Brieven Verwijs: Difference between revisions
Specatorbrief 1877 |
No edit summary |
||
| Line 1: | Line 1: | ||
Brieven en ingezonden stukken m.b.t. O.L. door [[Eelco Verwijs]] | |||
=== 28-6-1867 === | === 28-6-1867 === | ||
'''aan J.F. Jansen''', schoolhoofd te Harlingen | '''aan J.F. Jansen''', schoolhoofd te Harlingen | ||
Revision as of 09:19, 19 July 2025
Brieven en ingezonden stukken m.b.t. O.L. door Eelco Verwijs
28-6-1867
aan J.F. Jansen, schoolhoofd te Harlingen
(als in Boeles 1931, overgenomen uit de Friesche Courant van 19 April 1877)
Weledele Heer.
Hartelijk dank voor de mededeeling van het facsimile der Friese stukken, want een naam weet ik er haast niet aan te geven. Om beter den inhoud te leeren kennen, heb ik mij dadelijk aan het kopiëeren gezet, wel te verstaan in hedendaagsch letterschrift, en wat ik reeds heb gezien van de kopie en van het andere door even het door te neuzen, komt mij van zooveel belang voor, dat ik gaarne met het geheel zou kennis maken. Een juiste karakterschets van het stuk weet ik mij niet te geven, maar het komt mij hoogst belangrijk voor. Ik twijfel of er wel één enkel stuk in het Friesch zal zijn met het oud friesch karakter geschreven, althans in Richthofens Rechtsquellen niet. ’t Komt mij zelfs na vluchtige kennismaking voor, en wegens den sleutel, aan het eind, gegeven, dat die oude karakters expres zijn gekozen, deels omdat de kopiist de natte papieren op „oerlandesk pampier” naar een zeer oud origineel terug gaf met de oude karakters, maar ook uit vrees voor de „papen”, die „ongemerkt tornen aan alles wat onze vrijheid betreft, in zoete woorden verschrikken, alles om der vetten prebenden wille”.
Vanmorgen heb ik een geheele speech gekopiëerd, die mij nog niet in allen deele duidelijk is, maar die, zoo verre ik uit de kopie kon opmaken, allercurieust is. Ik zou dus niets liever willen dan het geheele Handschrift eens voor eenigen tijd te mogen bezitten, om van het geheel kopie te nemen. Ik onderstel, dat het hier een hoogst belangrijke vondst geldt. De stukken zijn uit Westfriesland, doch uit een tijd toen het Friesch er nog bijna (naar mijn idee) even onverbasterd was als in het eigenlijke Friesland. Zoo uw „ingenomen met de Friesche taal” (sic! Hier zal gestaan hebben “toezender zoo ingenomen is enz”) werkelijk zooveel prijs er op stelt, dan zal hij zeker daartegen geen bezwaar maken. En dan zal ik U dadelijk mijn plan mededeelen. Na kopie van het geheel te hebben genomen, waartoe het zoo bloedige werk van een facsimilé niet noodig is, wensch ik het geheel aan een ijverig onderzoek te onderwerpen en voor de uitgave voor te bereiden. Daartoe zal de Vrije Fries kunnen dienen, of ook, als het geheel blijkt zeer belangrijk te zijn, eene afzonderlijke uitgave, zoo noodig met eene vertaling er naast, of ten minste met een Glossarium. Een facsimilé van een blad van den text zoude daarbij hoogst belangrijk zijn, om het Friesch letterschrift, dat van het Gothisch- en Angelsaksisch nog al afwijkt, in het licht te stellen. De wetenschap zal, meen ik door zulk eene uitgave zeer gebaat worden, al is ze dan ook maar in mijne handen, die volgens de verzekering der H.H. Dijkstra en Colmjon voor Friesche taal ten eenenmale een onbevoegd beoordeelaar ben.
Uw toezender behoeft geen vrees te hebben mij zijn H.S. toe te vertrouwen. Belangrijke HSS. van het Rijksarchief, van de Koninklijke Academie (zich noemende) van wetenschappen zijn sints geruimen tijd onder mijne berusting, ook ter uitgave bestemd. Nogmaals mijn hartelijken dank voor de toezending. Ik geloof er in te zien een vondst zoo belangrijk als er voor het Oud-friesch in geen jaren is gedaan. Hoe uitgebreid de verzameling oudfriesche wetten ook zijn moge, een stuk van dien aard is ons uit het Friesch nog niet bekend; veel durf ik er nog niet van zeggen, maar voor de belangrijkheid durf ik nu reeds waarborgen.
In de hoop spoedig gunstig bericht van U te mogen ontvangen blijf ik na dankbare groete
Uw dw. Dr. (w.g.) Eelco Verwijs.
13-10-1867
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, overgenomen uit Ottema „De Koninklijke Akademie en het O.L.B.” Leeuwarden 1874, bl. 5 v.v.)
Toen ik de gefacsimileerde bladen door toezending van den Heer Jansen (te Harlingen) ontving, was ik niet weinig verbaasd over eene zoo belangrijke ontdekking. Ik zette mij dadelijk aan het werk om het gezondene te copieeren. Het schrift trof mij al dadelijk door het vreemde karakter, dat niet, zoo als gij vermoedt, op Romeinsch schrift gelijkt, maar veel meer den aard bezit van oud Runen schrift. Met het Handschrift voor mij zou ik het even snel kopieeren als gewoon schrift, en ik raad u dus aan, u den tijdroovenden arbeid te besparen het door behulp van mailpapier nauwkeurig weer te geven.
Zooals ik zeide, was ik hoogelijk ingenomen met den vondst en deelde dien velen mijner vrienden mede. Een deel er van was zeer gemakkelijk verstaanbaar en, hoewel wat jonger kleur vertoonende, niet ongelijk aan de taal der oude Friesche Wetten uit de 13e en 14e eeuw. Doch er waren ook passages in, die ik niet verstond en nog niet versta en waarvoor nog al eenige nauwgezette studie zal noodig zijn, om ze te kunnen oplossen. De eerste 21 bladen maakten mij niet veel wijzer over den inhoud.
Met verlangen zag ik naar eene verdere bezending uit, en had inmiddels al eens bij den Heer Jansen zoeken te informeeren, hoe groot het geheel was, enz.
Ik ontving eene tweede bezending en zette mij vol ijver weder aan het overschrijven.
Bij het eerst toegezondene had het mij meermalen getroffen, dat onder de oude taalvormen zooveel uitdrukkingen verscholen waren, die eer veel jongeren oorsprong aanduidden, en dit trof mij nog meer bij het tweede gedeelte. Er waren er in, die ik onmogelijk voor oud meende te kunnen houden, en zoo rees bij mij het vermoeden op van een letterkundig bedrog, een namaaksel van lateren tijd, dat wel met zeer veel talent was vervaardigd, maar toch niet met genoegzaam talent, om niet hier en daar zijne valschheid te verraden.
Ik dacht dat men (wie begreep ik niet) den toeleg had om mij er eens te doen in loopen, en na deze vermeende ontdekking van valschheid van het stuk schreef ik aan den Heer Jansen een brief, waarin ik hem die bedriegerij meldde. Doch telkens dacht ik toch, hoe gaarne wou ik dien knappen kerel eens zien, die met zooveel talent zoo iets kon doen. Telkens nam ik het toegezondene weer ter hand; doch daar ik taal noch teeken van den Heer Jansen meer hoorde, dacht ik dat mijn vermoeden juist was geweest, en liet de zaak verder rusten.
En daar ontvang ik uwe mij zoo hoogst welkome bezending (nl. het eerste gedeelte van het origineele handschrift) waardoor mij de echtheid onwederleggelijk wordt bewezen, en waarvoor ik u hartelijk dank zeg. Doch nu begin ik veeleischend te worden, maar ben dat met het vertrouwen iets goeds te willen. De wetenschap kan aan het bekend worden van uw handschrift veel, zeer veel hebben Het is zeker hoogst belangrijk voor de Friesche taal der middeleeuwen, waarvan geen enkel letterkundig produkt overig is dan alleen wetten. Doch nog belangrijker voor de letterkunde, die er een merkelijke aanwinst door zoude krijgen. Al is de kunstwaarde niet groot, het is in alle gevalten curieus. Wegens de onvolledige kennis kan ik nog moeijelijk zeggen, wat het eigenlijk is, maar stel mij toch de zaak zoo voor. Een uwer voorouders uit de 13e eeuw heeft een oud familie-heiligdom overgeschreven en laat dat als een kostbaar reliquie aan zijn zoon na. Dat stuk bevat allerlei overleveringen van her en der bijeenvergaderd en daaronder velen van zeer ouden datum, van heidenschen oorsprong.
En nu kom ik op uwe vraag, hoeveel per bladzijde het wel zoude kosten om het voor u in het Hollandsch over te zetten; het antwoord is eenvoudig niets. Wanneer gij mij vergunt van het Handschrift kennis te nemen, ben ik volgaarne bereid het voor u van A—Z te vertalen. Doch ik wil iets anders. Is het niet van belang, dat zoodanig Handschrift wordt uitgegeven? Ik geloof, ja. Zoo gij dan zoo goed wilt zijn het mij toe te zenden, zal ik er kopie van maken en trachten het een en ander, dat nog duister voor mij is, op te lossen. Met eenige dagen zend ik u gaarne de vertaling van een paar bladen als proef. Kunt gij u met mijn denkbeeld vereenigen, en wilt gij uw Handschrift afstaan ter uitgave, dan zoude het misschien best zijn bij eene eventueele uitgave de Hollandsche vertaling naast den oorspronkelijken text te doen drukken, ten einde het werk daardoor meer voor het algemeen toegankelijk te maken. Wilt gij het mij toezenden, dan zou ik het liefst met eenigen spoed hebben, daar er in het laatst van deze maand eene vergadering is van het Provinciaal Friesch Genootschap. Daar zoude ik gaarne van de voor Friesland zoo gewichtige ontdekking verslag willen geven.
Zijt gij nu niet tegen de uitgave, dan zal het wel het beste zijn van het Friesch Genootschap te verzoeken of dit zich wil belasten met die uitgave; want, ik ben er eenigermate mede bekend, een drukker wordt er niet altijd gevonden, die zich voor de uitgave van dergelijke werken laat vinden, die voor hem geene winstgevende zaak kunnen zijn. Zoodanige zaak moet door een Genootschap ondersteund worden om het licht te kunnen zien.
Kan ik nu in de vergadering verslag over het Handschrift uitbrengen, dan zou ik aanstonds den voorslag willen doen, het op kosten van het Genootschap te doen drukken. Belast ik mij met de uitgave, dan ontvang ik voor mijne moeite een 20-tal exemplaren, naar ik meen, waarvan ik u volgaarne een 10-tal zou willen afstaan. Gij hebt dan meer dan een geschreven kopie en geheel kosteloos, terwijl gij u voor de wetenschap zeer verdienstelijk hebt gemaakt door het Handschrift ter uitgave af te staan, enz. enz.
(w.g.) Eelco Verwijs.
16-10-1867
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, deels volgens afschriften aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Bij eventuëele toezending behoeft die van Uwen kant niet franco te geschieden.
Weledele Heer,
Hartelijk dank ik U voor de toezending van een ander katerntje of liever van het eerste katerntje in origineel. Heden morgen zond ik U de vertaling van een paar bladzijden, in vliegende haast opgemaakt, en wil U gaarne zoo nu en dan proeven van activiteit leveren, door U telkens het een en ander toe te zenden. Maar wat zal ik nu, dit bid ik U, doen met bl. 47— 74. Ik stel veel, zeer veel prijs op Uwe ontdekking, maar dan ook voeg ik er dit bij: Wanneer ik alleen ter wille der wetenschap veel tijd en studie er aan ten koste wil geven, om het stuk te ontcijferen, dan verzoek ik U ook zeer vriendelijk het mij in zijn geheel te zenden. Wat toch zal ik met een zoo geheel onsamenhangend brokstuk doen? Hoe oordeelen over het geheel, wat het bevat, van welken aard het is? Gij zegt mij genoegen te nemen in mijn voorstel over de uitgave, wanneer ik het oprecht gemeend heb; welnu! schenk mij dan ook verder Uw vertrouwen, zend mij het gansche handschrift over, en ik hoop er U eerlang meer over te kunnen mededeelen. Maar bij losse katerns naar den inhoud van het geheel te raden is mij onmogelijk. Zooals ik U reeds zeide, wilde ik gaarne op de aanstaande vergadering in het laatst dezer maand een verslag geven omtrent Uw handschrift. Doch wat nu aan te vangen met een enkel katerntjen? Ik ben misschien veeleischend, maar zoo Gij er belang in stelt, dat Uw handschrift worde uitgegeven, zoo Gij wilt dat het met wetenschappelijke nauwgezetheid worde gedaan, dat geen moeite noch arbeid worde gespaard enkel en alleen ter willie van Frieslands taal, dan meen ik ook iets te mogen vorderen. Zend mij Uw gansche Handschrift in eens: dan zal ik het geregeld kunnen lezen, geregeld afschrijven, geregeld vertalen: dan zal het mij mogelijk zijn eerst door een eenvoudige lectuur althans eenigermate den samenhang te kunnen vatten, later dat in vele opzichten nog duistere begrip door lectuur weten te versterken, om eindelijk na geheele kennismaking te kunnen doordringen tot het verstaan van het geheel, ook daar waar moeilijke punten zijn. Ten einde U te overtuigen dat ik mij destijds met vlijt met Uw handschrift bezig heb gehouden, zend ik U hierbij het vroeger dadelijk bij de ontvangst door mij gecopiëerde, of liever in tegenwoordige letters overeschrevene. U nu de vertaling van een los op zich zelf staand katern innen kort te beloven, dat kan ik waarlijk niet, daar er zich moeilijkheden in voordoen, die misschien weken studie vereischen. Wilt Gij evenwel kopie van Uw gedeele Handschrift in tegenwoordig letterschrift dat zal ik U wel kunnen verschaffen, zoo Gij er althans belang in stelt. Maar zoo Gij in eene uitgave bewilligt, dan is zoo iets, dunkt mij, onnoodig. De vellen die ik U nu toezend, kunt Gij behouden; want als Gij ntij het geheele handschrift toezendt, is het mij veel gemakkelijker daarnaar te kopiëeren dan naar Uwe kopie op mailpapier, en zal ik mij gaarne die dubbele moeite getroosten. De kopie, die ik U toezend, is na kennismaking met de karakters, zoo in 't wilde er neergeschreven, zoo dat er hier en daar nog wel een fout zal schuilen, zoodat ik ze niet voor getrouw zou willen verslijten. Doch Gij moet weten, hoe het er mêe gaat, als men oud schrift onder de oogen krijgt, en het niet dadelijk kan ontcijferen, iets dat mij als Archivaris dagelijks voorkomt, dan ga ik dadelijk aan 't kopiëeren, en hoe meer men schrijft, hoe meer er duidelijk wordt. Zoo is deze kopie dan ook de eerste en eenige, die ik er van gemaakt heb.
En nu, mijn Waarde Heer, nog een enkel woord.
Wilt Gij dat ik mij de zaak met ernst aantrek, dat ik zoo spoedig mogelijk een goed begrip van het geheel krijge, zend mij dan het gansche handschrift, Ik beloof U er zoodra mogelijk uitsluitsel over te kunnen geven. Eerst wanneer ik van het geheel heb kennis genomen, zal ik U een eenigszins bevredigend verslag van den inhoud kunnen geven. En nu nog eene, misschien onbescheidene, vraag. Is het bewuste handschrift een „heiligdom” in Uwe familie. Zoo ja, vergun dan de openbaarmaking; zoo neen, mag ik dan in mijne kwaliteit als Archivaris er met den Commissaris des Konings en Gedeputeerden over spreken, en hun een voorstel doen met U te onderhandelen over de overname? Vergeef mij die vraag, maar ik meende ze te berde te mogen brengen, daar Gij zeidet aan dit handschrift „niets te hebben”. In de hoop zeer spoedig wat van U te hooren
Uw dw Dn (get.) Eelco Verwijs.
19-10-1867
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, deels volgens afschriften aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam; begin uit de brochure van L.F. over de Linden „Aanvulling” 1912, blz. 5)
Met uw stuk, bl. 47—74, ben ik druk bezig, en ik verlang steeds naar meer, vooral naar het origineel. Ik wou zoo gaarne in het Friesch Genootschap er verslag van doen, als een hoogst merkwaardige ontdekking, en er gaarne het origineel bij overleggen. Niet dat ik meer de echtheid van het origineel betwist, dat zij verre; maar gaarne gaf ik toch een résumé van het geheel, de inhoud van de mij toegezonden bladen is inderdaad allercurieust. Een aangename afwisseling van oud-Germaansche en oud-Romeinsche goden heeft er in plaats, zooals ik ze nergens meer ontmoette. Maar daarom is mij uw handschrift juist te meer waard.
't Is zeker een meermalen overgeschreven hschr. van een uwer voorouders, en dan is uw familie zeer oud, dat alleszins verdient gekend te worden. Uwe liefde voor de Friesche letterkunde, de gewichtige mededeeling, ons door U gedaan, maakt mij er belust op, op de aanstaande vergadering als honorair lid voor te dragen. Ik stel er mij een genoegen van voor met zoodanige verrassende ontdekking voor het licht te komen en U dan tevens als lid te doen aannemen. Maar zend mij daarom het overige. Bij eene voor Friesland zoo belangrijke ontdekking begrijpt gij licht, hoezeer het van belang is, dat bij de openbaarmaking alle licht schijne en Uw handschrift niet alleen, maar ook uw naam als een der oudste Friesche namen helder in het licht trede. Door de belangrijkheid van het handschrift zal ook de eeuwen oude naam der Oera Linda's een glans verkrijgen, die de oudste adelijke geslachten missen.
24-10-1867
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Waarde Heer,
Ik antwoordde U niet eerder op Uwe beide laatste brieven, omdat ik door verschillende bezigheden daarin werd verhinderd, En nu zal ik kort zijn, omdat ik geloof, dat niettegenstaande Uwe bezwaren, de moeielijkheid tusschen ons op eene gemakkelijke wijze kan opgelost worden. Gij stelt, en niet ten onrechte, hoogen prijs op Uwe handschriften. Gij wenscht die als een voorvaderlijk heiligdom aan Uwe kinderen na te laten, en niemand zal er wel zijn die U die vooringenomenheid zal ten kwade duiden. Maar Gij begrijpt tevens dat Uw handschrift van belang kan zijn voor Uwe groote familie, voor het gansche friesche volk. Ik ben alleen Fries door mijne moeder, door mijn vader een Westfries (hij was van Hoorn, en de naam Verwijs is U daar misschien niet onbekend), maar door geboorte ben ik Overijsetaar. Gij zijt niet tegen eene openbaarmaking, alleen voor zooverre er niets in voorkomt dat Uwe familie zou kunnen compromitteeren. Hiervan kan ik U nu reeds de verzekering geven, dat behalve in de beide eerste bladzijden die naam niet weer voorkomt, en het geheel, dat ik onder de oogen heb gehad, mij schijnt te zijn een fabelachtige geschiedenis, of liever overleveringen van den Germaanschen stam, waarin de goden-namen van Neptunus, zoowel als van Wodan, dus Romeinsche en Germaansche Goden door een gemengd. Doch ik zou U zeer veel kunnen mededeelen van al hetgeen ik er al in heb gevonden, maar dat zou mij veel te lang ophouden. En daarom zal ik maar de eenvoudigste oplossing van het raadsel zoeken.
Ik kopiëer eerst de mij toegezonden katern, en kom eerstdaags even over aan den Helder. Als we daar met elkander spreken vertrouw ik op eene voor allen bevredigende oplossing. Ik kan bij U komen, het Handschrift in zijn geheel zien, en ik maak mij sterk om althans een groot deel voor de vuist voor U te vertaten. Dan verneemt Gij in èèn uur tijds meer dan anders door twintig brieven; ik raak eenigszins op de hoogte van hetgeen er in het handschrift staat, en Gij zult kunnen oordeelen in hoeverre Gij mij Uw vertrouwen wilt schenken.
Een paar uren persoonlijke kennismaking doet meer dan al dat heen en weer geschrijf, en zoodra ik dus, misschien in 'teind der volgende week of daaromtrent er eens voor een dag of drie kan uitbreken, dan steek ik even over. Vooraf evenwel hoop ik U met een enkel woord kennis te geven, opdat ik misschien niet riskeer U niet thuis te vinden. Nu de spoor er ligt, is een uitstapjen naar de Helder niet meer zoo moeitijk, en ik verbind er dan aan een bezoek aan 't ramtorenschip, waarop een kennis van mij eerste officier is.
Dan neem ik ook de kopie van bl. 47—74 mee, die ik evenwel gaarne weer wil meenemen om geen dubbel werk te doen, alsook het U vroeger gestuurde.
Na groete, en in de hoop eerlang met elkaar kennis te maken,
Uw dw. Dn (get.) Eelco Verwys.
16-11-1867
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Weledele Heer,
Verleden Vrijdag ’s avonds thuis komende, vond ik Uw briefjen, waarin mij werd medegedeeld dat het ramtorenschip uit den Helder den Oden zou vertrekken. Al had ik nog zoo’n haast gemaakt, ik zou toch te laat gekomen zijn, en kon het bovendien toen juist niet met mijne werkzaamheden schikken. In de volgende week evenwel kan ik er wel voor eenige dagen uitbreken, en stel mij dan ook voor Dinsdag of Woensdag den 19 op 20 op reis te gaan, zoo ik namelijk de zekerheid heb U dan thuis te treffen, daar een geheel vergeefsche reis mij minder aangenaam zou zijn. Ik zal dan het ramtorenschip niet kunnen zien; maar dat is ook eigenlijk het doel mijner reis niet, en hoezeer ik het gaarne zou gezien hebben, moet ik er dan maar zonder. Zoo Gij in de volgende week Woensdag of Donderdag thuis zijt, en Gij dan eenige oogenblikken voor mij kunt afzonderen, zoude ik gaarne met een enkel woord bericht van U ontvangen.
In de hoop daarop met eenigen spoed gunstig antwoord te mogen ontvangen, en U weldra te zien, met achting,
Uw dienstw. Dienaar, (get.) Eelco Verwijs.
17-12-1867
rapport aan Gedeputeerde Staten van Friesland
[als in Boeles, De auteur van het Oera-Linda-Boek in De Vrije Fries (1928), blz. 470-471]
Hiernevens heb ik de eer U den uitslag van mijne reis naar Holland en de daarvan verkregene resultaten medetedeelen.
De Heer Over de Linden toonde zich aanstonds zeer bereid mij zijn ganschen rijkdom van oud friesche stukken te laten zien, welke bestond: 1° Uit het raadselachtige handschrift, dat ongeveer 200 bladzijden in 4° [quarto, ±25–35 cm hoog] bevat, doch waarvan het laatste gedeelte kennelijk ontbreekt. Het bestaat uit een samenraapset van verschillende geheel onzamenhangende episodes, overleveringen enz, waarvan het moeilijk zal zijn zich een goed denkbeeld te maken vóór en aleer het geheel is afgeschreven. Vóór dien tijd waag ik mij ook niet aan een bepaald oordeel over de echtheid.
Te Leiden zijnde heb ik mij een ganschen morgen met Prof. de Vries met het Hs. beziggehouden, en ook later met den Heer te Winkel. Ontegenzeggelijk komen er een menigte zeer oude friesche woorden in voor, maar aan den anderen kant is de zegswijze zoo modern, mist zij zoo geheel en al de eigenaardige oude kleur, dat telkens weer twijfel oprijst. Een nauwkeurig chemisch onderzoek naar het papier, of het van katoen of linnen is, naar de gele kleur, of die er later is aangegeven enz, naar de inkt zal tevens moeten plaats grijpen, aleer men tot vaste conclusiën zal kunnen komen.
2°. Uit een folio band van de dikte van een Statenbijbel, waarin een gedeelte ín het Latijn, het begin eener kroniek is, en het eerste hoofdstuk over den naam der Friezen en hunne vrijheid, over Karel den Groote enz. handelt. Verreweg het grootste deel is in het Nederlandsch en bevat het vervolg der kroniek tot ongeveer het midden der XVle eeuw. Van een los blad, dat mij reeds vroeger werd toegezonden, is afschrift genomen en de inhoud mede door de Heeren Buma en Eekhof onderzocht. Het behelst bijzonderheden uit het Saksische tijdperk, die bij geen andere friesche geschiedschrijvers zijn opgenomen. Het schrift en papier zijn uit de XVIe eeuw, en aan onechtheid bij geen mogelijkheid te denken. De nadere kennis dezer tot nu toe, naar het schijnt, geheel onbekende kroniek, kan misschien zeer belangrijk zijn.
Ik trachtte beide Hss. in hun geheel van den eigenaar mede te krijgen, doch daartoe liet hij zich niet vinden. Hij eischte bepaaldelijk dat het oude Hs. eerst in zijn geheel voor hem werd vertaald. Was dit geschied, kende hij er den inhoud van, dan zoude hij er volstrekt niet tegen zijn, dat het Hs. werd uitgegeven, mits het maar niets bevatte dat zijne familie kon compromitteeren! Ik verzekerde hem tot nu toe niets van dien aard ontdekt te hebben, maar begreep dat ik met een onverzettelijk karakter te doen had met een man, die niet zoude afwijken van het eens opgevatte voornemen. Ik beloofde hem dus het geheel voor hem te zullen vertalen, iets dat wel eenigen tijd zal vorderen, maar anders niet vele bezwaren in heeft, te oordeelen althans naar hetgeen reeds door mij er van is gezien. Dan eerst zal hij ook het andere Hs. afstaan, dat door een ervaren kopiïst met gemak kan worden afgeschreven. Het Friesch Genootschap zoude zich daarmede zeker gaarne belasten.
Mijn denkbeeld is nu mij vooreerst bezig te houden met het afschrijven en vertalen van het geheele oude handschrift, daar het mij dan eerst mogelijk zal zijn, een oordeelt over de echtheid of onechtheid uit te spreken. Een chemische bewerking zal over dat punt wellicht meer licht verspreiden. Ook eene reproductie van een paar bladen door middel der photographie zal misschien hierover aanwijzingen geven. In allen gevalle, ’t zij het Hs. echt of onecht is, de moeite er aan besteed zal ín allen gevallen niet geheel te vergeefs zijn. Zoodanig onderzoek zat natuurlijk tijd en arbeid vorderen, en de uitslag eerst later ter Uwer kennisse worden gebracht, daar ik mij voorstel in de werken van het Friesch Genootschap of op andere wijze er een breedvormig rapport over te geven, of het geheele Hs. met de vertaling uit te geven. Mijn toekomstig verblijf in Leiden, de huip van de H.H. de Vries en te Winkel zal de zaak niet schaden, maar naar ik hoop, bevorderen en over de duistere punten meer licht verbreiden.
Gaarne zal ik mij later, na mijn vertrek van hier, blijven belasten met den heer Over de Linden te correspondeeren, of persoonlijk met hem te onderhandelen, dat mij door de nabijheid van den Helder niet moeilijk zal zijn.
Hiermede meen ik mij van de taak te hebben gekweten, daar ik voor alsnog niet bij machte ben U meer bijzonderheden mede te deelen.
De Archivaris Bibliothecaris (get.) Eelco Verwijs.
12-4-1868
aan C. Over de Linden, vanuit Leeuwarden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Waarde Heer,
Toen ik U in November ll. verliet, had ik niet kunnen denken dat de volgende maanden mij zooveel beslommeringen zouden geven, en ik door een zeer onverwachte verandering in mijn leven, mijn vertrek met Mei naar Leiden, niet gestand zou kunnen doen aan mijne belofte om U spoedig wat van mij te doen hooren. Telkens hoopte ik nog eens met Uw handschrift aan het werk te kunnen gaan, maar telkens bleef het er bij, en daardoor ook mijn sints lang voorgenomen schrijven aan U. Eindelijk werd ik hedenavond opgeschrikt door een bezoek van den Heer Siderius, dien ik de beide quaterntjes van U ontvangen teruggaf, zonder er tot mijn spijt iets aan te hebben kunnen doen. Met een paar weken vertrek ik van hier naar Leiden, en hoop er met half Mei zoodanig gevestigd te zijn, dat ik ook eens weer aan iets anders zal kunnen denken. En dan hoop ik, zoo Gij na mijn lange stilzwijgen er nog genegen toe zijt Uw handschrift eens aan te pakken, en het ten einde te brengen.
Ik zal dan maar beginnen U eerst eene vertaling te zenden van de eerste bladen, die ik van U in facsimilè heb, en hoop dan verder voorttegaan. Gaarne zou ik dan wel het door mij reeds gekopiëerde, doch onvertaalde te Leiden eens terug hebben: dan hoef ik dat althans niet weer over te schrijven. Doch ik moet eerst bedaard en kalm in Leiden gevestigd zijn, eer ik er aan kan denken: dan krijg ik meer beschikbaren tijd, en zou gaarne dezen zomer in mijne vacantie de bewerking der geheele geschiedenis ten einde brengen. Als ik in Leiden ben, en de eerste drukte wat over is, hoort Gij dan wel eens nader van mij. Uw groote handschrift is zeer waarschijnlijk, naar de mij toegezonden bladen te oordeelen, een kopie van de Friesche Kroniek van Worp van Thabor, waarvan een deel is uitgegeven, een ander deel nog niet. Na groete aan Uwe vrouw, en na voor mijne weinige activiteit in dezen verschooning te hebben gevraagd, maar in de hoop dat Gij in Holland meer van mij zult vernemen.
Uw toegenegen (get.) Eelco Verwijs.
21-11-1868
aan C. Over de Linden, vanaf nu vanuit Leiden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Waarde Heer,
Uw brief deed mij dezen morgen genoegen, omdat ik nu eerlang er wat meer gat in zie eens aan Uw handschrift te denken. Ik heb het indertijd aan den Heer Siderius volstrekt niet kwalijk genomen, dat hij mij de papieren heeft onthaald, daar ik toen door overkroppende drukte bepaald in de onmogelijkheid was er iets aan te doen. En met mijne verplaatsing naar Leiden kon ik er wel op rekenen, dat er ook het geheele jaar niet van zou kunnen komen. Wel wetende dat dit zoo was, kon ik het onmogelijk aan den Heer Siderius kwalijk nemen dat hij de papieren meenam. Van een brief van 15 April Il. hierinner ik mij niets; mogelijk dat ik toen een brief heb ontvangen, maar toen zat ik juist in een examencommissie, waardoor ik van den vroegen morgen tot den laten avond bezet was, daartusschen kwam de drukte van verhuizen, van afscheid nemen, zoodat ik toen geen hoofd had om aan iets anders te denken, en dood moe hier kwam. Heb ik toen een brief ontvangen en snel(?) ontvangen, 't was zeker niet wegens kwalijknemendheid, dat zoo niet in mijn aard ligt, maar van te overspannen drukte.
Nu ben ik met verscheiden dingen, waarmee ik bezig was, zoowat klaar of op weg om klaar te komen, en zal dan eens wat geregeld eenigen tijd voor Uw Handschrift kunnen afzonderen.Doch dit zal wel niet veel voor half Januari of Februari zijn. En dan interesseert mij de zaak genoeg om ze eens goed aan te pakken. Om nu zooveel mogelijk geregeld te werk te gaan, wil ik liefst met A beginnen en met Z eindigen. Gij hebt nog als proeve het afschrift van de eerste bezending mij gezonden, neem die dan svp. weer mee, dan zal ik ook van het begin af aan U eene geregelde vertaling geven. Ik heb nog van bl. 1—21 naar Uw overtreksel, en verder van bl. 4662. Wilt Gij mij nu de kopie van mij tot bl, 21 weer meebrengen, en verder van Uw HS. bl. 22-46, dan zult Gij mij hiermede groot pleizier doen.
Na groete Uw dw. Dn (get.) Eelco Verwijs.
[N.B. — In de winteravondvergadering der leden van het Friesch Genootschap van 4 Februari 1869 wordt op voorstel van den heer Dr. E. Verwijs besloten het Bestuur te machtigen, onder toezicht van den heer Verwijs een kopij te laten vervaardigen van het handschrift van den heer Over de Linde(n) te Nieuwediep. 41ste Verslag van het Fr. Gen. bl. 176.]
17-5-1869
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Waarde Heer,
Hiernevens zend ik U het van U ontvangene deel van Uw handschrift terug, dat gekopiëerd is, maar waarvoor ik nog geen tijd heb kunnen vinden om aan de vertaling te denken. Ik ben er al eens mee begonnen, doch heb het werk om andere bezigheden telkens weer uit de hand moeten leggen. Gaarne wil ik nu het overige hebben, daar een jongmensch hier het handschrift voor mij kopiëert, die het overige nog wel voor de groote vacantie zal kunnen afmaken. Dan hoop ik het geheel in mijne vacantie dezen zomer mee te nemen en mij dan aan de vertaling te zetten. Daartoe heb ik ook eerst liefst het geheel afgeschreven om althans eens eerst door een aandachtige lezing op de hoogte te komen van hetgeen er zoo ongeveer in staat. Het een heldert dan licht het andere op. In de hoop spoedig het overige van U te ontvangen noem ik mij met achting
Uw toegenegen Dienaar (get.) Eelco Verwijs.
11-11-1869
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, volgens afschrift aan Boeles verstrekt door C. over de Linden te Amsterdam)
Waarde Heer
Eindelijk zend ik U het handschrift terug, waarbij Gij de vertaling evenwel nog met smart zult missen. Gij zult mij zeker al wel meer dan eens beschuldigd hebben over mijne traagheid, maar ik heb zooveel ander werk, dat ik er tot nog toe niet met kracht aan heb kunnen werken. Hier en daar is de vertaling zeer makkelijk en kan van ’t blad geschieden, maar op andere plaatsen komen weer moeilijkheden voor, die nog al tijd en studie vereischen. 'k Hoop evenwel U nu eerlang te kunnen helpen. Er komen rare dingen in voor. B.v. Een vuile Fries wilde de Volksmoeder verkrachten. Zij had er geen lust aan, enz.
’k Hoop dat Ge er eerlang in zijn geheel over zult kunnen oordeelen.
Na groete met achting Uw dw. Dienaar (get.) Eelco Verwijs.
11-11-1869
aan J. Winkler
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
Amice,
Bij de toezending van het Friesche Hs. aan de Bestuurders van het Friesch Genootschap heb ik hun het voorstel gedaan, U te verzoeken de vertaling er van op U te nemen. Ik heb het zoo druk met allerlei werk, dat ik geen kans zie er vooreerst mij wat onafgebroken mee bezig te houden. Hier en daar kan men de vertaling zoo opschrijven, doch er schuilen ook nog al moeilijkheden en vreemde woorden in. Nu weet ik wel, zoo ik er eens mee begin, ik niet eerder rust voor ik die heb opgelost, en zoo zou ik er veel te veel tijd aan besteden. Voor U zal het allerwonderlijkste geschrift als Friesch dubbele aantrekkelijkheid hebben. Een recht idee over het ontstaan er van heb ik nog niet. De zaak interesseert mij nog al, en ‘tis mijn doel dan ook niet om er mijne handen geheel af te trekken. Doch, zooals Gij weet, heeft hij (O. de Linden) mij een Hs. van Worp van Thabor beloofd, zoodra ik hem de vertaling had geleverd. 't Is nu van belang dat zoo spoedig mogelijk in handen te Krijgen. Hebt Ge hier en daar zwarigheden, dan recommandeer ik mij zeer. Zoo'n etymologische questie valt nog al in mijn smaak, en dan is ook De Vries best te spreken. Teeken dan eenvoudig op de bladz. van 't Hs. en 't woord. 't Is vreemd, dat er enkele zeer oude woorden in schuilen, dat ook de vormen op een vorig tijdperk der taal wijzen, terwijl andere uitdrukkingen zoo heel nieuw klinken. B. v. skolt bij naht, falikant, nul in't cijfer enz. Doch zie en oordeel zelf.
Na groete T.T. Eelco Verwijs.
13-12-1869
aan J. Winkler
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
.... En nu over het Friesche Hs. Ook mij is dit tot dusverre nog een onoplosbaar raadsel. Telkens als ik het weer ter hand neem, word ik gezweept door een wind van meeningen. Er is te veel in dat aan de echtheid bepaaldelijk doet twijfelen, en zoo het al oud is, dan is het toch zeker nooit zoo oud als de beide jaartallen in het begin aanwijzen. Aan bedrog, aan eene mystificatie kan ik ook haast niet denken. De Heer Over de Linden is een ietwat ruw particulier, geplaatst aan de Rijkswerf te Helder Hij heeft niets geen verstand van zijn beide Hss., het eene de Worp van Thabor, een bepaald echt Hs. uit de XVe en XVle eeuw. Hoe is dit bij hem verzeild? Hij vertelde mij als jongen meermalen van zijn grootvader te hebben gehoord dat zij van Friesche afkomst waren, en dan liet de oude man zich eenigszins geheimzinnig uit over papieren nog onder hem berustende. Ik heb geen reden om aan de geloofwaardigheid van dit verhaal te twijfelen, daar hij een ronde ruwe kerel is. Het aanwezig zijn van een Hs. van Worp maakt mij de zaak aannemelijker. Wat nu het Hs. in kwestie aangaat, omtrent het papier rees bij mij aanstonds twijfel. Het is formaat van Engelsch kwarto schrijfpapier, doch zeer geel geworden. Een watermerk heb ik er nergens in gevonden dat mij een sleutel zou kunnen geven. 't Papier dient dus altijd nog eens onderzocht te worden. Ook het schrift is zeer ongewoon, en geheel afwijkend van atle middeleeuwsch schrift. De 20 eerste bladzijden heeft hij op vloeipapier doorgetrokken, en als proefje stuur ik er U een blad van. Op een der bladzijden is de sleutel van dat schrift, en dat komt mij ook verdacht voor. Verder zijn de cijfers boven de bladzijden arabische, en daardoor mij ook al verdacht. En dan de inhoud! Die is zoo dol, zoo onsamenhangend, dat ik daardoor ook telkens tot de gedachte kom: Zoo’n geschrift kan niet echt zijn. De taal is hier en daar oud; de vormen daar, maar dan komen er weer zulke moderne spreekwijzen in voor, dat het onmogelijk is dat die bv, in de middeleeuwen zoo geschreven zijn. Doch ik durf er ook nog niet recht aan om het als een bedrog, als een knutselwerk van later tijd te beschouwen. 1°. De aanwezigheid er bij van den codex van Worp; 2°. Wie zou of in deze of in de vorige eeuw in staat zijn geweest zoo’n literarisch bedrog te plegen? De man zegt na den dood van een Oom in 't bezit dezer reliquien gekomen te zijn, van wier bestaan hij niets wist. Zonder mij een bepaald oordeel aan te matigen stel ik de vraag: kan ook onder de Westfriesche familie sedert langen tijd het een en ander berust hebben, dat een ouden oorsprong had! Kan dit misschien ook telkens overgeschreven en weer overgeschreven zijn, en zoo allengs zijn oorspronkelijke zuiverheid verloren hebben. Doch dan zitten we nog altijd met den dwazen inhoud, die bijna ontwijfelbaar aan een tapwerk van lateren tijd doet denken. Maar wanneer is het dan ontstaan? Ik weet het niet. ’k Zal zien het nog eens door te lezen voor ik met Kerstmis in Friesland kom, en hoop er dan nog eens met U over te praten. En ee Amice, na groete T.T. Eelco Verwijs.
Ik stuur er U ook het blad bij, waarop de sleutel van het schrift.
11-11-1869
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
Waarde Heer,
Daar ik zelf door zooveel andere werkzaamheden ben overladen, heb ik Uw Hs. in handen gegeven van iemand te Leeuwarden, die veel aan 't Friesch doet, en zeer veel vrijen tijd heeft. Dadelijk na het ontvangen van uw brief heb ik hem geschreven (Zie no. 22) met verzoek om inlichtingen, hoe het met de zaak staat en hem medegedeeld, dat Gij — en geen wonder ook — zeer verlangend waart er eens iets meer van te vernemen. Zoodra ik van hem bericht krijg, hoop ik nadere en naar ik hoop bevredigende inlichtingen te kunnen geven. Door hem het werk in handen te geven meende ik U spoediger te kunnen helpen dan wanneer ik zelf er zoo eens te hooi en te gras een uurtje aan kan geven.
Na groete Uw Dw. Dr. Eelco Verwijs
24-4-1870
aan J. Winkler
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
Amice,
Van morgen kreeg ik een briefje van den Heer Over de Linden uit den Helder, die wat ongeduldig begint te worden en zeer verlangt naar den inhoud van zijn Hs. Ik klop dus maar eens bij U aan om te vernemen, hoe het er meê is. Hebt Ge b.v. een behoorlijk stuk er van, laten we hem dan maar wat in den mond stoppen, dan zal hij voorloopig wel tevreden zijn. Kunt Gij er wat voortgang meê maken, 't zat ook in het belang zijn van het Friesch Genootschap, daar dan de aan mij toegezegde Worp van Thabor ook gauwer in ons bezit komt. Hebt Ge hier en daar lacunes, laat die eenvoudig open, of maak er ex conjectura wat van...
Wees zoo goed mij eens met een enkel woord op mijne vraag naar het Hs. te antwoorden: dan kan ik den Heer Over de Linden den stand van zaken mededeelen.
Na groete, Uw toegenegen Eelco Verwijs.
28-4-1870
aan J. Winkler
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
Amice,
Al ben ik hoe langer zoo meer tot de overtuiging gekomen en geheel en al van Uwe zienswijze dat het Friesche Hs. onecht is en een lapwerk van lateren tijd, stelde Uw brief mij toch eenigermate te leur, daar ik nu niet recht weet wat aan den Heer Over de Linden te schrijven. 't Geheel is mij nog een raadsel, zuiken onzin had men in de Middeleeuwen niet kunnen schrijven, zoo'n samenraapsel niet bij elkaar kunnen flanzen. Maar 't is mij dan nog altijd een even groot raadsel, wie zoo iets of vroeger of in in den tegenwoordigen tijd bij elkaar heeft kunnen krijgen, wie zulk een werk zou hebben willen ondernemen; want ik beloof U, alleen ’t schrijven heeft veel tijd gekost. En toch 't schrift moet nieuw zijn blijkens de inkt, die ik tot mijn spijt niet chemisch heb laten onderzoeken, evenmin als 't papier, dat mij evenzeer jong voorkomt en expresselijk geel gemaakt, of bruin, om het een antiek waas te geven. Reeds de vlakken, en de aard er van, gaven mij vroeger vermoeden tegen de echtheid, daar ik zoodanige vlakken nooit in onze Hss. heb gezien.
Doch hoe het zij, de draden kan ik nog maar niet in de handen krijgen,en ik weet niet op hoedanige wijze de zaak te zullen ontraadselen. Is het een lapwerk van den tegenwoordigen tijd, dan vermoed ik dat het een kunststuk is van een of ander mijner vijanden, die mij er heeft willen laten inloopen. Maar dan moet het al een zeer bittere vijand zijn, die zulk een bloedig werk zich heeft willen getroosten enkel en alleen om mij er danig in te laten loopen en het zoete der wraak in al zijn volheid te genieten. Niet wetende wie dat zou kunnen zijn, toen ik voor een jaar of 4 het eerst er meê in kennis werd gesteld, dacht ik toen nog meer aan een werk uit de vorige eeuw, toen men ook wel een Klaas Kolijn fabriceerde, al pleitte het papier er tegen, en het excuus daarmede in verband op de eerste bladzijde.
Zooals ik U vroeger schreef, had ik geen vermoeden van kwade trouw op den Heer Over de Linden en het Hs. van den Worp ook in zijn bezit gaf dan ook de zaak een meer eerlijk voorkomen. Want dat is zoo onvervalscht als goud. Is het niets anders dan een samenzwering tegen mijn persoon, dan is zeker de zaak zeer mooi gesponnen, daar men mij dat Hs. heeft beloofd na afloop der vertaling. Doch wat nu den eigenaar te schrijven? Ik ben gaarne bereid het geheele ding nog eens aandachtig te lezen, en U dan mijne bevindingen mede te deelen. Wordt dan mijne opinie aangaande de onechtheid bevestigd, dan — ja, wat dan? Het lokaas van dat Hs, van den Worp, dat mij is toegezegd, dat ik weder aan het Friesch Genootschap heb beloofd, zoo het de onkosten van het kopiëeren wilde bekostigen, maakt voor mij de zaak moeilijk. Hoewel — ’k zal dan ook niet aarzelen te vertellen hoe de vork in den steel zit, en en wat ik er van denk. En dan zal 't ook best zijn den eigenaar te zeggen, dat de vertaling ons den tijd er aan te besteden niet waard is, daar wij bepaaldelijk bedrog vermoeden.
Wat dunkt U daarvan? ’k Zal nu maar eens aan 't lezen gaan en deel U dan mijne bevindingen nogmaals nader meê.
Adieu, na groete T.T. Eelco Verwijs.
28-6-1870
aan C. Over de Linden
(als in Boeles 1931, naar originelen of afschriften in het kistje door Johan Winkler gegeven aan de bibliotheek van het Friesch Genootschap)
WelEdele Heer,
Verschillende omstandigheden hebben gemaakt dat er nog niet veel van het werk is gekomen. Wanneer ik te Leeuwarden kom in de volgende maand denk ik er ook eens over te spreken.
Het adres dat gij begeert is: Johan Winkler, Arts te Leeuwarden.
Na groete, in haast Uw Dw, Dn. Eelco Verwijs
[24-11-1870 verslag Winkler voor Fr.Gen., zie Boeles 1931 blz. 22]
1-12-1870
aan J.G. Ottema
(fragment als in Boeles 1931 blz.24-25, als door Ottema medegedeeld in voorschrift bij tweede uitgave OLB 1876, blz. IX)
Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft gehangen — scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb nooit middeleeuwsch papier gezien zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken.
[16-2-1871 verslag Ottema voor Fr.Gen.; zie 43e Verslag 1870/71, bl. 203]
17-3-1877 (datum eerste publicatie)
[ingezonden stuk in De Ned. Spectator, overgenomen in Alg. Handelsbl. 20-3-1877 - JJK 149]
Nog het Oera-Linda-Boek.
Waarde Spectator!
In het verhaal door een onbekende gedaan van mijne vermakelijke ontmoeting met Cornelis Over de Linden, komt eene uitdrukking voor, waartegen ik bepaald in verzet moet komen. In den zomer van '67 ontving ik door bemiddeling van den heer J., te Harlingen, een twintigtal bladen 4° mailpapier, die een facsimile waren van het oorspronkelijk Hs. De heer J. had ze weêr van een nader ter inzage bekomen, maar mocht omtrent de herkomst niets mededeelen.
De onbekende schrijver zegt: “de heeren V. en J. waren volstrekt geene vrienden, eerder vijanden.” Hiertegen moet ik opkomen, daar ik zelfs het genoegen niet heb den heer J. persoonlijk te kennen. Slechts eens, als ik mij wel herinner, heb ik den heer J. gesproken, misschien 10 minuten lang, over eene zaak die met het onderwijs in betrekking stond, en onze samenspreking was toen zeer vredelievend. Verder zijn wij nooit met elkander in aanraking geweest, vóór hij mij de bladen van het O.-L.-Boek toezond: van vijandschap zal dus wel geen spraak kunnen zijn. Had die tusschen ons bestaan, er zouden redenen voor geweest moeten zijn, en ik ben mij niet bewust dat er ééne enkele bestond. Ik laat dus ook de conclusie aan den onbekenden schrijver over, dat de heer J. toen reeds alles van de zaak wist en er mij wilde laten inloopen.
Wegens de geheimzinnigheid, die over de geheele zaak zweefde, het onbekend willen blijven van den eigenaar van het Hs., benevens twijfel aan de echtheid, schreef ik kort na de ontvangst een misschien wat scherp briefje aan den heer J., waarin ik te kennen gaf, dat ik er liefst niet wilde inloopen en de geheele zaak niet vertrouwde. Kort daarop vernam ik den naam van den eigenaar Cornelis Over de Linden, die mij zijn portret toezond, en omtrent wien ik o.a. inlichtingen inwon bij mijn vriend Haverschmidt, destijds predikant aan den Helder. Niemand had ook maar eenigszins vermoeden op den meesterknecht aan de R. Scheepstimmerwerf.
Voor ik eindig kan ik niet nalaten een eerepalm te vlechten om de slapen van Cornelis Over de Linden. De heer Leendertz zegt in de Navorscher, dat onze nieuwe Klaas Kolijn geen pleizier van de zaak heeft gehad, althans niet zooveel als hij er zich van had voorgesteld. Nog bejammer ik het, dat ik de brieven van C.O.d.L. den weg heb doen opgaan van de meeste brieven en ze niet als kostbare relequieën heb bewaard. Echt of onecht, ik wilde het Hs zelf zien en er niet bij stukken en brokken kennis mede maken. Maar O.d.L. wilde in ‘t eerst niets loslaten, deed mij heel trouwhartig het verhaal hoe hij in het bezit er van was gekomen, hoe zijn grootvader tot hem als kind reeds allerlei geheime toespelingen maakte op iets groots, dat als een stralenkrans het geslacht der Oera Linda's omgaf.
Eindelijk ondernam ik in November zelf de reis naar den Helder, omdat ik de zaak tot klaarheid wilde brengen. Daar kwam het heiligdom ter tafel: nogmaals vernam ik hoe het in zijn handen was gekomen. Nogmaals hoorde ik de woorden van den grootvader, die, het jongske op schoot hebbende, zeide: “Mannetje, je bent tot iets groots geboren, maar dat moog je eerst later weten. Maar denk aan mijn woorden!” En, als om de echtheid te staven, werd mij tevens een Hs. van Worp van Thabor getoond. Slim overleg, om met een Hs. zoo echt als goud het valsche tevens te willen insmokkelen.
Maar nu wilden zijn vrouw en hij er wel wat meer van weten. Ik begon met het begin. De vrouw werd met opgewondenheid op de knie geklopt, toen die voormoeder Adela daar kwam kijken. En het gezicht van den maker plooide zich zelfs niet tot een glimlach; met het leukste gezicht deed hij mij allerlei vragen en wilde, o zoo graag, spoedig een vertaling. Toen werd mij een deel van het Hs. toevertrouwd, waarmede ik den volgenden morgen den Helder verliet.
Als het een genot is, het Paradijs waardig, er zijn evenmensch in te laten loopen, dan heeft Cornelis O.d.L. dat zeker dien middag gesmaakt. En daarom breng ik mijn hulde aan den reuzensnaak, die met vermakelijke leukheid en drogen humor zijn rol heeft gespeeld op een wijze den uitstekendsten tooneelspeler waardig. Hoe [ik] ook eerst twijfelende aan de echtheid en later ten volle van de onechtheid overtuigd, nooit is het in mijn hersenen opgekomen, dat de origineel — want dat was hij — die toen tegenover mij zat, ooit de maker konde zijn van zulk een werk, waartoe toch een uitgebreide kennis noodig was.
Moge het gewoonlijk niet aangenaam zijn, wanneer men beet wordt genomen, om dit geval kan ik het mijnen origineel niet kwalijk nemen. Ik vergeef het hem gaarne, want hij wist wat hij deed, en hij deed het alleraardigst. Liever leg ik een krans op het graf van dien verren achterneef van den vader der logenen, dien aartsguit.
Hij heeft er wel pleizier van gehad, en zelfs heel veel! Toen ik den volgenden morgen in den trein nadere kennis maakte met Adela, met neef Teunis en neef Inka, met de oude Friezen, die op hun stoepbanken zaten, kon ik niet nalaten soms vrij hardop te lachen over de onzinnige verhalen. Weinig had ik toen gedacht, dat misschien de werkplaats van den meesterknecht op hetzelfde oogenblik weergalmde van een luiden schaterlach, dat de man zich misschien nu en dan op den grond omrolde van louter pleizier, omdet hij het genot had gehad er mij zoo danig en danig te laten inloopen.
Uw Eelco Verwijs.
(Uit den Nederlandschen Spectator.)