Jump to content

Brieven Ottema

From Oera Linda Wiki
Revision as of 15:10, 26 May 2025 by Jan (talk | contribs) (add)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)

Algemene opmerkingen:

  • Afschrift is gemaakt door Nico Luitse, die kopie van uitdraai in kleine oplage verspreidde (m.n. aan liefhebbers), juli 1990. Met hulp van oude computerbestanden, geschonken aan Stichting OL door een zoon van Luitse, worden de afschriften op deze wiki beschikbaar gemaakt voor onderzoek, met enkele verbeteringen door Jan Ott.
  • De brieven zijn verzonden vanuit Leeuwarden, tenzij anders vermeld.
  • Volgnummers achter datum zijn overgenomen van Luitse, tussen haken het gestempelde nummer op origineel Tresoar, indien afwijkend.

I. Aan Cornelis Over de Linden 1870-1874

22-12-1870 / 1 (2)

WelEdelGeb. Heer!

Door uwe welwillendheid is de Heer Verwijs in de gelegenheid gesteld een afschrift te laten maken van het Handschrift van Liko Oera Linda, ten behoeve van het Friesch Genootschap. Dit afschrift is bij het Bestuur ontvangen en thans in mijne handen gesteld om te onderzoeken, wat dat werk is. Voor mij heeft reeds een ander zijne krachten daaraan zonder vrucht beproefd. En mij is door de vergelijking met de daarbij gevoegde bladen facsimili, door U met zooveel zorg nagetrokken, gebleken, dat de afschrijver op vele plaatsen het Hs. niet goed heeft kunnen lezen, omdat hij weinig van de taal verstond.

Voor alle dingen heb ik dus noodig het geheel te revideren en moet daarom, misschien wel wat onbescheiden, tot U komen met een vriendelijk verzoek of UEd. zoo goed wil wezen het Handschrift zelf voor eenigen door UEd. te bepalen tijd, aan het Bestuur van het Friesch Genootschap toe te vertrouwen ter nadere vergelijking. Kan UEd. dat toestaan, wees dan zoo goed het te zenden aan mijn adres.

Uit hetgene ik erin gelezen heb is mij reeds gebleken, dat Liudwert, waar die Liko en Hiddo oera Linda woonden, moet gelegen hebben aan de oostzijde van Wieringen tusschen Wieringen en het Kreilerwoud (thans nog de plaats Kreyl). Van daar moet dus Uwe familie afkomstig zijn, die ongetwijfeld afstamt van die oera Linda's.

Daarom vermeen ik ook dat de taal waarin het geschreven is, de Friesche taal zijn moet, zooals die gesproken werd bewesten en zuiden het Vlie, of tusschen het Vlie en de Kinhem (bij Alkmaar). Van welk belang dus dit Handschrift overigens meer of minder in Historischen zin mag wezen, het heeft altoos een Taalkundig belang.

In de hoop dat UEd. mag besluiten ons verzoek toe te staan, waardoor UEd. het Friesch Genootschap grootelijks zal verplichten, heb ik de eer met hoogachting te zijn

Uw Dv. Dienaar

(w.g.) Dr. J.G. Ottema

Medebestuurder.

28-12-1870 / 2 (3)

WelEd. Heer!

Uit uw antwoord bespeur ik dat gij niet tevreeden zijt over de handelwijzs van den Heer Verwijs, die u na drie en een half jaar nog even wijs gelaten heeft als te voren. Ik verbeeld mij die zaak te kunnen ophelderen, door het vermoeden dat de Heer Verwijs zelf ook even wijs gebleven is als te voren. Hij heeft op verre na niet alles kunnen verstaan, niet geweten wat er van te denken of te maken, en is voor eene vertaling opgetornd (hij had dit wel mogen te kennen geven). Hij heeft het afschrift tot ons opgezonden, 't welk daarop in handen gesteld is van den Heer J. Winckler, doch deze heeft er ook geen mouwen aan weten te passen. Daarop heb ik het tot mij genomen, en ben er nu reeds geheel in thuis en met de vertaling begonnen. Daarom kan ik u ook reeds de verzekering geven, dat er niets in staat 't welk u of iemand anders zou kunnen compromitteeren. Liko oera Linda heeft het geschreven in 't jaar 803, hij zelf was nog geen Christen, maar voorzag dat de stroom der Kristen Kerk niet meer te keeren zou zijn, en dat de ondergang van de voorvaderlijke dienst van Frija nabij moest wezen. Uit gehechtheid aan het geloof zijner voorvaderen heeft hij getracht nog te behouden en voor de vergetelheid te bewaren wat hij van oude aanteekeningen zou machtig worden. Dat zijn deels wetten, deels geschiedkundige (vaak fabelachtige herinneringen uit den vroegsten voortijd, opklimmende tot de twaalfde eeuw voor Christus. Het stuk is daarom merkwaardig wegens den ouderdom en de taal.

Het zal mij groot genoegen doen binnen korten tijd eene eerste bezending van UEd. te mogen tegemoet zien.

Hebbe de eer met de meeste hoogachting te zijn [ondertekening als voren, wordt verder weggelaten].

28-1-1871 / 3 (4)

WelEd. Heer!

Bij de terugzending van het eerste gedeelte van het H.S. voeg ik de vertaling, geschreven pagina voor pagina, opdat de vergelijking voor u gemakkelijker moge zijn.

Eerst meende ik dat slechts de beide eerste briefschrijvers H. en L. oera Linda betrekking hadden op uwe familie, bij nader onderzoek is mij gebleken, dat dit met zeer veele personen die in het boek voorkomen het geval is. I de eerste plaats: de schrijfster van het eerste boek is Adela, de vrouw van Apol Grevetman van de oera Lindaoorden (tusschen Texel en Wieringen). Het tweede boek is meest geschreven voor hare dochterApollonia en andere van de familie.

Die Mijnheer Apolvoerde den persoonlijken toenaam oera Linda. Zijn zoon heeft de onderscheiding verworven dien toenaam ook voor zijne afstammelingen te mogen aannemen.

Door de combinatie van onderscheidene in het boek voorkomende tijdsbepalingen is mij gebleken, dat Adela dit boek geschreven heeft in het jaar 441 of 442 van onze jaartelling. Derhalve voert uwe familie haren geslachtsnaam nu reeds sedert meer dan 1400 jaren, wellicht de oudste van Europa.

Met verlangen zie ik het tweede gedeelte van het H.S. tegemoet. Want ik moet alles van voren af aan overschrijven, wegens de onnauwkeurigheid van het door den Heer Verwijs bezorgde afschrift. Het H.S. zelf is wel degelijk uit den jare 1256, daar het vervaardigd is op eenen papiersoort die na den jare 1300 niet meer voorkomt. Voor mij liggen de facsimile's van bl. 1-21 en van bl. 46-62. Is er ook mogelijkheid, en is het niet te veel verzocht, wanneer ik u verzoek ook de facsimile's van de overige gedeelten mij te bezorgen voor het Friesch Genootschap, opdat het stuk zelve in duplo voorhanden te beter voor het vervolg bewaard blijve. Want het [is] zeer jammer dat er vroeger reeds gedeelten van verloren geraakt zijn, waaromtrent wel geene hoop bestaat, dat zij ooit weer te voorschijn komen.

Met de meeste hoogachting en vriendelijke groete, heb ik de eer te zijn

7-2-1871 / 4 (5)

WelEd. Heer!

Het spijt mij u eenige ongerustheid veroorzaakt te hebben door niet per ommegaande de ontvangst te accuseeren. Maar het bedoelde stuk is best overgekomen en ik ben reeds weer druk bezig met eene vertaling daarvan voor u gereed te maken. Van de bladen met het letterschrift laat ik photographische copiën vervaardigen, die ik u bij de terugzend[ing] hoop aan te bieden.

Met vriendelijke groete

?-3-1871 / 5 (1)

WelEd. Heer!

Hiernevens het tweede gedeelte van uw Handschrift terug, met de vertaling. Ik heb het langer gehouden dan ik zelf wenschte, want ik verlang zeer naar het vervolg, maar ik moest wachten tot ik de zekerheid had, dat de photographie van de beide laatste bladzijden goed zouden uitvallen. Zoodra die geheel gereed zijn, hoop ik bij eene volgende bezending u er een exemplaar van toe te zenden. Met de volgende gedeelten zal ik spoediger gereed kunnen weezen, omdat ik die alleen nodig heb om eene geheel nauwkeurige copie te maken. Doch daarom ook zal het nog aangenaam zijn, zoo het geschieden kan, wat grooter deel tegelijk te ontvangen, waardoor ik ook des te eerder eene meer gecorrigeerde vertaling kan doen toekomen.

Intusschen heb ik de eer te zijn, met vriendelijke groete en hoogachting,

10-3-1871 / 6

WelEd. Heer!

Met genoegen kan ik u melden, dat het toegezonden H.S. weder in goede orde ontvangen is. Na vriendelijke groete

9-4-1871 / 7

WelEd. Heer!

Veel langer dan mij lief was, heb ik U op de terugzending van deze bladen moeten laten wachten, om dat mijn kopyist door andere drukten belemmerd, mij te leur stelde. Dit kwam mij zeer ongelukkig voor den boeg, want daardoor werd ik zelf ook in mijn werk tegengehouden. De photographe stelt mij ook te leur, zoodat ik U de toegezegde photographiën nog niet kan zenden.

Intusschen moet ik U een opmerking mededeelen. In den brief van Hiddo oera Linda is genoemd een jaar 3449-1256 na Chr. In de verbeelding, dat dit eerste getal overdreven moest zijn, heb ik gemeend dat er 2449 zou moeten staan en heb later de jaartallen volgens dat cijfer overgebracht. Doch ik ben hoe langer zoo meer tot de overtuiging gekomen, dat die meening eene dwaling was. De laatste schrijver die in het boek voorkomt heet Beeden en was een tijdgenoot van den Frieschen koning Askar, die weder een tijdgenoot was van Julius Caesar en Keizer Augustus. Alles is dus voor onze tijdrekening. Derhalve is 3449 min 1256 is 2193 voor Christus het jaar, waarin Atland verzonken is. Wees dus zoo goed in mijne vertaling alle jaartallen naar dit cijfer te veranderen, d.i. alles 1000 jaren terug te stellen. Het blijkt nu dat Adela het eerste boek geschreven heeft anno 558 voor Chr., dat is nu voor 2429 jaren! Het schijnt ongelooflijk en moet toch zoo wezen, als alles sluiten zal.

In afwachting van Uwe volgende bezending, ben ik met vriendelijke groete

?-4-1871 / 8

WelEd. Heer!

In antwoord op Ue geeerd schrijven diene dat ik U gaarne opheldering van woorden wil geven. Wees zoo goed uwe vragen op te geven en te schrijven op half plique, dan kan ik mijne antwoorden er nevens schrijven. Omtrent de Krekalanden zal u kunnen opmerken dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen heinde (nader bij zijnde) Krekalanden en verre (verder af wonende) Kr., de eerste zijn de bewoners van Italië, bij ouds groot Griekenland genoemd, de laatste die van eigenlijk Griekenland, waaronder ook Attica. Om voorts aan Uw verlangen te voldoen zend ik U nu de vertaling van bl. 45 tot 92, die ik juist gereed heb. Dit stuk zal u zeer interesseeren, vooral bl. 87 en vlg. zullen u de familie uwer stamouders leeren kennen. Later zult ge ontmoeten hunne achterkleinkinderen Frederik en Williow, hun zoon Koenraad, diens neef Beeden zoon van Hachgawa, den broeder van Koenraad. Die allen hebben successievelijk het boek vervolgd. De laatste kan zoo wat in het begin der 6e eeuw geleefd hebben. De drie godinnen die ge in 't begin ontmoet hebt Frya, Finda en Lyda zijn de stammoeders der Europeanen, Asiaten en Afrikanen (net als Japhet, Sem en Cham). Hare karakterschets past ook juist op die drie mensenrassen.

Wees vriendelijk gegroet, met hoogachting

P.S. Om de photografiën zal ik denken.

13-4-1871 / 9

WelEd. Heer!

Met dankzegging bericht ik u de ontvangst van bl. 99 tot 146. Het verheugt mij dat bl. 100-112 niet ontbreken. Hoe die in het afschrift van E.V. ontbreken konden, ging mijn verstand te boven, juist omdat het 23 bl. waren en niet 24, gelijk het wezen zoude als een sektern verloren geraakt was. En juist deze bladzijden zijn weer hoogst kurieus. Ik moet ze nu na de overschrijving nog vertalen en de vertaling laten kopiëeren.

Vriendelijke groete.

6-5-1871 / 10

WelEd. Heer!

Ofschoon de vertaling van pag. 99-122 nog niet in kopie voor u gereed is, zend ik UEd. toch deze katerns pag. 99-146 met de vertaling pag. 140-163. Dit doe ik omdat ik er bij de u beloofde photografiën kan voegen. Ze zijn wel niet volkomen naar mijn zin, wegens de ongelijke donkere grond. Doch ik vrees dat voor zulk werk nog een ander praeparaat noodig is, 't welk oude photografen hier niet hebben, omdat dergelijk werk in de gewone ateliers niet voorkomt. Het schrift is best gelukt en dat is het voornaamste.

Wees nu zoo goed mij de volgende katerns alle drie te doen toekomen dan kan ik er in eens mede gereed komen.

Met vriendelijke groeten heb ik de eer te zijn

[P.S.] Intusschen verzoek ik te overwegen, nu de inhoud u bekend is als van geen personeel belang, na de vertaling voor u eene waarde moet hebben die het H.S. zelf niet had, of UEd. ook kan besluiten om het H.S. tegen een of anderen prijs aan het Friesch Genootschap af te staan opdat het in eene openlijke bibliotheek bewaard blijve, als eene antiquiteit.

9-5-1871 / 11

WelEd. Heer!

Het H.S. is bij mij in orde ontvangen.

Wees vriendelijk gegroet.

15-5-1871 / 12

WelEd. Heer!

In de gelegenheid, U de vertaling van bl. 100-122 te zenden, meen ik U genoegen te doen, met dit terstond te doen. Dit gedeelte is weer zeer onderhoudend en belangrijk. De beschrijving van eene burgt is zoo uitvoerig dat gij er eene plattegrond teekening van kunt maken. Tevens gaan hierbij bl. 147-164 van het H.S. terug.

Met vriendelijke groete

31-5-1871 / 13

WelEd. Heer!

Hierbij ontvangt UEd. het laatste gedeelte van het H.S. met vriendelijke dankzegging terug. Daarbij zend ik UEd. tevens het laatste gedelte van de vertaling. Het H.S. heb ik nu bladzijde voor bladzijde gecopieerd; mocht het mij later blijken dat ik in mijn afschrift eenige fout gemaakt heb, dat bij de meeste nauwkeurigheid toch gebeuren kan, dan verzoek ik de vrijheid te mogen nemen, om nog die of die bladzijden afzonderlijk even terug te vragen ter nadere vergelijking. Omtrent de uitgave, namelijk de wijze waarop, is nog niets besloten. Ik tracht te verkrijgen, dat de Provincie die uitgave voor hare rekening neemt. Want over het algemeen zijn onze Boekverkooopers bang voor de uitgave van werken van wetenschappelijk belang. Er kan dus nog daarover wel eenige tijd verloopen. Ik hoop maar, dat gij en ik het nog mogen beleven..

Tot betere bewaring van het H.S. zoude ik u wel willen aanraden om het te laten inbinden.

Intusschen dank ik u nog veele malen voor uwe bereidvaardigheid en blijf met vriendelijke groete hoogachtend

6-6-1871 / 14

WelEd. Heer!

Met vriendelijke dankzegging kan ik u de ontvangst berichten van uw portret.

Wat de uitgave betreft van het H.S., die kan niet zoo spoedig geschieden als u en mij wel aangenaam zijn zoude. Maar daartoe zijn nog meer zaken vereischt als de goede wil van het Fr. Genootschap.

1e Ik moet zelve daarvoor gereed zijn, en het betreft niet maar het drukken van de vertaling, dan was er weinig moeite, doch de vertaling mag niet gedrukt worden zonder den Frieschen text, want zonder dien kan het stuk niet beoordeeld worden.

2e In onze ongeloovige eeuw willen veelen de echtheid en authenticiteit betwijfelen, ja betwisten: het schijnt ongelooflijk dat een geschrift zoo eeuwen lang bewaard en in 't verborgen gebleven is; men meent dat het stuk in veel later tijd door dezen of genen verdicht kan zijn, om het publiek te mystificeeren, enz. Al die mogelijke en onmogelijke betwijfelingen, bedenkingen en tegenwerpingen moet ik opzamelen en weerleggen. Daarvoor heb ik nog menigen kamp door te staan.

3e Hetzij het Fr. Genootschap, hetzij de Prov. Staten kunnen besluiten tot toestemming van de kosten, altijd moet er een besluit van de vergadering en een post op de begroting verkregen worden. Dat alles moet ik met beleid zoeken te bewerken en geen tijd of geduld sparen, om mijn doel te bereiken.

Uwe vragen zie ik gaarne tegemoet, en wil trachten ze te beantwoorden. De tegewoordige vraag omtrent de beteekenissen der eigennamen, moet ik in zooverre toestemmend beantwoorden, dat ik geloof dat al die namen beteekenissen hebben, maar niet geloof altijd de beteekenis met zekerheid te kunnen bepalen. In het boek zelf worden tusschenbeiden namen verklaard van landen, steden en volken. Kadik: de bedijkte kade. Minsellja: de slechte koop. Athenen: de vrienden, enz. Van personen kan ik aannemen:

Adela: de edele; Minerva: mijne erven; Syrhed: sieraad; Rosmuda: Rosen-mond; Kalta: de Snapster(?); Frana: de vrome; Trâst: Troost; Geerte: de begeerden; Adelbrost: de edelhartige (naar hem heeten wellicht nog onze adelborsten); Frethorik: de vrede rijke; Wiljout: wilt gij? Konereed: Koen van raad; Bêden: de afgebedene; Store: de groote; Sterik: de sterke; Wodin: de woedende; Liudgêrt: bij de Lieden (het volk) begeerd.

Apol, Apollonia, Teunis, Teuntje, Inka, Hachgawa en andere durf ik nog niet beslissen. Deze komen mij zoo voor den geest. Ik moet ze nog eens opzettelijk verzamelen.

Ontvang dezen in welstand met mijne hartelijke groete

2-7-1871 / 15

WelEd. Heer!

Morgen namiddag te vijf uren ben ik voor u beschikbaar, en zal u dan zeer gaarne opwachten. Zoo gij Mevr. uwe echtgenoot en den Heer Siderius medebrengt, zal het mij aangenaam zijn.

Met vriendelijke groete

8-7-1871 / 16

WelEd. Heer!

Zoo nu en dan vind ik nog iets dat mij weer duidelijk wordt. In het tweede gedeelte des boeks schrijft Apollonia dat haar broeder Apol verhuisd is naar het zuiden van West Schoonland en daar een burgt Lindaburch gebouwd heeft. Ik neem dat Schoonland voor Schonen, het zuidelijk deel van Zweden, maar kon daar niets van dien naam vinden. Uit het laatste stuk van het boek is mij opgevallen dat daar Lindaburch ook Lindanaas genoemd was. Daaruit heb ik begrepen dat Schönland het Scandinavische schiereiland bedoelt en dat het westen van Schoonland Noorwegen is. Nu heet nog heden ten dage de zuidelijkste spits of kaap van Noorwegen Lindenaes (Lindas neus). Zie daar dus een punt op den aardbol, dat sedert 24 eeuwen den naam uwer familie draagt. Teeken daarom op uwe kaart kaap Lindenaes met een roode streep aan voor de curiositeit.

Deze bijzonderheid rekende ik bijzonder genoeg omeen bijzonderen brief te verdienen.

Na zeer vriendelijke groete hoogachtend

25-7-1871 / 18

(brief 17 verplaatst naar brieven aan L.F.)

3-8-1871 / 19

25-8-1871 / 20

(meer volgt)

II. Aan Leendert F. Over de Linden 1874-1879

20-7-1871 / 17

(bij Luitse tussen brieven aan Cornelis)

WelEd. Heer!

Het bericht dat door het Nieuws van den Dag is ontmoet, is niet van mij afkomstig, maar van een pennya linea, die de klok heeft hooren luiden zonder te weten waar de klepel hangt.

Wat uw verzoek betreft, moet ik u eerlijk bekennen dat het voor mij te kostbaar zoude worden meer photographien present te geven als ik reeds hier en daar uitgedeeld heb. Doch zij zijn te krijgen, daar de Photographe de negatieve platen bewaart. Zij levert afdrukken, ad f2 het stuk. Hebt gij dus zes gulden voor zulk een stel over, zend mij die dan (een regel niet gefotocopieerd; navragen bij PBF)

dan zorgen dat gij ze ten spoedigste ontvangt, tegelijk met een fragment van Worp van Thabor, dat ik binnen kort aan uw vader moet terug zenden.

Groet zEd vriendelijk van mijnentwegen.

datum / nr

(meer volgt)