Jump to content

1877 Onthullingen Vosmaer: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
add
 
mNo edit summary
 
(One intermediate revision by the same user not shown)
Line 1: Line 1:
  '''JJK 168''' [[Carel Vosmaer|Vosmaer, C.]] - Onthullingen over ’t Oera-Linda-boek, <small>dl. I en II</small> (bespr. ''Wie heeft...?'') - Het Vaderland, 5 en 11-4-1877 [overn. in ''LC'' [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586924:mpeg21:a0060 29-4] en [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586927:mpeg21:a0066 6-5-1877]];
  '''JJK 168''' [[Carel Vosmaer|Vosmaer, C.]] - Onthullingen over ’t Oera-Linda-boek, (bespr. ''Wie heeft...?'' in twee delen) - Het Vaderland, 5 en 11-4-1877 [overn. in ''LC'' [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586924:mpeg21:a0060 29-4] en [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010586927:mpeg21:a0066 6-5-1877]].


Uit publicaties in ''Leeuwarder Courant'':
Uit publicaties in ''Leeuwarder Courant'':

Latest revision as of 11:41, 28 August 2025

JJK 168 Vosmaer, C. - Onthullingen over ’t Oera-Linda-boek, (bespr. Wie heeft...? in twee delen) - Het Vaderland, 5 en 11-4-1877 [overn. in LC 29-4 en 6-5-1877].

Uit publicaties in Leeuwarder Courant:

Onthullingen over ’t Oera-Linda-boek. [I.]

Nu er tien jaren lang over dit altijd hoogst merkwaardige handschrift is getwist, schijnt het, dat er thans met meerdere zekerheid een antwoord kan worden gegeven op veler vraag: Wat hebben wij toch van dit boek te denken? Na de ophelderingen van den Heer Beckering Vinckers heeft de Heer Mr. C. Vosmaer, redacteur van den Ned. Spectator, zijn gevoelen daarover zeer duidelijk mdegedeeld in „het Vaderland” van den 5 en 11 dezer maand April 1876. Behoudens nadere ontdekkingen, komt dat gevoelon en die voorstelling ons zoo waarschijnlijk en verstandig voor, dat wij ons verpligt achten (zoo wij hopen voor ’t laatst) deze belangrijke stukken aan onze lezers ter inlichting mede te deelen.

„Je weet, ik ben een rare”, zei Cornelis Over de Linden eens tot den heer D. Dekker, hoofdonderwijzer aan den Helder.

En een rare was hij. Cornelis Over de Linden heeft misschien den eerzuchtigen droom gekoesterd, den oorsprong van zijn geslacht te grondvesten in de mythische tijden van Oud-Friesland, en dit is hem niet gelukt; maar wat hij niet beoogde, zich selven beroemd te maken, en de vermaardheid van hem te doen aanvangen, dat is de uitkomst geweest. Hij zelf is een zielkundig verschijnsel zóó belangrijk, hij en zijn denkbeelden en zijn boek doen zóó veel vragen en antwoorden rijzen, dat men er nog lang niet over uitgepraat zal zijn. De onthullingen van den heer Beckering Vinckers doen ons een allerzonderlingst menschenleven zien, maar zonderling vooral door de hooge uitnemendheid van dit exemplaar. De soort toch is in Nederland niet zoo vreemd als men meent.

De Over de Linden’s behoorden tot den werkmansstand; Cornelis, geboren den 11n Januari 1811, kwam in 1833 bij de rijkswerf aan den Helder en klom daar op tot eersten meesterknecht. Hij was een buitengewoon vaardig en vernuftig werkman. Hij maakte honderden teekeningen van den scheepsbouw; hij vervaardigde de kunstigste modellen; hij schreef een boek, met platen, getiteld: Een nieuwe vorm van een zeeschip. Dit voor zooveel zijn ambacht betrof; maar hij wist en kon nog duizend dingen buiten dat.

Deze man, zich nederzettende na eene druk bewogen jeugd, die weinig onderwijs toeliet, kon in 1833 noch nauwelijks schrijven. Maar er woonde in hem een groote, sterke geest en die geest gordde zich aan tot reusachtige dingen. Eerst leerde bij Fransch, daarna Oudfriesch, Engelsch en Duitsch; hij oefende zich in het pianospelen; bij leverde vertalingen voor de Heldersche en Nieuwe- Dieper Courant; hij schafte zich allengs eene verzameling van boeken aan.

Zoo zijne boeken, zoo de mensch. Wat was de hoofdinhoud dier kleine boekerij? Reizen, avonturen, beschrijvingen van vreemde landen; vooral geschiedenissen der godsdienststelsels: — bespiegelingen over de Grieken; Zimmerman, De wonderen der voorwereld; Clavel, Geschiedenis der vrijmetselarij; Terson, Het einde der oude en het begin eener nieuwe wereld; Alexander de M., De bijbel in haar eigenlijke waarde; Mercier, het jaar 2440; Volney, de ruïnen; Massuet, éléments de la philosophie, 1752; Eliahum, l’Evangile primitif; kosmogonische werken, die voedsel gaven aan de fantazie; een aantal oud-friesche rechtskundige‚ taalkundige en geschiedkundige bronnen; boeken over runenschrift en paleographie.

Aldus werd zoo het groote en scherpzinnige verstand opgevuld met eene kolossale menigte kennis. Daarmee stevende de vrijzinnige geest, trotsch op zijn kracht en zijn onafhankelijk denken, stoutweg het onbekende in. Met volle zeilen streefde hij door de bespiegelingen en voorstellingen van wereld en menschdom, wijsbegeerte en godsdienststelsels.

Verbeeld u nu zulk eenen man, op een plaatsje als den Helder; afgesloten van wetenschappelijk verkeer, niet aangetrokken door de armeren van geest die hem omringden; geprikkeld door de behoefte, die ieder gevoelt, uitwendige gestalte te geven aan de idealen die in hem woelen; en het is niet langer onverklaarbaar, dat hij eerst zijne zestig schoolschriften vulde met gedachten en opmerkingen, daarna het beroemde Oera-Linda-boek zamenstelde.

Voor dit laatste waren echter nog meer geestelijke beweegredenen vereischt.

In de ziel van Cornelis Over de Linden kiemde een woord zijns vaders: wij zijn van overouden Frieschen stam. Dat woord wies in hem op en vond voedsel in het bewustzijn van eigen kracht en eigen uitstekendheid op velerlei gebied.

Hij had gezien wat één man, met machtig verstand en met boeken, buiten alle school zelf kan vinden en denken. Hij was zich zolven dien ouden adel als het ware bewust, en hij wilde de overlevering tot werkelijkheid maken.

Intusschen een zoo zamengestelde geest en karakter als die van den genialen scheepsbouwmeester zijn, niet met eene enkele oplossing verklaard.

Daar woelde noch veel meer in hem en, mogen die droomen van friesche oudheid één factor zijn, er waren er nog meerdere en nog krachtiger.

Er is in ons uit zjn aard protostantsch, vrijgeestig onafhankelijk denkend volk eene kern, bij welke die eigenschappen in hooge mate en veelvuldig voorkomen, de burgerlijke middenstand. Het is een zeer gewoon verschijnsel bij ons, in eenen werkman of baas, die een eenvoudig beroep uitoefent, de vrijzinnigste, verlichtste denkbeelden over God, wereld en menschdom aan te treffen; hen bekend en zeer vertrouwd te zien, niet slechts met den bijbel, maar ook met de nieuwste kritische werken daarover. Wijsgeeren, vaak van den kouden grond, telkens mistastend in de bizonderheden en de gronden, maar zeer scherpzinnig en juist oordeelende voor zooveel de hoofdzaken betreft.

Een der zulken, en een der uitstekendsten, was Cornelis Over de Linden.

Eenen geestverwant vond hij in zijnen niet minder zonderlingen vriend Ernst Stadermann. Deze, een saksische demokraat, die zijn land had moeten ontvluchten, had zich aan den Helder als boekbinder gevestigd en woonde naast Over de Linden. Hij was een knappe kerel, las zijn nieuw testament in het Grieksch, kende wat Hebreeuwsch, en stemde met Over de Linden zamen in afkeer van kerk, priesters, vorsten en aanzienlijken.

Alzoo een soortgelijke domokraat en filosoof als Cornelis, en zeker komen er in het Oera-Linda-boek denkbeelden voor, die de vrucht waren van beider vertrouwelijke gesprekken.

Die denkbeelden van Over de Linen waren van eenen bizonderen aard. Bij degeen die wij uit het Oera-Linda-boek kennen komen nu die, welke de heer Vinckers met veel studie heeft ontdekt in de zestig schoolschriften door Cornelis gevuld. Er bestond dan, volgens dezen, eene geheime orde, (zeer zeker verwant of gelijk aan die der vrijmetselaars), de orde der vrije bouwlieden; zij was van chaldeeuwschen oorsprong en verwant met de sekte der Esseërs. Zij bezat zinnebeelden, als het paslood en den schommel; haar leden waren broeders. Haar doel was het verkondigen van eenen waarachtigen God, het verdedigen van de menschen tegen schijnheilige priesters en vorsten; het uitroeien van het kwaad, dat zijn oorsprong heeft in onwetendheid. De stichters der godsdiensten waren menschen: Bram, de bron van den Bramaanschen godsdienst; Ben, de stichter van Benares; Ary, een vrije bouwman, de vader der Aryers; Boedha is gelijk Jezus; ook Jezus was een vrije bouwman.

„Ik zal door gelijkenissen tot u spreken ” zegt een der broeders, die Over de Linden sprekend opvoert, „omdat de ideeën u dan langer bij blijven; zoo, deden mijne vaderen, de vrije bouwlieden.” Steeds bestrijdt hij de domheid, de valsche goden, het eigenbelang dat moet wijken voor de liefde tot den naaste. Ook hier komt Wralda voor, in de beteekenis van overoude of opperwezen.

Ten slotte vindt men in de cahiers beschouwingen over het ontstaan van de godsdiensten der Brahmanen, Boedhisten, Israëlieten en Christenen.

Dergelijke deïstische, anti-clericale denkbeelden komen ook in het Oera-Linda-boek voor.

Zij hebben dit bizondere, dat zij gedeeltelijk reeds verouderd waren en in hun karakter en voorstelling tot een vroeger tijdperk behoorden. Zij raken tweederlei, eenigermate verwant, gebied, bespiegeling over God, godsdiensten en wereldorde, en vrijmetselarij. In beiden staat de heldersche filosoof noch op het standpunt, dat in Nederland de vrije denkers in de eerste dertig jaren onzer eeuw innamen.

Het is vreemd dat men het maçonnieke van Over de Linden’s ideeën noch niet heeft opgemerkt. Was hij maçon? Hot zou mij niet verwonderen, maar het ware overigens niet noodig, want sinds lang liggen al de geheimen der orde in honderden boeken voor ieder ontsluierd. Het is dus ook geenszins onbescheiden op dezo bron te wijzen, ter vergelijking en verklaring van Over de Lindens’s begrippen over de gelijkheid aller menschen, over hunnen broederband, van zijn afkeer van priesters, over de liefde tot den naaste, van zijn deïsme, zijne symboliek enz. Maar nu komt daar noch bij, dat men bij de geschiedschrijvers of bespiegelaars op het gebied der maçonnerie vooral in zeker tijdvak altijd die Chaldeërs, Therapeuten en Esseërs vindt terwijl zij gaarne den rooden draad hunner denkbeelden door alle godsdienststelsels heen vervolgen en nasporen. Het is ontwijfelbaar, dat maçonnieke bespiegelingen in al deze geschriften voorkomen, en ik ben overtuigd, dat het streven om aan dergelijke denkbeelden ingang te vorschaffen een van de beweegredenon tot het schrijven van het Oera-Linda-boek en de noch onuitgegeven cahiers is geweest. Wie weet hoe menige oude oorkonde, b.v. de beroemde Engelsche der 15e eeuw (bij Krause te vinden), of het beruchte charter van Keulen, even verdicht als het Oera-Linda-boek, niet aan dergelijke bespiegelaars en poëten hun oorsprong vorschuldigd zijn. Ook uit dit oogpunt zijn de geschriften van C. Over de Linden zoo belangrijk.

Evenzeer als deze oudere en niet historiesch gevestigde beschouwingen over maçonnerie, evenals zijne taalkundige en mythologische afleidingen, behooren ook Over de Linden’s filosofie en leer der godsdiensten tot een vroeger tijdvak. Zij zijn noch die, welke zich vormden uit Voltaire’s Dictionnaire philosophique, uit Dupuis, Origine de tous les cultes, ult Volney’s Ruines. En het is een zonderling, maar opmerkelijk schouwspel, te zien hoe deze verouderde wijsheid, die in de wetenschappelijke kringen reeds lang door de historische kritiek en de vergelijkende studie der talen en godsdiensten is overtroffen, in een uithoek onzer landen na zooveel jaren noch nawerkt onder de burgerij, en hoe een boek van 1791 als Volney’s Ruines, op de baren der tijden en meeningen voortgestuwd, in de helft der 19e eeuw aan het verre strand van den Helder met de laatste golvingen van den wereldstroom aanspoelt; hoe van het wrakhout van dat eenmaal fiere en blinkende schip de kiel wordt getimmerd van een nieuw schip: het Oera-Linda-boek.

(Het vervolg hierna.) — C. Vosmaer.

Onthullingen over ’t Oera-Linda-boek. II.

(Vervolg en slot van no. 51. [nr. v/d krant])

Wij hebben twee beweegredenen ontleend, die Over de Linden tot zijn verdichtselen konden voeren: de zucht tot ouden geslachtsroem, en die om zijne denkbeelden over God of godsdiensten, wereld en maatschappij te verbreiden.

Eene derde, aan beiden verwant, is de vereering van Friesland, („den kinderen te leeren hoe groot ons land weleer geweest is”), en nu ik op nieuw het geheele Oera-Linda-boek aan éen stuk heb herlezen, springt het mij met de grootste klaarheid in het oog, dat het vooral daaraan zijn ontstaan te danken heeft. Het is toch éene, doorloopende verheerlijking van Frya’s volk.

„Het was Frya’s dag en te dier tijd was het zevenmaal zeven jaren geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder „naar Frya’s begeerte. De burg Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen.

Nu zou Festa de nieuwe lamp aansteken, en toen dit gedaan was in tegenwoordigheid van het volk, riep Frya van haar waakstar: Festa, neem uwe stift en schrijf de dingen, die ik niet spreken mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo zijn wij, Frya’s kinderen, aan onze vroegste geschiedenis gekomen.

Dit is onze vroegste geschiedenis. Wralda, die alleen goed en eeuwig is, maakte den aanvang; alsdan kwam de tjd; de tijd wrochtte alle dingen en ook de aarde; de aarde baarde alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het booze gedierte. Alles wat goed is bracht zij bij dag voort, en alles wat kwaad is, bracht zij bij nacht voort. Na het twaalfde joelfeest bracht zij voort drie maagden:

Lyda uit gloeiende stof,

Finda uit heete stof en

Frya uit warme stof.

Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem, opdat de menschen aan hem zouden verbonden wezen.

Van deze drie zijn alle menschen gekomen. Lyda was zwart, kroes van haar als de lammeren; als starren blonken hare oogen; ja des grijpvogels blik was vreesachtig bij den hare.

Scherpe Lyda. Een slang kan zij hooren kruipen, en wanneer er visschen in het water waren, ontging het haren blikken niet.

Rapgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij liep, brak geen bloemstengel onder haren voet.

Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet hooren; hare daden werden door hare driften bestuurd.

. . .

Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard.

Verleidelijke Finda. Zoet was haar stem, hare oogen lokten en lonkten, maar die er in zag werd een slaaf.

Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er niet éene van op ...

Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer oogen won het den regenboog af.

Schoone Frya enz.

Verstandige Frya. Met eerste wat zij hare kinderen leerde was zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij volwassen waren, leerde zij hun de waarde der vrijheid kennen.

Toen zij hare kinderen had opgevoed, gaf zij hun haar tex en zeide: laat die uw wegwijzer wezen.

Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wralda’s zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten weg, de lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder omzagen, was zij reeds opgerezen tot hare waakstar. Toen sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!

En haar kinderen bouwden een burg en aan zijne wanden schreven zij de tex, en hebben het land daarom Texland geheeten.”

Uit dit schoone stuk mythische poëzie zien wij, dat de Friezen de kinderen zijn der edele Frya. Zij trekken de geheele wereld door. Zij zijn aan den Punjaub en in Fenicië, in Hellas, Italië en Spanje, in Brittenland en Skandinavië, en overal is Frya’s volk het edele, moedige, sterke en vrije. Hun eeremoeder, die op Texel haren burg heeft, bewaard daar Frya’s tex, Frya’s woord, en het symbool daarvan is de lamp, het ware licht van Wralda, bewaakt door zeven maagden.

Even dichterlijk schoon is de voorstelling van Wralda (het opperwezen).

„Wralda is het overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles (ella in ella) want hij is eeuwig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen; daarom wordt dit wezen geest genoemd.

Wralda legde eeuwige inzettingen in al het geschapene. Maar de boosheid der menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid of domheid.

Met het joel (het tijdrad) wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen, en omdat hij bijft, daarom is hij eigen wezen (wêsa) en al het andere schijn (skin).

Alles is wisselend, hij alleen blijft. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar: ik dacht. Onze geest is een afschijnsel van Wralda’s geest. Toen hij kinderen gaf aan de moeders der menschen, toen legde hij eene taal in aller tongen en op aller lippen. Maar de booze vorsten en bedriegelijke priesters hebben andere talen verzonnen, opdat zij ranken zouden kunnen bedrijven.”

Het oude land van Frya’s kinderen wordt geschilderd als het schoonste in de wereld; het was een gouden eeuw; altijd zomer, altijd vruchten en ooft, die later verloren gingen. De jaren werden niet geteld, want elk jaar was gelukkig. Toen volgde de booze tijd, met omwentelingen in de natuur en met de slechte volksstammen, uit Lyda en Finda gesproten. Toch bleef Frya’s volk het edele. Daar werd de éene Wralda gediend; deugd, trouw, eenvoud gekweekt; weelde en erfelijk landbezit geweerd om verbastering te keeren; de vorsten en priesters bestouden voor het volk; zachte, billijke wetten regeerden; in éen woord het was een aartsvaderlijke, socialistisch getinte toestand. Maar van heerschzuchtige vorsten en bedriegelijke, vuile priesters kwam bederf. Daarom roepen de oude sehrijvers en schrijfsters, wier inzettingen en verhalen wij hier krijgen, altijd en telkens tot Frya’s kinderen: „waak, waak, waak!” En „lees, leer, waak!” (lês, lêr and wâk). Talloos zijn de uitvallen tegen de priesters, die Cornelis Over de Linden, en te recht, niet lief heeft.

„Noch duizend jaar zal de spaak (van het joel) dalen in de duisternis en het bloed, over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesters. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen. Dit ziende, zullen de valsche vorsten en priesters allen tagen de vrijheid worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en het joel zal uit den morsigen poel rijzen. — Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesters te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Dan zullen uwe kinderen in vrede leven. Zoo sprak de eeremoeder en zeeg neder. Zoo was het einde van de laatste der moeders. Wraak willen wij niet roepen, die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya naroepen: waak! waak! waak!”

Er is een belangrijke bladzijde, die ons den sleutel geeft van des schrijvers drijfveer. Het is die, waar hij (bl. 191 1e uitgaaf) de betere toekomst schildert, als de vorsten, die waarheid en recht liefhebben, zullen afwijken van de priesters; als het bloed zal stroomen, maar het volk daaruit nieuwe krachten zal putten; als de stammen van Lyda, Finda en Frya eendrachtig zullen worden; als alle valsche priesters weggevaagd worden van de aarde, en Wralda’s geest alom aangeroepen worden, geen andere vorsten gehoorzaamd worden, als die bij algemeenen wil zijn gekozen, en Frya zal juichen en Irtha (aarde) haar groen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is en duizend jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn. Zoo zegt Dela, toegenaamd Hellenia: waak!

In dezen toestand nu, in dien strijd tegen overheersching en voor het licht van Frya en van Jessos,

zullen er in alle oorden menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben. Deze Zullen hunne fakkels buiten brengen, zoodat alle man de waarheid zien moge; zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten

Ziedaar ontwijfelbaar de taak, die Cornelis Over de Linden op zich genomen heeft, het licht dat hij over de wereld heeft willen brengen, verbeeld in de rol die Frya’s, dat is Frieslands vrije volk, in de menschengeschiedenis heeft vervuld en noch te vervullen zou hebben.

Bij dit alles treedt het persoonlijke doel om zijn geslacht tot zoo hooge oudheid op te voeren, zooals men ziet, zeer op den tweeden of derden grond. Maar het eigenlijke streven verklaart ons ook waarom de verdichter van deze friesche oorkonden, die hooge oudheid, dien eerwaardigen toon aan zijne schriften gaf, waarom hij hun gezag en invloed niet wilde verzwakken of vernietigen door ze als eigen vinding te geven, maar trots alles hun echtheid volhield. Het plomp bedrog verdwijnt voor een goede bedoeling, en daartegen moet ook de toorn over den bedrijver afstuiten. Bovendien, de enkele, die te zeer is beetgenomen, heeft het zijner eigene zwakke kritiek te wijten. Geen man van degelijke wetenschap toch is, zoodra het geheele werk te lezen was, dupe geweest. Alleen reeds de geheel moderne geest, die overal zichtbaar is, ondanks het meesterlijke talent in het treffen van den ouden toon op zoo menige bladzijde, verraadde den tijd waarin het Oera-Linda-boek ontstond.

De allerzonderlingste woord- en naamsafleidingen, de stoute reconstructie der geschiedenis, geheel het omgekeerde van al het tot dusver bekende (de Punjaub bevolkt door Friezen, Athene gesticht door Friezen, Min-erva aldaar tot Athena geworden enz.) hebben aan eene schalksche bedoeling doen denken. Niet minder het aantal luimige en vaak zeer geestige opmerkingen; zooals b.v. de vermakelijke aardigheden der roeken, — „de roeken (roka, kraai) roepen spaar spaar, maar zij verslinden al wat onder hun snavel komt,” en der kikvorschen, „de kikvorsch roept werk, werk en zij doet niets als huppelen en kluchtmaken, (Forska hropath wark, wark, and hju ne dvath nawet as hippa and kluchtmakja) enz.

Hiertoe behoort ook de volgende satyre over de priesters:

Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, zei tot de priesters, die haar vroegen naar de beteekenis van den nachtuil boven haar hoofd: „hij helpt mij herinneren dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk hij in kerken en holen woont; die in duister omwroeten, doch niet als hij om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om ranken te verzinnen, andere menschen hun, wetenschap te rooven, opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken en hun bloed uit te zuigen oven als de bloedzuigers doen.”

De priesters op hun beurt vragen: zou Nyhallenia dan wel zoo goed willen zijn om ons wat van dat nieuwe licht (nya ljucht — hoe riekt die uitdrukking naar de 6de eeuw vóor Christus!) te leenen, waarop zij zoo trotsch is? (*)

Doch dit behoort tot den humor, waarvan dit werk mede doorzaaid is. De hoofdbedoeling echter was, blijkens al het aangehaalde, ernstig. Verscheidene dwaasheden zelfs waren den schrijver zeker ernst en alleen de vruchten van den aard eens autodidakten. De autadidakt is trotsch op zijne kennis en smaadt de wetenschap. Cornelis Over de Linden was een genie van aard en aanleg. Hij heeft getoond wat scherpzinnigheid, gezond verstand en stalen volharding kunnen verzamelen. Hij had de voordeelen, die het alleen denken en zoeken verschaffen. Maar ook de nadeelen, verbonden aan het versmaden van de stevige grondslagen der school, van de wetten en ervaring, die de wetenschap en de kritiek van duizenden voorgangers hebben vergaderd en tot klaarheid gebracht. Hij is een schitterend voorbeeld van wat men wordt, als men waant met gezond verstand alleen, buiten alle school, alles zelf te willen bemachtigen, als men met een sprong wil komen waar men alleen van lieverlede toe geraakt door strenge en regelmatige studie. Wetenschap in den waren zin, verkrijgt men niet zonder school. Daarom werkte hij in het wilde en kwam, zooals de autodidakt altijd, na ontzettend veel arbeid, herhaaldelijk tot uitkomsten, die door anderen reeds lang gevonden waren, of voor de meesten reeds lang verouderd zijn. Schoon is het verschijnsel van den onafhankelijken denker en vorscher, en ik zou er met kracht tegen opkomen, dat uit het gezegde een betoog geput werd ten voordeele van het aannemen op goed geloof en het zweren bij de woorden van officieele gezaghebbers. De mensch, ook de niet-geleerde, ook de eenvoudige man van gezond verstand mag en moet zelf denken en zoeken. Maar een waarschuwing klinkt er desniettemin uit feiten als die wij beschouwden, om niet vooraf te smaden wat de geregelde wetenschap langs zekere wegen vond, doch veeleer daarvan, zij het met eigen oordeel, kennis te nemen. Dat heeft deze geniale, maar „rare” verzuimd.

Was hij een geletterd of geleerd man geworden, hij had een verdicht verhaal gegeven, een archaeologischen roman, een friesch epos; een geschiedkundig of een wijsgeerig werk. Thans heeft hij wel een allervernuftigst werk voortgebracht, maar hij timmerde een kunstig driemasttuig, waarvan echter de masten in geen stevig zaadhout gevest waren, en het sierlijke tuig zweefde in het ijle.

Toch is er in dit vreemde boek en zijn maker zooveel, dat uit een zielkundig oogpunt belangrijk is; toch is er in dat boek zoo veel, dat geestig, schoon en opmerkelijk is, dat het, zoo niet onder de oorkonden der 6e eeuw voor Christus, dan toch zeker in onze letteren der 19e eeuw na hem eene plaats verdient.

C. Vosmaer.


(*) [redactie:] Wij vinden noch staaljes van Cornelis’ snaakschen geest in een onuitzegeven, ons medegedeelden brief aan iemand te Rotterdam; hij schrijft daar onder anderen: „hij moet eens overkomen om het O.L.B. te zien; daar ik geen kroegen en kerken betoek, kan hij mij alle zondagen te huis vinden.” — „Daar gaat de tweede vogelaar, zeide ik tegen mijn vrouw,” — toen X. ook al om het boek was komen vragen. — „X. wilde mij lid van het Friesche genootschap maken. Was ik jonger geweest, misschien dat ik dan wel zoo gek was geworden om daaraan te hechten” enz.