Nl 08b Wodin en de Magiër

    From Oera Linda Wiki

    Ott werkversie

    [053/12]

    Overwijn 1951

    [/53] Uit deze tochten is de geschiedenis van Godis’ ontstaan, die op de burchten gegrift is, en hier wordt beschreven.

    Aan de Aldegamond daar rustte een oude zeekoning, Sterik was zijn naam, en de roep van zijn daden was groot. Deze oude rob had drie neven: Godis de oudste woonde te Loemkamachia bij de Eemsmond in Oost Vliedland bij zijn ouders. Eenmaal was hij bevelhebber geweest. Tunis en Inka waren Sikambren (varende Kimbren) [55] (en toevallig bij hun oom in Aldegamond). Toen nu de jonge Kimbren bij elkander kwamen, kozen zij Godis’ tot hun legerleiding of koning en de Sikambren kozen Tunis tot hun zeevoogd en Inka tot hun schout-bij-nacht. De zeelieden gingen toen op Denemarken varen. Daar namen zij Godis’ met zijn krijgshaftige landweer aan boord, De wind was ruim en zo waren zij in een ommezien in Schoonland. Toen de Noordse broeders zich bij hem hadden gevoegd, deelde Godis’ zijn geweldig leger in drie wiggen. „Frya” was hun wapenroep en zo sloeg hij de Finen en Magianen terug alsof het kinderen waren, Toen de Magy vernam, hoe zijn manschappen overal werden omgebracht, zond hij afgezanten met staf en kroon. Zij zeiden tot Godis’: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat wij gedaan hebben, is uit nood zebeurd. Gij meent, dat wij uw broeders met moedwil hebben aangegrepen, maar wij zijn door onze vijanden voortgegeseld en die zitten ons nog op de hielen. Wij hebben dikwijls aan uw burchtmaagd hulp zevraagd, maar zj heeft zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: indien wij elkander voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen wegvagen. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat Frya veel machtiger is dan al onze geesten te zamen. Hij wil zijn hoofd in haar schoot leggen, Gij zijt de krijgshaftigste koning ter aarde, uw volk is van ijzer. Wordt onze koning en wij allen zullen uw slaven wezen. Wat zou dat eervol voor u zijn, als ge de wilden weer terug kondt drijven, onze bazuinen zouden het rondblazen en onze berichten zouden U overal voorafgaan. Godis’ was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was niet helder van inzicht, daardoor werd hij in hun strikken gevangen en door de Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer, die deze keuze niet naar de zin was, vertrokken in stilte, Kaat meenemende. Maar Kaat, die noch voor de Moeder, noch voor de algemene vergadering wilde verschijnen, sprong overboord. Toen kwam de stormwind en geeselde de schepen op de schorren van de Lage Landen (Danebrohe), zonder één enkel man te missen. Later hebben zij die straat het Kattegat genoemd (Mor Thériu of Mor Kathier). Toen Godis’ gekroond was, ging hij op de wilden los. Het waren allen ruiters. Als een hagelbui vielen zij op Godis' leger aan, maar als een dwarrelwind keerden zij om en durfden nooit meer te verschijnen. Toen Godis’ terugkwam, gaf de Magy hem zijn dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden bewierookt, maar er waren toverkruiden bij, want Godis’ werd van lieverlee zo vermetel, dat hij Frya en Wr.alda’s geest durfde miskennen en bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valse, afgodische beelden. Zijn rijk duurde zeven jaar, toen verdween hij. De Magy zeide, dat hij onder hun goden was opgenomen en dat hij vandaar over hen heerste, maar [57] ons volk lachte om zijn taal. Toen Godis’ een tijdje weg was geweest, kwam er tweedracht. Wij wilden een andere koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet dulden. Hij beweerde, dat het een recht was, hem door zijn afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist, was er nog een tussen de Magianen en Finen, die Frya noch Godis’ wilden eren, maar de Magy deed wat hem zinde, want zijn dochter had bij Godis’ een zoon gewonnen en nu wilde de Magy dat deze zoon van hoge komaf zou wezen. Terwijl allen keven en twisten, kroonde hij de knaap tot koning en stelde zichzelf tot voogd en tutor of raadgever aan. Zij, die meer hielden van hun buik dan van het recht, lieten hem begaan, maar de goeden trokken weg. Vele Magianen trokken met hun manschappen terug, de zeelieden gingen scheep en een leger van stoutmoedige Finen ging als roeiers met hen mee.

    Ottema 1876

    [/75] Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.

    Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven; Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren zeestrijders, en juist nu bij hunnen oom aan de Aldergamude. Toen nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer [77] aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij hem gevoegd hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kaat medenemende. Maar Kaat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene vergadering wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op [79] de wilden los; zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zooals hem goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.

    Lees Verder

    Nl 08a Noordoostelijke Invasie ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 08c Tunis en Inka