Jump to content

1876 Ottema Thet OLB

From Oera Linda Wiki
Revision as of 09:47, 4 August 2025 by Jan (talk | contribs) (add but not ready yet)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
  • Het handschrift van Thet Oera Linda Bok heeft al langen tijd vóór het jaar 1600 bestaan. blz. I-IV
  • Voorbericht. blz. V-XVI
  • Inleiding. blz. XVII-XXXIX
  • Transliteratie blz. 2-252 (even; staat niet op deze wiki)
  • Vertaling blz. 3-253 (oneven; zie hier)
JJK 127 oktober 1876 (PDF)

Het handschrift van Thet Oera Linda Bok heeft al langen tijd vóór het jaar 1600 bestaan.

[I] De pagineering van het Handschrift is daaraan in lateren tijd toegevoegd. De Handschriften uit den oudsten tijd waren ongepagineerd, en zelfs de oudste voortbrengselen van de drukpers (incunabelen), b.v. de eerste druk van het Oudfriesch Landrecht (Jus Municipale Frisonum), zoogenaamde Anjumer druk, 1466, heeft slechts een aanwijzing van de volgorde der drukvellen (signatuur) door middel van letters, maar geene paginatuur.

In de Latijnsche uitgave van Claudii Ptolemaei Geographia, door Bilibaldus Pirckheymerus, te Straatsburg 1525, folio, komt nog geene paginatuur voor;

zelfs nog niet in de Editie van Ausonii Opera te Bordeaux 1591, quarto.

De sijfers der pagineering komen ook niet overeen met de vormen, die in het H.S. zelf gebezigd zijn en afgebeeld op [II] de tweede plaat. Zij hebben daarentegen den vorm, die tegen het einde der 16e eeuw in het schrijven daarvoor gebruikt is. Doch in hunne zamenstelling vertoonen zij een voor ons vreemd verschijnsel, dat namelijk de honderdtallen van de eenheden en tientallen gescheiden zijn door het woordje ànd of daarvoor een streepje. Even zoo als men sprekende zegt: honderd en een, zoo is hier ook geschreven. 100 ànd 1, 100-2, 100-3, enz. tot 100-99; en dan verder weer 200, 200 ànd 1, 200-2, 200-3, enz. tot 200 ànd 10, (dat de laatste pagina is.)

Die wijze van getallen schrijven ontmoet men ook hier en daar in het H.S. b.v.

  • 100 ànd 1 jér;
  • an tha jéra 1000 ànd 5;
  • 1600 ànd 2 jér;
  • sont 100 ànd 8 jér.

Deze bijzonderheid geeft ons eene aanwijzing van den tijd, wanneer die pagineering geschied is. Wij vinden namelijk die schrijfwijze ook in die Cronijck van Hollant, enz. tot Delft, 1591 (Divisie kronijk), b.v.: Als die werelt gestaen had ontrent iiiMiiC ende Lxxv jaer, ende was voor Christus geboorte ontrent MCC ende xxiii jaer.

  • In den jare ons Heeren vC ende Lxxxix.
  • In 't jaer viiC ende Lxxii. (700 en 72).
  • Anno viiiC ende xxvii. (800 en 27). enz. enz.

De Cronyke van Vrieslant, door Ockam Scharlensem, enz. [III] (Andreas Cornelius Stavriensis) tot Leeuwarden, 1597, folio, schrijft gedurig:

Anno 300.96. Als men schreef 300.93. Anno 400.57. Anno 500.38. Anno 600.72. Anno 1000.8. Anno 1000 ende 15 enz.

In latere boeken vindt men deze omslagtige wijze van getallen op te teekenen niet meer. Doch men ziet, dat zij tegen het einde der 16e eeuw nog bekend en in gebruik was.

Hieruit kan men veilig besluiten, dat de paginatuur van het Handschrift ook van dat einde der 16e eeuw dagteekent.

Met andere woorden, reeds vóór het jaar 1600 bestond het Handschrift.

Doch uit die paginatuur leeren wij nog meer bijzonderheden, omtrent het Handschrift kennen.

De laatste bladzijde is niet gemerkt 200-10, op de wijze als de vorige; maar voluit 200 ànd 10. Dit bewijst, dat de man, die de bladen pagineerde, hier zijne taak geeindigd had, en dat deze bladzijde toen de laatste was van hetgene er destijds nog van het Handschrift aanwezig was, dewijl het slot van het Handschrift reeds vóór dien tijd was verloren geraakt.

Dit had niet kunnen geschieden, in dien niet het Hand-schrift reeds een geruimen tijd vroeger door het slijten en breken van de draden uit het omslag was gevallen en in losse katerns en bladen daar heen had gelegen.

De zorg om te voorkomen, dat die los liggende bladen in wanorde zouden geraken, heeft voorzeker den toenmaligen [IV] eigenaar er toegebracht, om ze van eene paginatuur te voorzien.

Deze loopt geregeld door tot bl. 168, vervolgt dan, p. 189 tot 192, en eindelijk van p. 195 tot 210. Wat hier tusschen ontbreekt, komt mij voor in lateren tijd verloren gegaan te zijn, zoodat thans de zeven eerste katerns nog compleet zijn, van het achtste slechts de beide laatste bladen p. 189—192, en van het negende katern de acht middelste bladen p. 125—210 overig zijn.

Het voornaamste besluit, dat hieruit volgt, is, dat het Handschrift, zoo lang het in zijn omslag was vast gehecht, nog ongepagineerd geweest is, en dat dus Hiddo oera Linda de pagina's niet genommerd heeft. Hij behoefde dat trouwens ook niet te doen, omdat hij zijn Handschrift zelf innaaijende wel wist, hoe de katerns op elkander volgden.

Had hij het Handschrift aan een binder gegeven, om het in te naaijen, dan had hij de katerns van eene volgletter of ander merk moeten voorzien. Doch dit heeft hij ook niet gedaan, en dit bevestigt wederom mijne elders reeds uitgesproken veronderstelling (Voorbericht bl. XII), dat Hiddo oera Linda eigenhandig het Handschrift in een omslag heeft ingenaaid.

Dr. J.G. Ottema

Voorbericht.

[V] De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste vertaling te verbeteren.

Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.

Niet alleen binnen ’s lands, maar ook daar buiten is men tegen dat boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan het welzijn van land en volk afhing.

Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en verbittering op te wekken? Is het zoo’n bespottelijk prulschrift, zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen, dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen, wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land is gered.

Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam, het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren, dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.

De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:

1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk, wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,—dit papier is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde duidelijke waterlijnen.

Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor het papier glad en effen en iets dunner als het was.

Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van 2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.

Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden, ’t welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.

2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,—dit papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze eeuw is.

Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift, namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.

Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier zeer belangrijke punten.

a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33 millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.

b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde proef op zilver een witten aanslag achter.

c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.

d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef: Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft gehangen.—Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb nooit middeleeuwsch papier gezien zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken.”

Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien, zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk, wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.

3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele plaatsen bewijzen.

Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop van meer dan zes eeuwen.

Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.

4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels achter te laten.

Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.

5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier, wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in machinaal papier die lijnen niet maken.

Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.

Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant van den 12 Maart 1876.

Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar, d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt kon worden.

Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de 14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens een spoor van fabriekmerk aanwezig.

Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw afkomstig moet zijn.

6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften; daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament, dan hiervoor kan bezigd zijn.

Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns) nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst, dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes, zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.

Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over deze schriften.

7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.

De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds lichter en werd na langen tijd geheel bruin.

Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137:

»In alten Handschriften ist die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich, und ist zuweilen ganz verblasst.”

»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ (lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio.”

»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten sein.”

Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is, kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw, als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.

- - -

Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd, papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.

In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood, doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde, maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de sporen er van zien.” En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien, viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.

Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld, teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk 300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor de Friesche taal geschikt is.

Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op eene zeer kenmerkende bijzonderheid:

Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze, dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.

De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.

In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.

Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.

Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers eene ongerijmdheid. Doch dat is niets.

De negative kritiek der moderne wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.

Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren.

Ik heb nu bijna zes jaren lang dat boek door en door als ’t ware van binnen en van buiten bestudeerd, in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur, maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera Linda Bok,[1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave daarvan aan te bieden.

Noten

  1. Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven; en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De spelling Bôk is Kamper wanspraak.