Jump to content

NL125.05 Demetrius

From Oera Linda Wiki
Revision as of 09:22, 22 February 2023 by Jan (talk | contribs) ({{Versie_Own}}: add)

Ontwerp 2026 Ott

[125/05]

Overwijn 1951

[/119] Onder de vele vorsten had Nearchos een vriend met name Antigonos. Deze streden beiden voor één doel, zoals zei zeiden, als helpers van het koninklijk geslacht en voorts om alle Griekse landen hun oude vrijheid terug te zeven. Antigonos [121] had onder vele anderen een zoon, die Demetrios heette, later bijgenaamd de stedenwinner. Deze ging eens op de stad Salamis af. Nadat hij daar een poos mee gestreden had, moest hij vechten tegen de vloot van Ptolomaios. Ptolomaios zo heette de vorst die over Egypte heerste. Demetrios won de strijd, maar niet door zijn losse troepen, maar doordat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit vriendschap voor Nearchos, want wij achtten hem van ons bastaardbloed, door zijn frisse huid met blauwe ogen en blond haar. Naderhand trok Demetrios los op Rhodos. Daarheen brachten wij zijn losse troepen en leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodos kwamen, was de oorlog voorbij. Demetrios was naar Athene gevaren. Daar onze koning dat begreep, voerde hij ons terug. Toen wij echter in de haven kwamen, was het hele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning was over de vloot, had een zoon en een dochter thuis, zo bijster fris, alsof zij pas uit Fryaland waren gekomen, en zo wonderschoon als niemand zich kon heugen. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en kwam Demetrios ter ore. Demetrios was vuil en onzedelijk en hij dacht, dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk schaken. De moeder durfde haar joei niet op te wachten. (Joei noemen de zeemansvrouwen haar mannen, dat is 'blijdschap’, ook zeggen zij ‘zoethart’. De zeelieden noemen hun vrouwen: Troos en ‚fro’ of 'vrouw’, dat is vreugde en ook vrolijk, dat is: aan vreugde gelijk.) Omdat zij haar man niet durfde opwachten, ging zij met haar zoon naar Demetrios en smeekte hem, dat hij haar heur dochter terug zou geven. Maar toen Demetrios haar zoon zag, liet hij hem naar zijn hof brengen en deed met hem zoals hij met zijn zuster had gedaan. Aan de moeder zond hij een zak vol goud, maar zij smeet die in zee. Toen zij thuis kwam, werd zij waanzinnig, overal liep zij op straat roepende: Hebt gij mijn kinderen niet gezien? O wee!, laat mij bij U een schuilplaats zoeken, want mijn joei wil mij doden, omdat ik zijn kinderen heb weggebracht. Toen Demetrios vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode naar hem, zeggende, dat hij zijn kinderen tot zich had genomen, om hen tot een hoge staat te brengen, om hem te belonen voor zijn diensten. Maar Friso, die trots en hardvochtig was, zond een bode met een brief naar zijn kinderen, daarin maande hij hen Demetrios ter wille te zijn, daar deze hun geluk wenste. Maar de bode had nog een andere brief, met vergif, en daarin beval hij hen dit in te nemen, want, zeide hij, tegen jullie wil is je lichaam verontreinigd, dat zal jullie niet aangerekend worden, maar als jullie je ziel verontreinigt, zul je nooit in Walhalla komen, jullie ziel zal dan over de aarde rondwaren, zonder ooit het licht te mogen zien. Als de vleermuizen en nachtuilen zullen jullie steeds bij dag in je holen schuilen en ’s nachts er uitkomen en dan op onze graven schreien en huilen, terwijl Frya haar hoofd van jullie moet afwenden. De kinderen deden zoals hun vader hun bevolen had. Demetrios liet [123] hun lijken in zee werpen en aan de mensen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso met alle mannen naar Fryaland varen, waar hij vroeger geweest was, maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso te werk en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Toen kon en durfde niemand blijven en allen waren blij, dat zij buiten waren. Behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, maar wij waren geladen met leeftocht en oorlogstuig.

Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij met zijn stoutmoedige manschappen te werk en schoot onverhoeds de schepen in brand, die hij met zijn pijlen kon bereiken. Na zes dagen zagen wij de oorlogsvloot van Demeirios op ons afkomen. Friso beval, dat wij de kleinste schepen achteraf moesten houden in een brede linie, de grote met vrouwen en kinderen voorop. Voorts gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan de achtersteven bevestigen, want zei hij, wij behoren al vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om één enkele vijand te vervolgen. Dit zei hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de lafaards en de vrouwen, doordat wij geen slaven hadden, dan die ons vrijwillig waren gevolgd, konden wij de vijand dus niet door roeien ontkomen. Maar Wr.alda wist wel, waarom Het zo deed, En Friso, die dat begreep, liet de brandpijlen vlug op de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij, dat niemand mocht schieten, voordat hij geschoten had. Daarop zei hij, dat wij allen naar het middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zei hij, dan zullen de anderen hem te hulp komen en dan moet ieder schieten, zo goed als hij maar kan. Toen wij nu anderhalf ketting van hen af waren, begonnen de Phoinikiërs te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voordat de eerste pijl op zes vadem van zijn schip neerviel. Toen schoot hij. De anderen volgden. Het geleek wel een vuurregen en doordat onze pijlen met de wind meegingen, bleven zij allen in brand en raakten zelfs de derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten van onze tegenstanders waren zo hard, dat ons hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het wel kon, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Echter, nadat wij twee dagen hadden voortgesukkeld, kwam er een andere vloot in ’t zicht van dertig schepen, die steeds op ons won. Friso liet ons weer alles klaarmaken, maar de anderen zonden een lichte snik vooruit, met roeiers bemand. Hun boden verzochten ons uit aller naam, of zij met ons mee mochten varen. Het waren Ioniërs. Door Demetrios waren zij met geweld naar de oude haven gestuurd, Daar hadden zij van dit gevecht gehoord, Nu hadden zij hun moed bijeengegaard en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Ioniërs had gevaren, zei ja, maar Wichhirte onze koning, zei nee. De Ioniërs zijn afgodendienaars, [125]zei hij, ik zelf heb gehoord, hoe zij die aanriepen. Friso zei, dat komt door de omgang met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan en toch ben ik zo Fryas als de fijnste van jullie. Friso was de man, die ons naar Fryaland moest wijzen, dus gingen de Ioniërs mee. Ook scheen het naar Wr.alda’s genoegen, want eer drie maanden waren verlopen, gingen wij langs Brittanië en drie dagen later konden wij: „Ons Eigen” roepen.

Ottema 1876

[/171] Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze streden beiden om één doel, gelijk zij zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst die heerschte over Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten, maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed, door zijne blanke huid met blauwe oogen en [173] wit haar. Naderhand ging Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon als niemand heugen mogt. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij zoethart. De schippers noemen hunne wijven, troost en fro of frow, dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man niet durfde opwachten, ging zij met haar zoon naar Demetrius, en smeekte, dat hij haar hare dochter weder zoude geven. Maar als Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en hardvochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want, [175] zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de aarde omwaren, zonder ooit het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun vader hun bevolen had. Demetrius liet hunne lijken in de zee werpen, en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren. Behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.

Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij [177] zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat wij twee dagen voortgesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in 't gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14f Noordland

Aangepaste volgorde:

[[{{{altback}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 14c Friso's Vloot