Jump to content

NL202.06 Reintja

From Oera Linda Wiki
Revision as of 08:18, 26 April 2024 by Jan (talk | contribs) (notes)

Ontwerp 2026 Ott

19c. Reintje's Droom

[202/06] De Denemarkers die zichzelf van oudsher Zeekampers noemen omdat ze zich verheven voelen boven de andere stuurlieden, hadden amper gehoord over Askar's glansrijke daden, of ze werden er dermate jaloers op, dat ze een oorlog wilden beginnen, zowel op zee als in zijn landen.

Lees hier hoe hij deze oorlog kon afwenden.

De ruïnes van de vervallen burcht Stavia werden nog bewoond door een scherpzinnige burchtvrouwe met enkele maagden. Haar naam was Reintje en haar wijsheid werd alom geprezen. Deze maagd bood Askar haar hulp aan, onder beding dat hij de burcht Stavia weer zou laten opbouwen. Toen hij hiermee akkoord was gegaan, ging Reintje met drie maagden naar Hals.[1] Ze reisde 's nachts en overdag hield ze toespraken op dorpspleinen en in feesthallen:

Wralda, zei ze, had haar middels de donder laten toeroepen, dat het gehele Fryasvolk zich moest verenigen, in vrede, als zusters en broeders. Anders zou Finda's volk komen en hen allen van Aarde wegvagen. Na [203] de donder waren Frya's zeven waaksters in haar dromen verschenen, zeven nachten achter elkaar. Zij hadden gezegd: "Boven Frya's landen zwerft rampspoed, met juk en kettingen. Daarom moeten alle volkeren die van Frya afstammen hun bijnamen vergeten en zichzelf alleen nog Fryasbern (Frya's kinderen) of -volk noemen. Ook moeten ze allemaal opstaan en samen het Findasvolk van Frya's erf verjagen. Willen ze dat niet, dan zullen ze slavenbanden om hun hals krijgen, dan zullen de buitenlandse heersers hun kinderen misbruiken en laten geselen tot het bloed in jullie graven sijpelt. Dan zullen de geesten van jullie voorouders je komen wekken om je lafheid en onoplettendheid te veroordelen."

Het onnozele volk dat door toedoen van de Magjaren al aan zoveel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat ze zei en de moeders klemden hun kinderen aan de borst.

Toen Reintje de koning van Hals en alle anderen tot eendracht had gebracht, zond ze bodes naar Askar en trok zelf langs de Baldische kust verder naar de Hlidhouwers, zo genoemd omdat het hun gewoonte is om hun vijanden in het gelaat te treffen. (De Hlidhouwers zijn verschoppelingen en bannelingen van ons eigen volk, [204] die in de Twisklanden wonen en rondzwerven. De meeste van hun vrouwen hebben ze van de Tartaren geroofd. De Tartaren behoren tot Finda's geslacht en worden door de Twisklanders zo genoemd omdat ze nooit vrede willen, maar altijd tarten om strijd uit te lokken.)

Vervolgens ging ze, voorbij de Saxenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, overal met dezelfde boodschap. Na twee jaar kwam ze langs de oever van de Rijn terug naar huis.

Bij de Twisklanders had ze zichzelf voorgedaan als Moeder en gezegd dat ze als vrije en franke mensen weer terug konden komen, op voorwaarde dat ze de Rijn zouden oversteken om de Golenvolgers te verjagen uit Frya's zuidelijke landen. Als hen dat zou lukken, zou hun koning Askar de Schelde oversteken en daar het land heroveren.

Er zijn allerlei vreemde gewoontes van de Tartaren en Magjaren bij de Twisklanders binnengeslopen, maar toch is er van onze zeden ook veel overgebleven. Zo hebben ze nog maagden die de kinderen onderwijzen en de volwassenen adviseren. Aanvankelijk waren zij jaloers op Reintje, maar uiteindelijk werd ze door hen gevolgd, bijgestaan en overal waar het gepast of nodig was geprezen.

Notes

  1. 'Hals' (HALS) — vermoedelijk (ongeveer) overeenkomend met Holstein, dat kan worden gezien als de 'hals' van Denemarken.

Overwijn 1951

[/165] De Denemarkers, die zich sinds lang boven alle andere zeelieden heel trots ’strijders ter zee’ noemen, hadden nauwelijks van Askar’s glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig en wel dermate, dat zij oorlog [167] wilden brengen over de zee en over zijn landen. Zie eens hier, hoe hij oorlog kon vermijden. Tussen de bouwvallen van de verwoeste burcht Stavia woonde nog een schrandere burchtvrouw met enige maagden. Haar naam was Reintje en er ging een grote roep van haar wijsheid uit. Deze Vrouwe bood Askar haar hulp aan, onder beding, dat Askar de burcht Stavia weer zou laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe had verbonden, ging Reintje met drie maagden naar Hals (Holstein). ’s Nachts reisde zij en overdag sprak zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wr.alda, zeide zij, had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryavolk vrienden moest worden, als zusters en broeders verenigd, anders zou Finda’s volk komen en hen allen van de aarde verdelgen. Na die donder waren Frya's zeven waakmeisjes haar in de droom verschenen, zeven nachten achter elkander. Zij hadden gezegd: boven Frya’s landen zwaait een ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle volkeren, die uit Fryas bloed zijn gesproten, hun bijnamen verwerpen en zich alléén Fryakinderen of Frya's volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Finda’s volk en Frya's erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, danzullen zij slavenbanden om hun halzen krijgen en zullen de buitenlandse heersers hun kinderen misbruiken en laten geselen, totdat het bloed in uw graven vloeit. Dan zullen de schimmen van uw voorvaderen U komen wekken en U onderhouden over uw lafheid en zorgeloosheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magianen of Oegriërs reeds aan zo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zei en de moeders klemden haar kinderen aan de borst. Toen Reintje de koning van Hals en alle andere mensen tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en trok zelf langs de Baltische Zee. Vandaar ging zij bij de Lithauers(, aldus genoemd omdat zij hun vijanden altijd in het gezicht hakken). De Lithauers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Heidelanden zit en ronddwaalt. Hun vrouwen hebben zij meest allen van de Tataren geroofd. De Tataren zijn een deel van Finda’s geslacht (en aldus door de Heidelanders genoemd, omdat zij nooit vrede willen, maar de mensen altijd tot de strijd uittarten). Voorts ging zij achter de Saksenmarken langs, dwars door de andere Heidelanden heen, om overal hetzelfde te verkondigen. Nadat twee jaar verstreken waren, kwam zij langs de Rijn thuis. Bij de Heidelanders had zij zich voor Moeder uitgegeven en gezegd, dat zij als vrije en franke mensen mochten terugkomen, maar dan moesten zij over de Rijn trekken en de aanhangers der Golen (Romeinen en Galliërs) uit Frya's zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zou haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het land veroveren. Bij de Heidelanders zijn vele Zigeunergewoonten van de Tataren en Magianen binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog burchtmaagden, die de kinderen [169] onderwijzen en aan de ouderen raad geven. In den beginne waren zij Reintje vijandig, maar op ’t laatst werd zij door hen gevolgd en gediend en overal geprezen, waar het nuttig en nodig was.

Ottema 1876

[/243] De Denemarkers, die zich sinds lang boven alle andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals (Holstein); 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden [245] gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en zorgeloosheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze [247] zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was.

Navigeer

Nl 19b Bloedstromen ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19d Afgoderij