Suffried Peters: Difference between revisions
add |
tilia |
||
| (One intermediate revision by the same user not shown) | |||
| Line 1: | Line 1: | ||
==[[1873 Kritiek der Friesche Geschiedschrijving|Kritiek der Friesche Geschiedschrijving]] (1873)== | ==[[1873 Kritiek der Friesche Geschiedschrijving|Kritiek der Friesche Geschiedschrijving]] (1873)== | ||
''' Hoofdstuk ''Suffried Peters'' [1516-1589]'''<ref>wikipedia: [[https://de.wikipedia.org/wiki/Suffridus_Petrus|Suffridus Suffridus Petrus]]</ref>''' — (voorlopige) selectie''' | |||
[[File:Op titelblad boek Suffridus.jpg|thumb|Kenmerk uitgever (te Keulen) op titelblad boek Suffridus Petrus 1590: ''<u>tilia</u> semper nova saepius profero''|200px]]''' Hoofdstuk ''Suffried Peters'' [1516-1589]'''<ref>wikipedia: [[https://de.wikipedia.org/wiki/Suffridus_Petrus|Suffridus Suffridus Petrus]]: ''De Frisiorum antiquitate et origine libri tres'' (1590) (zie op [https://books.google.de/books?id=MA7-I6gPLugC&printsec=frontcover&hl=nl#v=onepage&q&f=false Google books])</ref>''' — (voorlopige) selectie''' | |||
[186] (...) | [186] (...) | ||
Latest revision as of 19:46, 15 March 2025
Kritiek der Friesche Geschiedschrijving (1873)

Hoofdstuk Suffried Peters [1516-1589][1] — (voorlopige) selectie
[186] (...)
Lib. III, cap. 1.
Dat de Saksen overblijfselen waren van het Macedonisch leger. Het schijnt derhalve dat er gewichtige bewijzen bestaan voor de meening dat de Saksen overblijfselen zijn van het Macedonisch leger. Vooreerst toch getuigt de schrijver van de Platduitsche kroniek, in 1482 door Peter Schöffer te Mentz gedrukt, dat de Saksen vóór ze in Germanië aankwamen Macedoniërs genoemd werden; verder verhalen de jaarboeken der Friezen dat de Saksen onder Alexander hebben gestreden en dat deze na zijn dood in Germanië zijn aangekomen. Ja zelfs in Saksen was volgens getuigenis van Krantz zelven, deze meening tot in zijn tijd algemeen verspreid. Hetzelfde wordt duidelijk door den Saksenspiegel verhaald; het wordt ook beweerd door Albert van Stade, door Widukind en door Warner Rolevinck ... verder door Joannes de Essendia en Henricus de Ervordia (d.i. de Herfordia) en onder de Fransche schrijvers door Sigibert de Gembloux, zoodat in- en uitlandsche schrijvers hierin allen overeenstemmen en Krantz [187] beweringen geen duit waard zijn, die ook geene goede bewijzen voor zijne beweringen bijbrengt en toch onbezonnen zoovele getuigenissen verwerpt, wat hij niet moest gedaan hebben dan met bewijzen, die gegrond zijn en helderder dan het middaglicht. Want die meening is niet onlangs ontstaan of nieuw gevonden, maar eeuwen lang is zij algemeen geloofd ... Ook moet men zich verwonderen over het onverstand van hen, die Krantz, wiens argumenten zij niet wikken en wegen, zoo voorbarig boven Widukind en andere schrijvers stellen, vooral daar de dwaze meening van Krantz, dat de Saksen indigenae zijn, en de handtastelijke verzinselen waarmede hij dat wil bewijzen, hun moesten in ’t oog vallen. Ook zie ik niet in, wat ongerijmds er in ligt, wanneer men, de algemeene overlevering bij de schrijvers volgend, zegt dat de Saksen overblijfselen zijn van het Macedonisch leger, daar het zeker is dat dit na den dood van Alexander is verstrooid, en daar men verhaalt dat Antyrius overblijfselen van dat leger uit Scythië door de Baltische zee naar die landstreek heeft gevoerd, waar hij eene stad, in ’t Grieksch Μεγαλόπολις en in ’t Duitsch Mecklenburg genoemd, heeft gesticht, wat ook Lazius De migratione gentium, lib. XII, en Hieronymus Henninges getuigen.
(...) [188] (...) Lib. III, cap. 3.
Door welke argumenten de waarheid van het voorgaande wordt bevestigd. Wij zullen dus, wat niemand ons ten kwade kan duiden, in het beschrijven van de geschiedenis des vaderlands, gebruik maken van de door het volk algemeen aangenomen meening en van inlandsche getuigen, en soms mede van getuigenissen van uitlandsche schrijvers en van hunne gissingen, zoo deze namelijk niet dwaas zijn. Vooreerst staat het vast, dat bij bijna alle volken het vroegst aangewend middel om zaken voor vergetelheid te bewaren, daarin bestaat om de roemrijke daden in nationale zangen te verheerlijken. Dit getuigt o.a. Plutarchus van de Egyptenaars en Homerus van de Grieken. Deze laatste zegt dat zulke liederen door de helden bij feestmaaltijden werden gezongen. Ja men verhaalt zelfs dat de gedichten van Homerus ontstaan zijn uit liederen, welke hij zelf met de lier in de hand langs de deuren bedelend heeft gezongen, en die daarna door geleerden zijn verzameld en geordend, en dat deze en soortgelijke zangen, toen Griekenland reeds bloeide en de letteren beoefend werden nog naar voorouderlijke zede door de aanzienlijken bij drinkgelagen werden gezongen ... Cicero verzekert dat bij de oude Romeinen in vroeger tijd dezelfde gewoonte heerschte “Och,” zegt hij “dat die zangen tot lof van dappere mannen nog bestonden, die eeuwen voor mijn leeftijd bij maaltijden door de aanzittenden werden gezongen, zooals Cato in zijne Origines schrijft.” Tacitus verhaalt hetzelfde van de Germanen, Jornandes [i.e.Jordanes] van de Gothen, van de Denen getuigt Saxo Grammaticus het, die bijna geheel zijn boek uit zulke zangen heeft samengesteld. Dat dit ook bij de Friezen in zwang was, bewijzen de straks besproken rijmen en wij lezen in het leven van den heiligen Ludger dat te Helwerd in Friesland zekere Bernlef woonde, die door het volk [189] aan dien heilige werd aanbevolen, omdat hij de daden der koningen zeer goed wist te bezingen Julianus de afvallige gewaagt in zijn Μισοπώγων van de ruwe liederen der barbaarsche volken, die over den Rijn woonden ... Hoeveel gewicht men aan zulke liederen moet hechten blijkt uit Tacitus ... Karel de groote heeft veel moeite gedaan om zulke oude liederen te doen verzamelen, te doen opschrijven en te bewaren en dat ook keizer Max. I daarvan veel werk heeft gemaakt getuigt Beatus Rhenanus. Verder wordt het in boven vermelde vaderlandsche rijmen verhaalde bevestigd door de vroeger en nog heden bij ons volk algemeen aangenomen meening, dat die drie broeders uit Indië zijn vertrokken en in onze streken stamvaders zijn geworden van drie volksstammen, naar hunne namen genoemd. Deze meening moet men niet voorbarig verwerpen, omdat ze is vastgeworteld en de zonen ze steeds hebben overgenomen van de vaders, wien niets dierbaarder was dan de herinneringen van het voorgeslacht. Met deze algemeen verspreide meening stemmen al onze geschiedschrijvers, die ik gezien heb, overeen, zooals Andreas Cornelius, die ook het werk. van Solcko Forteman, Occo van Scharl en Joannes Vlietarp voor ons heeft bewaard, Worp van Thabor, Suffried Sterkenburg, Cornelius Kempius, Sibrandus Leo, Folker Simons en anderen, die afzonderlijke tractaten hebben geschreven. Zij allen bevestigen, als waren zij in ééne school onderwezen, eenstemmig en zonder tegenspraak de algemeen verspreide meening. Hierbij komen de uitspraken van Saksen en Franschen, waarvan boven gesproken is.
Suffried beroept zich dus voor de waarheid der aloude Friesche geschiedenissen op: 1º de algemeen verspreide meening, 2º de oude Friesche volkszangen, waaraan Alvinus zijne mededeelingen had ontleend, en 3º de eigenlijke historieschrijvers, en dat alles werd ten overvloede nog bevestigd door Saksische en andere uitlandsche schrijvers.
(...) [190] (...)
Lib. III, cap. 4.
Welke zaken er bij de Friezen, en niet bij de andere Germaansche volksstammen, bestonden, die aanleiding gaven dat de oude gedenkstukken des vaderlands werden bewaard. Niemand meene dat het hier verhaalde niet zeer waarschijnlijk is, omdat Friesland, daar het zoo vaak door oorlogen en overstroomingen is geteisterd, het land niet schijnt om zulke overoude zaken voor ondergang te bewaren, te meer daar men bij de nabuurvolken niets van dien aard aantreft. Doch men moet weten dat de Friezen in het bewaren hunner oude geschiedenissen veel boven de andere Germaansche volken voor hadden, want Friso zelf, de grondlegger van ons volksbestaan, was een beschaafd vorst en in de wetenschappen der Grieken ervaren, en hij heeft de studie van die wetenschappen bij een openbaar decreet aan de nakomelingschap aanbevolen. In navolging der Grieken stichtte hij op sommige plaatsen gymnasien, waarin de jeugd op bepaalde dagen in literarische en in militaire wetenschappen werd geoefend.... wat in Germanië vóór Karel den groote nergens elders is geschied. In de eerste plaats toch heeft hij te Staveren bij den tempel van Stavo een gymnasium opgericht en in den tempel zelven stichtte hij eene bibliotheek om daarin de oude gedenkstukken en de staatsacten te bewaren. Zijne nakomelingen hebben die bibliotheek steeds zorgvuldig uitgebreid en later te Dockenburg, Wartena en elders in Friesland gymnasien opgericht ... Deze liefde voor letterstudiën is ons volk altijd bijgebleven, zoodat tegenwoordig in Friesland bijna geen zoo nietig plaatsje is of het heeft zijn eigen schoolmeester Oudtijds, onder de prinsen, hertogen en koningen van Friesland toen het decreet van Friso van kracht was, werden premiën voor literarische en militaire vorderingen uitgeloofd om de jongelingschap aan te moedigen ... De zonen van de vorsten en van aanzienlijken werden, nadat zij in die scholen waren onderwezen, buitenslands naar vreemde vorsten gezonden om de krijgskunst te leeren. Terug [191] gekeerd ... werden elogia van hunne dappere daden en verhalen van hetgeen zij hadden verricht in de openbare bibliotheek neêrgelegd ... Ook bestond er een decreet om de landstaal zuiver te bewaren , want de vorsten hadden, en dit was zeer verstandig, begrepen dat de oude staatsacten zouden verwaarloosd worden, wanneer men de taal, waarin ze waren geschreven, niet meer verstond ... Men stelde een vers uit moeielijk uit te spreken Friesche woorden samen. Die dit vers niet kon uitspreken, werd voor een vreemdeling gehouden en mocht slechts een bepaalden tijd in Friesland vertoeven, opdat de taal niet bedierf. Sporen van dat vers en zijne aanwending vindt men in het Landtboeck van Kempo van Martena en bij Corn. Kempius, lib. I, cap. 18 ... Een uitstekend middel om de oude herinneringen te bewaren werd aan dit alles nog toegevoegd door den voortreffelijken man die het eerst in Friesland den koninklijken diadeem droeg, nl. door Richold Uffo, die in ’t jaar 419, het tiende zijner regeering, in zijne residentie Staveren een kostelijk paleis bouwde, waarin hij alle prinsen en hertogen van Friesland van Friso af tot zijn tijd deed uitschilderen, met ieders regeeringsjaren er bij geschreven. Hieraan hebben de acht koningen, die tot aan Karel den groote op Richold Uffo zijn gevolgd, ieder de beeltenis van zijn voorganger toegevoegd, en zoo staat de tijdrekening der Friezen van Friso, die 313 jaren vóór J. C. in deze landen kwam tot aan Karel den groote, niet alleen uit de archieven in de openbare bibliotheek, maar ook uit deze voor een ieder te ziene schilderingen, gedurende elfhonderd en dertien jaren ontwijfelbaar vast ... Zoo men hier de jaren sedert verloopen bijtelt, krijgen wij negentienhonderd en een jaar, en deze rij klimt, zoo ik mij niet bedrieg, hooger op dan de tijdrekeningen van alle andere Germaansche volksstammen. Aan deze zoo geschreven als geschilderde gedenkstukken hebben onze historieschrijvers hunne mededeelingen ontleend, die ook geheel met de algemeen aangenomen meening en met de vaderlandsche rijmen overeenstemmen.
(...) [192-194] (...) in de voorrede van het boek De scriptoribus, die hier verkort wordt medegedeeld.
Maecenates candidissimi !
Nu drie jaren geleden heb ik mijn werkje De Frisiorum antiquitate etc. uitgeven. Het was niet het begin van mijn groot werk, maar in dat gedeelte verwachtte ik tegenspraak, en daar ik reeds bejaard was, wilde ik mijn werk nog gaarne voor mijn overlijden verbeteren of tegen bedenkingen verdedigen. De uitgave van genoemd boek heeft mij niet berouwd. Mijn geschrift is in veler handen gekomen, doch niemand van al die historici heeft het berispt; integendeel, velen hebben mij in brieven geprezen en aangespoord het resteerende te voltooien ... Nu geef ik het boek De scriptoribus in het licht, opdat blijke dat ons de noodige bewijsstukken niet ontbreken voor den oorsprong en de daden der voorvaderen. Daar de Duitschers geene zeer oude geschriften bezitten zal het bestaan der onzen bij den nadenkenden lezer niet heel licht geloof vinden. Daarom moet ik eerst de verkeerde meening ontzenuwen, dat in Duitschland alleen in latere tijden schrijvers geweest zijn. Die meening heeft wel schijn van waarheid, want Tacitus zegt: de literarum secreta zijn in Germanië zoo aan vrouwen als aan mannen onbekend, en Joh. Trithemius verzekert dat hij nooit ouder Germaansch geschrift gezien heeft, dan dat van Otfried, van omstreeks den jare 820. Hiermede stemt Joh. Stumpf, de geschiedschrijver der Zwitsers overeen. Deze zegt dat Karel de groote eerst Grieksche letters heeft gebruikt om Duitsch te schrijven, wat niet ging en opgegeven werd, dat van toen af tot 1200 alle oorkonden, privilegiën enz. in het Latijn werden opgesteld en daarna in het Duitsch. Dit stem ik toe, maar nu schijn ik paradox te zijn door aan Friesland zoo oude schrijvers toe te kennen. Laten wij aan sommige vreemden (nl. aan Grieksche en Romeinsche schrijvers) hunne spotternijen op de Germanen. Zij zeggen dat deze zonder rede en zonder verstand als vee leefden ... Geen wonder, daar zij hen als paddestoelen uit den grond laten opschieten ! zooals bv. Tacitus doet ... Ook weet ik [195] niet of het te belachen of te beschreien is, dat sommige Duitschers zoo onzinnig zijn, dat zij hunne voorvaderen niet beter van dien smaad weten te zuiveren dan door te zeggen: de oude Germanen wilden liever dappere daden doen dan ze beschrijven ... Tacitus bedoelt met literarum secreta geheim schrift, dat bv. bij de Egyptenaren in bezit der priesters en bij de Galliërs in dat der druiden was. Dit geheim schrift kenden de Germanen niet ... Trithemius’ gezegde ziet alleen op het karakter, want de Germanen gebruikten eerst eigene, toen Grieksche, vervolgens Latijnsche en toen weêr eigene letters. Vele eeuwen vóór Christus' geboorte hadden de Germanen staatsinstellingen, wetten, rechtspraak. Zij sloten verdragen, dreven handel en zorgden voor de nakomelingschap. Dit blijkt voldoende uit Caesar en Tacitus... Dus moeten er toen bij de Germanen schrijvers geweest zijn, die deze zaken, het vaderland betreffende, opteekenden In dit werk zal ik de schrijvers laten optreden, die van het jaar 313 vóór J. C. tot nu toe in ons land geleefd hebben ... Er zijn zeker in Duitschland vroeger vele schrijvers geweest. Slechte bewaring, worm, mot, oorlog, oproer, brand, overstrooming hebben overal de werken der menschen vernield, en zouden ze de schriften onaangeroerd hebben gelaten ? ... Vooral vijf zaken zijn in Germanië den letteren tot ramp geweest: volksverhuizingen, verandering van de taal, verandering van het letterschrift, verbod om te schrijven en moeielijkheid der taal ... Nergens hebben talrijker volksverhuizingen plaats gehad dan in Duitschland ... Aankomelingen verwonnen hier en daar de inwoners en vernietigden hunne herinneringen. Zij die wegtrokken of verdreven werden zorgden niet voor hunne geschriften ... Door deze volksverhuizingen veranderde de taal, men verstond de oude taal eindelijk niet meer en verwaarloosde de schriften er in geschreven. Ook de verandering van letterschrift was den ouden boeken noodlottig. Vroeger hadden de Germanen een eigen letterschrift, zooals Saxo Grammaticus en de Gothische bijbelvertaling getuigen. Later nam men de Latijnsche letters aan, wat voor de oude geschriften zeer noodlottig is geweest ... De vierde oorzaak was nog noodlottiger. Door sommigen wordt verhaald dat de Romeinen zorgden, dat de Germanen nietsopteekenden, het mocht naar Rome geraken, daar de waarheid bloot leggen, en zoo het Romeinsche volk onwillig voor krijgstoerustingen tegen de Germanen maken. Dit bevestigt Paulus Orosius met getuigenissen uit Salustius en Tacitus De vijfde oorzaak is de moeielijkheid van de Germaansche talen voor den vreemdeling... Deze talen zijn hard en zij klinken nog heden voor den uitlander barbaarsch en zijn voor hem zeer moeielijk te leeren... Mela, een Geromeiniseerde Spanjaard, zegt dat de Spaansche woorden voor een Romeinsch oor ondragelijk [196] zijn. Dat waren de Germaansche woorden ook en daardoor hebben Caesar en Tacitus geene namen van Germaansche schrijvers vermeld. Overweegt men de vijf genoemde oorzaken, dan zal men inzien waarom men bij de Duitschers niet zoo vroeg schrijvers vermeld vindt als bij andere volken en waarom deze ten onrechte als niet veel meer dan het redelooze vee afgeschilderd worden.
De vier eerste dezer oorzaken bestonden weinig of niet in Friesland. Hier hadden geene volksverhuizingen plaats en de taal is er altijd onveranderd gebleven ... Nu verloopt ze wel, daar Karel V er bij de rechtbanken het Hollandsch heeft ingevoerd Hier bleven alzoo de oude boeken bestaan, die in Duitschland om genoemde oorzaken zijn ondergegaan. Oude getuigenissen van ons volk bevestigen het ... Reeds de grondlegger van ons volksbestaan Friso stichtte te Leeuwarden eene druidenschool. Bijna alle hoofden er van, wijzen genoemd, tot aan den tijd van Karel den groote, worden in dit werk genoemd, ook wordt er gezegd wat ieder hunner geschreven heeft. Dus werden bij ons de schriften der druiden bewaard, die elders niet of schaars bestaan hebben. Zonneklaar blijkt hieruit de dwaling van Caesar enz.
... Ik geef het boek De scriptoribus nu uit, opdat blijke dat ons volk te allen tijde schrijvers gehad heeft en dat het verhaalde in de Libri tres de antiquit. een vasten grond heeft ... Zoo men den tijd in aanmerking neemt, zal men het getal schrijvers niet groot vinden, maar men bedenke, dat vele geschriften zijn ondergegaan en de schrijvers, in dit boek behandeld, leefden bijna allen tusschen het Flie en de Eems. Van vele nieuweren had ik geene voldoende berichten. Zij kunnen later in een appendix behandeld worden enz.
Keulen 21 Aug. 1593.
Noten
- ↑ wikipedia: [Suffridus Petrus]: De Frisiorum antiquitate et origine libri tres (1590) (zie op Google books)