NL195.01 Voorbereiding
Ontwerp 2026 Ott
Overwijn 1951
Ottema 1876
[235] daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd, naderhand heeft hij te Staveren geleerd en vervolgens heeft hij door alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken, zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld, daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was, waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebragt had liet hij krijgsscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en [237] zeiden, dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde: De rijken zijn tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen elk nu nieuwsgierig naar hem op zag, zeide hij verder: Naar mijn begrip moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en oude wijze lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen, ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog geroemd wordt, hebben de burgtmaagden tweespalt over onze landen gebragt en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen, er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer van Fryas erf te verdrijven zijn. — Dat is recht, riepen de meesten, en de rijken durfden hunne monden niet open doen. [239] Deze toespraak had hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha uitgeloopen is.
Noten
[[{{{back}}}]] ᐊ vorig/volgend ᐅ Nl 19b Bloedstromen