Jump to content

1876-1877 Overige bronnen NL-talig

From Oera Linda Wiki
Revision as of 11:12, 12 August 2025 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

[Hier zal nog meer worden toegevoegd.]

JJK 123 (identiek aan JJK 118, 8-8-1876) Over de artikelen in The Cornhill Magazine [JJK 115] en The Academy [JJK 103] (overgenomen uit Zwolsche Crt.) - Arnhemsche Crt. 14-8-1876.

Het jongste nommer van The Cornhill Magazine bevat een aankondiging van het thans ook in engelsche taal overgebragte Oera-Linda-bôk. Aan het eind van dit artikel komt de schrijver tot de slotsom, dat men deze veelbesproken kroniek van alleroude geschiedenis als een roman moet beschouwen uit het eind der vorige eeuw, naar alle waarschijnlijkheid geschreven door een radikaal en vrijdenker, wiens geest doortrokken was van de sceptische denkbeelden der achttiende eeuw, maar nog meer van de krachtige en hartstogtelijke vaderlandsliefde, welke altijd het friesche volk heeft onderscheiden. Hij was klaarblijkelijk een man van veel kennis en talent, zonder juist een genie te zijn, want in dat geval zou hij zijn verhaal kunstiger hebben ingekleed, er beter vorm aan hebben gegeven. Hij had met meer bezieling kunnen schrijven en, zij het dan ook slechts voor een oogenlik, ons hebben kunnen dwingen om hem te gelooven. Dit talent is in den schrijver van het Oera-Linda-handschrift niet te vinden. Zijn boek is vol gevoel en verheffing, het is wat de Duitschers een tendenz-boek noemen, en heeft ten doel, in den vorm van een roman een ernstige zedekundige les te geven. Dit is geheel het karakter van den tijd, waarin wij aannemen dat de schrijver geleefd heeft. Wij willen nog verder gaan en durven de gevolgtrekking maken, dat het boek is zamengesteld in de eerste jaren van reactie, toen de denkbeelden der encyclopaedisten tijdens de fransche revolutie in vollen bloei waren gekomen en zulke wrange vruchten opleverden, dat men zich vastklampte aan Rousseau, alle andere soort van vrijdenkerij liet varen en tot een gewijzigd deïsme en conservatisme terugkeerde. Toen het getij was verloopen, keerde de vloed met geweld terug; in weinige jaren waren Joseph de Maistre en Chateaubriand de leiders der denkbeelden. Het Oera-Linda-bôk schijnt ons het juiste oogenblik van reactie aan te geven en te staan tusschen Diderot en het Seraphic-Epos. Terwijl wij aan den schrijver niet alleen de zuiverste en edelste bedoelingen toeschrijven, hem talent en scherpzinnigheid toekennen, weten wij niet wat we van een kritiek moeten zeggen, die dezen roman als een onvervalscht oorsponkelijk geschiedboek wil doen doorgaan. Het verdient strenge afkeuring, dat men zijn tijd verknoeid heeft met een poging om de wetenschappelijke mannen van Europa van de waarheid van zulk een dwaasheid to overtuigen. Die tijd had beter besteed kunnen worden door de juiste dagteekening, waarop dit handschrift is zamengesteld, en den naam en het doel van den schrijver op te sporen. Het is te hopen, dat men zijn aandacht aan dit punt zal wijden. Om uit te maken wie het Oera-Linda-bôk geschreven heeft en hoe het er later meê is gegaan, kan ten slotte niet moeijelijker zijn, dan te ontdekken wat de sirenen Ulysees toezongen, en dit is — wij weten het op het gezag van den heer Thomas Brown — werkelijk een onderwerp voor een wetenschappelijk onderzoek.

Toen wij het bovenstaande geschreven hadden — zoo leest men aan het slot van het artikel — verscheen in The Academy een brief van den heer Jules Andrieu, waaraan wij onregt zouden laten wedervaren, indien wij hem onvermeld lieten. Het is, zoover wij weten, de eenige wezenlijke kritiek, die tot hiertoe op het Oera-Linda-bôk is toegepast. Wij bevelen onzen lezers, die lust gevoelen in dit onderwerp dieper in te dringen, aan, deze streng wetenschappelijke mededeeling niet te laten liggen, te eerder omdat het gevoelen van den heer Andrieu niet geheel en al met het onze overeenstemt. Onnoodig is het te zeggen, dat hij de bewering, dat er sprake kan zijn van een handschrift van hooge oudheid, buiten quaestie stelt, maar hij is geneigd den tijd der zamenstelling op het eind van de zeventiende en niet van de achttiende eeuw te stellen. Hij haalt onderscheiden passages aan, waaruit duidelijk blijkt, dat de schrijver uit Olof Rudbeck heeft geput, wiens beroemd werk in folio in 1679 en in 1689 het licht heeft gezien. Dit plagiaat van Rudbeck is aangevuld met sommige bijzonderheden van Lipsius, en we willen niet gelooven dat er iemand, ook niet in Friesland, zal zijn, die zal durven beweren, dat het Oera-Linda-bôk toch niet van latere dagteekening dan deze boeken is. Niettemin houden we vol, dat de geest van de fransche schrijvers der achttiende eeuw in het boek doorstraalt en meer bewijst dan de overeenstemming met de woorden van genoemde schrijvers, die er slechts hier en daar in eenige vormen worden aangetroffen; en in afwachting dat er meer licht over de zaak wordt verspreid, blijven we het er voor houden, dat het Oera-Linda-bôk in de laatste jaren der achttiende eeuw geschreven is.

De heer Andrieu vestigt overigens onze aandacht op een vreemde overeenstemming van het Oera-Linda-bôk en een roman, in 1806 door een vlaamsch regtsgeleerde uitgegeven en waarin sprake is van een bewijs, dat de Elysesche velden, alsook de Benedenwereld van de Ouden, waren gelegen op de eilanden van den Beneden-Rijn en dat Ulysses zijn eigen naam aan de stad Vlissingen schonk. Deze schrijver maakt veel gebruik van de werken van Rudbeck en spreekt, even als het handschrift, van Min-Erva. Hier is, denken wij, meer dan een sleutel om den schrijver van het Oera-Linda-bôk te ontdekken. — (Zw. Ct.)