Brieven Ottema
Algemene opmerkingen:
- Afschrift is gemaakt door Nico Luitse, die kopie van uitdraai in kleine oplage verspreidde (m.n. aan liefhebbers), juli 1990. Grotendeels vanuit oude computerbestanden, geschonken aan Stichting OL door een zoon van Luitse, worden de afschriften op deze wiki beschikbaar gemaakt voor onderzoek, met enkele verbeteringen door Jan Ott. De computerbestanden bevatten een oudere versie dan die gebruikt zijn voor de afdruk uit 1990. Het kan dus zijn dat latere verbeteringen van hem nog niet waren verwerkt (en door mij iet opgemerkt).
- De brieven zijn verzonden vanuit Leeuwarden, tenzij anders vermeld.
- Volgnummers achter datum zijn overgenomen van Luitse, tussen haken het gestempelde nummer op origineel Tresoar, indien afwijkend.
I. Aan Cornelis Over de Linden 1870-1874
22-12-1870 / 1 (2)
WelEdelGeb. Heer!
Door uwe welwillendheid is de Heer Verwijs in de gelegenheid gesteld een afschrift te laten maken van het Handschrift van Liko Oera Linda, ten behoeve van het Friesch Genootschap. Dit afschrift is bij het Bestuur ontvangen en thans in mijne handen gesteld om te onderzoeken, wat dat werk is. Voor mij heeft reeds een ander zijne krachten daaraan zonder vrucht beproefd. En mij is door de vergelijking met de daarbij gevoegde bladen facsimili, door U met zooveel zorg nagetrokken, gebleken, dat de afschrijver op vele plaatsen het Hs. niet goed heeft kunnen lezen, omdat hij weinig van de taal verstond.
Voor alle dingen heb ik dus noodig het geheel te revideren en moet daarom, misschien wel wat onbescheiden, tot U komen met een vriendelijk verzoek of UEd. zoo goed wil wezen het Handschrift zelf voor eenigen door UEd. te bepalen tijd, aan het Bestuur van het Friesch Genootschap toe te vertrouwen ter nadere vergelijking. Kan UEd. dat toestaan, wees dan zoo goed het te zenden aan mijn adres.
Uit hetgene ik erin gelezen heb is mij reeds gebleken, dat Liudwert, waar die Liko en Hiddo oera Linda woonden, moet gelegen hebben aan de oostzijde van Wieringen tusschen Wieringen en het Kreilerwoud (thans nog de plaats Kreyl). Van daar moet dus Uwe familie afkomstig zijn, die ongetwijfeld afstamt van die oera Linda's.
Daarom vermeen ik ook dat de taal waarin het geschreven is, de Friesche taal zijn moet, zooals die gesproken werd bewesten en zuiden het Vlie, of tusschen het Vlie en de Kinhem (bij Alkmaar). Van welk belang dus dit Handschrift overigens meer of minder in Historischen zin mag wezen, het heeft altoos een Taalkundig belang.
In de hoop dat UEd. mag besluiten ons verzoek toe te staan, waardoor UEd. het Friesch Genootschap grootelijks zal verplichten, heb ik de eer met hoogachting te zijn
Uw Dv. Dienaar
(w.g.) Dr. J.G. Ottema
Medebestuurder.
28-12-1870 / 2 (3)
WelEd. Heer!
Uit uw antwoord bespeur ik dat gij niet tevreeden zijt over de handelwijzs van den Heer Verwijs, die u na drie en een half jaar nog even wijs gelaten heeft als te voren. Ik verbeeld mij die zaak te kunnen ophelderen, door het vermoeden dat de Heer Verwijs zelf ook even wijs gebleven is als te voren. Hij heeft op verre na niet alles kunnen verstaan, niet geweten wat er van te denken of te maken, en is voor eene vertaling opgetornd (hij had dit wel mogen te kennen geven). Hij heeft het afschrift tot ons opgezonden, 't welk daarop in handen gesteld is van den Heer J. Winckler, doch deze heeft er ook geen mouwen aan weten te passen. Daarop heb ik het tot mij genomen, en ben er nu reeds geheel in thuis en met de vertaling begonnen. Daarom kan ik u ook reeds de verzekering geven, dat er niets in staat 't welk u of iemand anders zou kunnen compromitteeren. Liko oera Linda heeft het geschreven in 't jaar 803, hij zelf was nog geen Christen, maar voorzag dat de stroom der Kristen Kerk niet meer te keeren zou zijn, en dat de ondergang van de voorvaderlijke dienst van Frija nabij moest wezen. Uit gehechtheid aan het geloof zijner voorvaderen heeft hij getracht nog te behouden en voor de vergetelheid te bewaren wat hij van oude aanteekeningen zou machtig worden. Dat zijn deels wetten, deels geschiedkundige (vaak fabelachtige herinneringen uit den vroegsten voortijd, opklimmende tot de twaalfde eeuw voor Christus. Het stuk is daarom merkwaardig wegens den ouderdom en de taal.
Het zal mij groot genoegen doen binnen korten tijd eene eerste bezending van UEd. te mogen tegemoet zien.
Hebbe de eer met de meeste hoogachting te zijn [ondertekening als voren, wordt verder weggelaten].
28-1-1871 / 3 (4)
WelEd. Heer!
Bij de terugzending van het eerste gedeelte van het H.S. voeg ik de vertaling, geschreven pagina voor pagina, opdat de vergelijking voor u gemakkelijker moge zijn.
Eerst meende ik dat slechts de beide eerste briefschrijvers H. en L. oera Linda betrekking hadden op uwe familie, bij nader onderzoek is mij gebleken, dat dit met zeer veele personen die in het boek voorkomen het geval is. I de eerste plaats: de schrijfster van het eerste boek is Adela, de vrouw van Apol Grevetman van de oera Lindaoorden (tusschen Texel en Wieringen). Het tweede boek is meest geschreven voor hare dochterApollonia en andere van de familie.
Die Mijnheer Apolvoerde den persoonlijken toenaam oera Linda. Zijn zoon heeft de onderscheiding verworven dien toenaam ook voor zijne afstammelingen te mogen aannemen.
Door de combinatie van onderscheidene in het boek voorkomende tijdsbepalingen is mij gebleken, dat Adela dit boek geschreven heeft in het jaar 441 of 442 van onze jaartelling. Derhalve voert uwe familie haren geslachtsnaam nu reeds sedert meer dan 1400 jaren, wellicht de oudste van Europa.
Met verlangen zie ik het tweede gedeelte van het H.S. tegemoet. Want ik moet alles van voren af aan overschrijven, wegens de onnauwkeurigheid van het door den Heer Verwijs bezorgde afschrift. Het H.S. zelf is wel degelijk uit den jare 1256, daar het vervaardigd is op eenen papiersoort die na den jare 1300 niet meer voorkomt. Voor mij liggen de facsimile's van bl. 1-21 en van bl. 46-62. Is er ook mogelijkheid, en is het niet te veel verzocht, wanneer ik u verzoek ook de facsimile's van de overige gedeelten mij te bezorgen voor het Friesch Genootschap, opdat het stuk zelve in duplo voorhanden te beter voor het vervolg bewaard blijve. Want het [is] zeer jammer dat er vroeger reeds gedeelten van verloren geraakt zijn, waaromtrent wel geene hoop bestaat, dat zij ooit weer te voorschijn komen.
Met de meeste hoogachting en vriendelijke groete, heb ik de eer te zijn
7-2-1871 / 4 (5)
WelEd. Heer!
Het spijt mij u eenige ongerustheid veroorzaakt te hebben door niet per ommegaande de ontvangst te accuseeren. Maar het bedoelde stuk is best overgekomen en ik ben reeds weer druk bezig met eene vertaling daarvan voor u gereed te maken. Van de bladen met het letterschrift laat ik photographische copiën vervaardigen, die ik u bij de terugzend[ing] hoop aan te bieden.
Met vriendelijke groete
?-3-1871 / 5 (1)
WelEd. Heer!
Hiernevens het tweede gedeelte van uw Handschrift terug, met de vertaling. Ik heb het langer gehouden dan ik zelf wenschte, want ik verlang zeer naar het vervolg, maar ik moest wachten tot ik de zekerheid had, dat de photographie van de beide laatste bladzijden goed zouden uitvallen. Zoodra die geheel gereed zijn, hoop ik bij eene volgende bezending u er een exemplaar van toe te zenden. Met de volgende gedeelten zal ik spoediger gereed kunnen weezen, omdat ik die alleen nodig heb om eene geheel nauwkeurige copie te maken. Doch daarom ook zal het nog aangenaam zijn, zoo het geschieden kan, wat grooter deel tegelijk te ontvangen, waardoor ik ook des te eerder eene meer gecorrigeerde vertaling kan doen toekomen.
Intusschen heb ik de eer te zijn, met vriendelijke groete en hoogachting,
10-3-1871 / 6
WelEd. Heer!
Met genoegen kan ik u melden, dat het toegezonden H.S. weder in goede orde ontvangen is. Na vriendelijke groete
9-4-1871 / 7
WelEd. Heer!
Veel langer dan mij lief was, heb ik U op de terugzending van deze bladen moeten laten wachten, om dat mijn kopyist door andere drukten belemmerd, mij te leur stelde. Dit kwam mij zeer ongelukkig voor den boeg, want daardoor werd ik zelf ook in mijn werk tegengehouden. De photographe stelt mij ook te leur, zoodat ik U de toegezegde photographiën nog niet kan zenden.
Intusschen moet ik U een opmerking mededeelen. In den brief van Hiddo oera Linda is genoemd een jaar 3449-1256 na Chr. In de verbeelding, dat dit eerste getal overdreven moest zijn, heb ik gemeend dat er 2449 zou moeten staan en heb later de jaartallen volgens dat cijfer overgebracht. Doch ik ben hoe langer zoo meer tot de overtuiging gekomen, dat die meening eene dwaling was. De laatste schrijver die in het boek voorkomt heet Beeden en was een tijdgenoot van den Frieschen koning Askar, die weder een tijdgenoot was van Julius Caesar en Keizer Augustus. Alles is dus voor onze tijdrekening. Derhalve is 3449 min 1256 is 2193 voor Christus het jaar, waarin Atland verzonken is. Wees dus zoo goed in mijne vertaling alle jaartallen naar dit cijfer te veranderen, d.i. alles 1000 jaren terug te stellen. Het blijkt nu dat Adela het eerste boek geschreven heeft anno 558 voor Chr., dat is nu voor 2429 jaren! Het schijnt ongelooflijk en moet toch zoo wezen, als alles sluiten zal.
In afwachting van Uwe volgende bezending, ben ik met vriendelijke groete
?-4-1871 / 8
WelEd. Heer!
In antwoord op Ue geeerd schrijven diene dat ik U gaarne opheldering van woorden wil geven. Wees zoo goed uwe vragen op te geven en te schrijven op half plique, dan kan ik mijne antwoorden er nevens schrijven. Omtrent de Krekalanden zal u kunnen opmerken dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen heinde (nader bij zijnde) Krekalanden en verre (verder af wonende) Kr., de eerste zijn de bewoners van Italië, bij ouds groot Griekenland genoemd, de laatste die van eigenlijk Griekenland, waaronder ook Attica. Om voorts aan Uw verlangen te voldoen zend ik U nu de vertaling van bl. 45 tot 92, die ik juist gereed heb. Dit stuk zal u zeer interesseeren, vooral bl. 87 en vlg. zullen u de familie uwer stamouders leeren kennen. Later zult ge ontmoeten hunne achterkleinkinderen Frederik en Williow, hun zoon Koenraad, diens neef Beeden zoon van Hachgawa, den broeder van Koenraad. Die allen hebben successievelijk het boek vervolgd. De laatste kan zoo wat in het begin der 6e eeuw geleefd hebben. De drie godinnen die ge in 't begin ontmoet hebt Frya, Finda en Lyda zijn de stammoeders der Europeanen, Asiaten en Afrikanen (net als Japhet, Sem en Cham). Hare karakterschets past ook juist op die drie mensenrassen.
Wees vriendelijk gegroet, met hoogachting
P.S. Om de photografiën zal ik denken.
13-4-1871 / 9
WelEd. Heer!
Met dankzegging bericht ik u de ontvangst van bl. 99 tot 146. Het verheugt mij dat bl. 100-112 niet ontbreken. Hoe die in het afschrift van E.V. ontbreken konden, ging mijn verstand te boven, juist omdat het 23 bl. waren en niet 24, gelijk het wezen zoude als een sektern verloren geraakt was. En juist deze bladzijden zijn weer hoogst kurieus. Ik moet ze nu na de overschrijving nog vertalen en de vertaling laten kopiëeren.
Vriendelijke groete.
6-5-1871 / 10
WelEd. Heer!
Ofschoon de vertaling van pag. 99-122 nog niet in kopie voor u gereed is, zend ik UEd. toch deze katerns pag. 99-146 met de vertaling pag. 140-163. Dit doe ik omdat ik er bij de u beloofde photografiën kan voegen. Ze zijn wel niet volkomen naar mijn zin, wegens de ongelijke donkere grond. Doch ik vrees dat voor zulk werk nog een ander praeparaat noodig is, 't welk oude photografen hier niet hebben, omdat dergelijk werk in de gewone ateliers niet voorkomt. Het schrift is best gelukt en dat is het voornaamste.
Wees nu zoo goed mij de volgende katerns alle drie te doen toekomen dan kan ik er in eens mede gereed komen.
Met vriendelijke groeten heb ik de eer te zijn
[P.S.] Intusschen verzoek ik te overwegen, nu de inhoud u bekend is als van geen personeel belang, na de vertaling voor u eene waarde moet hebben die het H.S. zelf niet had, of UEd. ook kan besluiten om het H.S. tegen een of anderen prijs aan het Friesch Genootschap af te staan opdat het in eene openlijke bibliotheek bewaard blijve, als eene antiquiteit.
9-5-1871 / 11
WelEd. Heer!
Het H.S. is bij mij in orde ontvangen.
Wees vriendelijk gegroet.
15-5-1871 / 12
WelEd. Heer!
In de gelegenheid, U de vertaling van bl. 100-122 te zenden, meen ik U genoegen te doen, met dit terstond te doen. Dit gedeelte is weer zeer onderhoudend en belangrijk. De beschrijving van eene burgt is zoo uitvoerig dat gij er eene plattegrond teekening van kunt maken. Tevens gaan hierbij bl. 147-164 van het H.S. terug.
Met vriendelijke groete
31-5-1871 / 13
WelEd. Heer!
Hierbij ontvangt UEd. het laatste gedeelte van het H.S. met vriendelijke dankzegging terug. Daarbij zend ik UEd. tevens het laatste gedelte van de vertaling. Het H.S. heb ik nu bladzijde voor bladzijde gecopieerd; mocht het mij later blijken dat ik in mijn afschrift eenige fout gemaakt heb, dat bij de meeste nauwkeurigheid toch gebeuren kan, dan verzoek ik de vrijheid te mogen nemen, om nog die of die bladzijden afzonderlijk even terug te vragen ter nadere vergelijking. Omtrent de uitgave, namelijk de wijze waarop, is nog niets besloten. Ik tracht te verkrijgen, dat de Provincie die uitgave voor hare rekening neemt. Want over het algemeen zijn onze Boekverkooopers bang voor de uitgave van werken van wetenschappelijk belang. Er kan dus nog daarover wel eenige tijd verloopen. Ik hoop maar, dat gij en ik het nog mogen beleven..
Tot betere bewaring van het H.S. zoude ik u wel willen aanraden om het te laten inbinden.
Intusschen dank ik u nog veele malen voor uwe bereidvaardigheid en blijf met vriendelijke groete hoogachtend
6-6-1871 / 14
WelEd. Heer!
Met vriendelijke dankzegging kan ik u de ontvangst berichten van uw portret.
Wat de uitgave betreft van het H.S., die kan niet zoo spoedig geschieden als u en mij wel aangenaam zijn zoude. Maar daartoe zijn nog meer zaken vereischt als de goede wil van het Fr. Genootschap.
1e Ik moet zelve daarvoor gereed zijn, en het betreft niet maar het drukken van de vertaling, dan was er weinig moeite, doch de vertaling mag niet gedrukt worden zonder den Frieschen text, want zonder dien kan het stuk niet beoordeeld worden.
2e In onze ongeloovige eeuw willen veelen de echtheid en authenticiteit betwijfelen, ja betwisten: het schijnt ongelooflijk dat een geschrift zoo eeuwen lang bewaard en in 't verborgen gebleven is; men meent dat het stuk in veel later tijd door dezen of genen verdicht kan zijn, om het publiek te mystificeeren, enz. Al die mogelijke en onmogelijke betwijfelingen, bedenkingen en tegenwerpingen moet ik opzamelen en weerleggen. Daarvoor heb ik nog menigen kamp door te staan.
3e Hetzij het Fr. Genootschap, hetzij de Prov. Staten kunnen besluiten tot toestemming van de kosten, altijd moet er een besluit van de vergadering en een post op de begroting verkregen worden. Dat alles moet ik met beleid zoeken te bewerken en geen tijd of geduld sparen, om mijn doel te bereiken.
Uwe vragen zie ik gaarne tegemoet, en wil trachten ze te beantwoorden. De tegewoordige vraag omtrent de beteekenissen der eigennamen, moet ik in zooverre toestemmend beantwoorden, dat ik geloof dat al die namen beteekenissen hebben, maar niet geloof altijd de beteekenis met zekerheid te kunnen bepalen. In het boek zelf worden tusschenbeiden namen verklaard van landen, steden en volken. Kadik: de bedijkte kade. Minsellja: de slechte koop. Athenen: de vrienden, enz. Van personen kan ik aannemen:
Adela: de edele; Minerva: mijne erven; Syrhed: sieraad; Rosmuda: Rosen-mond; Kalta: de Snapster(?); Frana: de vrome; Trâst: Troost; Geerte: de begeerden; Adelbrost: de edelhartige (naar hem heeten wellicht nog onze adelborsten); Frethorik: de vrede rijke; Wiljout: wilt gij? Konereed: Koen van raad; Bêden: de afgebedene; Store: de groote; Sterik: de sterke; Wodin: de woedende; Liudgêrt: bij de Lieden (het volk) begeerd.
Apol, Apollonia, Teunis, Teuntje, Inka, Hachgawa en andere durf ik nog niet beslissen. Deze komen mij zoo voor den geest. Ik moet ze nog eens opzettelijk verzamelen.
Ontvang dezen in welstand met mijne hartelijke groete
2-7-1871 / 15
WelEd. Heer!
Morgen namiddag te vijf uren ben ik voor u beschikbaar, en zal u dan zeer gaarne opwachten. Zoo gij Mevr. uwe echtgenoot en den Heer Siderius medebrengt, zal het mij aangenaam zijn.
Met vriendelijke groete
8-7-1871 / 16
WelEd. Heer!
Zoo nu en dan vind ik nog iets dat mij weer duidelijk wordt. In het tweede gedeelte des boeks schrijft Apollonia dat haar broeder Apol verhuisd is naar het zuiden van West Schoonland en daar een burgt Lindaburch gebouwd heeft. Ik neem dat Schoonland voor Schonen, het zuidelijk deel van Zweden, maar kon daar niets van dien naam vinden. Uit het laatste stuk van het boek is mij opgevallen dat daar Lindaburch ook Lindanaas genoemd was. Daaruit heb ik begrepen dat Schönland het Scandinavische schiereiland bedoelt en dat het westen van Schoonland Noorwegen is. Nu heet nog heden ten dage de zuidelijkste spits of kaap van Noorwegen Lindenaes (Lindas neus). Zie daar dus een punt op den aardbol, dat sedert 24 eeuwen den naam uwer familie draagt. Teeken daarom op uwe kaart kaap Lindenaes met een roode streep aan voor de curiositeit.
Deze bijzonderheid rekende ik bijzonder genoeg omeen bijzonderen brief te verdienen.
Na zeer vriendelijke groete hoogachtend
25-7-1871 / 18
(brief 17 is verplaatst naar brieven aan L.F.)
WelEd. Heer!
Onder terugzending van de bladen uit W.v.T. kan ik U berichten dat uw Handschrift wel een afschrift is van de Kronijk van Worp van Thabor. Er zijn echter zoo veele afschriften van dat boek verspreid, bv. het Friesch Gen. heeft 4, de Prov. Bibl. 5. De Gron. Akad. Bibl. en Stads Bibl. 3 enz, dat het HS weinig waarde bezit. Slechts indien het vijfde Boek er geheel in voorkomt heeft het waarde voor eene Bibliotheek als de Amsterdamsche, waar men van dit vijfde Boek slechts een klein gedeelte bezit.
Wie is die Heer H.A.W. uit Amsterdam, die in het Handelsblad vertelt bij u geweest te zijn, maar alleen photografien van een drietal paginas gezien te hebben, omdat toen juist het origineele Handschrift zich bij mij zoude bevonden hebben? Ik heb toch nooit meer dan een of twee sexterns hier gehad, en die H.A.W. had het overige dus allen tijd bij u kunnen zien (als gij namelijk goed vondt het hem te laten zien.) Hij schijnt van u een verslag gekregen te hebben, waar hij sommige plaatsen uit aanhaalt. Het is ongelukkig dat men aan zulke voorbarige bemoeiallen bloot gesteld is die uit zucht om ook wat in de krant te schrijven uit iets dat hun onder de oogen komt, hier en daar eenige uit hun verband gerukte regels afschrijven, en daardoor weer aan andere kranten gelegenheid geven, tot de bespottelijkste voorstellingen en de ongerijmdste aantijgingen, zooals in het Vaderland. Doch ik heb volstrekt geen plannen om mij met zulk kranten gewauwel in te laten, dat is beneden mij.
Voor uw zoon L.F. heb ik nog een proefblad photografie gevonden en verzoek u hem dat ter had te stellen, om altans eenigermate aan zijn verzoek te voldoen.
Ontvang voorts dezen in welstand met mijne vriendelijke groete ook aan Mevr uwe Echtgenoot.
Met hoogachting
3-8-1871 / 19
WelEd. Heer!
Dank voor de gegeven opheldering; ik begrijp de zaak nu geheel; en kan mij best voorstellen, dat het bezoek u wel wat heel druk wordt, vooral daar het grootendeels zijn zal van bloot nieuwsgierigen, die van de zaak geen verstand hebben.
Een paar bevindingen wil ik u weer mededeelen. Op bl. 55 leest gij de woorden: onze sêfyra zullen het rondblazen. Lang heb ik niet begrepen, wat er van die sêfyra te maken was, en toch bleef ik bij de opvatting, dat den lof rondblazen beteekende uitbazuinen, en dat die Sêfyr dus een bazuin, spreektrompel, scheepsroeper wezen moest. Dezer dagen kwam mij te binnen dat hier in het Museum van Oudheden zich een voorwerp bevond, waarvan de bestemming ons raadselachtig was. Hierbij gaat eene afteekening op 1/4 van de grootte. Het is een hoorn, van 1.12 meter lengte, de wijde opening meet 0,14 - de mondopening 0,03 buitenwerks en 0,02 binnenwerks diameter. x) Het bestaat uit twee in de lengte gekromde helften, ruw als met een mes of holbeitel uitgehold en met 10 hoepeltjes aaneen geknipt, en wel van dennenhout. Dit hout, gelijk gij weet heet bij de Deenen en Noren 'fyr. Op zee (Sê) gebruikt en van fyr gemaakt zal dus die roeper den naam sêfyr gehad hebben. Het voorwerp is natuurlijk van later dagteekening, maar daarin is de oorspronkelijke vorm van 2000 j. voor Chr. bewaard gebleven. Is het niet curieus? x) N.B. het mondstuk is gevat in een ijzeren ring.
Ten anderen: In het laatste gedeelte van Apollonia's geschrift bl. 112 vindt gij breedvoerig gewag gemaakt van Marsaten, bewoners van Paaldorpen i de Zwitsersche meeren. Daarover moet gij nalezen een stuk van Dr. T.C. Winkler in de Volksalmanak van het Noorden van 1867 en gij zult u verbazen over de naauwkeurige overeenstemming. Zend aan Dr. Winkler afschrift van het stuk waar die Marsaten voorkomen. Hij zal u moeten zeggen, dat het niet geschreven kan zijn, dan in den tijd toen die Marsaten nog bestonden.
Met de meeste hoogachting en de vriendelijkste groete
25-8-1871 / 20
WelEd. Heer!
Om uwen brief, heden ontvangen, en den vorigen te beantwoorden, zend ik U in de eerste plaats het briefje van Dr. Winkler terug. Die Heer maakt er zich af zonder de vraag te beantwoorden, en daar maak ik op dat hij ten aanzien van de echtheid niet ja wil, en niet neen durft te zeggen. Hij is een Leeuwarder, zijn broeder heeft voor mij het afschrift van Dr. Verwijs in handen gehad, maar er niet wijs uit kunnen worden, en tracht nu, er laag op neer te zien.
In den Spectator heb ik niets ontmoet. Het kan de Militaire Spectator zijn, doch die lees ik niet. Van zulk krantengeschrijf neem ik geen notitie, en heb geen plan om op iets daarvan te antwoorden. Het geblaf van keffers acht ik niet. Wil iemand de onechtheid van het stuk beweren, dan moet hij met bewijzen aankomen. En in de eerste plaats bewijzen dat het papier van lateren tijd is dan de 13e eeuw. 2e dat na de 13e eeuw ergens zulk schrift is gebruikt en 3e dat na de 13e eeuw zulk Friesch gesproken en geschreven is. Zoo lang men dat niet doet, blijft het jaartal 1256 onaantastbaar.
Om het stuk te beoordeelen moet men niet alleen den gehehelen inhoud kennen, maar ook de taal als taal.
De meening van den Hr. Colmjon ken ik; hij schermt met het komt mij voor en het lijkt mij toe, maar hij kan geen van de hierboven genoemde bewijzen leveren.
Jhr Mr de Haan Hettema is onder het thans leevend geslacht de man die het meest ervaren is in de oud Friesche taal, en deze beschouwd het geschrift als gedenkstuk van oud Friesche taal van onschatbare waarde. Het spijt hem zeer dat in dezen zomer te Schagen wezende nog geen kennis droeg van mijn verslag, en dus niet in de gelegenheid om U te bezoeken.
Ontvang mijne vriendelijke groete met hoogachting
[P.S.] Apollonias bericht omtrent de paaldorpen zal in de volgende maand ter sprake gebracht [worden] in de vergadering van oudheidkundigen te Bologna (in Noord Italië) waar mijn Neef Mr J. Dirks heen gaat. Daar zal het opzien baren.
28-8-1871 / 21
WelEd. Heer!
Gisteren 27 Augs heeft Do[minee] Reitsma zijne redevoering bij het Fr. Gen. gehouden. Ik haast mij u [er] een uittreksel van toe te zenden, met verzoek, dat te laten overschrijven, en in de Heldersche Courant te plaatsen.
Het zal even zoo met het verslag van de vergadering in de Leeuwarder Courant geplaatst worden. Ik ben blijde dat er nu eens eene stem in het openbaar gesproken heeft.
Van het tweede stuk van Do[minee] Reitsma, later voor te dragen, zal ik u te zijner tijd in kennis stellen.
Te Berg en Dal heb ik kennis gemaakt met de HH Hugenholtz en Van der Marle en bijhen veel belangstelling ontmoet. Wees zoo goed hen te groeten en te vragen, of zij een hun toegezonden geschrift van mij hebben ontvangen.
Wees ook zelf met de uwen hartelijk van mij gegroet met hoogachting en vriendschap
[in potlood:] gij kunt hieruit zien dat het vervolgd zal worden
12-9-1871 / 22
WelEd. Heer!
Bij het ontvangen van uwen brief dacht ik eerst dat het uwe bedoelig was, dat ik dien aan den Heer d[e] H[aan] H[ettema] zoude bezorgen. Bij nader inzien bleek mij, dat gij mij slechts kopie hadt medegedeeld. Hetgeen gij geschreven hebt is heel goed maar was juist niet nodig. Ik heb zelf dien Heer schriftelijk alle zijn bedenkingen omstandig beantwoord. Onder anderen dat zijn vermoeden als zoude het geschrift in de vorige eeuw opgesteld zijn, ongegrond is, om de zeer eenvoudige reden, dat hier te lande niemand ooit de oude Friesche taal grammatikkaal beoefend heeft dan juist hij Jhr Mr M. de Haan Hettema. Hij zoude alleen in staat geweest zijn in die taal eenig geschrift op te stellen. Maar dan nog is de taal be-oosten het Flie, en niet in het westen [?] Flielandsch dialect. Was er in de vorige eeuw iemand geweest die zulk een taalstudie gemaakt had, dan moet dat een bekend persoon geweest zijn.
Alle idee van latere verdichting stuit daarop af, dat er sinds eeuwen niemand geweest is die in die taal schrijven kon.
Opmerkelijk is het ook dat in het H.S. woorden voorkomen die nergens meer bekend zijn, dan alleen in Noordholland, b.v. nol, kleine ronde terp, hêmisdêgum, onlangs. Daar wensch ik meer van te weten. Kunt gij mij ook eenige zulke zeldzame en van het Hollandsch afwijkende woorden en uitdrukkingen, die men nog vindt op Texel, Wieringen, in de omstreek van Mede=nmblik, bij de Egmonden, en vooral op afgelegen plaatsen, opzamelen? Daarmede zoudt gij mij een grooten dienst bewijzen.
En nu nog een verzoek. Bij de polemiek, die zich terzake van het H.S. ontsponnen heeft, kan ik niet langer mij buiten het spel houden. Vooral nu de Heer Colmjon in de Leeuwarder Courant een vreeselijk lang stuk bijeen gewauweld heeft. Doch ik gevoel dat het noodzakelijk is, dat gij mij in de gelegenheid stelt om de menschen het papier en schrift in originali te laten zien. Daarom ben ik zoo vrij u te verzoeken een gedeelte van het HS. voor een geruimen tijd bij mij te willen deponeeren, b.v. het laatste stuk.
Bekommer u overigens niet over al dat geharrewar. Wees met uwe familie vriendelijk gegroet. Hoogachtend
17-9-1871 / 23
WelEd. Heer!
De bedoeling in het artikel van het Vaderland is niet twijfelachtig: tusschen de woorden anders en zijn is het woord door uitgevallen, in achter is staat eene komma die er niet behoort.
Ik raad u aan om het tweede gedeelte van uw opstel niet in te zenden. Dingsdag komt een stuk van mij in de Leeuwarder Courant, waarin ik de geleerdheid van den heer Colmjon ontleed en ontkleed, en omdat het ongeletterd publiek zoo veel gewicht hecht aan het gezag van dien man, houd ik met hem afrekening. Zoo spoedig mogelijk zal ik u dat No. toezenden.
Intusschen hebben wij nog dit gewonnen, dat dkwestie op een klein veld is terug gebracht, namelijk de erkenning, dat het stuk geschreve is of toen, of nu. In onze dage is er niemand in het geheele land in staat om in die oude Friesche taal te schrijven. Ergo moet het geschreven zijn in den tijd, dien het H.S. zelf aangeeft.
Ten opzichte van dat nu komt nog in aanmerking dat dit tijdsbestek niet meer dan 18 jaren is. En dat gij een man van 61 jaren het geërfd hebt van uwen grootvader voor vrij wat meer dan 18 jaren. Ten einde nu daarover met nauwkeurigheid te spreken, wensch ik nog wel van u de volgende opgaven te ontvangen.
Wanneer is uw Grootvader overleden? wanneer uwe tante, die het voor u bewaard heeft? En bestaat er ook van uwen Grootvader eene Schriftelijke bepaling of beschikking omtrent het H.S.?
Ontvang mijne vriendelijke groete en wees goedsmoeds. In de geleerde wereld denkt men gansch anders als die onbevoegde schreeuwers, en hier te Leeuwarden weet men wel hoe zwaar Colmjon en Johan Winkler wegen.
P.S. Gij begrijpt dat ik in de eerste plaats behoor tot die Friesche zoogenaamde gelerden, en dus genoodzaakt eens de tanden te laten zien.
23-9-1871 / 24
WelEd. Heer!
Met uwe aangename brieven van den 16 Sept. heb ik ontvangen de lijstjes met woorden nog in N.Holland in gebruik, van u en van den Heer Dekker. Daar dank ik u recht hartelijk voor, want ik heb daaronder wel een dertigtal woorden gevonden die bij ons niet bekend zijn en wel in het H.S. voorkomen.
Dank vooral uwe vrouw voor de scheveningsche uitdrukking joei en Trôôs bl. 126; ook het Vlissingsche myk is (bl. 63) van bijzonder belang. Daar het mij niet te doen is om eene collectie van alle bijzondere N.Hollandsche woorden te maken, heb ik voor mijn deel aan deze genoeg en verzoek u geene verdere moeite te geven.
L.l. Dingsdag heb ik eene voordracht gehouden voor een Theol. Geselschap van Groninger geleerden waaronder Prpf. Hofstede de Groot, Prof. Lorgions, Ds. Toorenenbergen enz. ten huize van Ds. van Velzen alhier. Allen waren opgetogen en diep doordrongen van het belang van onze zaak.
Omtrent mijn verweerschrift in de Leeuwarder Courant, dat hier veel indruk maakt, ontving ik onder anderen uit Bergum de nevensgaande briefkaart van den Heer van der Meulen, een speciale kennis van Colmjon. Daaruit kunt gij zien hoe men hier over C. en W. denkt.
Ik heb u van dat verweerschrift dingsdag twee exemplaren toegezonden. Daar omtrent geen bericht ontvangen hebbende, vrees ik dat ze u niet geworden zijn. Is dat zoo, dan zal ik u andere zenden.
Aan het Couranten geschrijf stoor ik mij niet het minste, en ga rustig mijn gang, Gij moet er u ook niet over bekommeren. Hoe doller zij het maken, zooals de dronkenmanspraat van Ds. Van Vlooten in de Deventer Courant, des te beter.
Ontvang dezen in welstand, wees met de uwen vriendelijk gegroet, en laat mij spoedig iets van u vernemen, vooral de laatst gevraagde opgaven.
15-10-1871 / 25
WelEd. Heer!
Ik dank u voor uwen vorigen brief en voor dien welke ik heden ontvangen heb. In den loop dezer week had ik geen opgewektheid, u te schrijven, want ik was beroerd, zenuwachtig en koortsachtig van louter nijdigheid over den Spectator. Ik heb er nu een stukje heengezonden, om dien Heer Van den Berg eens op zijn voorman te zetten. Daartoe had ik die juiste datums en namen nodig.
Gij hebt mij genoegen gedaan met den brief van Verwijs, doch gaarne had ik daarvan een volledig afschrift van den datum tot de onderteekening incluis. Gij verkeert nog in eene dwaling. V. heeft geene vertaling van het H.S. gemaakt. Hij heeft het alleen laten ovrschrijven in ons letterschrift. Die afschrijver kon het maar zeer gebrekkig lezen (en Verwijs kon het niet beter, want daarop had hij moeten toezien) daardoor was dat afschrift volkomen onbruikbaar, zoo krioelt het van fouten. Voor dat afschrift heeft het Friesch Genootschap 40 gulden betaald. Voor de vertaling is Verwijs opgedraaid, daar zag hij geen kans toe, en daarom heeft hij er zich [van] afgemaakt en u ook geene vertaling kunnen bezorgen.
Daarna is het stuk in mijne handen gekomen; en nu hij gezien heeft dat ik het geheel opnieuw heb afgeschreven, en er eene volledige vertaling van gemaakt [heb], nu gaat hij het stuk laken en in minachting brengen. Die Spectator schrijvers zijn van zijn kornuiten. Nu begrijpt gij zeker wqel, hoe de vork in de steel zit.
Zeg aan Ds. Dyserink dat amper een oud hollandsch woord is, dat hij in het Woordenboek van Kiliaan vinden kan. Het beteekent eigenzlijk zwaar, vandaar als een werk ons zwaar valt, zeggen wij: ik kan het amper doen. Als de maleyer dat woord ook gebruikt dan heeft hij het van Janmaat geleerd.
De arabische cijfers hebben met de onze niets gemeen. Do. moet maar de Arabische Spraakkunst van Erpenius nazien. Tot in de 10e of 11e eeuw gebruikten de Arabieren evenals de Hebreewen en Grieken, het geheele alfabet om getallen op te schrijven.
Zeg verder aan Ds. Dijserink: Vaan de straat die uit de Middellandsche Zee in de Roode Zee uitliep heeft Strabo, een Grieksch aardrijkskundige, bij een nog veel ouderen geograaf Eratosthenes (wiens werken verloren zijn) gelezen, dat toen die zeeëngte bestond de Straat van Gibraltar nog gesloten was, en dat na het doorbreken van de rotsen het tusschen de Spaansche en Afrikaansche kust, de waterstand van de Middellandsche Zee langzamerhand is gedaald, waardoor eindelijk de Straat van Arabië is droog gelopen, daar hij zeer ondiep was. Daardoor wordt het bericht in het H.S. volkomen bevestigd.
De peren hebben heerlijk gesmaakt. Hele hartelijke groete van
21-10-1871 / 26 en 27
WelEd. Heer!
Onze vorige brieven hebben elkander gekruist en daar ik u geschreven had over de exx. van de Courant, wachtte ik met u te antwoorden tot de ontvangst van bericht hierop. Heden ontving ik dat bericht, maar vergezeld van zulk een kostbaar geschenk, dat ik niet weet hoe wel u daar mijn dank voor te betuigen. De stoel is een zeer fraai en hier hoogst zeldzaam stuk, en als herinnering en aandenken aan een geschrift dat mij nog steeds de hoogste belangstelling inboezemt, voor mij van drie dubbelde waarde. Geloof mij dat ik dien stoel in hooge eere houden zal als een geschenk van een echte Fryas fries en van den drager van dien oudsten naam in Fryas land. Het mandje met appelen en peeren is mede in perfecte orde overgekomen. Zij zijn overheerlijk, en mijn nichtje betuigt u hiervoor mede haren hartelijken dank.- Nu tot uwen laatsten brief.
Veel dank voor de uitvoerig gegeven inlichtingen, waarvoor ik geheel op de hoogte ben. Echter zoude ik nog gaarne weten den voornaam van uwen grootvader, (ik vermoed dat gij naar hem genoemd zijt) en dien van uwen oom Koops.
Hettema's opmerking omtrent de W is, gelijk gij juist opmerkt, ongegrond. Ook hier heette de W altijd dubbelouw evenals in het Engelsch.
In het Alfabet komen niet voor de Ò en de Z, deze zijn letters van lateren datum. De Ò die gij in het H.S. op enkelde plaatsen ontmoet, is de lange O waar men in het hollandsch placht te schrijven oi bv. oirsprong, oirlogh, en bedrieg ik mij niet, alleen voor de r. De Z is de gs.
Op bl. 20 in art. 10 komt voor de gâ moder, door mij vertaald dorpsmoeder, zonder te weten, wie dat dan eigenlijk wezen zoude, is mij nu duidelijk geworden. Zij is de vroedvrouw. Ten platten lande noemt men haar wel de goedvrouw of goedmoer. Misschien ten uwent ook wel. Wees zoo goed dit in mijne vertaling te verbeteren. Alsmede op pag. 28 art. 5. de jongste middelste en oudste prentar in scheepsjongen en lichtmatroos, of zoo als het behoort. Is de kleinste jongen niet de muis?
Hetgene gij onlangs in het N.v.d.Dag kunt gelezen hebben, betreft alleen eene aankondiging van het Verslag van 't Friesch Genootschap over het afgeloopen jaar, en geenzins eene latere vergadering.
Hiernevens zend ik u nog een paar exx. van de Leeuw. Courant 19 September.
Veele groeten aan uwe familie, met herhaalden dank. Ontvang dezen in welstand.
P.S.Er zijn twee soorten van peeren: hoe is de naam?
Verwijs heeft te Leiden in de handschriften nog nergens soortgelijk papier kunnen vinden, noch in het Rijksarchief.
(genummerd 27:) P.S. De Leeuwarder Courant heeft na mijn stuk niets meer opgenomen.
De Heer Dirks komt eerst in het begin der volgende maand uit Italië terug.
Naast Piet Paaltjes wordt nu ook de Schoolmeester Jansen uit Harlingen genoemd. Er komt dus concurrentie. Misschien noemen ze ook nog eens onze Meniste Do. M. van Geuns, die vroeger te Oude Niedorp gestaan heeft. De grootste onzin wordt gretiger ontvangen, als de eenvoudige waarheid. Maar vroeger of later drijft de waarheid weer boven.
(genummerd 28, niet dateerd; blz. nrs. verwijzen naar Ottema's uitgave van oktober 1872)
Tijdverdeeling.
Omtrent de verdeeling van den tijd ontmoeten wij in het O.L.B. de volgende opgaven.
Het etmaal, etmalde, omvat dag, dêi, en nacht, nacht.
Van den dag worden onderscheiden: morgen, morna, middag, middêi, en avond, êvind. Het etmaal werd verdeeld in twee maal twaalf uren, twya twilif stonda, en wel op twee wijzen, zonne-uren, sunna-stonda, waarvan twya twilif op een etmaal gaan, zoodat het etmaal in 24 gelijke deelen verdeeld is, - en zeemansuren, stjura-stonda, waarvan tweemaal twaalf gaan in dag en nacht, zoodat de dag en de nacht elk in 12 uren verdeeld zijn.
De laatste zijn dus ongelijke uren, wier lengte afhangt van het lengen en korten der dagen. Slechts tweemaal in het jaar komen die uren overeen op de dagen der nachteveningen.
Evenzoo onderscheidt Ptolomaeus Alexandrinus ook, ωραι καιρικαι, tijdelijke uren, en ωραι ισημεριναι, nachteveningsuren. De eerste voor het dagelijks leven, burgerlijke uren en de laatste voor sterrekundige berekeningen. Zie bl. 146.
Bovendien werden nog dag en nacht verdeeld in acht waken, elke van drie uren, aider wâk sterja stonda. Zie bl. 148.
Voorts vindt men eene telling van dagen bij weeken, wyka, elke week van zeven dagen, sjvgun dêgum. bl. 28.
Namen van dagen der week komen niet voor.
Het jaar is verdeeld in maanden, mônadha; voor twee maanden sttaat op bl. 124 tweemaal dertig dagen, twya thritich dêga, zoodat elke maand dertig dagen telde. Derhalve was het jaar niet een maanjaar, maar een zonnejaar van 12 maal 30 of 360 dagen (en vijf overschietende dagen).
Als namen van maanden ontmoeten wij op bl. 158
Arnemonath, oogstmaand, augustus.
Wolfamonath, wolvenmaand, december.
Herde monath, harde (bevroren) maand, january.
Sellemonath, February.
Winna of Minnamonath, blz 128 ook Frjunskip mônath, bloeimaand, mei, vreugdemaand.
Andere namen van maanden, en daaronder wellicht ook Friesche, zie men bij D. Buddingh, Feesten en Feesttijding, Antwerpen 1869.
De hier voorkomende namen zijn voldoende om te doen zien dat de maanden streng aan de jaargetijden gebonden waren, en het jaar dus 1e 365 dagen tellen moest.
Hiertoe werden zeker tusschen de wolfamonath en herde monath vijf dagen ingeschoven. Het jaar toch eindigde en begon met den winterzonnestand (21 dec.) wanneer de Kroder met zijn jol een nieuwen loopkring intrad; die vijf ingeschoven dagen waren bestemd voor het jolfêste, juulfeest.
In zooverre stond het oud Friesche jaar met het oud Egyptische jaar gelijk, 't welk ook verdeeld was in 12 mmaanden van 30 dagen, en waarbij na de laatste maand nog vijf dagen waren toegevoegd, bij Ptolemaeus επαγομεναι genoemd.
Doch het egyptische jaar was een wandeljaar, d.i. dewijl elk jaar het vierde del van een dag te kort kwam, schoof de 1e dag van het jaar alle vier jaren een dag terug. Die 1 Thot volbragt in een tijdverloop van 4 x 365 = 1460 jaren zijne wandeling langs het geheele jaar rond, en op de 1460 was één jaar verloren gegaan, dat er aan toegevoegd worden moest om 1461 Egyptische jaren gelijk te maken met 1460 zonne (Juliaansche) jaren. De Egyptische maanden schoven dus steeds terug door alle jaargetijden heen. Dit laatste nu mogt met het oud Friesche jaar niet gebeuren, het ging b.v. niet op,dat wolfeinde math in Augustus, of winnesmonath in January viel. Om dit te voorkomen stond slechts één en wel een zeer eenvoudig hulpmiddel ten dienste, men behoefde slechts om de vier jaren in plaats van vijf dagen zes dagen voor het juulfeest in te schuiven. Die noodzakelijkheid was te gebiedend om niet aan te nemen, dat zulks werkelijk gedaan is.
Het Friesche jaar eindigde dus met 30 wolfamônath, gelijk onze 21 December, dan volgden in gewone jaren vijf dagen voor het juul, 22 tot 26 December, zoodat met 27 December gelijk 1 Herde mônath de telling van de dagen in het nieuwe jaar aanving. Vandaar is het gekomen, dat bij de invoering van het Christendom in Zweden, Noorwegen, Denemarken en gansch Duitschland de Feestelijkheid van het Juul aan het Kerstfeest is verbonden gebleven.
Sterrekunde
Op bl. 144 leest men van de burchtoren: en lyth huske thêr vppa, hwâna man tha stara bisjath.
Op hunne zeetochten konden de zeevaarders Stjurar bij nacht hunen koers niet richten dan naar de sterren. Daartoe was het voor hen nodig den stand des sterrenhemels in elken tijd van het jaar vast in het geheugen geprent te hebben en die te leeren door opmerking en waarnemen. Het lyth huske op de toren als observatorium behoeft ons dus niet te verwonderen. En al ging die oefening ook niet verder dan het gadeslaan van de richting der sterren en sterrengroepen, zij was toch ook eene soort van sterrekunde.
Namen van Sterrenbeelden, melding van planeten en kometen, van zon of maan eklipsen komen in het boek niet voor. Stellig is dus van de kennis der Friesche stjurur indezen niets te zeggen, doch wat andere oude volken aan den nachtelijken hemel hebben kunnen zien, heeft zonder twijfel ook hunne aandacht niet kunnen ontgaan.
Zie bv. de opmerking in de brief van Liudgêrt op bl. 221 omtrent den stand der zon op den middag ten tijde va den langsten dag,
op bl. 26 blijkt dat op de burgten de stuuremanskunst onderwezen werd door de alda Sêkêningar.
25-10-1871 / 29
WelEd. Heer!
Door bezigheden verhinderd heb ik u gisteren niet dadelijk kunnen antwoorden. Ik bedank u zeer voor de toegezonden copien van de brieven van V[erwijs]. Het is goed dit wapen in reserve te hebben. Daaruit blijkt dat hij van de echtheid overtuigd is geweest en daarvoor uitgekomen, totdat hij zich van de zaak heeft afgemaakt, en daara begonnen is van het H.S. kwaad te spreken. Hij was door het Friesch Genootschap gemachtigd een afschrift op kosten van het Genootschap te laten vervaardigen. Dit heeft hij opgedragen aan den Heer Dr. Goslings, die daarvoor f 40 genoten heeft, en toch een afschrift geleverd heeft zoo krioelende van tallooze fouten, dat het mij gebleken is volkomen onbruikbaar te wezen. Indien nu de Heer Verwijs het H.S. goed had kunnen lezen en verstaan, dan had hij daarop behooren toe te zien.
De Spectator van Zondag l.l. heeft ons doen zien, naar mij dunkt, dat de storm wat bedaart en het weder handzamer wordt. Mijn laatste antwoord aan den Heer Ph. van den Bergh schijnt indruk gemaakt te hebben. De Boekhandelaar Kuipers denkt er ernstig over om eene uitgave bij inteekening te beproeven. De tekst met de vertaling zal 300 blz. beslaan, en het exemplaar 3 gulden moeten kosten. Zoo wij 200 inteekenaren krijgen kan het plan doorgaan. Ik ben voorloopig bezig een prospectus te ontwerpen.
Nog iets: toen Verwijs u aan den Helder bezocht, heeft hij dat gedaan op last en ten koste van H.H. Gedeputeerde Staten,aan wie hij wel geen positief antwoord heeft terug gebracht, maar toch te kennen gegeven, dat zoo het H.S. blijken zoude echt te wezen, het voor de Geschiedenis en Letterkunde van het grootste belang zoude zijn. Dit rapport is van 17 December 1867.
Ontvang de vriendelijkste groete van
28-10-1871 / 30
WelEd. Heer!
Ik zet mij dadelijk neder om op uwe bedenkingen te antwoorden, zoo ik hoop tot uwe geruststelling.
(rest t/m brief 73 d.d. 31-1-1874 ontbreekt in Luitse's oude computerbestanden: nog doen met OCR)
II. Aan Leendert F. Over de Linden 1871 en 1874-1879
20-7-1871 / 17
(bij Luitse tussen brieven aan Cornelis)
WelEd. Heer!
Het bericht dat door het Nieuws van den Dag is ontmoet, is niet van mij afkomstig, maar van een penny a liner, die de klok heeft hooren luiden zonder te weten waar de klepel hangt.
Wat uw verzoek betreft, moet ik u eerlijk bekennen dat het voor mij te kostbaar zoude worden meer photographien present te geven als ik reeds hier en daar uitgedeeld heb. Doch zij zijn te krijgen, daar de Photographe de negatieve platen bewaart. Zij levert afdrukken, ad ƒ2 het stuk. Hebt gij dus zes gulden voor zulk een stel over, zend mij die dan [een regel niet gefotocopieerd; navragen bij PBF]
dan zorgen dat gij ze ten spoedigste ontvangt, tegelijk met een fragment van Worp van Thabor, dat ik binnen kort aan uw vader moet terug zenden.
Groet zEd vriendelijk van mijnentwegen.
24-2-1874 / 1
WelEd. Heer!
Met groote deelneming en leedwezen las ik uwen brief meldende het overlijden van uwen waardigen Vader. Ik besef dat dit voor u allen en in de eerste plaats voor uwe Moeder een zwaar verlies is. In de laatste dagen maakte ik mij wel wat ongerust wegens het uitblijven van nadere tijding, doch stelde mij niet voor dat 's mans ongesteldheid zoo spoedig een zoo noodlottige afloop zoude hebben. In de laatste jaren met hem in zoo vriendschappelijke en interessante correspondentie, heb ik hem leeren kennen en achten als een flinken, helderen, rondborstigen en rechtschapen man, aan wien de herinnering bij mij altijd levendig en aangenaam blijven zal. Want het deed mij altijd genoegen zijn klaren eenvoudige juiste denkbeelden t lezen, en het was mij evenzeer een genoegen gelegenheid te hebben om aan hem te schrijven. Zijn brieven liggen ook bij mij zorgvuldig bewaard als een aandenken aan zijnen welwillenheid en in mij gestelde vertrouwen. Gaarne had ik hem nog eenige rustige en onbezorgde levensjaren toegewenscht.
Wees zoo goed mijne vriendelijke en deelnemende groete over te brengen aan Mejfr Uwe Moeder en uwe verdere familie.
Het zal mij aangenaam zijn met u in briefwisseling te blijven zoo vaak er iets belangrijks en wetenswaardigs voor komt betreffende het H.S. waarin ik veel belang stel.
Met achting en vriendelijke groete,
21-4-1874 / 2
WelEd. Heer!
Ik was juist voornemens u te schrijven, toen ik uwen brief ontving. Ik ben reeds begonnen met een stuk te schrijven, waarin ik met de Akademie afrekening zal houden. Zij die dat daar schrijven, zijn de kliek van Verwijs, en juist daarom zal ik tegenover het oordeel van de Akademie stellen het oordeel van Verwijs in zijn brief van 13 Oct. 1867, 't welk door hem ook nooit openlijk is teruggenomen. Ik denk de gansche geschiedenis te geven van hetgeen er met het H.S. is voorgevallen, want nu de Akademie ons voor bedriegers uitmaakt, mag ik het er niet bij laten zitten. Daarbij verzoek ik U mij de handen vrij te laten om van uw vaders brieven dat gebruik te maken 't welk ik zal nodig vinden.
In de Gottingische Gelehrten Anzeiger wordt beweerd, dat ik het boek geschreven heb in 1870 onder den indruk van de vrees voor de Pruissen, en wel het heb geschreven in het Hollandsch en vervolgens in het oud Friesch vertaald, zurücküberstzt.
Als mijn stukje gedrukt is, zal ik u eenige exemplaren voor uwe familie toezenden.
Uw brief aan de Akademie is best. Als zij in laten komen en ter vergadering verschijnen, vertel dan maar eenvoudigweg al wat gij weet. Daarbij moet ik u mededeelen, dat in eene vorige vergadering der Akademie Professor Land een Syrisch Handschrift uit de 12e Eeuw vertoond heeft op gelijksoortig papier als dat van het Friesche Handschrift.
Meld mij s.v.p. eens wat er wordt van het door den Ingenieur Turk gedaan bod van £ 1000 en wie de Engelsche Heer is uit wiens naam hij dat bod gedaan heeft. Ik vermoed dat het dezelfde zijn zal, die eens het H.S. voor £ 100 maar heeft willen meepakken.
Tot bevestiging van mijn betoog, dat de oorspronkelijke Germanen zijn de Gêrtmannen, die zich onder Wichhirte bij den mond van de Eems hebben neergezet, schrijft mij de Heer ten DorenkaatKoolman, dat in Oost-Friesland, en nergens elders, de geslachts of familienaam German nog bij verscheidene oude boerenfamilies wordt aangetroffen en wel in zonderheid in den omstreek van Norden sedert onheugelijke tijden bestaat.
Met vriendelijke groete ook aan uwe Moeder hoogachtend,
22-4-1874 / 3
WelEd. Heer!
De heer Kuipers is zeer ingenomen met uwen brief aan de Akademie en laat u voorstellen om dien te laten drukken en gratis verkrijgbaar te stellen onder dezen titel:
Open brief aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (afdeeling Letterkunde) van L.F. over de Linden, naar aanleiding van het voorstel van den Heer Leemans omtrent het Oera Linda Bok.
Antwoord mij per omgaande of gij dit goed vindt, dan zullen wij wel voor alles zorgdragen.
In haast, met vriendelijke groet,
25-4-1874 / 4
WelEd. Heer!
Ons idee omtrent het drukken van uwen brief hebt gij niet goed begrepen. Het doel is niet voor het groot publiek en voor den handel, maar om gratis te verspreiden aan belangstellenden (drukken als manuscript).
Uw brief is zoo waardig gesteld, dat het de grootste goedkeuring wegdraagt. Maar wij kunnen niet bij allen daarmede rondgaan en toch zijn alle belangstellenden begeerig te vernemen, welke houding wij aannemen tegenover de Akademie. De slag in het aangezicht ons door de Akademie toegebracht, is door alle couranten uitgebazuind, nu moeten de belangstellenden weten, dat wij niet stilzitten. In uwe brief staat ook niets dat de Akademie kwalijk kan nemen. Daarom, vertrouw mij, moet uewe brief niet geheim blijven. Kuipers zal u een 100tal zenden, die deelt gij en uw broeder te Amsterdam rond naar eigen verkiezing.
Zoo doen wij ook voor al aan inteekenaren van het boek en leden van het Friesch genootschap. Want de koopers en bezitters van het boek moeten weten waar zij aan toe zijn, moeten zien dat wij geen oplichters zijn. Daarom is een mededeeling plicht.
Mijne kleine (maar krachtige) brochure: de koninklijke Akademie en het Oera Linda boek, is reeds op de drukkerij. Zij bevat een verhaal van al wat er met het H.S. gebeurd is, en wat de Akademie vooraf weten moet, eer zij kan onderzoeken. Ik stel tegenover machtspreuken feiten, niets dan feiten, opgegeven met dag en datum. Gij zult het wel zien. Het sluit met eene gunstige aannkondiging enbeoordeeling in den Cataloog van Trübner en Co. te London.
Wees vriendelijk gegroet.
[P.S.] Nog wat, den brief van Prof. Boot, mijn voormalige collega, heb ik met genoegen gelezen. Ik heb vroeger wel met hem over het boek gesproken. Hij is verleden zomer bij de lezing van Reitsma hier tegenwoordig geweest. Daaruit kunt gij reeds begrijpen, dat hij met de schreeuwers niet instemt. Als hij de Akademie niet competent houdt, dan ben ik volkomen van hetzelfde gevoelen. Geen van hen heeft kennis van de Oud-Friesche taal.
3-5-1874 / 5
WelEd. Heer!
Uw brief aan Prof. Boot, waarvan gij mij kopie zendt, hadt gij gerust achterwege kunnen houden. De Heeren, die ons de onbeschoftste beleedigingen in alle kranten naar het hoofd gegooid hebben, verdienen waarlijk geene égards of excuses van uwe zijde. Die Akademie heeft gister mijne brochure ontvangen. Uw denkbeeld dat de Akademie mij zoude uitnodigen, kan niet verwezenlijkt worden. Ik ben een oude man van 70 jaren, die niet meer zoo ver van huis gaat. Als de Akademie mij wat te zeggen of te vragen heeft, dan kan ze bij mij komen, in den persoon van mijn Neef, Mr. Dirks, lid der Akad. en President van het Friesch Genootschap, die buiten dien alles weet, wat er in die zaak is voorgevallen. Maar de Akad. behoeft niets te vragen; al wat zij weten moet, kan zij lezen in mijne Inleiding, en in de Aanteekeningen. Bovendien is het eenige punt in kwestie eigenlijk dit materieele feit, dat het H.S. een manuscript uit de dertiende Eeuw is, daarin bestaat de echtheid. Al had Hiddo overa Linda er niets dan leugens in geschreven, dan was daarom toch het geschrift echt als een geschrift van H.O.L. in de 13e Eeuw.
Wat staan er niet een boel onwaarheden in de werken der oude en der Middeleeuwsche schrijvers, maar daarom zijn die boeken toch echt die zijn geschreven door die personen en dezen tijd, waarvan zij den naam dragen. Heeft H.O.L. zulk een werk kunnen verzinnen, dan mag de Akademie wel den hoed voor hem afnemen.
Voor al;le dingen moest de Akademie weten, welk eene rol Verwijs in deze zaak gespeeld heeft en daarvoor heb ik naar behoren gezorgd, door eens generale afrekening te houden.
Mijne brochure is reeds in Zwitserland bij de Heeren die zich met de paalwoningen bezig houden. Ook heb ik een exemplaar gestuurd aan Pannenborg te Zurich, wel moge 't hem bekomen.
Dirks, Boot en anderen zitten in de pruimen en gevoelen dat de Akademie zich gecompromitteerd heeft.
Wees vriendelijk gegroet.
[P.S.] Gij hebt zeker nu de 12 exemplaren al ontvangen, niet waar?
Ik amuseer mij met het boek nog eens te kopieeren in het origineel letterschrift. Daarbij wenschte ik wel zoo goed te kunnen schrijven als gij doet.
MIN ÉRBÍDNESSE TO JO (pag. 228.)
23-5-1874 / 6
WelEd. Heer!
De Akademie kruipt in de schulp en wil zich thans verschuilen achter de Notulen, alsof hetgene de secretaris goed gevonden heeft niet in de notulen te schrijven, daarom ook niet in de vergadering gebeurd en gezegd is. Zij wil nu de schuld schuiven op een paar leden, maar juist die leden (Van den Bergh) hebben zich gehaast om hun oordeel als dat van de vergadering in alle kranten uit te bazuinen. Bovendien erkent Prof. Boot dat de discussie dien loop genomen heeft, d.i. dat die redenaties de motieven geweest zijn van het besluit der vergadering.
Des avonds na die vergadering heeft Van den Bergh zich bij Eekhoff erop beroemd, dat hij nu het O.L.B. den genadeslag gegeven en voorgoed dood gemaakt had. Daarom moest ik te meer eens toonen dat het O.L.B. zich zoomaar niet laat doodslaan.
Ik heb eene belangrijke ontdekking gedaan: Die tijdrekening of jaartelling nêi Atland sunken is, heeft niet alleen bestaanm, maar is altijd blijven bestaan en bestaat nog. Zij komt nog (altans tot voor weinige jaren) voor in de Almanakken. Neem b.v. een almanak van 1840, dan zult gij op de 1e bladzijde o.a. lezen:
het 5789 jaar der Schepping,
5601 jaar der Joden,
4033 jaar na den Zondvloed.
Wat beteekent dit laatste? Wel: 4033 - 1840 = 2193 v. Chr. Dat is het jaar, waarin Atlant sunken is. Men heeft nooit dat woord zond-vloed kunnen verklaren. Het is eenvoudig verbasterd uit sinkflod, zink vloed. Het heeft geene betrekking op den Noachitischen vloed, want dien kunnen de tijdrekenaars niet later stellen als 2329 vóór Chr., 't welk geven zoude 2329 + 1840 = 4169 n.d.z. Zoo hebben wij thans 1874 = 4067 na den zinkvloed (niet 4203 na Noachs vloed).
Doe den Heer Bakker Dirks opmerken: 1o dat geene marine den Schout bij nacht kent, dan alleen de onze, en 2o dat alle rangtitels uitheemsche woorden zijn, maar de schout bij nacht alleen een hollandschen (frieschen) naam draagt. Dit bewijst dat die titel diep in de taal van ons zeewezen wortelt. De Sêkêning is Admiraal geworden, maar de Skelte bi thêre nacht is door alle tijden blijven bestaan. De vloot van Teunis en Inka was eene handelsmarine, al liep er wat kaapvaart onder. De eigenaardige beteekenis van den naam duidt aan dat de skelte bi thêre nacht het kommando had als de sêkêning sliep.
P.S. Het doet mij pleizier, dat het drankje 't welk ik voor de Akademie klaar gemaakt heb, zoo goed efekt gesorteerd heeft.
Gij moet vooral in het oog houden, dat wij de Akademie niet om een onderzoek verzocht hebben en dat wij dat ook niet verlangen, omdat wij de Akademie niet erkennen als een rechter, aan wiens uitspraak wij ons zouden moeten onderwerpen.
Ik zond u dat boek van Vervou omdat het zeer merkwaardig is voor de Historie van Oldenbarneveld, en tevens van de Dortsche Synode.
Te zijner tijde zal ik u ook zenden de 4e afleverig van de Friesche Oudheden, die met de beschrijving hare voltooijng begint te naderen, waarmede het werk kompleet zijn zal.
Wees met uwe familie zeer vriendelijk gegroet.
[collectie bevat geen brief met stempel nr. 7]
4-3-1874 / 7 (8)
(meer volgt)