Jump to content

NL202.06 Reintja

From Oera Linda Wiki
Revision as of 17:16, 13 February 2023 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Ontwerp 2026 Ott

[202/06]

Overwijn 1951

Ottema 1876

[/243] De Denemarkers, die zich sinds lang boven alle andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals (Holstein); 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden [245] gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en zorgeloosheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze [247] zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was.

Noten


Navigeer

[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19d Afgoderij