken voorkomende, maar niettemin op Texel en in West-Friesland in gebruik. Dr. Ottema had die noodig tot eene pleitrede voor de echtheid van het Ms. Ik heb, voor zoo ver mij dit mogelijk was aan dat verzoek voldaan. — Bij deze gelegenheid heeft O.d.L. mij het Ms. vertoond. Op mijne vraag: Hoe komt ge aan dit handschrift, deed hij een verhaal, dat ik zal trachten woordelijk weêr te geven. Het luidde: „Ik heb het al jaren lang in mijn bezit. Eene tante van me te Enkhuizen, sedert overleden, heeft het mij eens met heel geheimzinnig gebaar ter hand gesteld. Ik lachte om haren ernst en wilde de prullen bijna niet aanvaarden, waardoor zij in haar voornemen, om mij het Ms. te schenken, schier aan ’t wan- | ||
kelen werd gebracht, want het waren papieren van hooge waarde. Haar vader had ze ''haar'' en niet haar broeder, — waarschijnlijk de vader van den ouden heer O.d.L., — ter hand gesteld, omdat hij reden meende te hebben ze in hare handen veiliger te wanen dan in die van haren broeder, echter met bevel om ze later aan die der manlijke nakomelingen uit het geslacht, dien zij het meeste vertrouwen zou kunnen schenken, ter hand te stellen, onder de heilige belofte ze wel te bewaren. Het was omtrent den tijd dat ik bij Mr. Rijkers fransch kwam leeren, — ge herinnert u dien tijd zeker wel, — dat ik de prullen kreeg. Lang heb ik er op getuurd, maar ik kon er geen woord van lezen. Toen het Ms. eens bij gelegenheid van het schoonmaken te berde kwam, vertelde mij iemand, die het zag en boeren-friesch verstond, dat het schrift daarnaar geleek. Ik schafte mij daarop werkjes aan over de oude Friesche taal en oefende mij er in, doch daar ik er niet in slaagde om het Ms, met behulp van mijne verkregen kennis te lezen, ging het weer naar den zolder. Voor eenige jaren te Amsterdam zijnde, maakte ik in mijn logement kennis met een Fries, die bijzonder in mijn smaak viel. Ge weet ik ben een rare, en ofschoon ik noodig te huis moest zijn en volstrekt geen plan had op eene reis naar Friesland, ging ik er met hem heen. ’t Is licht te begrijpen dat ik met mijn reisgenoot over mijne prullen sprak. Hij stelde mij voor aan den Heer Janssen, | |||
onderwijzer te Harlingen, een man, die, naar de schatting van mijn nieuwen vriend, mij wel zou helper om het Ms. te lezen. Door den Heer Janssen kwam ik verder in aanraking met Dr. Ottema en ziedaar de reden, waarom het Ms, van stof ontdaan, onder de menschen tot mij kwam.” | |||
'''JJK 92a''' redactie (PDF#94) | De rest weet ieder. | ||
Misschien is hetgeen ik boven omtrent het handschrift gezegd heb, reeds eerder verteld, — ik heb de kwestie ‚ niet in alles gevolgd, — maar waarschijnlijk niet zoo met de eigen woorden van den Heer O.d.L. Daarom achtte ik het niet ongepast, nu het O.L.B. in Euphonia besproken wordt ze ten beste te geven. Dat de Heer L.F. Over de Linden korzelig wordt, wanneer men zijn vader of hem verdenkt van opzettelijke bedriegerij, kan ik mij zeer goed verklaren. Hij is een geacht ingezeten van deze Gemeente. | |||
Het zij verre van mij een lans voor de echtheid van het O.L.B. te willen breken, maar van de beschuldiging dat het Ms. omtrent 1853 hier gefabriceerd zou zijn, kan geen sprake zijn. Ik geloof daaraan evenmin als aan de echtheid van het handschrift. | |||
Wanneer er nog nakomelingen van de bedoelde tante in Enkhuizen in leven zijn, zou het onderzoek naar den oorsprong van het O.L.B. van daar moeten uitgaan. | |||
''Helder, Mei '76.'' — D. <u>Dekker</u>.</blockquote> | |||
* '''JJK 91''' LFOL (PDF#94) | |||
* '''JJK 92''' Berk (PDF#94) | |||
* '''JJK 92a''' redactie (PDF#94) | |||
===1876, 10 juni=== | ===1876, 10 juni=== | ||
<u>Euponia 11/5-6</u> | <u>Euponia 11/5-6</u> | ||
'''JJK 96''' De Beer en LFOL (PDF#101) | * '''JJK 96''' De Beer en LFOL (PDF#101) | ||
* '''JJK 97''' Berk (PDF#) | |||
'''JJK 97''' Berk (PDF#) | * '''JJK 98''' De Beer (PDF#) | ||
'''JJK 98''' De Beer (PDF#) | |||
===1876, 24 juni=== | ===1876, 24 juni=== | ||
<u>Euponia 13/6</u> | <u>Euponia 13/6</u> | ||
'''JJK 107''' De Beer ''In ‘the Academy’...'' (PDF#118) | * '''JJK 107''' De Beer ''In ‘the Academy’...'' (PDF#118) | ||
===1876, 15 juli=== | ===1876, 15 juli=== | ||
<u>Euponia 16/2</u> | <u>Euponia 16/2</u> | ||
'''JJK 112''' Moltzer ''Iets voortreffelijks!'' (juichend over BV’s ''wartaal'') (PDF#138) | * '''JJK 112''' Moltzer ''Iets voortreffelijks!'' (juichend over BV’s ''wartaal'') (PDF#138) | ||
===1877, 21 april=== | ===1877, 21 april=== | ||
<u>Euponia nr.?/1-3</u> (nog niet op web gevonden) | <u>Euponia nr.?/1-3</u> (nog niet op web gevonden) | ||
'''JJK 172''' Dekker over ''Wie heeft...?'' | * '''JJK 172''' Dekker over ''Wie heeft...?'' | ||
[[Category:Sources_Dutch]] | [[Category:Sources_Dutch]] | ||
Revision as of 11:15, 9 August 2025
Publicaties m.b.t. O.L. in Euphonia - weekblad gewijs aan letterkunde en welsprekendheid voor Noord- en Zuid-Nederland / orgaan der letterlievende vereeniging “Nicolaas Beets” te Urecht (medewerkers o.a. T.H. de Beer, D. Dekker en J. van Vloten) [bron: PDF]
1876, 20 mei
Euponia 8/5
- JJK 86 LFOL advertentie LFOL met redactioneel naschrift (PDF#77)
Naar aanleiding van een in de Kunstbode van 25 April ll. voorkomend schrijven van den heer Alberdingh Thijm aan den Redacteur van Vloten, waarin de eerste zich spottend en ongeloovig over het veel besproken Oera Linda Bok uitlaat leest men de volgende advertentie in het N.v.d. Dag.
„De heer Alberdingh Thijm bezit niet de noodige kennis om over de echtheid van het Oera Linda Bok (niet Ora Linda Bok) te kunnen oordeelen. Hij zelf weet dat het best. Als hij het toch doet, dan speelt zijne waanwijsheid hem parten. L.F. Over de Linden. Helder, 27 April 1876.”
[redactie:] Wij kunnen ons geen partij stellen in deze moeielijke kwestie, waarover zoo even eene belangrijke studie van de hand des Heeren J. Beckering Vinckers verscheen, die dit boek zelfs wartaal noemt, maar vinden eene terechtwijzing per advertentie niet zeer letterkundig.
1876, 27 mei
Euponia 9/3
- JJK 87 T.H. de Beer: Een nieuwe Macpherson (PDF#82-83)
Een nieuwe Macpherson.
Toen Macpherson zijne gewaande gedichten van Ossian uitgaf, duurde het betrekkelijk korten tijd of het bedrog kwam aan het licht, door dat de industrieel Macpherson den Schotschen bard woorden in den mond legde, die in Ossians tijd nog niet bestonden.
Als ik in een werk, dat voor tweehonderd jaar geschreven heette te zijn, over spoortreinen of photogrammen mocht lezen, zou ik tot de overtuiging komen, dat het boek bepaald van veel jonger datum was; een werk dat het woord spoliateur bevat, kan niet voor Napoleon I en een werk, waarin het woord bienfaisance te vinden is, kan niet vóor Bernardin de St. Pierre geschreven zijn; want deze zijn het, die deze woorden het eerst hebben gebruikt.
Aan die kleinigheid hebben de samenstellers of heeft de samensteller van het Oera Linda Bok niet gedacht, niet begrepen, dat men met bijna mathematische juistheid den ouderdom van een of ander geschrift kan bepalen. Dit nu is geschied. Men heeft den tijd der vervaardiging omstreeks 1853 geplaatst en op voldoende gronden.
Het bericht in N° 8 van Euphonia had mij de pen nog niet in de hand gegeven, ware het niet, dat ik juist met den Hr. L.F. Over de Linden in correspondentie was. Ziehier waarom.
In de vorige maand bracht ik een paar weken te Londen door en ontmoette daar Dr. Doran, den Redacteur van Notes and Queries, die juist de merkwaardige historie van Neef Teunis en van het klassieke Walcheren (Hoe oud is dat eiland, heeren geologen?) had gelezen en zeer verlangend was te weten, wat men in Nederland van de zaak zei. Gelijk men weet, is bij Trübner & Co. eene Engelsche vertaling uitgekomen. Verschillende geleerden hadden even als hij den draak met het werk gestoken en verklaarden het eenstemmig voor een lomp bedrog. The Times, Pall Mall, the Liverpool Mercury en onlangs ook the Academy maakten zich vroolijk met het werk en bewezen inderdaad de onechtheid door het aanhalen van woorden, onbekend in den tijd, waarin het boek heet geschreven te zijn. Op het museum te Middelburg had ik een photogram van eene bladzijde van het handschrift bezien en het boek geraadpleegd — ik had de overtuigende redevoeringen van de HH. Beckering Vinckers en Nanninga Uiterdijk op het congres te Maastricht gehoord en was ontstemd door al den spot, waarmede men sprak over de Nederlandsche geleerden, die nog aan de echtheid mochten gelooven. Een der eerste verrassingen bij mijn thuiskomst is de adv. in het N.v.d.D.
Ik heb daarop de vrijheid genomen den onderteekenaar dier advertentie te schrijven, dat geen deskundige, ja geen verstandig mensch aan de onechtheid van het boek twijfelde — dat ik begreep, dat het gemaakt was om eer of geld, of met het doel, een ernstig wetenschappelijk onderzoek uit te lokken, dat ik dit kon begrijpen; maar dat het niet meer dan billijk dan fatsoenlijk was, nu de zaak te laten rusten in plaats van hen uit te schelden, die niet goed vinden zich te laten bedriegen.
Er kwam geen ander antwoord, dan de vraag, waarom ik gemelden brief had geschreven.
Ik heb daarvoor mijne gronden opgegeven en beleefd gevraagd:
- Waarom de echtheid van het O.L.B. te Maastricht niet is gehandhaafd tegenover het verpletterend oordeel daar uitgesproken.
- Waarom het Ms. niet eerder is vertoond en hoe het mogelijk was, dat het zoolang verborgen bleef.
- Hoe het kwam dat niemand in ons klein landje wist, dat er een zoo merkwaardig persoon bestond als de bezitter van zulk een eenig handschrift.
Waarom ’t niet eerder verscheen schrijft de heer Over de Linden, dat „heeft geen antwoord noodig” 2. ’t Is „meermalen en aan verschillende personen vertoond.” 3. „De gelukkige bezitter is bekend geworden” 4. Had ik gevraagd welke achtenswaardige personen het Ms. tusschen 1800 en 1850 hadden gezien — mij dunkt, 't worde spoedig bekend als deze of gene iets zeer zeldzaams bezit, iets van groote historische: waarde.
Op die laatste vraag ’t antwoord dat drie met name genoemde familieleden het Hs. gezien hebben vóor 1830. Ik zeg: dat te bewijzen is. Maar ’t meest doorslaand bewijs der echtheid:
„Ik (L.F.O.d.L.) bezit eene behoorlijk op zegel geteekende en gelegaliseerde verklaring van drie respectabele menschen, dat het bestaan van het Hs. hen tusschen 1848 en 1850 bekend was”
Dat doet de deur toe. Men verklaart niet dat men het gezien heeft. Men wist (hoe?) dat ’t bestond tusschen 1848 en 1850. Hebben onze anti-Bokkers zich dan een jaar of drie verrekend?
Het is te hopen voor den wetenschappelijken naam van Nederland, dat men zich niet langer zal laten beet nemen. De brochure van den Heer Beckering Vinckers en de handelingen van het Maastrichtsche congres mogen druk gekocht en de Bokken-historie goed gelezen worden.
De aanhangers van de Bok — zijn — na alles wat er bewezen is inderdaad dwazen als ze aan de echtheid gelooven en schurken als ze er niet aan gelooven.
Goes. T.H. de Beer.
P.S. Zooals de misdaad was moet ook de straf zijn. Het zou hoogst wenschelijk wezen, dat uitgemaakt werd wie het MS. heeft gefabriceerd. De man heeft eene belooning verdiend voor al het monnikewerk, dat hij zich getroost heeft en voor de opwekking tot beoefening der oude Friesche taal, die hij heeft gegeven. Mochten eenige personen zich met de opsporing willen belasten dan zou het niet ongepast zijn een fonds bijeen te brengen om hen daaruit schadeloos te stellen en de voorgestelde belooning uit te reiken. Ik ben bereid de lijst daartoe te openen met eene eerste bijdrage van tien gulden.
- JJK 88 LFOL meer over advertentie (PDF#85)
1876, 3 juni
Euponia 10/2-3 en 6
- JJK 90 Dekker: Wat ik van den man weet... (PDF#90-91)
Wat ik van den man weet, die het „Oera Linda Bok” uit het stof te voorschijn bracht.
In 1840 heb ik den Heer C. Over de Linden, modelwerker op ’s Rijkswerf alhier leeren kennen. Hij was een man, die goed van ’t lager onderwijs had gebruik gemaakt, niet meer. Hij was, voor zijn stand, goed ontwikkeld. In zijn vak was hij zeer bekwaam. Dat wisten zijne superieuren en verdroegen van hem, wat zij niet in een anderen werkman zouden hebben geduld. Als baas Over de Linden geen lust in ’t werk had of niet best slaagde in ‘t geen hij te doen had, ging hij heen, niet zelden tusschentijds en kwam soms in een paar dagen niet terug. Men liet zulk eene handeling van hem oogluikend toe.
Ik was in dien tijd hulponderwijzer aan de openbare school (Hoofdgracht, hoofdonderwijzer P. Rijkers) bij wien de Heer C. Over de Linden met nog een modelwerker, Korver, een paar avonden per week les kwam nemen in de Fransche taal. Ik heb die les meermalen bijgewoond en bij ontstentenis van den Heer Rijkers die enkele malen waargenomen. Baas Over de Linden deed zich daarbij als een schrander man kennen. Nadat hij een jaar les had genomen las hij een Fransch werk, met behulp van een woordenboek. Door eigen oefening is hij verder gekomen. “Andere talen kende hij niet. In dien tijd wist hij misschien niet, dat er eene Oud-Friesche taal bestond. Hij had een talrijk gezin, meest zoons, jongens met goede geestvermogens. Ze werden reeds ‘vroeg in ’t bedrijvig leven geplaatst. Geen lid van de Heldersche familie Over de Linden kan het Ms. gefabriceerd hebben. Zij, noch zijne zoons hadden tijd voor ’t samenstellen van het werk, al hadden zij er ook al hunne vrije uren en een groot deel van hunne nachtrust aan opgeofferd. Ook durf ik gerust beweren, — en de nog levenden zullen het met mij erkennen, — dat noch de vader noch de zoons de bekwaamheid bezaten tot het maken van het O.L.B. Hoe kwam het handschrift in de Heldersche familie? Ook daarvan weet ik iets. In 1872 werd ik door den Heer C. Over de Linden, (vader) verzocht om voor hem een lijstje samen te stellen van woorden niet in Hollandsche woordenboeken voorkomende, maar niettemin op Texel en in West-Friesland in gebruik. Dr. Ottema had die noodig tot eene pleitrede voor de echtheid van het Ms. Ik heb, voor zoo ver mij dit mogelijk was aan dat verzoek voldaan. — Bij deze gelegenheid heeft O.d.L. mij het Ms. vertoond. Op mijne vraag: Hoe komt ge aan dit handschrift, deed hij een verhaal, dat ik zal trachten woordelijk weêr te geven. Het luidde: „Ik heb het al jaren lang in mijn bezit. Eene tante van me te Enkhuizen, sedert overleden, heeft het mij eens met heel geheimzinnig gebaar ter hand gesteld. Ik lachte om haren ernst en wilde de prullen bijna niet aanvaarden, waardoor zij in haar voornemen, om mij het Ms. te schenken, schier aan ’t wan- kelen werd gebracht, want het waren papieren van hooge waarde. Haar vader had ze haar en niet haar broeder, — waarschijnlijk de vader van den ouden heer O.d.L., — ter hand gesteld, omdat hij reden meende te hebben ze in hare handen veiliger te wanen dan in die van haren broeder, echter met bevel om ze later aan die der manlijke nakomelingen uit het geslacht, dien zij het meeste vertrouwen zou kunnen schenken, ter hand te stellen, onder de heilige belofte ze wel te bewaren. Het was omtrent den tijd dat ik bij Mr. Rijkers fransch kwam leeren, — ge herinnert u dien tijd zeker wel, — dat ik de prullen kreeg. Lang heb ik er op getuurd, maar ik kon er geen woord van lezen. Toen het Ms. eens bij gelegenheid van het schoonmaken te berde kwam, vertelde mij iemand, die het zag en boeren-friesch verstond, dat het schrift daarnaar geleek. Ik schafte mij daarop werkjes aan over de oude Friesche taal en oefende mij er in, doch daar ik er niet in slaagde om het Ms, met behulp van mijne verkregen kennis te lezen, ging het weer naar den zolder. Voor eenige jaren te Amsterdam zijnde, maakte ik in mijn logement kennis met een Fries, die bijzonder in mijn smaak viel. Ge weet ik ben een rare, en ofschoon ik noodig te huis moest zijn en volstrekt geen plan had op eene reis naar Friesland, ging ik er met hem heen. ’t Is licht te begrijpen dat ik met mijn reisgenoot over mijne prullen sprak. Hij stelde mij voor aan den Heer Janssen, onderwijzer te Harlingen, een man, die, naar de schatting van mijn nieuwen vriend, mij wel zou helper om het Ms. te lezen. Door den Heer Janssen kwam ik verder in aanraking met Dr. Ottema en ziedaar de reden, waarom het Ms, van stof ontdaan, onder de menschen tot mij kwam.”
De rest weet ieder.
Misschien is hetgeen ik boven omtrent het handschrift gezegd heb, reeds eerder verteld, — ik heb de kwestie ‚ niet in alles gevolgd, — maar waarschijnlijk niet zoo met de eigen woorden van den Heer O.d.L. Daarom achtte ik het niet ongepast, nu het O.L.B. in Euphonia besproken wordt ze ten beste te geven. Dat de Heer L.F. Over de Linden korzelig wordt, wanneer men zijn vader of hem verdenkt van opzettelijke bedriegerij, kan ik mij zeer goed verklaren. Hij is een geacht ingezeten van deze Gemeente.
Het zij verre van mij een lans voor de echtheid van het O.L.B. te willen breken, maar van de beschuldiging dat het Ms. omtrent 1853 hier gefabriceerd zou zijn, kan geen sprake zijn. Ik geloof daaraan evenmin als aan de echtheid van het handschrift.
Wanneer er nog nakomelingen van de bedoelde tante in Enkhuizen in leven zijn, zou het onderzoek naar den oorsprong van het O.L.B. van daar moeten uitgaan.
Helder, Mei '76. — D. Dekker.
- JJK 91 LFOL (PDF#94)
- JJK 92 Berk (PDF#94)
- JJK 92a redactie (PDF#94)
1876, 10 juni
Euponia 11/5-6
- JJK 96 De Beer en LFOL (PDF#101)
- JJK 97 Berk (PDF#)
- JJK 98 De Beer (PDF#)
1876, 24 juni
Euponia 13/6
- JJK 107 De Beer In ‘the Academy’... (PDF#118)
1876, 15 juli
Euponia 16/2
- JJK 112 Moltzer Iets voortreffelijks! (juichend over BV’s wartaal) (PDF#138)
1877, 21 april
Euponia nr.?/1-3 (nog niet op web gevonden)
- JJK 172 Dekker over Wie heeft...?