Jump to content

1875 Losse Gedachten

From Oera Linda Wiki
Revision as of 16:09, 11 August 2025 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
JJK 64 Sloet tot Oldhuis, B.W.A.E. - I. Losse gedachten over het Oera Linda boek, II De verwoede monnikken en de Academie van Wetenschappen - LC 16-5-1875. [Onder het art. staat: wordt vervolgd, maar volgens een hs. aant. van mr J. Dirks is dit vervolg niet verschenen. Hij noemt ook de naam van de schrijver].

Losse gedachten over het Oera Linda Bok.

I.

Het is des schrijvers plan niet om hier eene critiek over de echtheid of onechtheid van het Oera Linda Bok te geven, noch om in eene critiek te treden van de Historische schetsen, met eenige in- en uitvallen, naar aanleiding van het Oera Linda Bok (Deventer J. de Lange 1874), en wel om de eenvoudige reden, dat hij geene plaats inneemt in docto corpore criticorum. Hij wil liever alle schaduw van twijfel daaromtrent wegnemen door de plegtige verklaring, dat hij in geenerlei betrekking hoegenaamd tot de wijd vertakte „Gids-club” hier te lande staat; dat hij niet tot de ex-dominées behoort, die de gave der tale loochenen, maar zich zelven de gave der critiek over alle takken van wetenschap en kunst, staatkunde en praktisch staatsbeleid toekennen, waarvan het bezit nog veel krasser wonder heeten mag dan de gave der talen; dat bij hem een vast vermoeden bestaat, dat een schrijver van eenigen naam zijn onderwerp wel beter bestudeerd zal hebben dan deze of gene eenvoudige lezer, zoodra hem maar de lust bekruipt om de pen der critiek op te nemen; dat hij het schoone liever geniet dan ontleedt, uit eene kinderachtige vrees om een vlekje op een schoon ligchaam te ontdekken; dak hij het eindelijk zich tot eene heilige pligt stelt, om niets af te keuren zonder er reden voor te geven, wat wel een sterk bewijs is, dat hij niets van de hedendaagsche critiek verstaat; dat hij wijders Potgieter niet kan lezen, hoe dikwijls door hem beproefd; dat het Roosje van Bellamij hem nog een traan in het oog doet wellen, ofschoon de moderne critiek voor goed heeft uitgemaakt, dat Roosje een kind met een waterhoofd is, en zie, nu is juist dit weterhoofd de oorsprong van dien opwellenden traan; dat hij de overwintering op Nova Zembla nog altijd als een pronkstuk onzer letterkunde beschouwt; dat, als hij al zijn oordeel over dezen of genen schrijver uitspreekt, hij zich zorgvuldig onthoudt van woorden, als frischheid, aantastend, kolossale afmetingen enz.; omdat bij niet gaarne den schijn aanneemt om, onder zulke onbestemde klanken eene oppervlakkige betweterij te verbergen.

Maar, hoort hij zich tegenwerpen, dit raakt alleen de aestetische critiek. Men heeft gelijk; hier heeft inzonderheid met de historische kritiek te doen. Vergeef het hem, lezer! als hij in den tijdgeest vervalt met alles door elkander te haspelen.

Maar nu! hij moet tot zijn leedwezen bekennen, hij is evenmin een criticus-historicus als criticus-aestheticus, en zie hier de bewijzen:

In zijne jeugd las hij niet zonder blijvenden indruk de Oratio van Perizonius contra Pyrrhonismum, en daar zulke lectuur thans wat uit de mode is, wil hij den lezer alleen zeggen, dat de wijsgeer Pyrrho zich van alle geschiedenis in eens afmaakte door haar in haar geheel, zoo als zij reilt en zeilt, te ontkennen. Later leerde hij in te stemmen met de uitspraak van den grooten geschiedvorscher Heeren: dat scherpzinnigheid nog geese waarheidsliefde is, — en hij houdt daarom, tot dat hij beter ingelicht is, de geschiedenis der zeven eerste Koningen van Rome nog voor geen episch gedicht; hij kan het maar niet verkroppen, dat de critiek zijn geliefden Herodotus, den vader der geschiedenis, met den vader van alle logen nagenoeg op eene lijn wilde stellen; hij zweert nog kris en kras bij eenen enkelen Homerus, nog te bot van begrip, om aan eene menigte Homerussen te denken, die den Ilias en de Odysseus zamengesteld zouden hebben, terwijl de natuur reeds al haar krachten moet hebben ingespannen om eenen enkelen Homerus voort te brengen. Zoo moet hij ook altijd Keizer Tiberius blijven beschouwen als den geslepensten tyran en het model van de afzigtelijkste liederlijkheid voor de lange reeks zijner opvolgers; maar genoeg! meer dan genoeg! hoort hij zich toeroepen. Wij gelooven u volkomen, dat gij geen deel uitmaakt van den Areopagus der moderne Nederlandsche critici, en daar zelfs een treurig figuur zoudt maken. Maar wat wil dan de schrijver? Hij zal het u zeggen: Bij het lezen en herlezen van het Oera Linda Bok kwamen allerlei bedenkingen tegen de echtheid daarvan bij hem op, die hij vervolgens bij zich zelven wederom zocht op te lossen. Of hij hierin geslaagd is, wilde hij aan het oordeel van het publiek onderwerpen. Er ontstonden ook sommige opmerkingen bij hem, die misschien met het groote vraagstuk der echtheid in verband kunnen staan; en, wel verre van eenige idée fixe te hebben, verklaart hij ronduit, dat hij niet durft zeggen, dat het handschrift echt, niet dat het onecht is. Zie hier dus alleen eene bescheidene poging om deze zaak meer in staat van wijzen te brengen, want van „de Gids” schijnt geene critiek over het Oera Linda Bok of het Lexicon Frisicum van Halbertsma verwacht te kunnen worden.

II.

De verwoede monnikken en de Academie van Wetenschappen.

Toen wij de voorrede van het O.L. Boek lazen, in 803 na Christus door Liko over de Linde geschreven, en ontwaarden, hoe hij daarin zijne erfgenamen bezweert om toch nooit dit boek onder de oogen der monnikken te brengen, die met de vorsten heulen, welke niet dulden kunnen, dat de Friezen over vrijheid, regt en vorstenpligt spreken, kwam een glimlach op ons gelaat. De overoude strijd tusschen de godsdienstige vrijheid en verlichting is nog niet volstreden: hij blaakt in lichten laaijen gloed in Spanje; hij beweegt heel Duitschland en Zwitserland; ontwaakt in het Oosten en verspreidt zich reeds over den Oceaan naar de Nieuwe wereld. Geestelijk wordt die strijd op allerlei wijze en in allerlei vorm en gedaante in het openbaar en geheim gestreden; men zoekt in alle landen bondgenoten voor de toekomst. De Lieve Vrouwe te Lourdes moet aan Frankrijk de Elzas en Lotharingen teruggeven; in Duitsche Journalen geeft men bedekt en onbedekt te kennen, dat Nederland in den strijd tegen het Ultramontanisme gemeene zaak met Duitschland moet maken. Nu was het, of er plotseling een lichtstraal in mijn ziel drong en ik klaar doorzag, waarom het O.L. Boek zulk eenen doorgaanden hevigen afkeer van alle Priesters verraadt.

Zoude Bismarck, vroeg ik mij ernstig af, ook de hand in de zaak gehad hebben en zich door middel van het Pruissisch Gezantschap in betrekking gesteld hebben met de Heeren Drn. Eelco Verwijs en Ottema? In dat geval moeten wij erkennen, dat de Rijkskanselier met den aard en de rol der monnikken ten tijde van Karel den Groote volkomen op de hoogte is. Het sombre monnikkenwezen had zich in de 5e eeuw tot eene kerkelijke instelling verheven, die zich verwonderlijk snel over het Oosten en daarna over het Westen van Europa uitbreidde. De monnikken waren de ligte troepen, de Uhlanen in het groote bekeeringswerk der heidensche volkeren; zij waren in de hoogste mate dweepziek, en gingen met woester barbaarschheid te werk in het vernietigen van de werken der oudheid den de Wandalen. Hunnen enz. Deze hadden geen anderen prikkel dan baldadige vernielzucht, doch de monnikken gingen stelselmatig te werk in het verwoesten, afbreken en slechten van alles, wat de nieuw bekeerde volkeren maar eenige herinnering van hun vorige godendienst kon geven, die voor vreemd wapengeweld bezweken was.

Onder Keizer Theodosius greep er een algemeene tempelstorm plaats, waarbij onze beeldstorm kinderachtig heeten mag. Toen kwamen de monnikken met geheele zwermen, als de sprinkhanen uit de woestenijen van Syrie en Egypte, tot dit heilige werk opzetten onder naargeestige gezangen, bedekt met lompen, met getaande aangezigten, vol van dweep- en goudzucht. Toen werd de prachtige tempel van Jupiter te Apamea, een wonder van Grieksche kunst, toen het Serapéum te Alexandrië, onder de wonderen der wereld gerangschikt door de monnikken bestormd en tot den grond geslecht. Toen werd de groote Boekerij te Alexandrië, die in haar rollen de geheele geschiedenis en beschaving der oudheid bevatte, vernield, om de laatste herinneringen daarvan uit te wisschen. In Gallië liep de bisschop Martinus aan het hoofd eener keurbende monnikken het platte land af, om de tempels, afgodsbeelden en heilige boomen te vernielen, ten einde de laatste geheugenis der Druïdendienst te doen verdwijnen, waarvan de oorsprong zoo hoog in de oudheid opklom. Moet men mij niet toegeven, dat, als de voorrede van het O.L. Bok door Bismarck of onder zijn oog geschreven is, hij den geest van het monnikkendom volkomen gevat heeft? Trouwens, hij kent de geschiedenis; maar wanneer ik den stijl van den grooten Duitschen Staatsman vergelijk met dien van Liko, dan beken ik eerlijk, dat ik zonder nadere bewijzen mijne eigene gissing moet tegenspreken. Bij den eersten is alles snijdend, kortaf, gebiedend, bij den laatsten iets gedrukts, iets slepends en weemoedigs. Men hoore slechts. „Lieve erfgenamen,” zegt Liko,

„om onzer lieve voorouderen wille en om onzer lieve vrijheids wille, duizend maal bid ik U. Och, lieve, laat de oogen van een monnik toch nooit over deze schriften weiden; zij spreken zoete woorden, maar zij tornen ongemerkt aan alles, wat ons Friesch betreft. Om rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde Koningen. Deze weten, dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hun lieden toespreken over vrijheid, regt en vorstenpligt. Daarom laten zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt en wat nog overig is van onze oude zeden. Och, lieve! ik ben bij hen aan het Hof geweest; wil Wralda het gehengen en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij ons al te gader verdelgen. Geschreven te Luidwerf acht honderd en drie jaar, na de Christen meening. Liko, bijgenaamd over de Linde.”

Men ziet, dit kan onmogelijk onder het dictée van Bismarck geschreven zijn; maar, eilieve! wie was dan deze over de Linde? geen bekeerling, want hij roept nog Wralda aan, den Oppergod van Frija’s kinderen; hij had het Hof van den vreemden Koning bezocht, en hiertoe behoefde hij geene verre reizen af te leggen. Wij weten immers door Eigenhard in het leven van Karel den Groote, dat deze een paleis te Nijmegen liet bouwen, waar hij gaarne vertoefde. Als nu over de Linde geen verdicht persoon is, zien wij uit de vereering van Wralda, dat hij de nieuwe leer nog niet omhelsd had, schoon hij er misschien den schijn van moest aannemen. Wij weten uit de levens der eerste geloofspredikers Willehadus, Ludgerus enz. en ook uit andere kronieken, dat Friesland met delubrum’s, fanums overdekt was, wat kleine gebouwtjes schijnen geweest te zijn, waarin afzonderlijke Goden vereerd werden. Waarschijnlijk bestond er een grootere tempel te Staveren en op Ameland. Bij de Lex Frisionum T 2 werd eene onmenschelijke straf gesteld op den inbraak en berooving der tempels. Zeker is het, naar het eenstemmig verhaal der oudste schrijvers, dat deze tempels met goud opgevuld waren en de Frankische vorsten bij de vernieling der heiligdommen een grooten buit magtig werden. Maar van waar dat goud? van waar dit metaal in zulken overvloed? Het feit is opmerkelijk en doet aan overoude en verre handelsbetrekkingen der Friezen, eeuwen voor de Frankische invallen, denken. Kan het ook Phenicisch goud geweest zijn? Hoe moesten de Friezen, hoe moest het weeke, vaderlandslievende gemoed van over de Linde door die algeheele vernieling van alles, wat hun heilig was, hoe door die berooving getroffen zijn? Met welk oog moesten zij de monnikken aanzien? Thans in onze dagen zoude de laatste afstammeling van over de Linde gerust zijn handschrift in de hand van monnikken kunnen geven, maar iets anders zoude het zijn, om het nogmaals aan Onze Akademie van wetenschappen te willen toevertrouwen. Men weet, hoe deze eerst alle onderzoek van het handschrift hooghartig heeft afgeslagen, en het onbewimpeld voor eene mystificatie heeft verklaard. Dit was echter te veel voor den laten, den echten Frija’s zoon; hiermede was de eer van zijnen vader, van zijn overoud geslacht diep gekrenkt. Liet hij dezen hoon onbejegend, hij moest vreezen, dat hij verontrust zoude worden door den geest van Adela, de Eeremoeder op de burgt van het naburig Texel, even als Hamlet door de schim van zijn vader. Hij bood als nu het handschrift zelf der Akademie ter bezigtiging aan, maar zij weigerde er een blik op te laten vallen. Misschien met voorzigtig beleid; want veronderstel, dat zij eens de hooge oudheid van papier en schrift, in weerwil van zich zelve, had moeten erkennen, zoude dan niet de straal der overtuiging eene grimmige woede in haar ziel ontstoken hebben? Zoude zij niet in eene vlaag van overijling, in zekeren wetenschappelijken onwil, wat een hartstogt op zich zelven is, het corpus delicti van hun voorbarig oordeel uit den weg geruimd hebben? Is toch het handschrift, en hier komt alles op aan, onwedersprekelijk echt, en moest men tot die openlijke erkentenis komen, dan zou het algemeen nog eer aan de onfeilbaarheid van den Paus, dan aan de onfeilbaarheid onzer Akademie van wetenschappen gelooven. Gek dilemma! Liever dan om op een eenmaal uitgesproken oordeel terug te komen, ware het dan maar beter, om, in ’s Hemels naam, in sommiger oog voor wetenschappelijke monnikken der 19e eeuw door te gaan en geen kennis van het handschrift te nemen.

(Wordt vervolgd).