Jump to content

1872 Spectator

From Oera Linda Wiki
Revision as of 19:09, 14 April 2026 by Jan (talk | contribs)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Geplaatst in tweewekelijks tijdschrift De Nederlandsche Spectator 1872.

JJK nrs. 29, 30, 32 en 34; hieronder weergegeven tussen {accolades} — blz. nrs. Spectator tussen rechte [haken]

No. 41 — 12 oktober

{30} Eene teleurstelling.

[322] »Het handschrift” is geen simpel handschrift meer. Het is thans uitgegeven door Dr. Ottema, met nevensgevoegde vertolking en eenige aanteekeningen[1]. Aan den wensch van dien zekeren Mr. W.d.L. [Johan de Wal], die ’t indertijd zoo dapper in den Spectator verdedigde, is mitsdien voldaan. Maar wat geeft het nu, nu we ’t product in zijn geheel vóór ons hebben, en wat heeft W.d.L. er aan? Met leedwezen moet ik antwoorden: niet veel.

Het vermoeden, dat het een satire op actuele toestanden zou zijn, heeft zich niet bevestigd. Althans ik heb niets in het boek aangetroffen wat daarop geleek. Voor ’t overige is het een niet minder vervelend dan verward zamenraapsel van half-gefingeerde geschiedenis, mythologie, philosophie en juristerij, ’t welk men zeker, gesteld dat men de lezing ten einde brengt, (’t geen buiten steller dezer regelen wel niet velen doen zullen), niet dan zeer onvoldaan uit de hand zal leggen.

Met dat al ontbreekt het hier en daar in sommige stukken niet geheel aan geest, en sommige voorstellmgen dwingen inderdaad een glimlach af. Maar dat een en ander is toch niet genoeg om de verveling te vergoeden, die de lezing van het boek medebrengt.

Wat nu evenwel is en bedoelt dat boek zelf? Met stelligheid zou ik de vraag niet durven beantwoorden. Op mij heeft het intusschen den indruk gemaakt van eene kolossale satire op sommige Friezen, die, niet te vrede tot een flink en kloek volk te behooren en met reden te mogen roemen op hunne voorvaderen, in Friesland steeds het beste, schoonste, edelste, verstandigste, oorspronkelijkste, enz. wenschen te zien wat er op den aardbodem bestaat, en, als vele Aziatische volken, den oorsprong van hun stam en den aanvang hunner geschiedenis tot eene fabelachtige oudheid zouden wenschen te doen opklimmen. Alles toch in het boek wordt tot Friesland en de Friezen teruggebragt; allerlei historische en mythologische personen, Gallische, Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Indische, zijn òf oorspronkelijk Friesch òf komen met Friesland op de eene of andere manier in aanraking; de oudste wijsbegeerte, regtsgeleerdheid, wetgeving, alles behoort eigenlijk in Friesland thuis; zoodat, indien het boek waarheid behelsde, alle wijsheid en verlichting vandaar zou zijn uitgegaan en daar zijn bewaard gebleven. Voeg hierbij de nog al grove mystificatie met de taal en den handschriftvorm, en het denkbeeld dringt zich van zelf aan ons op, dat de maker vooreerst de bedoelde nationaliteit-dweepers voor den gek wilde houden, en tevens beproeven in hoever ’t misschien mogelijk ware dezen of genen met de zaak beet te nemen. Dat dit laatste vrij wel gelukt is, bewijst het tegenwoordige feit der uitgave.

Wat nu de dwaasheden aangaat, waarvan het boek wemelt, zie hier, na de vroeger reeds medegedeelde, nog enkele, die mede niet onaardig mogen genoemd worden. Zij bestaan meest in het grappig te pas brengen en afleiden van namen; en hierin vooral ligt dan ook doorgaans de meeste vis comica van het geschrift.

Medemblik is Medeasblik, een burgt, waarop Teuntje woont, die een nicht is van Apol. — Katharina wordt Kat of Katerinne. — De Alvader heet eigenlijk Alvoeder, omdat alles door hem gevoed wordt. — Cadix was Kâdik, omdat de plaats door een steenen kadijk gevormd werd. — Marseille heette Missellja, d.i. mis-sellja, miskoop, verkeerde koop. — Rome is Rum, ruim. — De Gedrosiërs zijn de Gedrostne, gedrosten, weggeloopenen, de Litthauers Hlithâwar, omdat zij hun vijanden altijd naar het aangezigt houwen, de Hindoes Hindos, omdat ze bang als hinden zijn. — Reeds van vroeger bekend was nêf Tünis, neef Teunis, Neptunus. Zoo ook Nyhellenja, Minerva, wier leer nieuw en hel was. En: Himmellâya, welk gebergte zoo hoog is dat het reikt (laia) tot den hemel. (Gelijk men zich herinnert, beteekent Himàlaya: woning der sneeuw, hima-àlaya). — De kroon op dit alles zet echter nog de verklaring van Boeddha, welke naam of bijnaam, gelijk mede wel algemeen bekend is, (evenals boeddhi, rede, verstand, afkomstig van het werkwoord boedh, weten, kennen), eenvoudig: wijs, den Wijze, beteekent. Door zijn »Frieschen vriend” nu werd de bedoelde persoon Bûda, d.i. buidel genoemd, omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat van liefde (»vmbe that hi in sin hâvad en skat fon wisdom hêde and in sin hirt en skat fon ljavde.”).

Die Bûda trouwens van ’t Oeralinda Bok verdient nog om een andere reden opmerkzaamheid. Namelijk in zoover hij ons eene aanwijzing (nevens verscheiden andere) levert, dat de mystificatie betrekkelijk vrij nieuw moet zijn. De vroegere naam van dien Bûda, zegt de tekst, was Jes-us: de priesters, die hem haatten, noemden hem Fo (hoe de Chinesche naam hier te pas komt, is niet duidelijk); het volk heette hem Kris-en, d.i. herder (Krishma beteekent: blauw, donker, hoewel de mythologische figuur van dien naam ook als herder voorkomt). Nu is die aardigheid van Jezus-Christus = Je-zeus Krishna [323] = Boeddha eene uitvinding van onzen tijd, waarmee trouwens de uitvinders niet veel eer hebben ingelegd; en anders dan nieuw kon ze ook wel niet zijn, vermits de bijzonderheden waarop ze heet te steunen, in vroeger tijd niet aan het Westen bekend waren. Een duister vermoeden omtrent dit een en ander, in elk geval een weerzin tegen de bewuste vergelijking schijnt ook bij den heer Ottema te zijn opgerezen; in eene noot toch zegt hij: »Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna) met Christus”, en in zijne vertolking schrijft hij steeds Jessos, hoewel er in zijn tekst voortdurend Jes-us staat. De zwakheid van het redmiddeltje valt genoegzaam in ’t oog; de omineuse paralel kan door zoo iets niet worden weggewerkt.

Ten slotte een woord van geruststelling. De Spectator-lezer mogt alligt vreezen dat het gewawel van Mr. W.d.L. nu weer zou gaan beginnen. Niemand echter is beter in staat dan de ondergeteekende, de stellige verzekering te geven dat hiervoor geenerlei gevaar bestaat. ’t Voorname doel van L’s schrijven, eene opwekking tot uitgave van »het” handschrift, is bereikt; en er kan dus ook geen reden meer zijn waarom hij zijne rol verder zou volhouden. Dat wij nu ten slotte toch zijn gedupeerd en niet veel waar voor ons geld ontvingen, is voor ’t overige zijne schuld niet, vermits hij toch niet vooruit kon weten wat het lang zoo geheimzinnig manuscript werkelijk zou behelzen.

v.L.B. [Petrus v.L. Brouwer]

{29} Spotprent “Twee hersenschimmen”

[324a]

No. 42 — 19 oktober

{32} Zend Thet Oera Linda Bok naar Engeland!

[335] Bij het dezer dagen verschenen eerste deel van den »Calendar of the Clarendon State papers, preserved in the Bodleian library” is, zooals behoort, een alfabetisch register gevoegd. Die daarin echter Vlissingen zoekt, zal het op de V niet vinden, zelfs niet op de F naar de engelsche verknoeiing Flushing. Doch kent de zoeker de »République des Champs élysées”, dan zal hij de U opslaan en het vinden als Ulissingen, daar die stad , zooals bekend is, door Ulysses is gesticht.

Men ziet: zelfs engelsche geleerden hebben op met die afleidingen; met graagte zullen zij dus »Thet oera linda bok” lezen, dat er even fraaie heeft.

No. 46 — 16 november

{34} Reeds verdronken, voor men nog water zag.

[367] Het Friesch genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde schijnt zich nu met de exploitatie van het beruchte en »vermakelijke” Oera-linda boek te hebben belast. Althans in de derde aflevering van »Friesche oudheden”, ons dezer dagen toegezonden, vonden wij een blaadje, eene aanprijzing van dat boek bevattende. In die »boekbeoordeeling”, zooals het opschrift van dat blaadje luidt, wordt met groote woorden en veel bombast, op »marktschreiers” wijze, de lezing van ’t Oera-linda boek aanbevolen. ’t Is dus tamelijk onnoozel. — Verder stelt een van de platen van »Friesche oudheden” nog eene bladzijde van ’t Oera-linda boek voor.

Niet minder »amusant” dan deze plaat is eene andere, ook in deze aflevering voorkomende. Die plaat stelt de grafsteen voor van een man die Ernst van Goslinga heette en op een’ zeer zonderlinge wijze zijn’ dood vond. Hij is namelijk, volgens het verklarende onderschrift, »verdronken te Leeuwarden door ’t steigeren van zijn paard, en van zijne vrouw Sijds van Donia, overl. 1571.”

Raad, raad, wat is dat? Dat de goede man in ’t water viel, blijkt niet. Is hij dus van schrik gestorven toen hij zijne vrouw, als een paard, zag steigeren of is hij ververdronken vóor hij nog water gezien had, even als de goede zielen die in ’t Oera-linda boek gelooven?

Texland. MIN-ERVA. / Eere-môder.

Noten

  1. Thet Oera-Linda Bok, naar een handschrift uit de dertiende eeuw, met vergunning van den eigenaar, den heer C. Over de Linden aan den Helder, bewerkt, vertaald en uitgegeven door Dr. J.G. Ottema. Leeuwarden, H. Kuipers, 1872.