Jump to content

1974-1987 Los - Echtheid der Oera Linda

From Oera Linda Wiki
Revision as of 12:52, 17 August 2026 by Jan (talk | contribs)
1974-1987 De echtheid der Oera Linda-berichten, (postuum) Dr. Frans J. Los, TeKoS 9:49 (dec. 1987) [PDF]

[selectie uit:] De echtheid der Oera Linda-berichten

[Inleiding door redacteur TeKoS (verm. N.E. de Leeuw)]

[...]

Dr. Frans Johan Los (1898-1974), sociograaf en historicus, beschouwde de Oera Linda naar eigen zeggen als een twijfelachtig document, waarvan hij de inhoud overigens niet kende. Toen hij in 1971 de opnieuw uitgegeven teksten voor de eerste keer las, boeide het onderwerp hem ongemeen. Hij werd overtuigd van de echtheid en van de geschiedkundige waarde van de Oera Linda-geschriften — een thesis die hij indrukwekkend verdedigt in onderstaand artikel, dat hier voor het eerst wordt gepubliceerd.

[Artikel, geschreven 1973/1974 door Frans J. Los]

Nadat in 1871 in Leeuwarden de eerste publicaties over het zogenaamde Oera Linda Boek waren verschenen, in 1876 gevolgd door een Nederlandse vertaling dezer in een zeer oud Fries geschreven handschriften door Dr. J.G. Ottema, was één der voornaamste bezwaren die tegen de echtheid ervan naar voren werden gebracht gelegen in hun chaotisch karakter. Over het algemeen hield men deze geschriften voor het werk van een fantast en zelfs Dr. Eelco Verwijs, de eerste geleerde die er kennis van nam, noemde hun inhoud “dol en onsamenhangend”, hoewel hij zich over de echtheid niet durfde uitspreken.

Sinds de verschijning van mijn boek[1], waarin ik heb aangetoond dat een verwisseling der beide helften der verzameling heeft plaatsgehad en het mij gelukt is de daarin vervatte historische berichten juist te dateren en in de juiste volgorde terug te brengen, is dit hoofdbezwaar vervallen. In geen der besprekingen — ten onrechte aangeduid als “kritieken” — die in de pers en in enkele vakbladen aan mijn boek zijn gewijd, is dit feit ook maar genoemd. Is hier nu sprake van onbegrip, of van opzettelijke misleiding?

[...]

Vingerwijzingen en bewijzen

In “De Schriften van Adelbrost en Apollonia” spreekt de laatste van een afschrift van “Het Boek van Adela’s Aanhangers”[2], dat haar en haar broeder was gegeven. [...] In mijn boek wordt (...) de aanwezigheid van historische kernen op tal van gronden (...) verdedigd.[3]

Een zeer belangrijk argument voor deze stelling verschaft de Arabische geschiedschrijver Ibn Dihja (1159-1235), die bericht dat nog in zijn tijd het vuur werd vereerd op enkele afgelegen eilanden in Denemarken. Daar de Denen nauw verwant waren aan de Friezen — beiden behoorden tot de Germaanse volkengroep der Ingweonen — en de vuurdienst bovendien voorkwam bij de Balten, de Romeinen, de Kelten en de andere Indogermaanse volken, is het waarschijnlijk dat het vuur ook door de heidense Friezen werd vereerd. Dit geschiedde in torens, die het middelpunt vormden van ronde aarden burchten en waarin een lamp door maagden — een soort Vestaalse maagden — steeds brandende werd gehouden.

Apollonia beschrijft haar bij het latere Leeuwarden gelegen burcht als volgt[4] “...” Op Walcheren lag de burcht Walhallagara, die vermoedelijk de kern was waaromheen later Middelburg ontstond. Is het toeval, dat in het wapen dezer stad een dergelijke (hoewel ronde) toren is afgebeeld, terwijl rondom de oudste kern der binnenstad sporen zijn ontdekt van een aarden wal en gracht, zoals die ook de burcht van Apollonia omsloten? [...]

[...]

Op de hoofdburcht op Texel — welks hoofdplaats nog altijd Den Burg heet — zetelde de algemeen vereerde Volks- of Eremoeder, het hoofd van alle burchtmaagden en opperste hoedster van de vuurdienst. Is het zonder betekenis, of een later bedacht verzinsel, dat in de door Marcel van de Velde verzamelde en uitgegeven Brugse legenden[5] óók van een Eremoeder wordt gesproken, namelijk van “Brijggja, de zieneres van Wulpen”, die “overvoer naar de Dienaren van het Vuur in Zeeland?”

[...]

Tegenwerpingen

Gewichtige bezwaren tegen de authenticiteit der Oera Linda-berichten komen van de heer H. Halbertsma, die tientallen opgravingen heeft verricht in terpen en oude stadskernen en terecht wordt beschouwd als een toonaangevende autoriteit op het gebied der Nederlandse archeologie. Zijn hoofdbezwaar bestaat hierin dat in Friesland en elders nimmer sporen zijn ontdekt van burchten uit de heidense tijd, terwijl de in de Oera Linda-berichten genoemde steden (of stadjes?), zoals Dokkum, Staveren en Medemblik, niet ouder zouden zijn dan de 9de eeuw o.j., zoals bij opgravingen zou zijn gebleken.

Hoewel het gewicht van dit argument niet mag worden onderschat, kan het toch niet overtuigen. Wanneer bij opgravingen iets niet is gevonden, bewijst dit nog niet dat dit er nooit is geweest; van de Zuid-Spaanse stad Tartessos — het Tarsis van het Oude Testament — zijn nooit sporen in de bodem teruggevonden, zodat men haar ligging niet heeft kunnen vaststellen, en toch wordt door geen enkele oudheidkundige betwijfeld dat deze oude handelsstad eeuwenlang heeft bestaan. Waarom dan geen geloof te hechten aan het bericht van Frethorik omtrent een geweldige overstroming die omstreeks het jaar 450 o.j. alle burchten, behalve de Fryasburcht op Texel, vernielde? Kan deze overstroming, waarvan sporen zijn ontdekt bij opgravingen zowel in het Nederlandse als in het Duitse kustgebied,[6] ook niet vroegere nederzettingen van een wellicht reeds stedelijk karakter hebben weggespoeld? Mogelijk is dit toch zeker.

De heer Halbertsma wijst verder op het feit, dat Friso en Saxo door middeleeuwse en latere kroniekschrijvers worden voorgesteld als stamvaders van respectievelijk de Friezen en de Saksen. Terecht hecht hij geen geloof aan het bestaan van stamvaders van volken, want deze zijn zeker op een andere wijze ontstaan. Wanneer hij echter, op grond van dit ongeloof, de historiciteit der beide Friso’s die in de Oera Linda-handschiften een rol spelen, loochent, gaat dit zeker te ver. Want in deze manuskripten treden beide niet op als stamvaders, maar de eerste als aanvoerder, de tweede als bestuurder.

Het is wel zeer merkwaardig dat bij de door Halbertsma aangehaalde kroniekschrijvers juist bewijzen voor de historiciteit van de eerste dezer beide Friso’s zijn te vinden. Zo schrijft Johannes Hilarides (1648-1725):[7] “Het was in het jaar 313 voor Chr., dat een schare mensen Perzië verliet ten einde , geleid door Friso en Saxo, elders woonplaatsen te zoeken. Zij hadden Alexander de Grote trouw gediend, doch vreesden juist daarom de wrok der door hem overwonnen volken nu deze, na de dood van deze veldheer, naar oude vrijheid haakten.” Verder wordt dan verhaald hoe deze landverhuizers, “op 300 kielen ingescheept”, de Fliestroom inzeilden, het land dat voortaan naar hen Friesland werd genoemd, bezetten, er de binnendringende “Swaaven” (= Sueven) verjoegen en Friso er het latere Staveren stichtte.

Hilarides heeft dit verhaal ontleend aan een vroegere schrijver, Suffridus Petrus (1527-1597) — volgens Halbertsma een nog groter verheerlijker van het Friezendom dan zijn navolger — wiens geschriften, “nochtans tot in de 19e eeuw hun invloed op het geschiedkundig denken der Friezen (hebben) weten te behouden, om in Thet Oera Linda Bok een waardige afsluiting te vinden”.

Met dit laatste doet de heer Halbertsma de schrijver van het verhaal over de zogenaamde Geertmannen beslist onrecht; diens relaas bevat geen op zichzelf onwaarschijnlijke elementen. Van een Saxo, of van Zwaben is daarin geen sprake: Friesland heet reeds Friesland als Friso er in 303 v.o.j. terugkeert en Staveren bestond toen al. In plaats vanuit dit opgesmukte en logisch verlopende verhaal, putten de genoemde schrijvers hun kennis omtrent het Friese verleden waarschijnlijk uit een daarmee parallel lopende volksoverlevering, die — hoezeer ook opgesierd — toch enkele fragmenten van waarheid bevatte.

Als laatste argument voert Halbertsma aan dat de vroegere Middelzee niet door overstroming zou zijn ontstaan, maar door een smeltwaterstroom uit de ijstijd. Het zou een zogenaamd oerstroomdal zijn geweest en als zodanig reeds in de Romeinse tijd hebben bestaan. Verschillende omstandigheden pleiten echter tegen deze veronderstelling.

Inderdaad bevinden zich in Friesland enkele oerstroomdalen; het grootste loopt van de Fluessen naar het Bergumer Meer, twee andere werden vroeger doorstroomd door de Tjonger en de Linde. Daar het ijs uit Skandinavië kwam, zijn al deze dalen gericht van zuidwest naar noordoost; de Middelzee was echter gericht naar het noorden, haar monding zelfs naar het noordwesten.

Er is echter meer (...) De oerstroomdalen verliepen tussen zandruggen en eindigden tegen stuwwallen (of eindmorenen). Zandruggen liggen nog aan weerszijden van de dalen van Tjonger en Linde, hoewel zij bij het eerstgenoemde oerstroomdal zijn verdwenen; stuwdammen, of resten daarvan, zijn de hoogten van Koudum en van het Gaasterland en de Voorst bij Vollenhove. Geen dezer kenmerken is echter bij de vroegere Middeelzee aanwezig. Terecht rekent K. Zeeman[8] de vroegere Middelzee dan ook tot de door stormen gevormde zeeboezems, zoals de Lauerszee en de Dollart.

Atland en zijn ondergang

[...]

Hoe de boze tijd kwam

[...]

Het verslag van een ooggetuige

[...]

Onmiddellijk sluit hierbij aan een bericht, dat duidelijk betrekking heeft op de geweldige overstroming van ± 450 o.j. en de daarmee samenhangende ondergang van de Magy, de aanvoerder van de als bondgenoten van Attila in Friesland binnengedrongen Finnen en Magyaren. [...]

De ontdekking van Spanuth

[...]

Atlantis volgens Plato

[...]

De ondergang van Atlantis

[...]

Eindoordeel

[...]

Tot besluit nog enkele toelichtingen! De opmerking in het Oera Linda-verhaal, dat de zon vóór de ramp hoger aan de hemel rees, behoeft niet onwaar te zijn. Dit kan het gevolg zijn geweest van een schuinere stand van de aardas ten opzichte van de ekliptika. De Amerikaanse astronoom Velikovsky heeft bewezen dat deze stand in historische tijd door kosmische oorzaken herhaaldelijk is veranderd.[9]

Ook het ooggetuigenverslag berust vermoedelijk op waarheid. De auteur bevond zich tijdens de ramp waarschijnlijk aan de oevers van het Vättermeer, dat in tegenstelling tot de andere Zuid-Zweedse meren — diep is (tot 126 m) en door breuken begrensd wordt, daar het in een slenk ligt. Door die breuken kan tijdens de ramp gloeiende lava zijn opgestegen. Geweldige rotsblokken, die blijkbaar van berghellingen zijn afgerold, kan men met verbazing zien in het bergland van Zuid-Noorwegen.

Spanuth ontdekte op Helgoland (...) plaatsen waar in prehistorische tijd kopererts was gewonnen en andere, waar dit was uitgesmolten. Ook toonde hij aan dat op Sylt ijzererts was ontgonnen. (...) Ook in dit opzicht bevat het Oera Linda-verhaal niets dat a priori onmogelijk, of ook maar onwaarschijnlijk is te achten.

In Friesland bestond tot in de 19e eeuw een autochtone tijdrekening, waarvan het aanvangsjaar — de ondergang van Atlantis, verkeerdelijk gesteld op 2193 (i.p.v. 1193) v.o.j. — blijkbaar aan de Oera Linda-schriften ontleend was.[10] (...)

Friesland in voor- en vroeg-historische tijd

[...]

Beginnen wij met de bodemdaling, die voor de historische tijd op minstens 4 à 6 meter begroot kan worden[11] Vond deze daling in voorhistorische tijd in hetzelfde tempo plaats — wat niet zeker is — dan moet men aannemen, dat het land omstreeks het jaar 1000 v.o.j. ongeveer 6 à 9 meter hoger lag dan tegenwoordig. Inderdaad is met de aanleg van terpen en wierden eerst in de derde eeuw v.o.j. begonnen, terwijl in de handschriften van het opwerpen van kaden — meer zullen het nog wel niet zijn geweest — voor het eerst wordt gesproken na de grote overstromingsramp van ± 450 o.j.

De strandverschuiving ten gevolge van het land inwaarts verstuiven der duinen wordt voor de historische tijd geschat op ongeveer 3 km. Vermoedelijk lag de kust dus in 1000 v.o.j. minstens 4 km verder in zee, terwijl de Waddeneilanden en de daarachter liggende Waddenzee nog niet bestonden, daar het merendeel der tegenwoordige zeegaten nog niet was ontstaan. Deze zeegaten zijn namelijk met slechts een enkele uitzondering, het resultaat van latere overstromingen.

[...]

De vroeg-historische tijd

[...]

Voor de vijfde eeuw o.j. geven de handschriften weer enkele inlichtingen. Het land is ook dan aanvankelijk nog dichtbebost; (...) In 445 onderneemt Apollonia haar reis langs de Rijn naar het land der Marsaten, paaldorpbewoners langs de Zwitserse meren. (...)

[...]

Merkwaardig is het dat juist nu bij opgravingen in de omgeving van Grootebroek sporen zijn ontdekt van een groot aantal dorpen die zouden dateren uit de bronstijd (in het bericht gedateerd op 100-700 v.o.j.) en van een dichte bevolking getuigen.[12] Deze dorpen zouden later zijn verdwenen wegens het stijgen van de grondwaterspiegel, wat landbouw onmogelijk maakte. Eerst duizend jaar later (dus ± 300 o.j.) zouden zich opnieuw mensen in dit gebied hebben gevestigd. Zolang nadere gegevens ontbreken, moeten wij ons beperken tot de opmerking, dat volgens het reisverhaal van Apollonia, ook in de vijfde eeuw o.j. in dit deel van West-Friesland een dichte bevolking woonde. Ook bestond er toen een waterweg, deels van kunstmatig karakter, die bij het tegenwoordige Enkhuizen of Hoorn begon en bij Egmond in zee uitliep.

De overstroming van ± 450 o.j.

Kort nadat de Magy (het opperhoofd der uit het Oosten opdringende Finnen en Magyaren) als bondgenoot van Attila, erin was geslaagd geheel Friesland (Frya’s land) aan zijn gezag te onderwerpen,[13] werd dit land geteisterd door een geweldige overstroming. Alle wouden werden, tezamen met hun ondergrond, weggespoeld en alle burchten verwoest, met uitzondering alleen van de Fryasburcht op Texel. Als het water na een vreselijke winter, die het land met ijs overdekte, terugstroomt, laat het in Oost-Friesland 30, in West-Friesland 50 brakke meren en poelen achter. (...)

In het geschrift “Geschriften van Frethorik en Wiljow”, dat deel uitmaakt van de tweede helft der handschriften, wordt van de wederopbouw van het verwoeste land gesproken. Binnen de ringwal van de verwoeste burcht bouwt men huizen en een dorp Ljudwerd, terwijl het land daarbuiten prijsgegeven blijft aan de zee. Op daartoe geschikte plaatsen worden sloten gegraven en dijken opgeworpen. Duidelijk is hier sprake van het ontstaan van de Bordine of Middelzee ten gevolge van een geweldige overstroming, waarvan de verwoestende uitwerking bij opgravingen is vastgesteld[14] Deze opgravingen zijn zowel in het Nederlandse als in het Duitse kustgebied ondernomen. Ljudwerd is het latere Leeuwarden (Fries: Ljouwerd), dat in de vroege middeleeuwen op de oostoever van de Middelzee lag en waarvan het ontstaan hier verhaald wordt.

Verder vermeldt Konered, Frethoriks zoon, in zijn “Geschrift”, dat omstreeks 470 o.j. moet zijn ontstaan, hoe in zijn tijd de Seelanders gebrek aan schepen kregen, daar hun wouden waren weggespoeld en hun scheepsbouwers omgekomen. Zij zonden daarom drie schepen naar Friesland, die echter ten gevolge van de verbrokkeling der kust de Fliemond misten en bij de burcht van Konered te Ljudwerd terechtkwamen. Hier wordt het ontstaan der Middelzee omstreeks 450 o.j. dus indirekt bevestigd.

Dr. Frans J. LOS

Noten

  1. Frans J. Los, Die Ura Linda Handschriften als Geschichtsquelle, Verlag W.J. Pieters, Oostburg, 1972.
  2. Door mij gedateerd op 442 o.j. in plaats van 558 v.o.j.
  3. [verwijzing naar Verweerschrift]
  4. Verg. blz. 147 van Ottema’s vertaling.
  5. Verg. Marcel van de Velde: Legenden van Brugge tot het Zwin, “Het Boekhuis”, Brugge, z.j. blz. 58.
  6. Bijzonderheden op blz. 28 en 29 van mijn boek.
  7. Verg. H. Halbertsma: De herkomst der Friezen in de spiegel der middeleeuwse geschiedschrijving, in Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaargang 12-13 (1962-1963), blz. 236-259.
  8. Verg. K. Zeeman: Moderne Geografie van Nederland, 5e druk, Amsterdam 1927, blz. 34. Dit werk steunt o.a. op dat van F.J. Faber: Geologie van Nederland, 1926.
  9. Velikovsky, Immanuel: World in Collision, London, 1952.
  10. Verg. blz. 142 van mijn boek.
  11. In de Grote Winkler Prins, artikel Bodembewegingen, wordt de relatieve bodemdaling thans geschat op 20 cm per eeuw. Het artikel Bodemdaling in de Grote Nederl. Larousse Encyclopedie spreekt echter van een relatieve daling van rond 30(?) cm per eeuw. De schattingen lopen dus nogal uiteen.
  12. [Verw. Zeeuwse Crt., deels onleesbaar op PDF]
  13. Zie voor het verloop dezer geschiedenis mijn boek op blz. 26-31.
  14. Bijzonderheden daarover in mijn boek blz. 28 en 29.