Jump to content

1940 Karel de Frank

From Oera Linda Wiki
Revision as of 12:14, 10 August 2026 by Jan (talk | contribs) (link PDF)
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
Deze tekst [PDF] bevat de gebruikelijke misvattingen (zoals over een vermeend Romeins Rijk), voortkomend uit een geloof in de authenticiteit van bronnen over de ‘Klassieke Oudheid’ en de vroege ‘Middeleeuwen’, die in de zgn. Renaissance zouden zijn herondekt, gekopiëerd en vervolgens direct verloren gegaan. Deze dubieuze bronnen lijken deels te zijn gebaseerd op ware feiten en namen. Wanneer de fictie eruit wordt gefilterd kan toch waardevolle informatie overblijven, die o.a. op basis van OL, nieuwe archeologie en genetica een reconstructie mogelijk kan maken. Andersom kan het ook dienen om delen uit OL beter te begrijpen.

Karel de Frank — de Groote?

De Franken en de kerstening

door F.J. Los

uitgeverij “Volk en Bodem”

Amsterdam [Oogstmaand/augustus 1940]

Voorwoord

[7] Over de tekortkomingen der hedendaagsche geschiedschrijving zou een boekdeel zijn te vullen. Terwijl deze wetenschap haar taak, waar het de vaststelling en beschrijving der feiten betreft, meestal op bevredigende en soms zelfs op bewonderenswaardige wijze vervult, schiet zij gewoonlijk schromelijk te kort in het andere deel van haar taak: de belichting en verklaring der feiten. Het individualisme en materialisme van den tijd, die achter ons ligt, hebben de geschiedkundige gebeurtenissen en personen anders doen zien, dan wij die thans zien, maar er zijn nog andere oorzaken, die het beeld onzuiver maakten.

Tot deze behoort allereerst het veel voorkomend streven, om het beeld der geschiedenis niet al te onaangenaam te doen uitvallen voor de machthebbers der eeuw, die in laatste instantie ook beschikken over het wel en wee van den armen geschiedschrijver. Dit streven, waarvan de schrijver zich niet altijd bewust behoeft te zijn en dat voortkomt uit menschelijke zwakheld, doet vanzelfsprekend te kort aan de geschiedenis als wetenschap. Immers is wetenschap slechts het zoeken naar waarheld en de vraag, of de resultaten van dat zoeken den heerschenden machten al of niet aangenaam zullen zijn, is daarbij volkomen onverschillig.

Niets doet echter het beeld der geschiedenis, zooals wij het zien, zoozeer verschillen van dat, hetwelk tot dusver opgeld deed, als het inzicht, dat het ras als verklaringsfactor niet kan worden gemist. Terwijl de diepere oorzaken van het wereldgebeuren gewoonlijk worden gezocht in „omstandigheden”, vaak van materieelen aard, dus van het wisselende, blijft het onveranderlijk blijvende, de aangeboren aard, de erfelijke, aan het ras gebonden aanleg, doorgaans buiten beschouwing. Wat zich hier wreekt, is het algeheele gebrek aan biologisch inzicht, dat bij de meeste geschiedschrijvers valt op te merken en dat het beeld, dat zij van de geschiedkundige ontwikkeling ontwerpen, steeds onvolledig doet blijven. In het onbevredigende karakter der gegeven „verklaring” ligt vermoedelijk ook één der voornaamste oorzaken, waaraan het moet worden toegeschreven, dat de voor onze wereldbeschouwing zoo uiterst [8] belangrijke wetenschap der geschiedenis in onzen tijd bij velen in discrediet is geraakt.

Wanneer in dit boek getracht zal worden een juister inzicht te verkrijgen in een tijdperk der geschiedenis, dat voor ons Germanen van het grootste belang is, de periode namelijk, die, liggend tusschen Oudheid en Middeleeuwen, in de regeering van Karel den Frank — door velen nog steeds als „de Groote” vereerd — haar afsluiting en bekroning vindt, dient daarbij door den lezer steeds in het oog te worden gehouden, dat niet het geven van een nieuwe geschiedbeschrijving, maar het den weg banen naar een nieuwe geschiedbeschouwing ons doel is. Met deze doelstelling hangt samen, dat niet naar volledigheid is gestreefd, maar dat, integendeel, veel is weggelaten, wat niet ter zake diende, al is anderzijds wel getracht de daardoor in het geschiedverhaal ontstane hiaten toch zooveel mogelijk te overbruggen, teneinde den samenhang van het geheel niet te verstoren.

Nog een andere opmerking moet hier worden gemaakt. Dit werk is niet de vrucht van een zelfstandige bronnenstudie, maar berust op de zorgvuldige bestudeering en onderlinge vergelijking van een aantal werken en recente publicaties, die voor het meerendeel direct op de bronnen steunen en waarnaar in voetnoten wordt verwezen. De schrijver is er zich van bewust, dat hij meer een bemiddelaar is, dan wel de ontdekker van iets nieuws. Al heeft hij echter ook veel aan anderen ontleend, zoo heeft hij toch altijd ernaar gestreefd, niet critiekloos over te nemen, maar het gebruikte materiaal zoo goed mogelijk te schiften en daarbij een strikte onpartijdigheid in acht te nemen. Met name heeft hij getracht, ook aan de bestrijders en tegenstanders van het rassenstandpunt recht te doen wedervaren. Dit neemt evenwel niet weg, dat hij steeds de woorden indachtig is geweest, waarmee een Duitsch geleerde[1] de moeilijkheden, die aan de onbevooroordeelde beschouwing van de genoemde periode in den weg staan, als volgt kenschetst: „Wij willen tot waarheidsgetrouwe gedachten over Karel komen. Dat is ten opzichte van de bronnen, die zonder uitzondering onder de verdenking van eenzijdige begunstiging staan, een moeilijke taak... De bronnen uit dien tijd, waarvan niet een enkele van Saksische of van neutrale kant komt, zijn reeds lang uitgeput, maar toch in bijzonderheden slechts aan weinigen bekend”.

[9] Oorspronkelijk was voor dit boek de titel „Karel de Frank” gekozen. Het bleek evenwel ondoenlijk de figuur van dezen Frankenkoning voldoende te belichten, zonder eerst de geschiedkundige ontwikkeling te schetsen, die aan zijn regeering vooraf ging en de voorwaarden schiep, waaronder zijn optreden plaats vond. Zoo ontstond als vanzelf een meer omvattend werk, waarin ook aan de voorafgaande geschiedenis der Franken, alsmede aan de bekeeringsgeschiedenis der Germanen een nadere beschouwing wordt gewijd. Een samenvattend overzicht van de voorafgaande ontwikkeling vindt de lezer nu in de eerste drie hoofdstukken, die tezamen de inleiding vormen tot de beschouwing van de hoofdfiguur.

Moge dit boek den weg helpen banen naar een Germaansche geschiedbeschouwing, die in de plaats kan treden van de universalistische en internationalistische, die ons van jongsaf is bijgebracht, maar ons nooit heeft kunnen bevredigen.

* * *

Het bovenstaande werd geschreven, nadat het maniscript van dit werk tegen het eind van 1938 was voltooid. Nu de uitgave ervan mogelijk is geworden, dient hieraan nog te worden toegevoegd, dat, behalve een enkele later aangebrachte verbetering, ook het slotwoord uit een lateren tijd stamt. Dit slotwoord, waarin de in dit boek geschetste ontwikkeling nogmaals in haar hoofdtrekken wordt samengevat, waarna de lijn dezer ontwikkeling tot in het heden wordt doorgetrokken en tenslotte getracht wordt een blik op de toekomst te slaan, is eerst in Bloeimaand van dit jaar geschreven, onder den indruk van de geweldige gebeurtenissen, die zich kort tevoren hadden voltrokken.

Nog rest ons een woord van dank uit te spreken aan den heer J.C. Nachenius, secretaris van den Nederlandschen Kultuur Kring, voor den krachtigen steun, dien hij door zijn deskundige doch tevens opbouwende critiek ons bij het schrijven van dit boek heeft gegeven.

Castricum, Oogstmaand 1940. / DE SCHRIJVER.

[nog toe te voegen: blz. 10-156 (hk. 1-5), noten en landkaart]

Eerste hoofdstuk — De Volksverhuizing en haar gevolgen

[10] In de geschiedenis is geen tweede gebeurtenis aan te wijzen, die het aanzien van ons werelddeel zoo volkomen heeft veranderd en het verdere verloop van zijn geschiedenis zoo diepgaand heeft beïnvloed, als de Germaansche volksverhuizing, die mede aanleiding werd tot den ondergang van het Romeinsche Rijk. Een wereldrijk, da bijna de geheele toenmaals bekende wereld omvatte, dat eeuwen had getrotseerd en dat in den loop van zijn bestaan een zoodanige taaie levenskracht had getoond, dat het meerendeel zijner bewoners aan zijn onvergankelijkheid geloofde, stortte ineen en op zijn puinhoopen werden door volken, die tot dusver als barbaren waren veracht, de nieuwe rijken gesticht, die den grondslag zouden vormen voor een geheel nieuwe ontwikkeling.

Niet slechts in haar beteekenis, maar ook in haar tragiek wordt de volksverhuizing nauwelijks door een andere gebeurtenis geevenaard. Heele volken gaan ten onder, andere worden uiteengeslagen, weer andere lijden enorme verliezen; gansche landstreken worden verwoest, steden in puin gelegd, kultuurschatten vernietigd. De grootste tragiek ligt echter in het lot der overwinnaars, het lot van die volken, welke hun doel tenslotte weten te bereiken, de stichters der nieuwe staten, die er — zij het veelal eerst na jarenlange omzwervingen — uiteindelijk in slagen zich duurzaam nieuwe woonplaatsen te verschaffen. Vandalen en Alanen, West-Gothen en Sueven, Boergonden en Langobarden, zij allen worden na korter of langer tijd geromaniseerd; behalve de taal, nemen zij de godsdienst en daarmee vele denkwijzen en gewoonten van de inheemsche bevolking over, verliezen daardoor hun Germaanschen volksaard en worden zoo van overwinnaars overwonnenen. Worden zij eenerzijds de redders van de Romeinsche kultuur en beschaving, daar het slechts aan hun aanwezigheid [11] is te danken, dat in een uitgeleefde wereld met een door en door verbasterde bevolking geestelijk leven mogelijk blijft, zoo gaan zij anderzijds voor het Germanendom als volken verloren, hetzij door romaniseering, hetzij — zooals de Oost-Gothen — door de barbaarsche oorlogvoering hunner vijanden.

Terwijl dus door de Volksverhuizing aan den eenen kant den Germanen de rol toeviel van heerschers over geheel West-Europa, heeft zij aan den anderen kant toch ook den grondslag gelegd voor de geestelijke en kultureele onderwerping der Germanen aan den Romaanschen geest en daarmee voor de eersten een geestelijke slavernij ingeluid, die bestemd was om eeuwenlang te duren en die ook in onzen tijd nog niet door hen is afgeschud. Tevens heeft zij daardoor den weg gebaand naar de opheffing van een tegenstelling, die de geheele geschiedenis van het Romeinsche Imperium had beheerscht, want zoolang dit had bestaan waren de Germanen zijn meest geduchte tegenstanders geweest. Teneinde deze tegenstelling in het juiste licht te zien is het noodig eenigszins uitvoerig stil te staan, zoowel bij den aard van dit rijk, zijn bevolking en zijn kultuur, als bij het wezen en de geaardheid der toenmalige Germanen.

* * *

Het Romeinsche Imperium geniet onder ons nog steeds een aanzien, dat het in bijna geen enkel opzicht verdient, in tegenstelling met het oude Rome. Alle misvattingen, die betreffende dit rijk heerschen, hier recht te zetten, is ondoenlijk; met een beknopt overzicht moet worden volstaan.

In een bijna ononderbroken reeks oorlogen hadden de Romeinen alle volken van het Middellandsche Zee-gebied in een geweldig rijk vereenigd, dat in het Noorden zijn grenzen uitstrekte langs Rijn en Donau. De stichting van dit rijk deed een proces verder om zich grijpen, dat in het Oosten, waar oudere wereldrijken hadden bestaan, reeds enkele eeuwen vroeger was begonnen en dat bestond in een steeds verder gaande vermenging en onderlinge doordringing van alle binnen het Imperium aanwezige volken en rassen, godsdiensten en kulturen. Zoo werden alle volks- en rasgrenzen gaandeweg vervaagd en alle kultureele en godsdienstige tegenstellingen [12] opgeheven. Terwijl in de provinciën de rasmenging sterk was bevorderd door de stichting van talrijke Romeinsche kolonies, wier bewoners zich op den duur met de inheemsche bevolking vermengden, was zij in Italië zelf voornamelijk het gevolg van de op groote schaal gedreven slavernij, die een voortdurenden invoer van rasvreemde elementen — vooral van Syriërs e.a. Oosterlingen — tengevolge had. Als verzwarende omstandigheid kwam hier nog bij, dat in de talrijke oorlogen, maar vooral in de hardnekkige en uiterst bloedige burgeroorlogen, die Rome in den loop zijner geschiedenis bij herhaling hadden geteisterd, steeds weer het beste en krachtigste deel der bevolking op groote schaal was uitgeroeid[2]), terwijl de rest naar verhouding steeds in veel geringer mate was getroffen. Het eind van deze ontwikkeling bestond hierin, dat het geheele rijk door een ten zeerste verbasterde en ontaarde bevolking werd bewoond, waarin ook de Romeinen zelf grootendeels waren opgegaan. Door den bekenden H.S. Chamberlain is deze bevolking met den typeerenden naam „volkenchaos” aangeduid; juister nog is de benaming „rassenchaos”, die wij, in navolging van een anderen Duitschen schrijver[3]), hier willen gebruiken.

De rassenchaos stond op een geestelijk peil en bezat een regeeringsvorm en een „kultuur”, die met zijn wezen in overeenstemming waren. Want waar tegenstellingen en strijd zijn gaan ontbreken, waar, met de opheffing der grenzen, het nationaal besef verloren is gegaan en waar, tengevolge eener ongebreidelde rasmenging, het oorspronkelijke volkskarakter is uitgewischt, daar moeten geestelijk verval en zedenbederf hun intrede doen en is echte kultuur even onbestaanbaar als politieke vrijheid, die niet ontaardt in bandeloosheid. Daarom kan het ons niet bevreemden, dat in de kleurlooze massa, waaruit de rassenchaos in steeds toenemende mate ging bestaan, het type van den kuddemensch den toon aangaf, terwijl sterke en evenwichtige naturen onder haar zoo goed als ontbraken. Door het staatsgezag óf met behulp van „brood en spelen”, óf door ruw geweld in bedwang gehouden, werd het geestelijk leven dezer massa beheerscht eenerzijds door een grof materialisme, anderzijds door een even grof bijgeloof. Het zedelijk peil, waarop zij stond, wordt voldoende geteekend door het feit, dat tengevolge van de ontbinding van het gezin — eenmaal de wortel van Rome’s kracht! — waarmee een [13] schrikbarende toename van het aantal der ongehuwden en een even schrikbarende afname van het kindertal gepaard ging, de ontvolking van het rijk zulke afmetingen had aangenomen, dat heele landstreken braak lagen, terwijl het steeds meer noodzakelijk werd het leger met vreemde huurlingen — meerendeels Germanen — aan te vullen[4]).

Opperbevelhebber van dit leger en tevens hoofd van het geweldige bestuursapparaat, dat langs zuiver mechanischen weg den staat bijeenhield, was een keizer, die als een god door zijn onderdanen werd vereerd en wiens despotisch gezag van Aziatischen oorsprong was. Wel waren, sinds keizer Caracalla aan alle gemeenten van het rijk het burgerrecht had geschonken (212 n.C.), alle vrije inwoners van het rijk rechtens gelijk gesteld, maar dit was, zooals de historicus Wolf terecht opmerkt[5]), niet een gelijkheid in vrijheid, maar in knechtschap; het was bovendien de juridische erkenning van het feit, dat alle in vroeger tijd bestaand hebbende verschillen, ook die tusschen het heerschende staatsvolk en de rest der bevolking, volkomen waren uitgewischt.

Tengevolge der steeds verder gaande vermenging was ook het verband tusschen ras en kultuur[6]) volkomen verbroken. De kultuur van het Imperium, feitelijk een mengelmoes van alle kulturen, die vroeger in het Middellandsche Zee-gebied hadden gebloeid, had zichzelf overleefd en was volkomen verstard. Niet in staat uit eigen kracht zichzelf een kultuur te scheppen, bewaarde deze ontaarde bevolking de geestelijke schatten, die vorige geslachten haar hadden nagelaten, zonder er zelf meer innerlijk deel aan te hebben en terwijl zij genoot van het klatergoud eener oppervlakkige en zuiver uitwendige beschaving, wist zij, dank zij een hoog ontwikkelde techniek, die haars gelijke niet had in de wereld, haar positie nog eeuwen te handhaven, zelfs tegenover vijanden, die in aangeboren kracht en begaafdheid haar verre overtroffen.

De scherpste tegenstelling, die in en door den rassenchaos was overwonnen, was die tusschen het Christendom en den Romeinschen geest. Zoolang de geest van het oude Rome nog ongebroken was, had hij zich tot het uiterste tegen het Christendom verzet; juist de beste en meest nationaal gezinde keizers hebben getracht de nieuwe leer door vervolgingen te onderdrukken. Niet ten onrechte zagen zij in de nieuwe, uit het Oosten binnendringende, godsdienst een gevaar voor staat [14] en maatschappij. Inderdaad vormde een leer, die de gelijkheid aller menschen zoozeer op den voorgrond stelde, als het toenmalige Christendom[7]), voor een staat en maatschappij, die — zooals overal, waar de samenleving gezond is! — op ongelijkheid berustten, een doodelijke bedreiging. Daar kwam dan nog bij, dat de neiging der christenen tot wereldontvluchting en askese hen vrijwel alles deed ontkennen en minachten, wat den Romeinschen staat groot had gemaakt. Daarom golden zij als vijanden van het menschengeslacht.

Het ergste was evenwel, dat de christenen allengs een staat in den staat gingen vormen. Terwijl aan den eenen kant de Romeinsche staat, in verband met de door hem georganiseerde goddelijke vereering van den Keizer, sedert het eind der 2de eeuw meer en meer de vormen aannam van een kerk, aan het hoofd waarvan de Keizer stond in zijn hoedanigheid van opperpriester (pontifex maximus), kreeg aan den anderen kant de christelijke kerk, die er steeds meer toe overging ook de zuiver zakelijke verhoudingen tusschen haar leden te regelen en hun onderlinge geschillen te berechten, steeds meer weg van een staat. Zoo stonden twee machten tegenover elkaar, die elkaar op elk levensterrein bestreden in een strijd op leven en dood, die slechts met de volledige vernietiging van één van beiden scheen te kunnen eindigen. Toch eindigde hij met een compromis, want de zege, die het Christendom behaalde, toen het eerst door keizer Constantijn (323-336) met het heidendom werd gelijkgesteld en daarna door zijn opvolgers tot staatsgodsdienst werd verheven (353), was slechts in schijn volledig. Niet slechts had het zijn overwinning vooral hieraan te danken, dat het in zijn kerkelijke organisatie (de bisschoppelijke hiërarchie) de bestuursorganisatie van den Romeinschen staat was gaan navolgen, maar ook was het de Keizer, die deze organisatie voltooide. Doordat Constantijn zichzelf aan het hoofd der Kerk stelde, gaf hij aan haar organisatie het monarchale karakter, dat zij sindsdien heeft behouden. Van nog meer belang is evenwel het feit, dat de christelijke kerk ook den geest van haar vroegeren tegenstander overnam, door, evenals het rijk, dat zij tot dusver had bestreden, naar wereldheerschappij te gaan streven. Aan het keizerlijke Rome ontleende de christelijke kerk haar imperialistisch karakter. Op overeenkomstige wijze was op godsdienstig gebied de overwinning van het Christendom mogelijk gemaakt. Aan de [15] vermenging der godsdiensten, die in het Oosten reeds enkele eeuwen vóór Christus’ geboorte was begonnen, heeft het Christendom namelijk op zijn wijze meegedaan, inplaats van er weerstand aan te bieden. Zijn zegetocht was vooral hierdoor mogelijk geworden, dat het van de heidensche godsdiensten, die het op zijn weg ontmoette, en waaronder er enkele waren, die — zooals de Perzische Mithras- en de Egyptische Isisdienst — eveneens naar de wereldheerschappij streefden, in zijn ceremoniën en riten vele elementen overnam. Voor de massa werd de overgang ten zeerste vergemakkelijkt, doordat de Kerk haar heidensche voorstellingen en gebruiken rustig liet voortbestaan, zij het onder andere namen. Zoo leefden de heroënvereering[8]) en het veelgodendom voort in de vereering van heiligen, terwijl Maria en het kindeke Jezus de plaats innamen van de in het geheele rijk vereerde Egyptische godin Isis en haar zoon Horus[9]). In de „mis” herleefde het heidensche offer en de reliquieënvereering was voor deze menschen een voortzetting, onder anderen naam, van de in de heidensche Oudheid overal in zwang zijnde doodenvereering. De overwoekering van het oorspronkelijke Christendom door aan het heidendom ontleende voorstellingen en gebruiken nam weldra zelfs zulke afmetingen aan, dat de Kerk — zooals Wolf het uitdrukt — een tooverinstituut dreigde te worden. Niets heeft echter den geest van het toenmalige Christendom zoozeer beïnvloed, als de volledige overname van het asketische[10]) levensideaal, dat in wereldontvluchting de hoogste deugd en in het „dooden van het vleesch” den weg tot zaligheid deed zien. Ook dit ideaal werd aan Oostersche godsdiensten ontleend (met name aan de Egyptische Serapisdienst), maar door het Christendom in praktijk gebracht op een schaal, als de wereld nog niet had aanschouwd. Het gaf aanleiding tot het ontstaan van het monnikwezen, waarbij alweer teekenend is, dat reeds kort nadat in Egypte het eerste klooster was opgericht[11]), heel het Oosten van het rijk met deze inrichtingen als overdekt was. Behalve dat het asketisch levensideaal veel heeft bijgedragen tot het ontstaan van een scherpe scheiding tusschen geestelijken en leeken, heeft het ook zijn stempel gezet op wat voortaan gold als „christelijke” moraal.

Zoo vertolkte dat Christendom dus in elk opzicht de idealen, die leefden in den rassenchaos, te midden waarvan het zich [16] had ontwikkeld en die het van zijn kant zeker ook had bevorderd. Door de onderlinge tegenstrijdigheid dezer idealen — wereldontvluchting naast het streven naar wereldbeheersching, verheerlijking der armoede naast een grof materialisme, prediking van naastenliefde en „vrede op aarde” naast bloedige uitroeiing van ongeloovigen en ketters — deed het zich als het geestesproduct eener verbasterde bevolking kennen. Tevens had het zooveel heidensche bestanddeelen in zich opgenomen, dat de leer van zijn stichter daaronder geheel schuil was gegaan. Hoofdzaak voor ons is, dat dit Christendom[12]), opgekomen als het was in den rassenchaos, de idealen van dien chaos had overgenomen en daardoor tevens de wegbereider van dien chaos was geworden. Hoezeer beide verwant waren, moge blijken uit hetgeen Tirala in zijn boven genoemd werk daaromtrent opmerkt:

Ik wijs er op, dat een pessimistisch opgevat Christendom met den aard van den volkenchaos van de Middellandsche Zeelanden in de eerste duizend jaren onzer tijdrekening overeenkwam. Voor deze menschen, die uit den bloed-chaos eener ongeregelde verbastering stamden, mag het volkomen juist zijn geweest, een godsdienst te kiezen, welke haar eenige toevlucht in de verlossing van dit leven en in een bovennatuurlijke genade zoekt, daar zinnelijkheid, erotiek en liefde hun als zonde moesten voorkomen. Ik geloof, dat het ook werkelijk zonde geweest zou zijn, wanneer deze lieden zich hadden voortgeplant! Daarentegen kan een pessimistische en daarom van het leven wegvoerende godsdienst op een gezond ras eenvoudig als een doodelijk vergift inwerken.

* * *

Stellen wij nu tegenover de verbasterde en ontaarde bevolking dezer uitgeleefde wereld de toenmalige Germanen, dan blijkt reeds aanstonds hun meerderheid op geestelijk en zedelijk gebied. Het meest afdoende bewijs voor deze meerderheid is wel gelegen in het feit, dat het Romeinsche Rijk in de laatste eeuwen van zijn bestaan geen ander middel heeft gevonden, om zich tegen de steeds weer opdringende Germaansche stammen te verdedigen, dan het op groote schaal in dienst nemen van Germanen, die als soldaten in de legioenen werden [17] ingelijfd, of met vrouw en kinderen in de grensstreken als boeren werden gekoloniseerd. Tenslotte kwam het zoover, dat Germanen de legioenen aanvoerden en zelfs als regenten het rijk bestuurden. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de Vandaal Stilicho, die als regent voor keizer Honorius jarenlang het bewind voerde, als veldheer, met behulp der van de grenzen teruggeroepen legioenen, tot tweemaal toe Alarik afweerde (403) en Ìtalië van de binnengedrongen Germanen bevrijdde en die ook als staatsman groote talenten toonde te bezitten, totdat hij tenslotte door zijn kleingeestige benijders op laaghartige wijze werd vermoord (408). Hij en andere op den voorgrond tredende Germanen uit dit tijdvak steken, ofschoon heidenen, torenhoog uit boven hun Romaansch-christelijke omgeving en dat niet alleen in begaafdheid, maar ook in grootheid van karakter en zedelijke kracht.

In hun nieuwe omgeving hebben deze Germanen ongetwijfeld veel aangetroffen, wat met hun geaardheid in strijd was en hun daarom onaanvaardbaar toe moest schijnen. Op het gebied der politiek moeten het keizerlijke absolutisme en de mechanische staatsopvatting, die aan de organisatie van het Imperium ten grondslag lag, in strijd als zij kwamen met hun aangeboren vrijheidszin en de hun van huis uit eigene organische staatsopvatting, hun tegen de borst hebben gestuit. Met de op zedelijk en maatschappelijk gebied heerschende toestanden en verhoudingen konden zij zich even moeilijk vereenigen. Zoo zien wij reeds Antoninus Pius (138—161), de eerste keizer, die waarschijnlijk volbloed Germaan was, een einde maken aan de sadistische slavenmishandelingen (De Germanen behandelden hun slaven goed!). Zijn echt Germaansche verdraagzaamheid op religieus gebied spreekt hieruit, dat zij, die op godsdienstige gronden den Keizer niet als een god konden huldigen, dit vrijelijk mochten nalaten. En vóór hem had Hadrianus (117-138), een keizer, die zeker veel Germaansch bloed had en die, in strijd met een eeuwenoude Romeinsche mode, een baard droeg (op den troon!), aan het ontzettende geknoei op het gebied van het recht een eind gemaakt.

Op godsdienstig gebied was de tegenstelling zoo mogelijk nog grooter! Askese en wereldontvluchting waren den Germanen vreemd en de tegenstelling tusschen stof en geest, natuur en God, die aan deze idealen ten grondslag lag, was hun [18] volkomen onbekend. Voorts namen wondergeloof en magie in hun voorstellingswereld hoogstens een ondergeschikte plaats in, terwijl hun harmonische aanleg en de natuurverbondenheid van hun denken hen weinig behoefte deed gevoelen aan een „verlossing”. De elementen van „zuidelijk” heidendom, die het Christendom bevatte, waren voor deze „noordelijke”[13]) heidenen al even onverteerbaar, als de Joodsche spitsvondigheid, die in de theologie tot een zoo rijke ontplooiïng was gekomen. Tenslotte was ook de Joodsche Godsvoorstelling, die in het Christendom was ingelijfd, van de hunne geheel verschillend. Niettegenstaande al deze tegenstellingen, waarvan zij zich, althans ten deele, ook klaar bewust geweest moeten zijn, was de nederlaag der Germanen op geestelijk gebied onvermijdelijk en hun geestelijke onderwerping aan den hen omringenden Romaanschen geest, dus aan de machten van den rassenchaos, op den duur onafwendbaar. Hoewel afgeleefd, genoot de Romeinsche kultuur, dank zij de schatten aan kennis en schoonheid, die zij belichaamde, dank zij vooral de macht van haar eeuwenoude traditie, nog altijd een overweldigend aanzien; tegenover de Germaansche kultuur, die nog in haar kinderschoenen stond, was haar positie volstrekt onaantastbaar. Op godsdienstig gebied was de overmacht van het Christendom evenwel niet minder groot. Niet alleen steunde dit op de macht eener hechte kerkelijke organisatie, maar ook bezat het een rijke literatuur en werd het verdedigd met de wapenen eener geslepen dialectiek, die haar argumenten ten deele ontleende aan Grieksche philosofen. Bovenal verschilde het Christendom van den Germaanschen godsdienst hierin, dat het al zijn gedachten en voorstellingen had samengevat in een theologisch systeem, welks grootschheid ook de Germanen op den duur moest imponeeren. Zoo bleek ook hier, zooals op zoo velerlei gebied, het ongeorganiseerde op den duur niet bestand tegen het georganiseerde; de systeemloosheid legde het af tegen het systeem!

Opmerkelijk is het feit, dat de binnengedrongen Germaansche volken, op slechts een paar uitzonderingen na, aanvankelijk niet den later officieelen vorm van het Christendom aannamen, maar het zoogenaamde Arianisme, een van de orthodoxe geloofsbelijdenis op belangrijke punten afwijkende leer, die tot op zekere hoogte als een voorlooper kan gelden van het latere Protestantisme. Zoodoende kwamen deze volken reeds [19] aanstonds in een confessioneele tegenstelling te staan tot de hen omringende Romaansche bevolkingen, wat de kultureele ineensmelting en de vermenging van heerschers en overheerschten vertraagde. Toch is dit niet meer geweest dan een episode: op den duur bleek de overgang dezer volken naar het katholicisme onvermijdelijk en omstreeks het jaar 600 kreeg hij zijn beslag. Door hun langdurig verzet, dat toch nog bijna twee eeuwen heeft geduurd, hebben deze Germanen echter onweerlegbaar bewezen, dat de machten, die hun romaniseering trachtten te bewerken, met hun diepste wezen onvereenigbaar waren. Het waren dan ook niet theologische spitsvondigheden, die hen aan het Arianisme deden vasthouden, doch het bewustzijn van hun eigen aard. Het Ariaansche geloof heeft langen tijd de verbastering dezer Germanen tegengehouden. Tenslotte zijn zij evenwel voor de overmacht bezweken.

Op militair en politiek gebied overwinnaars, werden de Germanen op geestelijk gebied niet slechts door de machten van den rassenchaos verslagen, maar zelfs volkomen onderworpen.In dit verband is het vooral merkwaardig, dat juist in den tijd, toen het Romeinsche Rijk voorgoed scheen onder te gaan, de grondslag werd gelegd voor zijn toekomstige herleving[14]). Terwijl Alarik Rome veroverde (410) en de scharen der Vandalen, Alanen en Sueven zich over Frankrijk en Spanje tot in Noord-Afrika uitbreidden, zoodat het West-Romeinsche Rijk van den aardbodem scheen te verdwijnen, schreef bisschop Augustinus van Hippo zijn beroemde boek „Over den Godsstaat” (De Civitate Dei). Daarin stelt hij de georganiseerde, zichtbare Kerk, die door de bisschoppen wordt bestuurd, als „Godsstaat” tegenover den aardschen „wereldstaat”, dien hij tot een werk des duivels verklaart. Terwijl aan den „Godsstaat” de wereldheerschappij toekomt, krijgt de „wereldstaat” eerst dan waarde en beteekenis, wanneer hij „met geweld de dwalenden naar de Kerk terugvoert”, want dat is zijn hoogste plicht. Tegenover de almachtige Kerk kent Augustinus aan den staat dus slechts de beteekenis toe van een uitvoerend orgaan, dat zich geheel in haar dienst heeft te stellen. Het universeele karakter van het Christendom komt wellicht nergens beter uit, dan in het feit, dat het in dit werk vervatte programma, dat bestemd was de ontwikkeling van heel West-Europa eeuwenlang te beheerschen en dat tot in onzen tijd [20] nawerkt, afkomstig was van dezen Noord-Afrikaanschen bastaard.

Het nieuwe Imperium, waarvoor Augustinus den theoretischen grondslag had gelegd, werd door Leo I (440—461), den eersten bisschop van Rome, die met recht „paus” genoemd kan worden, praktisch voorbereid. Het hooge aanzien, dat hij in geheel Italië genoot, het overwicht, dat hij op de andere bisschoppen uitoefende en de politieke invloed, die hij bezat, kondigden reeds de monarchale positie aan, die zijn opvolgers later aan het hoofd van den „Godsstaat” zouden innemen. Meer dan eenige paus hebben echter de koningen der Germaansche Franken de verwezenlijking van Augustinus’ programma bevorderd. Aan hen is het tenslotte zelfs gelukt het Germaansche kernland, dat zich tegen het oude Imperium steeds met succes had verdedigd, bij het nieuwe in te lijven. Daarmee was de grondslag gelegd voor het gedwongen samengaan van de drie elementen, welker schijnbare versmelting de grondtrek zou vormen van de geschiedenis onzer Middeleeuwen: Germanen, Romaanschen geest en Christendom. De geschiedenis der Franken is daarom dan ook bijzonder belangrijk.

Tweede hoofdstuk — De Franken en het Frankische Rijk

[21] Het volk der franken, dat is der „vrijen”, wordt in de Romeinsche bronnen in 238 voor het eerst genoemd. Het ontstond, toen kort vóór het midden der derde eeuw de verschillende Germaansche stammen, die langs den rechteroever van den beneden-Rijn en in de Rijn-delta waren gezeten, onder den druk der Romeinsche wapenen zich tot een duurzaam verbond aaneensloten. Dit verbond, waartoe de stammen der Bataven, Chattwaren, Chamaven, Bructeren, Amsivaren, Sugambren, Ubiërs en Chatten toetraden, was feitelijk reeds voorbereid door den opstand van Claudius Civilis (70 na Chr.), die de stammen van den beneden-Rijn voor het eerst in een verbond had saamgebracht. Wel was dit verbond door de nederlaag, die hij tenslotte leed, weer uiteengevallen, maar toch heeft het den grondslag gelegd voor de duurzame samenwerking tegen den erfvijand, die onder hen in later tijd tot stand kwam.

Den Romeinen golden de Franken als onbetrouwbaar. Zooals door een hedendaagsch schrijver[15] terecht is opgemerkt, dient men daarbij echter te bedenken, dat door de Romeinsche veldheeren de verraderlijke overval tijdens het voeren van vredesonderhandelingen — een gebruik, dat Caesar in de Romeinsche krijgskunst had ingevoerd — veel werd toegepast. Tegen de „barbaren” achtte men elk middel geoorloofd en daarbij was niet meer de onderwerping van den tegenstander, maar zijn bloedige uitroeïïng het doel. Duidelijk komt dit uit in den verdelgingsoorlog, dien keizer Constantijn (323-336) — de eerste christen-keizer — tegen de Franken voerde. In hun dorpen werden de niets vermoedenden overvallen; hun koningen, Askarik en Gaiso[16], op gruwzame wijze doodgemarteld; hun vrouwen gedood en hun kinderen als slaven verkocht. Wekenlang juichte het Romeinsche gepeupel in het groote circus te Trier[17], waar duizenden Frankische edelen door de [22] leeuwen werden verscheurd „totdat hun groote aantal de woedende dieren had vermoeid”.

Onder den tot het heidendom teruggekeerden keizer Julianus bleven de methoden dezelfde. Onder leiding van beroepsmisdadigers werden moordbenden tegen de Franken uitgestuurd (358), die hun hofsteden gedurende den nacht overvielen en in brand staken. De hoofden der verslagenen werden dan in Trier bij den Romeinschen stadhouder tegen betaling der uitgeloofde premie ingeleverd. Geen wonder, dat onder zulke omstandigheden de Franken telkens weer een hun opgelegd „vredes” — lees: onderwerpings — verdrag verbraken en b.v. in het jaar 355 Keulen, de Romeinsche hoofdvesting aan den Rijn, verwoestten. Over die „trouwbreuk” wendden de beschaafde Romeinen dan hetzelfde soort verontwaardiging voor, dat ons ook uit onzen eigen tijd zoo goed bekend is. Van een volk, dat eeuwenlang het slachtoffer was van zulke krijgsmethoden, zou men misschien denken, dat het zelf moest ontaarden. Ook zou het ons niet kunnen verbazen, indien het ras van dit volk, in verband met zijn voortdurende aanraking met de „Romeinen” (dus met den rassenchaos, verg. het vorige hoofdstuk), in aanzienlijke mate was verbasterd. Noch van het een, noch van het ander blijkt echter ook maar iets. Integendeel, zoowel in de zuiverheid van hun Germaanschen volksaard, als in hun, van ras-zuiverheid getuigende, aangeboren kracht en talenten, kunnen de Franken de vergelijking met andere Germaansche volken glansrijk doorstaan. Haat en afgunst hebben niet kunnen verhinderen, dat toch bij de Romeinsche schrijvers telkens weer een onverholen bewondering doorklinkt voor den heldenmoed en de kracht van dit volk, dat, dank zij zijn kinderrijkdom, de geleden verliezen steeds met een zoo wonderbaarlijke snelheid weer wist aan te vullen; zelfs een christelijk schrijver[18] moet de zedelijke meerderwaardigheid der heidensche Franken in tegenstelling met de christelijke Romeinen erkennen. Bewondering wekten vooral die Franken, die het in Romeinschen dienst tot hooge posten hadden weten te brengen. Het uitsterven van talent en karakter in het laat-Romeinsche Rijk deed begaafde Germanen, die in zijn dienst waren getreden, als het ware automatisch in rang opklimmen. Onder de Franken, die in dit verband zijn te noemen, is vooral opvallend de figuur van den geweldigen Arbogast, die, door keizer Theodosius tot eerste minister van [23] het West-rijk benoemd, den rechtmatigen keizer afzette en gedurende enkele jaren (390-394) dit rijksdeel volkomen beheerschte. Wegens hun onbaatzuchtigheid en eerlijkheid, hun verstand en hun ijver worden hij en andere op den voorgrond tredende Franken bijna eenstemmig door de Romeinsche schrijvers geprezen.

De zuiver Germaansche aard der Franken blijkt ook uit enkele trekken, die zij als volk vertoonen, Vooreerst uit de stoutmoedige en vaak zelfs geniale wijze van oorlogvoeren, die zij met alle volken, wier aard overwegend door het Noordras wordt bepaald, gemeen hebben. Toen de latere keizer Julianus als veldheer in den winter van 356, ter vergemakkelijking van de verpleging, zijn troepen wijd over de steden van oostelijk Gallië had verspreid, overschreden de Franken in nachtelijke marschen den bevroren Rijn, Moezel en Marne en verschenen plotseling voor Sens (Agedincum Senonum), in welke stad Julianus met slechts een gering aantal troepen zijn hoofdkwartier had opgeslagen. Gedurende 60 dagen hielden zij den Romeinschen opperbevelhebber daar ingesloten en weinig had het gescheeld, of zij hadden hem midden in Gallië gevangen genomen. Van een volk, dat tot zulk een krijgvoering in staat was, kan het ons niet bevreemden, dat het langs zijn grenzen een uitgebreide spionnage- en waarschuwingsdienst had ingericht, die menige Romeinsche overval deed mislukken.

Echt Germaansch is ook de ondernemingslust der Franken, die hen reeds vroeg zeevaarders deed worden[19]. Hoe ver hun zeevaartkunde reeds ging, moge blijken uit het verhaal, dat een Romeinsch schrijver doet omtrent een „ongelooflijk stoutmoedige zeevaart”, die in het jaar 276 door hen werd volbracht. Een Frankische stam bij den Rijnmond was door de Romeinen onderworpen en had een groot aantal soldaten moeten leveren. Dezen werden, na volbrachten diensttijd, aan de Zee van Marmara gekoloniseerd. Door heimwee naar hun vaderland gedreven, roofden zij op zekeren dag de in de haven liggende Romeinsche schepen en gingen onder zeil. Nadat zij de kusten van Klein-Azië en Griekenland hadden geplunderd, zagen zij kans Carthago en Syracuse stormenderhand in te nemen. Met buit beladen voeren zij tenslotte de Straat van Gibraltar uit, waarna zij, om Spanje heen en door de Golf van Biscaye en het Kanaal, hun vaderland weer wisten te bereiken.

[24] Deze tocht stond echter volstrekt niet op zichzelf! Tegen het eind der 3e eeuw werd de zeemacht der Franken voor de Romeinen een gevaar en beheerschten hun vloten een tijdlang de Noordzee en ten deele zelfs het Kanaal. Toen de Romeinsche Kanaal-vloot in het jaar 286 aan het muiten sloeg en haar bevelhebber, Carausius, zich tot tegenkeizer liet uitroepen, verzekerde hij zich terstond van de hulp der Frankische en Saksische vloten en stak met hun hulp naar Brittannië over. In de volgende tien jaren werd dit eiland nu het uitgangspunt van koene zeevaarten in alle toenmaals bekende zeeën. Frankische krijgslieden verbleven in Londen (Londinium) en in de kuststeden bracht de handel een zoodanige welvaart, dat — zooals een Romeinsch schrijver het uitdrukt — „beschaving en rijkdom toenmaals veel meer in Brittannië bloeiden dan op het Romeinsche vasteland”. Terecht wordt door Luft bij de vermelding van deze feiten erop gewezen, dat dergelijke tochten een zeevaartkundige kennis veronderstellen, die slechts in den loop van vele geslachten kan zijn verkregen. De techniek van scheepsbouw en zeevaart stond bij de aan zee wonende Franken — evenals bij de Gothen — dan ook sinds lang op een hoog peil; het stadium van den éénboom was door de Germanen reeds eeuwen vóór het begin onzer tijdrekening overwonnen. In het zeemanschap dezer Franken kan een voorlooper worden gezien van het zeemanschap der latere Hollanders, hun nazaten.

De onbedorven Germaansche aard der Franken komt evenwel het duidelijkst tot uiting in hun hoog ontwikkeld eergevoel. De eer was voor hen — als voor alle Germanen — de diepste grond van hun handelen. Als oneervol gold niet slechts de vlucht voor den vijand en het ongekwetst terugkeeren uit een slag, waarin de aanvoerder was gevallen, maar ook het enkele feit van de nederlaag. Slechts wraak en overwinning konden den verslagen krijgsman zijn eer teruggeven; vandaar, dat de Franken het krachtigst aanvielen vlak na een nederlaag. „Zij lijden onder een smaad meer dan onder den dood zelf,” zegt een Romeinsch schrijver en schildert dan, hoe reusachtige Frankische krijgers, die te trotsch zijn, om zich voor de oogen van het Romeinsche gepeupel door wilde dieren in de arena te laten verscheuren, elkaar wederkeerig den doodsteek geven.[20] Evenals de andere West-Germanen verschillen de Franken van de Oost-Germaansche volken in de manier van hun [25] voorwaarts dringen. Niet in een enkele geweldige veroveringstocht, zooals b.v. de Oost- en West-Gothen en Vandalen, hebben zij zich ten koste van het Romeinsche Rijk nieuwe woonplaatsen verschaft, maar door een langzaam en etappesgewijs vooruit schuiven van hun gebiedsgrenzen, dat zich voltrok als een langdurig proces, waarvan het begin lang vóór den aanvang der eigenlijke Volksverhuizing valt. Het kenmerkende daarbij is, dat verovering steeds met kolonisatie gepaard ging, terwijl de samenhang met het Germaansche kernland uit den aard der zaak nimmer werd verbroken.

De voortdurende druk, dien de Franken vanaf het eind der 3e eeuw op de Romeinsche grenzen uitoefenden, vond ongetwijfeld zijn voornaamste oorzaak in een zeer sterke bevolkingstoename, die telkens weer een overbevolking deed ontstaan. Nu eens vroegen en verkregen hun stammen van de Romeinsche stadhouders verlof, om zich als boeren in de grootendeels verlaten grensstreken te vestigen, dan weer doorbraken ze met geweld de tegen hen aangelegde grensversterkingen. Zoo was bij het begin der Volksverhuizing de Rijn reeds overschreden[21]. Als met den inval der Vandalen, Alanen en Sueven de Romeinsche heerschappij over Gallië praktisch geeindigd is (406), hervatten de Franken hun Zuid- en Westwaarts gerichte beweging, maar nu in een wat sneller tempo. Geleidelijk dringen ze dan verder door, totdat in het Westen de Somme, in het Oosten het gebied van Trier — welke stad eerst in 475 voorgoed was veroverd — is bereikt. Het grootendeels verlaten gebied wordt daarbij opnieuw door hen gekoloniseerd, zoodat het, met uitzondering van de steden en ook van de armere streken (zooals b.v. de Ardennen), waarin resten der Gallisch-Romaansche bevolking achterbleven, bijna volledig wordt gegermaniseerd. Noch bij de Salische[22] Franken, die het Westen van het tegenwoordige België bewoonden en als wier kernvolk de vroegere Bataven zijn te beschouwen, noch bij de Ripuarische[23] Franken, die het tegenwoordige Rijnland bevolkten en zich om de Ubiërs, als hoofdvolk, groepeerden, kan daarom in dezen tijd van een noemenswaardige verbastering van het ras sprake zijn geweest, al begon dit gevaar wel reeds te dreigen. Voorloopig waren hun Noorder bloed en Germaansche volksaard echter nog ongerept.

* * *

[26] Onder Chlodwig[24] (Clovis, 481-511), den stichter van het Groot-Frankische Rijk, werd deze politiek van langzame uitbreiding nu evenwel verlaten en vervangen door een grootsch opgezette veroveringspolitiek, die weliswaar aan zijn ontwerper roem en eer heeft gebracht, maar die in zijn gevolgen voor het Germaansche karakter van zijn volk noodlottig is geworden. Daarbij zijn het vooral twee gebeurtenissen, die, tezamen en in nauw onderling verband, een radicale verandering hebben ingeluid: Chlodwigs verovering van midden-Gallië (486) en zijn overgang tot het Roomsche Christendom (496). Op beide dient daarom wat nader te worden ingegaan.


Als één der gouwkoningen van de Salische (dus Westelijke) Franken resideerde Chlodwig aanvankelijk in Doornik, waar zijn vader, Childerik (457—481), en zijn grootvader, Merowech[25] (448457), vóór hem hadden geheerscht. Vanuit zijn kleine, maar vrijwel zuiver Germaansche stamgebied veroverde hij nu echter in het jaar 486 het rijk van Syagrius[26], dat in midden-Gallië als een overblijfsel van het Romeinsche Rijk was blijven bestaan, waardoor hij met één slag zijn macht uitbreidde over heel het uitgestrekte gebied tusschen de Somme en de Loire. Twee dingen zijn hierbij van groot belang! Ten eerste was het veroverde gebied te groot, om een verdringing der inheemsche bevolking en een verdeeling van den grond onder de Frankische veroveraars mogelijk te maken. Chlodwig vergenoegde er zich dan ook mee het staatsland en de landerijen, waarvan de eigenaren waren gevlucht, onder de mannen van zijn gevolg te verdeelen en het overige in handen der bezitters te laten. Het gevolg hiervan was, dat in het nieuw verworven gebied de heerschende klasse der Franken slechts een kleine minderheid vormden. En daar Chlodwig nu tevens zijn residentie verlegde naar Soissons (Suessionum), kwam hij uit een Germaansch-heidensche plotseling in een Romaansch-Christelijke omgeving terecht.

Hoewel deze onderdompeling in den rassenchaos van het ondergegane Romeinsche Rijk voor Chlodwig stellig niet zonder beteekenis is geweest, was zij toch niet de hoofdoorzaak van zijn bekeering. Nog veel minder was deze het gevolg van een gelofte, die hij tijdens een slag, dien hij[27] tegen de Alemannen leverde (496), zou hebben afgelegd. Ook de invloed, dien zijn Roomsch-Christelijke gemalin, de Boergondische [27] prinses Chlotilde, op hem heeft uitgeoefend, is op zijn minst sterk overdreven. Daarentegen was het van beslissende beteekenis, dat aan Chlodwig bij de geheime onderhandelingen met de Roomsche bisschoppen, die aan zijn „bekeering” voorafgingen, de machtige steun der Kerk werd toegezegd bij den door hem beraamden aanval op de rijken der Ariaansche Boergonden en West-Gothen. Dit geschiedde evenwel slechts op voorwaarde, dat hij zijn volk zou weten te bewegen hem bij zijn overgang tot de Roomsche kerk te volgen. Zijn eerst heimelijk, later openlijk verraad aan het geloof zijner voorvaderen was dus de prijs, waarvoor hij zich verzekerde van den steun en de medewerking der Roomsche geestelijkheid bij de nieuwe veroveringsoorlogen, die hij tegen de Germaansche broedervolken der Franken in den zin had. De Kerk van haar kant dacht hem te gebruiken bij de bestrijding der gehate Arianen. Inderdaad werd Chlodwig bij zijn nu volgenden oorlog tegen de Boergonden (500) en vervolgens bij de verovering van het West-Gothische Aquitanië (506), waardoor hij zijn rijk tot aan de Garonne uitbreidde, op doeltreffende wijze door de Kerk gesteund. Het komende landverraad der Boergondische en West-Gothische Roomsch-katholieke bisschoppen proeven wij reeds uit de aanwezigheid van velen hunner bij zijn doop (496), die door de Roomsche christenheid overal met de grootste vreugde werd begroet. Bij de dan volgende oorlogen, die door de Kerk reeds als een soort kruistochten werden beschouwd, daar het tegen de kettersche Arianen ging, loopen velen hunner met hun gemeenten openlijk naar Chlodwig over. Wij moeten ons hier in herinnering brengen, dat de mengbevolking dezer rijken Roomsch was, terwijl het Ariaansche geloof slechts werd beleden door de dunne bovenlaag van Boergondische en West-Gothische heerschers. Zoo kan ’t ons niet verwonderen, dat in Poitiers, Saintes, Bourges en andere steden het door zijn bisschoppen geleide volk bij de komst der Frankische legers de poorten opende en de Gothische garnizoenen overviel, terwijl de Roomsche Gallische-Romanen overal voor de aanvoerders der Franken spionnagediensten verrichtten. De medewerking, die Chlodwig op deze manier van de bevolking ontving, heeft het gelukken van zijn veroveringsplannen zeker in hooge mate bevorderd; feitelijk was zijn overwinning reeds van tevoren verzekerd.

Zoo is het voor een groot deel de steun der Roomsche [28] geestelijkheid geweest, die Chlodwig in staat heeft gesteld tot de stichting van zijn Groot-Frankische Rijk. Zooals in het vervolg van dit hoofdstuk nader zal worden aangetoond, heeft in dit nieuwe rijk, ondanks den Germaanschen aard zijner stichters en den Germaanschen stempel, dien het in zijn uitwendigen bouw en organisatie nog eeuwenlang zou dragen, de Romaansche geest van het begin af overheerscht. Niets heeft echter de overwinning van dien geest in sterker mate bevorderd dan het feit, dat de Franken tot het Roomsche Christendom overgingen juist op het oogenblik, toen, met het betreden van het gebied van den rassenchaos, het gevaar voor de verbastering van hun ras en het verlies van hun volksaard dreigend was geworden. Doordat Chlodwig zich in de Roomsche kerk liet doopen, ontbrak in zijn rijk van den aanvang af de slagboom, die in de rijken der Ariaansche Boergonden en West-Gothen het heerschende staatsvolk van de massa der onderworpen Gallisch-Romaansche bevolking scheidde. De wettelijke gelijkstelling van beide volksdeelen, waartoe het gemeenschappelijke geloof den weg baande, kon weliswaar voor het oogenblik de kracht, die het Frankenrijk naar buiten ontwikkelde, vergrooten, maar moest aan den anderen kant onvermijdelijk tot versmelting leiden: zij vormde daarom voor den Germaanschen volksaard der Franken een doodelijke bedreiging. Noodlottig moest het voor hen worden, dat juist nu hun volksaard en hun nationaal besef van alle kanten werden bedreigd en ondergraven, dit gevaar werd versluierd door een leer, die de gelijkheid aller menschen op den voorgrond stelde. Daar kwam nog bij, dat tengevolge der gemaakte veroveringen de band met het Germaansche stamland voortdurend meer verslapte. Parijs, dat thans de residentie werd, was wel geschikt om Chlodwig het land van zijn herkomst te doen vergeten! Ver van hun vaderland, levend te midden eener bevolking van vreemd ras, werden hij en de zijnen meer en meer tot ontwortelden.

* * *

Het overheerschen van den Romaanschen geest in het nieuwe rijk blijkt al dadelijk uit de wijze, waarop de „bekeering” van het Frankenvolk verder in haar werk ging. Is het niet opvallend, dat Chlodwig, die als heiden verdraagzaam was [29] geweest, als christen van groote onverdraagzaamheid blijk geeft? Ondanks het verzet, dat zijn bekeering bij den adel opwekte, een verzet, dat zóó sterk was, dat een deel zijner edelen hem zelfs verliet en in den dienst van Ragnachar, een anderen Frankischen gouwvorst, in het gebied van Sambre en Maas, overging, gaf hij den priesters verlof het heidendom in zijn rijk uit te roeien en ondersteunde hen daarbij door de schenking van groote landgoederen. Terwijl de bekeering bij de hovelingen en de hooge staatsbeambten betrekkelijk vlot verliep, stuitte zij bij de Frankische boeren op heftigen weerstand, met name in het overwegend Germaansche Noorden. Zoolang de staat de monniken en priesters niet krachtdadig ondersteunde, bleef hun prediking volmaakt vruchteloos, zoodat bij den dood van Chlodwig (511) de bekeering nog slechts geringe vorderingen had gemaakt. Onder de regeering zijner zonen begint dan de wilde vernietiging van alle Germaansche heiligdommen, die, onder de bescherming van troepen, door fanatieke christenpredikers worden vernield, terwijl het bekeeringswerk met vernieuwden ijver wordt hervat. Met hoeveel dwang daarbij te werk werd gegaan, wordt duidelijk uit de besluiten der 2de synode van Orleans (535), die aan de gedoopten onder zware strafbedreiging elken omgang met hun heidensche volksgenooten verbood, terwijl zij alles, wat aan den Germaanschen tijd herinnerde: de plechtige verloving van een jong paar onder de dorpslinde, het trouw zweren van wapenbroeders bij een heilige bron, de Mei-dans van de jeugd enz, tot duivelsche misdaden stempelde. Ten deele hadden deze dwangmaatregelen echter een averechts gevolg, want het verslag eener volgende synode stelt het „bedroevende” feit vast, dat een groot aantal christenen weer tot het geloof hunner vaderen was teruggekeerd.

Onder den „vromen” Childebert I (558) vernietigt dan een koninklijk besluit de nog officieel bestaande godsdienstvrijheid en wordt het Germaansche godsgeloof met hen, die het aanhangen, vogelvrij verklaard. Onomwonden wordt in dit besluit erkend, dat de overredingsgave der bisschoppen en de kracht der christelijke leer zelf onmogelijk het doel kunnen bereiken, weshalve de staat thans met zijn geheele macht dient in te grijpen. Alle zinnebeelden en heiligdommen in het rijk moeten worden vernietigd; wie den christelijken priesters dit belet zal voor den Koning terecht staan. Verder worden [30] ook alle heidensche gezangen, vierdagen en reien verboden. Bij overtreding dezer voorschriften zullen onvrijen met 100 slagen worden getuchtigd en vrijen worden gevangen gezet „opdat wie naar heilzame woorden niet hoort, door lichamelijke pijn tot geestelijke genezing kome[28]”, Daarmee was het heidensche geloof weliswaar door den staat verboden en uit het openbare leven verbannen, maar dit verhinderde niet, dat het in allerlei zeden en gebruiken in stilte bleef voortleven en in deze vermomming zelfs de christelijke kerk binnendrong. Hoe taai het verzet was, dat de Germaansche aard aan de hem opgedrongen vreemde leer bood, blijkt uit het feit, dat nog omstreeks het jaar 624 — meer dan een eeuw na den dood van Chlodwig! — bijna de geheele landbevolking om Amiens en Noyon en in heel Vlaanderen heidensch was. Volgens Luft mag zelfs worden aangenomen, dat in Neustrië — het westelijke rijksdeel met een grootendeels Romaansche bevolking — het heidendom eerst omstreeks het jaar 650 was verdwenen, terwijl het in Austrasië[29] — het Oostelijke, overwegend Germaansche, rijksdeel — nog eeuwenlang weerstand bood.

Het eerste en belangrijkste gevolg van deze dwangkerstening was een schrikwekkende zedenverwildering, die nauwelijks haar weerga in de geschiedenis vindt. Deze ontaarding wordt ook door christelijke geschiedschrijvers (met name kerk-geschiedschrijvers) erkend, maar door hen gewoonlijk verklaard als een overblijfsel van „heidensche” barbaarschheid. Het staat evenwel vast, dat deze zedenverwildering bij de Franken eerst is ingetreden na hun bekeering, terwijl zij ook valt op te merken bij die Germaansche volken, welke op soortgelijke wijze tot het Christendom werden bekeerd, tot zelfs in Noorwegen toe. Verder is het opvallend, dat de demoralisatie bij het koningshuis en bij den adel begon, dus bij het volksdeel, dat het eerst het Christendom aannam, terwijl zij in het reeds vroeg christelijk geworden Neustrië veel eerder om zich greep, dan in het nog lang heidensch gebleven Austrasië. Zoo wijst alles erop, dat in de bekeering zelf de oorzaak is te zoeken.

Dit behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij bedenken, dat alle ethische waarden, die den grondslag van de Germaansche samenleving vormden — waarop hier niet uitvoerig kan worden ingegaan — als het ware onderst boven gekeerd [31] werden. Een godsdienst, die zijn bijzonderen, tijdelijken vorm in den rassenchaos en voor de menschen van dien rassenchaos had gekregen, werd zonder overgang opgedrongen aan een volk van algeheel anderen aard en aanleg. Wat in hun oogen goed en heilig was geweest, werd duivelswerk; het sibbebewustzijn werd ondermijnd, het volk uiteengescheurd. Daar komt nog bij, dat de moraal der nieuwe geestelijke machthebbers naar Germaansch begrip op een laag peil stond. Dit blijkt al dadelijk uit de wijze, waarop bisschop Gregorius[30] van Tours, één der meest vooraanstaande mannen van zijn tijd, de misdaden vergoelijkt, die Chlodwig na zijn bekeering tot het Christendom bedreef. Onmiddellijk nadat hij heeft beschreven, hoe de bekeerde Frankenkoning al zijn familieleden vermoordde en door gemeen verraad en omkooperij ook de andere gouwkoningen der Franken uit den weg ruimde, vervolgt deze geschiedschrijvende bisschop: „God wierp dag op dag Chlodwigs vijanden voor hem ter neer en vermeerderde zijn rijk, tot loon hiervoor, dat hij met een oprecht hart voor God wandelde en deed, wat goed was in de oogen des Heeren.”

Inplaats van de op aangeboren eergevoel gegronde Germaansche moraal, die aan het voorgeslacht der Franken steeds de kracht had gegeven, om een eervollen dood te verkiezen boven een leven in schande, stelde de Kerk dus een op lage zelfzucht speculeerende loon-moraal, die hierop neerkwam, dat alles goed was, wat haarzelf voordeel bracht. Geen wonder, dat — waar beide opvattingen zoo volkomen met elkaar in strijd waren en de door de Kerk gepredikte moraal zoozeer tegen den Germaanschen aard indruischte — de tot het Christendom bekeerde Franken alle houvast verloren en ten prooi werden aan een innerlijke onzekerheid, die met de zelfverzekerheid hunner heidensche voorouders in de schrilste tegenstelling stond. Behalve bij Chlodwig zelf komt dit verlies der innerlijke zekerheid ook sterk tot uiting bij zijn nageslacht, dat, met slechts weinige uitzonderingen, liederlijk en misdadig is geweest. Door een betrouwbaar geschiedschrijver[31] wordt het als volgt gekarakteriseerd:

De familiegeschiedenis der Merowingers vormt een bijna ononderbroken keten van schanddaden en misdrijven: onbeteugelde hartstochten van allerlei aard, matelooze haat, ongebreidelde [32] zinnelijkheid, grenzenlooze wraak- en heerschzucht worden botgevierd in ruwe gewelddaden, in sexueele verwildering, in trouwbreuk en verraad, in broeder- en verwantenmoord, kortweg in gruweldaden van allerlei soort. Zoo vertoont zich een zóó ontzettend en huiveringwekkend beeld van zedelijke verwaarloozing, als zich in de wereldgeschiedenis gelukkig maar zelden heeft herhaald. Zoekt men naar een verklaring, dan moet worden gewezen op de uitwerking, die het bekend worden met de ondeugden van de ontaarde Romeinsche kultuur bij menschen van ongebroken natuurkracht moest hebben. Daarmee is in overeenstemming, dat deze verwildering bijna uitsluitend beperkt bleef tot de hoogere klassen der bevolking[32]. Deze kringen der Romeinsche[33] maatschappij waren reeds lang ontzenuwd, zwak in ’t goede zoowel als in ’t kwade; bij de Germaansche krachtmenschen met hun ongebroken hartstocht dijden ook hun ondeugden tot een huiveringwekkende grootte uit. Daar kwam nog bij, dat de Germanen hun aangeboren godsdienst verloren, terwijl de nieuwe godsdienst, dien zij voorloopig toch slechts voor het uiterlijk beleden, reeds ontaard was. Voor dezen godsdienst stond immers het „rechte geloof” aan bepaalde formules veel hooger dan ware zedelijkheid; daarom vermocht hij, ondanks het uiterlijke aanzien, dat de clerus genoot, geen zedelijk houvast te bieden. Rechtgeloovigheid en rijke schenkingen aan de Kerk dekten alle zonden toe.

Hoewel de gevolgen, die de nauwe aanraking met de ontaarde Romeinsche kultuur, het leven temidden van den Gallischen rassenchaos en de overgang tot het Christendom noodzakelijk voor de Franken moesten hebben, door den schrijver dezer regelen zeer juist worden geteekend, ziet hij toch voorbij, dat de ontaarding en verbastering van dit volk ook nog op een andere hoofdoorzaak zijn terug te voeren. Want terwijl eenerzijds de kerstening bij hen soortgelijke ontaardingsverschijnselen te voorschijn riep als bij de andere Germaansche volken, vond anderzijds — en dat vooral in het Zuiden — ook vermenging met den rassenchaos plaats, waardoor het Frankische bloed zelf werd verbasterd. Juist het samengaan van deze twee factoren, die beide in dezelfde richting gingen en elkaar versterkten, moet wel de oorzaak zijn, dat de ontaarding hier zulke afmetingen kon aannemen. Het [33] toenmalige Christendom, als godsdienstvorm van een bastaardbevolking, daaraan aangepast en er door gevormd, paste bij de onderworpen Gallisch-Romaansche bevolking en vond in haar massa een steun, maar werkte door zijn ideologie de verbastering der Franken in de hand. Daarbij moet worden opgemerkt, dat de scheidsmuur, die het Ariaansche geloof langen tijd voor de in Zuid-Europa heerschende Germanen was geweest, hier van het begin af ontbrak. Want daarin ligt de beteekenis, die deze vorm van het Christendom voor het behoud van den Germaanschen aard heeft gehad. Daar kwam evenwel nog bij, dat het Arianisme in den eeredienst het gebruik van de eigen taal toestond, inplaats van het voor Germaansche ooren onverstaanbare Latijn. Tenslotte stond het ook in zijn dogmatiek minder ver van de Germaansche voorstellingswereld af, al hebben de Germanen zich niet het meest om die reden ertoe aangetrokken gevoeld; want in dialectische spitsvondigheden en dogmatisch getwist en geredeneer stelden zij niet het minste belang.


Hoezeer beide oorzaken parallel loopen blijkt ook bij een nadere beschouwing van de positie der vrouw. Als hoedster van den heiligen haard, van de eer en van de overlevering genoot de vrouw bij de Germanen vanouds een hoog aanzien. In de vrouw vereerde de heidensche Germaan een vonk van het goddelijke, ja, soms zag hij in haar iets geheimzinnigs. De invloed, dien vrouwen uitoefenden, ging somtijds zóó ver, dat zij ook in de politiek een beslissende rol speelden. Zoo was de „profetes” Veleda tijdens den opstand van Claudius Civilis de raadgeefster van haar volk in den strijd tegen de Romeinen. Van een gelijkwaardige levensgezellin werd de vrouw nu echter onder christelijk-Romaanschen invloed verlaagd tot de dienstmaagd en het eigendom van den man, haar heer! Het feit, dat op de synode te Macon (585) de daar vergaderde bisschoppen in allen ernst streden over de vraag „of men de vrouw onder de benaming mensch kon begrijpen”, is teekenend voor de mate van achting, die het Christendom de vrouw toedroeg.

Het meerendeel der vrouwen, die ons uit de geschiedenis der latere Merowingers bekend zijn, staat in liederlijkheid en misdadigheid geenszins bij de mannen ten achter. In de figuur van de Neustrische koningin Fredegonde, een monster in [34] vrouwengedaante, zooals de geschiedenis slechts weinige heeft aan te wijzen, bereikt deze moreele ontaarding haar hoogtepunt. Opmerkelijk is evenwel, dat de weinige vrouwen, die door hun zedelijke reinheid hoog boven hun omgeving uitsteken, van niet-Frankischen, maar wel zuiver Germaanschen, oorsprong zijn. Tot hen is in de eerste plaats te rekenen de figuur van Brunhilde, de West-Gothische koningsdochter op den troon van Austrasië, die de eer en de macht van haar geslacht met onverzettelijke kracht en taaie volharding tot het uiterste wist te verdedigen, totdat een snood verraad haar in handen van een wreedaardigen vijand deed vallen. Met haar nietswaardige tegenspeelster, Fredegonde[34], langen tijd ten onrechte min of meer op één lijn gesteld, is zij eerst door een hedendaagsche geschiedschrijfster[35] in haar eer hersteld. Zij was christin, maar het Germaansche eer-begrip was niettemin het richtsnoer van haar, aan tegenslagen en teleurstelling zoo rijke, leven.

Is de vernedering der vrouw reeds kenmerkend voor de „kultuur,” die de Franken thans deelachtig werden, zoo wordt deze niet minder duidelijk geteekend door het demonen- en wondergeloof, dat de Kerk onder haar leden ingang wist te doen vinden. Niet slechts vervulde het demonengeloof in het leven der christelijk geworden Franken een bijna alles overheerschende plaats, maar ook werd door hen, in navolging hunner geestelijke leidslieden, waaronder zelfs een Gregorius van Tours, het demonische vaak met het goddelijke op één lijn gesteld, ja, vereenzelvigd. Door deze vermenging werd de voorstelling omtrent den eeuwigen strijd tusschen de machten van het goede en die van het booze, die van de Germaansche wereldbeschouwing deel uitmaakte, geleidelijk vervaagd. Onder aanroeping van den naam des Heeren beging men thans de afschuwelijkste misdaden en dat met een goed geweten, daar men God als zijn medeplichtige meende te kunnen beschouwen. Ook de kerk-heiligen namen in de voorstelling dezer menschen vaak demonische trekken aan. Zoo verhaalt Gregorius van Tours[36] van een diaken, bij wien de heilige Nicetius des nachts verscheen en hem zoo hard „met gebalde vuist op de keel” sloeg, dat de arme man des anderen daags slechts „met gezwollen hals en onder hevige pijnen” zijn dienst kon verrichten. Hoe ver het wondergeloof ging, moge blijken uit een paar andere feiten.

[35] De in Saragossa door de Franken belegerde Gothen droegen, toen hun toestand benard begon te worden, het hemd van den heiligen Vincentius over de muren en liepen in boetekleed, onder gebed en psalmgezang, achter deze reliquie aan. Het middel hielp, want de belegerende Franken waren niet minder bijgeloovig en hieven, uit vrees voor dit overblijfsel van den heilige, het beleg op. Het gedrag van Chilperik, kleinzoon van Chlodwig en gemaal van Fredegonde, bewijst, dat men ook bij het begaan van misdrijven de hulp der reliquieën niet wilde missen. Deze vorst had met zijn broeders een verdeelingsverdrag gesloten, waarbij o.a. werd bepaald, dat geen der vorsten zonder verlof van zijn mede-onderteekenaars het gemeenschappelijke Parijs zou betreden; wie het toch deed zou vervloekt zijn. Chilperik brak het verdrag en trok vlak vóór Paschen Parijs binnen. Om evenwel den vloek te ontgaan, liet hij bij zijn intocht de relequieën van vele heiligen voor zich uit dragen, alsof hij hen medeplichtig wilde maken, om zoo een kwade daad in een goede te doen keeren.

De Kerk bracht geen kultuur, maar maakte het volk onwetend, bijgeloovig en onderdanig, om zoodoende haar macht te bevestigen; het is, alsof zij het in deze eeuw nog te druk heeft met het vernielen der voorhanden Germaansche kultuur. Bovendien waren haar dienaren van een bijzonder laag gehalte. Het geestelijke en moreele peil der Roomsche geestelijkheid, die in dit tijdvak nog zoo goed als geheel uit Romanen bestond, wordt door Luft als volgt gekenschetst:

Brasserij, drankzucht, onverzadelijke begeerte naar rijkdom en zingenot, dom mirakelgeloof, wreedheid overgaand in sadisme, behoorden bijna regelmatig bij deze geestelijkheid. Spoedig werd het onder de rijksgrooten gebruikelijk, zich voor hun misdaden van geestelijken te bedienen: die hadden immers overal toegang. Fredegonde, de wreedaardige koningin, zond herhaaldelijk geestelijken uit als moordenaars.

* * *

Werpen wij tenslotte nog een blik op de organisatie van den Groot-Frankischen staat! Voor den inwendigen bouw van dezen staat is het in hooge mate kenmerkend, dat niet meer [36] alleen de vrij geboren Germanen dienstplichtig waren, maar alle vrijen zonder uitzondering — in tegenstelling met de andere op voormalig Romeinsch gebied gestichte Germaansche staten. Verhoogde dit eenerzijds zijn militaire kracht, zoo staat hier tegenover, dat met deze regeling de volksche grondslag van den Frankischen staat onherroepelijk was prijs gegeven. Terwijl in de rijken der Oost-Gothen en Vandalen het Germaansche staatsvolk een soort krijgerkaste vormde, die zich maar weinig met de inheemsche bevolking vermengde en het bewustzijn van zijn eigen aard en ras behield, was in het Frankische Rijk de militaire gelijkstelling één der oorzaken, waardoor het oorspronkelijk heerschende volk gaandeweg zijn volksbewustzijn verloor en zijn lichamelijke en geestelijke ondergang in den rassenchaos tegemoet ging.


Minder nadeelig, ofschoon in wezen even on-Germaansch, was de versterking van het koninklijk gezag. Aan het zelfbestuur der gouwen, die eertijds hun vorsten zelf kozen, kwam een einde; voortaan werden de gouwen bestuurd door graven, die door den Koning werden benoemd. Al was deze verandering ook op den duur noodzakelijk en al kwam zij stellig ten goede aan de kracht, die de staat naar buiten kon ontplooien, zoo was de geest, waarin deze ontwikkeling zich voltrok, toch niet Germaansch; daarvoor stond zij te zeer onder den invloed van Rome. De vrije boer, eens de volksgenoot van den Koning, werd nu diens onderdaan en het beambtendom, dat zich langzamerhand over het vrije volk heenschoof, verving den ouden adel.

Zonder meer werd van Rome overgenomen de vorm van het, ook in Gallië overheerschend geworden, grootgrondbezit, dat in de door Chlodwig veroverde gebieden grootendeels van Romaansche in Germaansche handen overging. De grootste grondbezitster werd weldra de Kerk, die 100 jaar na zijn dood, dank zij de rijke schenkingen, die vorsten en adel haar hadden gedaan, in het bezit van meer dan een derde van den bodem van Frankrijk was gekomen. Dank zij dit uitgestrekte grondbezit ontwikkelde zich, naast den dienstadel, die in opkomst was, ook een kerkelijke aristocratie. Beide werden reeds spoedig voor de koninklijke macht gevaarlijk, terwijl de in aantal voortdurend toenemende groote landgoederen, waarop de bewerking van den grond was toevertrouwd aan hoorigen [37] („coloni”), bovendien ook voor de vrijheid en zelfstandigheid van den Frankischen boer een bedreiging vormden.

On-Germaansch is tenslotte ook de buitenlandsche politiek der latere Merowingers, waarin arglist, wreedheid en trouweloosheid den boventoon voeren. Onder de zonen van Chlodwig wordt de op verovering beluste politiek nog een tijdlang voortgezet, zoodat het Frankische Rijk vooreerst nog een bedreiging blijft voor zijn buren. Het eerste slachtoffer waren de Thuringers, die in 531 bij Burgscheidungen aan de Unstrut een verpletterende nederlaag[37] leden tegen Theoderik en Lothar I, zonen van Chlodwig, en de met hen verbonden Saksen. Hun koning, Hermanfried, wordt onder belofte van persoonlijke veiligheid naar Zülpich gelokt en daar, tijdens een wandeling met Theoderik, van den stadsmuur af te pletter geworpen. Vervolgens komen de Boergonden aan de beurt, wier rijk in 534 voor goed werd veroverd. Hun koning, Sigismund, wordt na zijn gevangenneming met vrouw en kinderen in een diepe bron verdronken.

Laaghartig was ook de houding, die deze Frankenkoningen aannamen tegenover Witichis, den koning der Oost-Gothen, die, door den Oost-Romeinschen veldheer Belisarius in het nauw gebracht, hun Provence en Raetië afstond onder beding van hulp (536). Wel overschreed Theodebert, die zijn vader, Theoderik, was opgevolgd, daarop met een leger de Alpen, maar inplaats van den Gothen hulp te brengen, begon hij het land voor zichzelf te veroveren en beide partijen te bestrijden. Het blijvende gevolg van al deze ondernemingen bestond echter hierin, dat, behalve de Thuringers, ook de Alemannen[38], die, voorzoover zij in Raetië woonden, na hun nederlaag tegen Chlodwig zich onder bescherming van Theoderik den Grooten hadden gesteld, en tenslotte ook de Beieren het oppergezag van het Frankische Rijk moesten erkennen. Terwijl van de „Frankische laagheid”, die hier voor het eerst in de geschiedenis wordt vermeld, steeds Germanen het slachtoffer zijn, geeft deze eerste aanval op het Germaansche kernland de richting aan, waarin de buitenlandsche politiek van het Frankische Rijk zich voortaan zal bewegen. Onder Karel den Frank zou deze politiek haar natuurlijke afsluiting vinden.

* * *

[38] Zoo heeft dan het Frankische Rijk, dat bestemd was alle andere op Romaansch gebied gestichte Germaansche rijken te overleven, de erfenis van het Romeinsche keizerrijk aanvaard en de voor de Middeleeuwen kenmerkende krachten tot ontwikkeling gebracht[39]. Zooals reeds blijkt uit de militaire gelijkstelling van alle vrijen, bezat dit rijk van het begin af feitelijk hetzelfde universeele karakter, dat ook het Romeinsche Imperium had gekenmerkt. Doordat tengevolge van de geweldige vergrooting van het grondgebied het volksding (d.i. de volksvergadering van alle vrije Franken) weldra niet meer bijeenkwam, ging de bevoorrechte positie van het heerschende staatsvolk nog meer verloren. Zoodoende kwam dit universeele karakter nog duidelijker tot uiting, terwijl tevens de macht van den Koning naar Romeinsch voorbeeld in aanzienlijke mate kon worden versterkt. Daarbij is te bedenken, dat de Frankische koning tegenover zijn Romaansche onderdanen in de rechten der Romeinsche imperatoren trad, zoodat zijn macht van het begin af in hooge mate een absolutistischen stempel droeg. Ook in dit opzicht is het Frankische Rijk dus in wezen on-Germaansch! Chlodwig, de schepper van dezen niet meer op een volkschen grondslag rustenden staat, is dan ook niet als een voorvechter, maar eerder als een verrader van onzen Germaanschen stam te beschouwen.


Zijn optreden heeft voor de Germanen twee belangrijke gevolgen gehad, waarop hier nog in het kort moet worden gewezen. Terwijl Chlodwig eenerzijds door zijn veroveringen het edele volk der Franken heeft blootgesteld aan dezelfde gevaren, waardoor zonder uitzondering alle Germaansche volken in het Zuiden ten onder zijn gegaan, heeft hij anderzijds daardoor ook den grondslag gelegd voor het ontstaan van een macht, die door haar gemengden oorsprong en universeel karakter op den duur een doodelijke bedreiging zou worden voor alle Germaansche volken, ook die van het Germaansche kernland. Want terwijl in de door hem veroverde gebieden, waar zij slechts de dunne bovenlaag der bevolking vormden, de Franken reeds spoedig volledig werden geromaniseerd, vermocht het door hem gestichte rijk, dank zij den steun, dien het van de massa der Romaansche bevolking ontving, naar buiten een geweldige kracht te ontwikkelen. Zoo zien wij aan den eenen kant in het overwegend Romaansch [39] gebleven deel van Gallië de daar gevestigde Franken als volk ten onder gaan, terwijl wij anderzijds het Frankische Rijk reeds onder Chlodwig voor zijn buren een gevaar zien worden. Onder zijn zonen zien wij het vervolgens tot in het hart van Duitschland doordringen. Het verlies van den eigen Germaanschen aard gaat bij het Frankische Rijk dus gepaard met de voortdurende bedreiging van de vrijheid en zelfstandigheid der andere Germaansche volken en de politiek der Frankische koningen schijnt gedoemd den Germaanschen volksaard, die zij bij hun eigen volk reeds onherstelbaar hebben verminkt, nu ook bij de andere Germaansche volken gewelddadig te vernietigen.


Tegenover deze, voor het eigen volk gevaarlijke, politiek steekt de door de eerste Merowingers en door het voorgeslacht van Chlodwig in ruimeren zin gevolgde gedragslijn gunstig af. Terwijl Chlodwig door zijn veroveringen aan de afgeleefde Romaansche wereld nieuw leven inblies en zoodoende de feitelijke grondlegger werd van het latere Frankrijk, dus van een staat, die bestemd was in het verloop van zijn geschiedenis meer en meer een overwegend Romaansch karakter te verkrijgen en zijn oorspronkelijke Germaansche trekken gaandeweg te verliezen, hebben zijn voorvaderen daarentegen door hun geleidelijk voortdringen in het Romeinsche gebied, dat — zooals wij reeds zagen — met kolonisatie van het veroverde land gepaard ging, het Germaansche stamland blijvend vergroot. Aan hen is het te danken, dat Vlaanderen en onze Zuidelijke provincies, alsmede het Duitsche Rijnland, voorzoover dat links van den Rijn is gelegen, een overwegend Germaansch karakter hebben verkregen en een bevolking, waarin het Noordras overheerscht. De betrekkelijke raszuiverheid der hier in gesloten verband gekoloniseerde Franken wordt vooral hierdoor bewezen, dat de on-Germaansche politiek van den Frankischen staat er niet in is geslaagd het Germaansche karakter dezer streken volkomen te vernietigen. Niet alleen handhaafde zich hier de Germaansche taal, maar ook bleef hier de Germaansche volksaard, ondanks alle geweld, dat men hem aandeed, in wezen behouden. In de Zuid-Nederlanders zoowel, als in de Duitsche Rijnlanders, leeft de geest van dit deel der Franken, dat voor [40] een algeheele verbastering gespaard bleef, nog altijd voort; bij de Noord-Nederlanders is het Germaansche bloed dezer Franken versterkt door dat van andere Germaansche stammen, de Saksen en Friezen.

Komt — van een volksch-Germaansch standpunt bezien — de lof, die door onze van alle inzicht in de beteekenis van het ras verstoken geschiedschrijvers ten onrechte aan Chlodwig is toegezwaaid, eerder aan zijn voorgeslacht toe, zoo is — van ditzelfde standpunt uit beoordeeld — de stille bewondering dezer geschiedschrijvers voor de eerste Karolingers evenmin gerechtvaardigd. In het volgende hoofdstuk zal blijken, hoezeer ook de politiek van dit geslacht de vernietiging van het Germaansche wezen heeft bevorderd.

Derde hoofdstuk — De Karolingers (Arnulfingers) en hun politiek

[41] In het door bloedige partijstrijd en zedelijke ontaarding steeds meer verzwakkende Frankenrijk gaat, in den loop der zevende eeuw, de leiding geleidelijk uit de handen der ontzenuwde Merowingers in die van een nieuw geslacht over. Dit geslacht, dat, naar zijn meest beroemd geworden vertegenwoordiger, als dat der Karolingers te boek staat, maar dat, naar zijn oudst bekenden mannelijken stamvader, beter met den naam „Arnulfingers” zou kunnen worden aangeduid, neemt de teugels van het bewind, die de afstammelingen van Chlodwig zich steeds meer laten ontglippen, weer krachtig in handen. Het herstelt ook de politieke eenheid des rijks, die, door de voortdurende deelingen reeds ernstig bedreigd, tengevolge der herhaalde burgeroorlogen en partijtwisten goeddeels verloren was gegaan. Verdienen de Karolingers, gezien vanuit het standpunt van het Frankische rijksbelang, dus ongetwijfeld den lof, die hun door de geschiedschrijvers in zoo bijzonder ruime mate is toegezwaaid, zoo is het onze taak na te gaan, welke beteekenis aan dit geslacht toekomt, wanneer wij ons bij de beoordeeling plaatsen op een Germaansch standpunt. Voordat wij met ons onderzoek beginnen, dient een wenk aan den lezer vooraf te gaan. Teneinde dieper te kunnen ingaan op de vraagstukken, die voor onze beschouwing van doorslaggevende beteekenis zijn, scheen het noodzakelijk in dit hoofdstuk de zuiver politieke- en de bekeeringsgeschiedenis afzonderlijk te behandelen. Bovendien moest een korte beschouwing omtrent den aard en het karakter van het geslacht der Karolingers vooraf gaan, wilde het volgende voldoende duidelijk zijn. Tenslotte kon hier evenmin naar volledigheid worden gestreefd, als in de vorige hoofdstukken, daar niet zoozeer de feiten zelf, als wel de beschouwing der feiten, voor ons datgene is, waar het op aankomt. Om het verband den lezer nog eens duidelijk voor oogen te voeren, verwijzen wij naar de achter in dit boek te [42] vinden vergelijkende overzichten, die hem ongetwijfeld zullen helpen, om in de moeilijke stof, die in dit, in het vorige en in het volgende hoofdstuk wordt behandeld, den weg te vinden.

I. Het geslacht der Karolingers en zijn beteekenis voor het Frankische rijk

Het alles vervlakkende karakter van den Frankischen staat, dat zoo duidelijk uitkomt in het vervagen der volks- en rasgrenzen, wordt niet minder duidelijk bewezen door het verdwijnen van den ouden Frankischen geboorte-adel, die in de periode der verovering en der daarmee samenvallende kerstening zich volkomen oploste. Bevreemden kan zijn verdwijning ons niet. Immers is het duidelijk, dat een regeering, die bereid is de verwezenlijking van haar imperialistische politiek met de uitwissching van het eigen volkskarakter te betalen, onmogelijk steun kan vinden bij de edelsten en besten van haar volk, in wie dit volkskarakter als het ware is gekristalliseerd. Zooals ons uit onzen eigen tijd maar al te goed bekend is, wordt een dergelijke regeering er als vanzelf toe gebracht, de besten uit de leiding te verwijderen en door volksvreemde elementen te vervangen, terwijl zij, ter verzekering van de duurzaamheid van haar politiek, er zelfs op bedacht moet zijn hen — zoo mogelijk — ook als stand te vernietigen.

Zoo kan het ons niet verwonderen, dat onder de z.g. „antrustionen”[40], die het gevolg van een Frankischen koning uitmaakten en die door een driedubbel weergeld scherp van de massa des volks waren gescheiden, naast vrijen ook „liten” (= hoorigen) en knechten en naast Germanen ook Romanen[41] voorkwamen. Samen met de grootgrondbezitters, onder wie eveneens vele Romanen waren en met wie zij ten deele samenvallen, daar de leden van het koninklijk gevolg natuurlijk in de eerste plaats voor het ontvangen van landgoederen in aanmerking kwamen, vormden deze antrustionen nu evenwel [43] de grondstof, waaruit onder de latere Merowingers een z.g. dienstadel ontstond. Terwijl namelijk de graven, die de voornaamste koninklijke ambtenaren in de provincie waren, bijna altijd uit één dezer categorieën afkomstig waren, stamde de overwegende meerderheid der bisschoppen meer speciaal uit de klasse der Romaansche grootgrondbezitters, die reeds vóór de Frankische verovering het economische en sociale leven van Gallië grootendeels beheerschte en die, ook nadat zij met Germanen was aangevuld, invloedrijk bleef. Zoo ontstond een dienst- of beambten-adel, die van zulk een onzuivere afstamming was, dat hij den naam „adel” in Germaanschen zin volstrekt niet verdient. En aangezien hij in een tijd ontstond, waarin — met name in de hoogere kringen — op afstamming niet meer werd gelet, waarin koningen bij voorkeur met dienst maagden huwden, waarin een ongebreidelde vermenging plaats vond, waarin het ras niet in tel was en voor de doeleinden, die men nastreefde, ook inderdaad niet was te gebruiken, moet worden aangenomen, dat deze dienstadel in den loop zijner ontwikkeling steeds verder is verbasterd. Voor de beoordeeling van de afstamming der Karolingers, die uit dezen dienstadel voortkwamen en aanvankelijk als zijn aanvoerders optraden, zijn deze feiten van het grootste belang.

Ofschoon dit geslacht in mannelijke lijn vermoedelijk van Germaanschen oorsprong is geweest, bestaat er toch geen enkele grond om aan te nemen, dat het aan de algemeene verbastering, waaraan de dienstadel in zijn geheel ten prooi viel, is ontkomen. Het eenige steekhoudende argument, dat tot staving van het Germaansche karakter der Karolingers thans naar voren wordt gebracht, bestaat hierin, dat Arnulf, bisschop van Metz (640), de oudst bekende mannelijke voorvader der Karolingers, in de bronnen een Frank („francus”) van edele afstamming wordt genoemd[42]. Wat men in den tijd, waaruit deze bronnen stammen, onder „edele afstamming” verstond, zal uit het voorgaande reeds duidelijk zijn geworden. In verband echter met het in het Frankische Rijk geldende grondbeginsel van de personaliteit van het recht[43], d.w.z, dat een ieder werd geoordeeld volgens het recht, waaronder hij was geboren: de Aleman naar Alemannisch, de West-Goth naar West-Gothisch, de Romaan en Roomsch-katholieke priesters naar Romeinsch en de Frank naar Frankisch recht, komt aan de benaming „francus” zeer zeker [44] bewijskracht toe. Maar aan den anderen kant bewijst zij toch niet meer, dan den Germaanschen oorsprong van Arnulfs geslacht, want ongetwijfeld kan dit geslacht in de twee eeuwen, die waren verstreken sedert het oogenblik, waarop de Franken dieper in Gallië doordrongen (406), zooveel vreemd bloed hebben opgenomen, dat zijn Germaansche karakter allengs verloren was gegaan. De ligging van de landgoederen der Karolingers in het gebied tusschen Metz en Verdun en in den Eifel, dus in gebieden, waar de vreemde raselementen overwogen, of althans sterk vertegenwoordigd waren, maakt een vergaande verbastering van hun geslacht uiteraard waarschijnlijk. Tot staving van het Germaansche karakter der Arnulfingers kan men zich zeker evenmin beroepen op de Germaansche namen hunner vrouwen, als op hun „edele” geboorte. Zekerheid omrent het ras dier vrouwen — en daarop alleen komt het hier aan — is noch uit het eene, noch uit het andere gegeven te verkrijgen.

Met dit Germaansche karakter in strijd is ook de schanddaad[44], waarmee deze Karolingers hun intrede in de geschiedenis doen. Als aanvoerders van den opstandigen dienstadel van Austrasië roepen Arnulf van Metz en Pippijn „de Oude” — de oudst bekende stamvader der Karolingers in vrouwelijke lijn — tegen de, als regentes voor haar minderjarigen achterkleinzoon, Sigibert II, optredende, reeds bejaarde, koningin Brunhilde de hulp in van den laaghartigen Lothar van Neustrië, den zoon van Chilperik en Fredegonde. In het gezicht van den vijand bewegen zij het leger van Brunhilde tot afval, waardoor zij haar in handen spelen van haar aartsvijand, die haar op een onmenschelijke wijze laat ter dood brengen. Ongetwijfeld is dit een handelwijze, waartoe een rasechte Germaan nimmer in staat geweest zou zijn. Ook in het verdere gedrag der Karolingers is evenwel van de Germaansche begrippen van eer en trouw heel weinig te bespeuren; in de plaats daarvan treedt een koele berekening, die bij al hun daden den doorslag geeft.

De invloed der omgeving mag daarbij echter niet buiten beschouwing worden gelaten. Terecht is opgemerkt[45], dat de Karolingers, ondanks hun oorspronkelijke Germaansche afstamming, in de westersche wereld, waarin zij terecht waren gekomen, niet konden blijven, wat zij van huis uit waren. Gallië, met zijn gemengde bevolking en gemengde kultuur, oefende [45] daartoe een te sterke werking op hen uit. Daar kwam nog bij, dat, nadat eenmaal de bodem van het eigen Germaansche volk door hen was verlaten, zij zich niet meer door sterke gevoelsbanden met hun omgeving verbonden konden voelen. Hoe verder zij zich van hun Frankische basis verwijderen en naar het Westen doordringen, hoe meer dan ook hun Germaansche geaardheid verloren gaat en daar de wisselwerking met het beheerschte volk steeds meer gaat ontbreken, verwordt hun politiek langzamerhand tot een techniek, een scholing in den machtstrijd.

Hun doen en denken wordt, daar het tweetalig moet worden en steeds weer moet vertalen, zeer scherp geslepen, zeer bewust maar ook — daar het zich teveel beweegt in een vreemd element, dat het zich wil toeëigenen, wil benutten en beheerschen — te afgezonderd, te bewust, berekenend en eenzijdig verstandelijk. (Zaunert)

Hier zien wij dus de rationalistische geest geboren worden, die voor het latere Frankrijk kenmerkend zou zijn; terecht merkt Zaunert dan ook op, dat het Fransche volk zijn intellectueel élan, zijn virtuositeit op het gebied der logica en zijn politieke routine en bravour voor een goed deel aan zijn geromaniseerde Frankische veroveraars heeft te danken. Van een Germaansch standpunt is er daarom niets op tegen, wanneer Frankrijk de Karolingers voor zich opeischt en de Pippijnen, Karlomans en Karels onder zijn nationale figuren rangschikt.

* * *

De overwinning van Lothar II op koningin Brunhilde, die hem in staat stelde het geheele Frankenrijk voor korten tijd (613—628) onder zijn scepter te hereenigen, was in wezen een overwinning van den tot macht gekomen dienstadel. Dit blijkt ten duidelijkste uit de besluiten, welke Lothar gedwongen was het volgende jaar te Parijs uit te vaardigen. In deze besluiten, die feitelijk een soort rijksgrondwet vormden, beloofde de Koning voortaan zijn graven slechts te zullen benoemen uit de in de betrokken gouw gevestigde grondbezitters[46], terwijl ten opzichte van de bisschoppen werd bepaald, dat zij voortaan volgens canoniek recht door clerus en volk zouden worden gekozen, waarna de Koning hun verkiezing slechts zou mogen goedkeuren. Terwijl door de eerstgenoemde bepaling de positie der graven onafhankelijker werd en de [46] erfelijkheid van hun ambt reeds werd voorbereid, had de laatstgenoemde bepaling ten gevolge, dat in de nu volgende periode vele bisschopszetels feitelijk in het erfelijk bezit van bepaalde families kwamen. Duidelijk blijkt hier dus, dat het aan de nieuwe aristocratie was gelukt, om — gebruik makend van de uit de telkens herhaalde deelingen voortspruitende twisten en burgeroorlogen — het koningschap geleidelijk te overwoekeren. De ontbinding van den Frankischen staat vond haar uitgangspunt in dezelfde Romaansche elementen, die aanvankelijk juist het aanzien van het koningschap hadden versterkt. Onjuist is evenwel de meening, dat het bij uitstek Germaansche elementen zijn geweest, die nu een reorganisatie van het rijk tot stand brachten[47].

Deze reorgânisatie geschiedde niet zonder geweldige schokken. Op aandrang van Arnulf en Pippijn den Ouden droeg Lothar de regeering over Austrasië op aan zijn zoon Dagobert (622-638), die Pippijn tot zijn hofmeier, of „majordomus”, benoemde, een ambt, dat oorspronkelijk slechts het beheer van de koninklijke huishouding inhield, maar waaraan in het verdere verloop der ontwikkeling, dank zij de persoonlijke gaven van Pippijn en zijn nazaten, die de ontaarde Merowingers, de „rois fainéants”, gaandeweg geheel op den achtergrond wisten te dringen, de geheele rijksregeering toeviel. Dagobert, die ondanks zijn zedelooze leven als de laatste daadkrachtige Merowinger moet worden aangemerkt, liet zich dat nog niet welgevallen. Reeds na weinige jaren (629) verbande hij Pippijn van zijn hof, nadat Arnulf zich reeds tevoren in een klooster had teruggetrokken. Een zware nederlaag tegen de Slaven dwong hem echter weldra den Austrasischen dienstadel weer tegemoet te komen, door opnieuw een hofmeier voor Austrasië te benoemen. De nieuwe hofmeier, Ansegisel, schijnt een onbeteekenend man te zijn geweest, die zich slechts kort heeft weten te handhaven. Als zoon van Arnulf en gemaal van een dochter van Pippijn, is hij evenwel de tweede stamvader van het geslacht der Karolingers en verdient als zoodanig vermelding.

Zoo gaat de strijd om de macht nog jarenlang op en neer, zonder dat één der partijen een beslissende overwinning weet te behalen. De hofmeiers der drie deelrijken Neustrië, Austrasië en Aquitanië, treden nu eens op als vertegenwoordigers van het koningschap, dan weer als werktuigen van den [47] dienstadel, totdat Pippijn de Middelste, een zoon van Ansegisel, zich na den slag bij Tertri (bij St. Quentin, 687), met behulp van wapengeweld en van moord, tot majordomus van het geheele rijk weet op te werpen. Het herstel van de rijkseenheid, dat hij aldus tot stand bracht, was de eerste groote verdienste, waardoor zijn geslacht zich tegenover het Frankische Rijk onderscheidde.

De gebeurtenissen der volgende jaren toonen aan, dat er — gezien vanuit een Germaansch standpunt — geen enkele reden is, om dezen Karolinger te vereeren. Het waren namelijk de vrij gebleven en nog heidensche Germanen, die het eerst de herwonnen kracht der Frankische wapenen kregen te voelen. In 689 versloeg Pippijn den Frieschen koning Radbod bij Dorestad (= Duurstede) en dwong hem tot den afstand van geheel West-Friesland van Sincfalt[48] tot Flie. Zoodoende bracht hij een vernietigende slag toe aan een zuiver Germaansch staatswezen, dat nog kort tevoren voldoende kracht had ontwikkeld, om zich over Utrecht tot in Frankisch gebied uit te breiden en dat misschien de kern had kunnen worden van een zelfstandigen en aan den eigen bodem ontsproten (autochtonen) Neder-duitschen staat.

Ook verder richtte Pippijn zich uitsluitend tegen Germanen, met name tegen de Alemannen, die zich in den tijd van verwarring min of meer onafhankelijk hadden weten te maken, maar nu gedwongen werden het Frankische oppergezag opnieuw te erkennen. Zijn in waarheid reeds koninklijke positie blijkt niet alleen uit den titel van „hertog en vorst der Franken”, waarmee hij zich tooide, maar meer nog uit de wijze, waarop hij zijn opvolging regelde. Kort voor zijn dood (714) benoemde hij zijn minderjarigen kleinzoon tot opvolger en bepaalde, dat zijn gemalin Plectrudis als regentes zou optreden. Dit geschiedde met voorbijgaan van een reeds volwassen zoon, dien Pippijn bij een andere gemalin, Chalpaida genaamd, had verkregen in een huwelijk, dat volgens het kerkrecht onwettig was[49], Deze zoon, Karel (later bijgenaamd Martel), werd door Plectrudis na den dood van haar gemaal zekerheidshalve gevangen gezet. De onder haar invloed tot stand gekomen regeling der opvolging veroorzaakte niettemin nieuwe binnenlandsche partijstrijd en verwarring, welke het Frankenrijk op zijn grondvesten deden wankelen.

* * *

[48] Terwijl in Neustrië en Boergondië Raginfried zich tot hofmeier opwierp, hertog Eudo van Aquitanië[50] zich met hem verbond, de Saksen het grensgebied binnenvielen en Radbod van de gelegenheid gebruik maakte, om West-Friesland te heroveren, gelukte het aan Karel uit zijn kerker te ontvluchten en aanhangers te verzamelen. Bij Keulen leverde hij tegen Radbod, die met een vloot den Rijn was opgevaren, om zich aldaar met de Neustriërs te vereenigen, zijn eerste gevechten en leed de nederlaag. In de volgende jaren wist hij evenwel zijn binnenlandsche vijanden te verslaan en tot onderwerping te brengen en nadat Radbod in 719 was gestorven, dwong hij diens zwakken en van het Christendom minder afkeerigen opvolger, Aldgisil II, tot de teruggave van West-Friesland en het opnieuw toelaten van de christelijke zending. Tevens werden toen de Saksen door een plundertocht tot aan den Wezer voor hun inval in het Frankische gebied gestraft. Nog juist op tijd had hij de binnenlandsche orde en rust in het rijk hersteld en zijn Noordgrens beveiligd, want reeds in het volgend jaar drongen de Arabieren vanuit Spanje in Zuid-Frankrijk door.

Ofschoon hij het van de zijde van den Islam dreigende gevaar aanvankelijk zeker niet in zijn vollen omvang heeft onderkend, is Karel door zijn overwinning bij Poitiers (732) niettemin de redder van het Frankische Rijk en daarmee van de westersche christenheid geworden. Vanuit een Frankisch en christelijk standpunt gezien, was dit de tweede groote verdienste, die zijn geslacht zich kon toeschrijven. Voor ons, die deze ongetwijfeld groote figuur vanuit een Germaansch standpunt beoordeelen, staat daar weer tegenover, dat Karel — in navolging van zijn vader — van zijn verkregen militair overwicht gebruik heeft gemaakt, om opnieuw aan het vrij gebleven Germanendom een zwaren slag toe te brengen.

In een tweetal gruwelijke veldtochten, waarbij het land „tot vernietiging toe” werd verwoest[51], bracht hij in de beide volgende jaren het nog vrij gebleven deel van Friesland tot onderwerping. De overwinning, die hij aan de Boornzee in de buurt van Leeuwarden behaalde (734), waar hertog Boppo (of Poppo) bij de verdediging van de vrijheid en het oude geloof van zijn stam den heldendood vond[52], stelde hem in staat de grens van zijn rijk tot aan de Lauwers vooruit te schuiven. De wijze, waarop met de onderwerping der Friezen [49] hun bekeering gepaard ging, zal verderop nog ter sprake komen. Daarbij zal dan blijken, dat ook deze Karolinger vreemd, ja, zelfs vijandig stond tegenover den Germaanschen geest. Toch is hij onder de leden van zijn geslacht ongetwijfeld de figuur, die — oppervlakkig beschouwd — nog het meest Germaansch aandoet.

Met vaste hand hield Karel, die zijn bijnaam „Martel” (d.i. de Hamer) had te danken aan de meedoogenlooze wijze, waarop hij de vele plaatselijke tyrannen, die in den tijd van verwarring in Gallië waren opgekomen, verpletterde, de grooten van zijn rijk in bedwang. Terwijl de Karolingers als aanvoerders van den Austrasischen dienstadel tegen het koninklijk gezag omhoog waren gekomen, bracht hun eigenbelang mee, dat zij zich thans opwierpen als verdedigers der koninklijke rechten. Opmerkelijk is verder ook de onafhankelijke houding, die Karel tegenover de Kerk aannam. Onbekommerd om het misprijzen der geestelijken, nam hij kerkelijke goederen in beslag, om ze, in stukken verdeeld, aan zijn te paard strijdende krijgers in leen te geven als belooning voor hun extra onkosten. Ook schonk hij bisdommen en abdijen aan leeken. Op grond van dit gedrag heeft de Kerk later zijn aandenken vervloekt en hem helsche pijnen toegedacht, maar dit neemt niet weg, dat zij tijdens zijn leven van zijn diensten een dankbaar gebruik heeft gemaakt bij haar bekeeringswerk.

* * *

Het universeele karakter van het Frankische Rijk blijkt wel ten duidelijkste hieruit, dat telkens, wanneer dit rijk door een regeeringswisseling en daarmee gepaard gaande twisten wordt geschokt, zijn nationale bestanddeelen in opstand komen en zich pogen af te scheiden. Dit bleek reeds bij den dood van Pippijn den Middelsten, maar het treedt nog duidelijker aan den dag bij den dood van Karel Martel. Wanneer diens beide zonen, Karloman (741-747) en Pippijn „de Jonge”, later „de Korte” genaamd (741-768), de regeering aanvaarden, geraken zij onmiddellijk in strijd met hun onwettigen stiefbroeder Grifo, die, door zijn vader met een klein gebied in Noord-Frankrijk bedacht, ondanks zijn krachtdadig verzet daarvan door hen wordt beroofd. Van deze broedertwist maken zoowel de Beieren en Alemannen in het Oosten, [50] als Aquitanië in het Zuiden dadelijk gebruik, om het Frankische oppergezag af te schudden.

Zonder twijfel deed bij de beide eerstgenoemde stammen, die door de Saksen en Slaven werden gesteund, het Germaansche bloed zich gelden, dat hen afkeerig maakte van den sterk geromaniseerden Frankischen staat, terwijl het de Alemannen, die, dank zij hun onverbasterd ras, den Germaanschen aard het zuiverst hadden bewaard, bovendien ook in verzet deed komen tegen de kerkelijke politiek van dit rijk. De afval van het bijna geheel Roomsche Aquitanië sproot echter uit soortgelijke oorzaken voort. Het nationale verzet, dat onder hertog Waifar hier tegen het Frankische gezag werd geboden, moet ongetwijfeld in verband worden gebracht met het overwegend Romaansche karakter van dat gebied[53], met zijn haast enkel uit Romanen en Basken[54] bestaande bevolking. Terwijl dus de Romaansche kultuurelementen, die in het Frankische Rijk den boventoon voerden, noodzakelijk de overwegend Germaansche rijksdeelen moesten afstooten, vormden anderzijds de Germaansche kultuurelementen, die dit universeele rijk toch altijd nog bevatte, weer den steen des aanstoots voor dit zuidelijke rijksdeel met zijn in hoofdzaak Romaansche bevolking. Het is dan ook duidelijk, dat wanneer deze opstand, die welhaast alle nationale minderheden omvatte, was gelukt, de ontbinding van het Frankische Rijk in zijn nationale bestanddeelen, die op den duur onvermijdelijk was, juist een eeuw vroeger zou zijn ingetreden, dan de geschiedenis het tenslotte heeft gewild, terwijl de onderwerping van ’t Germaansche kernland aan dit rijk zou zijn voorkomen. De ziel van dezen, voor het Frankische Rijk zoo allergevaarlijksten, opstand schijnt de Zwabische hertog Dietbald te zijn geweest, die in Zuid-Duitschland dezelfde rol heeft gespeeld, als later Widukind in het Noorden[55]. Reeds in 730 hertog der Alemannen geworden, verwekte hij een opstand in de Zwabische Elzas, waarop Karloman en Pippijn het volgend jaar zijn land binnen trokken en het geheel verwoestten. Naar met zekerheid mag worden aangenomen, was het Dietbald erom te doen, de gedwongen bekeering van zijn, nog bijna geheel heidensch gebleven, volk tot het Roomsch-katholieke Christendom, die met de volledige onderwerping aan het Frankische gezag onvermijdelijk gepaard zou gaan, ter elfder ure te verhinderen en, met de vrijheid, ook de eenheid van [51] zijn volk te redden. Daarentegen schijnt de opstand van Beieren door den Paus te zijn uitgelokt, ofschoon het huwelijk, dat de Beiersche hertog Odilo tegen den wil der Frankische heerschers had gesloten met hun zuster Hiltrud, die tot hem was gevlucht, de onmiddellijke aanleiding werd tot de openlijke breuk[56]. Deze tijdelijke afwijking van de pro-Frankische koers, die de pauselijke politiek sinds Chlodwig placht te volgen, is misschien op te vatten als het antwoord op de onafhankelijke houding, die Karel Martel tegenover de kerk had aangenomen. Had Karel niet het jaar tevoren (740) het Romeinsche consulaat, d.i. het oppergezag over Rome, dat Gregorius III hem, onder beding van hulp tegen de Langobarden, aanbood, met beslistheid van de hand gewezen? Hoe dit ook zij, zeker is, dat in den slag aan de Lech (743), waarin de Beieren en de met hen verbonden Saksen, Alemannen en Slaven door de Frankische hertogen werden verslagen, ook een pauselijk legaat werd gevangen genomen, die door de Franken om zijn „verraad” werd gehoond.

Terwijl Odilo het jaar daarop vrede sloot en zich verder tot aan zijn dood (748) in zijn afhankelijke positie schikte, zetten de Alemannen den krijg voort en vielen, terwijl Karloman en Pippijn tegen de Saksen streden, onverwachts den Elzas binnen. Ondanks een vijftal bloedige veldtochten, die in de opeenvolgende jaren tegen hen werden ondernomen, konden zij niet tot onderwerping worden gebracht. De zooveel grootere hardnekkigheid, waardoor hun verzet zich van dat der Beieren onderscheidt, kan, evenals hun trouw aan het oude geloof, slechts uit hun onvermengd gebleven bloed worden verklaard[57]. Teneinde hun weerstand voorgoed te breken nam Karloman tenslotte zijn toevlucht tot een afgrijselijk middel. In grimmigen toorn („cum magno furore”) over zijn voortdurende mislukkingen verzamelde hij in het jaar 746 zijn geheele legermacht en rukte opnieuw Zwaben binnen. Wat volgt, is in de bronnen niet geheel duidelijk. Het schijnt, dat Karloman, onder het voorwendsel van vredesonderhandelingen, de aanvoerders der Alemannen heeft verlokt tot een samenkomst, welke te Cannstatt[58], waar een oude Zwabische dingplaats was, plaats vond. In elk geval stonden beide legers daar als in wapenstilstand tegenover elkaar, het Alemannische waarschijnlijk ongewapend, toen Karloman het leger zijner tegenstanders plotseling verraderlijk liet overvallen. In [52] het schrikkelijke bloedbad, dat daarbij werd aangericht, werden vele duizenden („multa milia”) Alemannen, daaronder alle aanvoerders, lafhartig vermoord. Misschien was het berouw over zijn laaghartige daad, wat Karloman het volgend jaar deed besluiten de regeering neer te leggen en zich in een klooster terug te trekken. De schanddaad, waardoor hij de kracht van een vrij volk had gebroken, kon naar toenmalig christelijke opvatting door zelfvernedering en boete weer worden goed gemaakt; naar Germaansche opvatting blijft hij echter eerloos!

* * *

Nadat hij de Alemannen aldus tot onderwerping had gebracht, hield Karloman in hun land nog een vreeselijk strafgericht. Van een blijvende en moeilijk te overschatten beteekenis was het daarbij, dat hij ertoe overging het grondbezit van den adel en van vele vrije boeren te onteigenen, teneinde zoodoende aan de leiding gevende sibben den economischen grondslag van hun bestaan te ontnemen. Inderdaad was de vernietiging van den adel oorzaak, dat verder gedurende vele generaties een ongestoorde rust in Zwaben heerschte, een rust, die echter aan het graf deed denken. In een beslissend stadium van zijn bestaan had de Frankische staat gezegevierd over de hem tegenwerkende krachten. De onderwerping van Zwaben, dat gedurende langen tijd het voornaamste bolwerk was geweest van het Germaansche verzet, maakte bovendien den weg vrij voor een verder doordringen van de Frankische macht in Duitschland en was daarom van beslissende beteekenis. Niet minder belangrijk waren echter de gevolgen, die het verlies zijner nationale zelfstandigheid voor het land zelf meebracht. Terwijl de gevolgen, die de invoering van het Christendom voor Zwaben meebracht, eerst in het tweede deel van dit hoofdstuk ter sprake zullen komen, dienen de ingrijpende veranderingen, die met de inlijving[59] van dit door en door Germaansche gebied bij het Frankenrijk gepaard gingen, hier reeds in het kort te worden aangestipt.

Vooreerst beteekende de invoering der Frankische graafschapsindeeling (749) het einde der oude volksvrijheid. Inplaats van de verschillende vormen van zelfbestuur, waaraan [53] de Zwaben, als Germaansch volk, vanouds gewend waren, werd hun een sterk gecentraliseerd bestuursstelsel opgelegd, aan het hoofd waarvan een paltsgraaf kwam te staan, die, daar hij door den Frankischen koning werd benoemd, hun het verlies van hun stamhertog niet kon vergoeden. Recht werd voortaan niet meer gesproken in naam van het volk, maar in naam des Konings. Ook drong vreemd recht het land binnen en de invoering daarvan bracht mee, dat al het volks- en gemeenteland — de z.g. „almende” — tot eigendom van den Koning werd verklaard. Het reusachtige kroondomein, dat reeds uit de vele verbeurdverklaarde landerijen was gevormd, werd daardoor nog sterk vergroot; groote deelen van dit domein werden echter geschonken aan kerken en kloosters. Voor de vroegere eigenaars der bedoelde landerijen was het een schrale troost, dat zij, of hun nakomelingen, veelal den grond, dien zij vroeger als eigendom[60] — „odal”, of „allod” — hadden bezeten, voortaan als pachters verder mochten bewerken. De onvrijheid der boeren neemt daardoor een aanvang en daar tengevolge van het Romeinsche bodemrecht, dat den grond slechts als koopwaar — dus als een roerend goed, in het Germaansch „feod” — beschouwde, steeds meer grond uit handen der vrije boeren in die van de Kerk en van feodale heeren overgaat, komt de lijfeigenschap in het verschiet. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt, doordat het binnendringen van het vreemde recht mede ten gevolge heeft, dat de diensten, welke tevoren voor de edel- of vroonhoven vrijwillig door de boeren werden verricht, een gedwongen en eenzijdig karakter verkrijgen. De vroonhoven nemen daardoor gaandeweg het karakter van dwingburchten aan. Het on-Germaansche latifundiënwezen, dat, als een erfenis van het ondergaande Romeinsche Rijk, op de uitgestrekte landgoederen der Kerk en op het kroondomein in Zwaben tot ontwikkeling komt, symboliseert aldus op treffende wijze den ondergang der Germaansche boerenvrijheid.


Een duidelijk bewijs voor de kracht, waarmee ook Aquitanië zijn nationale zelfstandigheid trachtte te verwezenlijken, ligt wel hierin, dat Pippijn de Korte dit uitgestrekte gebied, met welks hertogen ook zijn vader reeds jarenlang had gestreden, eerst kon onderwerpen, nadat hij door de verovering van Narbonne (759) de Arabieren geheel uit Gallië had verdreven.

[54] Niet minder dan acht veldtochten (760-768) moest hij evenwel nog ondernemen, eer het verzet, na groote inspanning, geheel was gebroken. De inlijving van Aquitanië wordt dan ook reeds door geschiedschrijvers uit zijn eigen tijd (Paulus Diaconus en Einhard) Pippijns verdienstelijkste daad genoemd. Met recht wordt er evenwel door Dahn op gewezen, dat de onderwerping van dit half onafhankelijk geworden gebied het ontstaan van het latere Frankrijk heeft mogelijk gemaakt. Van het dienen van een specifiek Germaansch belang was hier dus evenmin sprake, als bij de politiek der Karolingers in het algemeen. Ook is het voor den on-Germaanschen aard van dit geslacht weer kenmerkend, dat Waifar, de laatste hertog van Aquitanië, na door Pippijn rusteloos te zijn achtervolgd, tenslotte door zijn eigen mannen werd vermoord, naar men zeide op aanstoken van laatstgenoemde. Zonder omkooperij en moord scheen de Frankische staat ook hier het nationale verzet niet te kunnen overwinnen. Het feit evenwel, dat de Beiersche hertog Tassilo van dezen oorlog gebruik maakte, om den leenseed aan Pippijn, tot het zweren waarvan hij enkele jaren tevoren (754) was gedwongen, te verbreken en zich weer onafhankelijk te maken, bewijst ten overvloede, dat deze universeele staat zijn nationale bestanddeelen slechts met moeite en hoofdzakelijk door geweld in toom vermocht te houden.

* * *

Meer en meer werd de Kerk, die tijdens de regeering van Karloman en Pippijn den Korten werd hervormd en gereorganiseerd, tot het voornaamste bindmiddel, dat de uiteenstrevende rijksdeelen bijeen hield. Ofschoon deze reorganisatie geschiedde op bevel en onder voortdurend toezicht der Frankische vorsten, vond zij niettemin plaats in nauwe samenwerking met den Paus. Wij zien, hoe Bonifatius, als diens legaat, de concilies presideerde, die eerst in Austrasië en Neustrië en daarna in het geheele rijk werden gehouden[61] en hoe ook in dit geval de eene universeele macht de andere in de hand werkte en steunde. Want wel bleef de Frankische kerk staatskerk en kon er van een juridische erkenning van het pauselijk oppergezag nog geen sprake zijn, maar dit neemt niet weg, dat het moreele aanzien van den Paus, aan wiens beslissing [55] dogmatische geschilpunten werden onderworpen en aan wien de Frankische bisschoppen, op Bonifatius’ aandrang, reeds gehoorzaamheid beloofden, aanmerkelijk werd verhoogd. Dat een reorganisatie — ook van kerkelijk standpunt bezien — geen overbodige weelde was, blijkt wel uit de toestanden, die Bonifatius in de Frankische kerk aantrof en die hij in zijn eersten brief aan paus Zacharias met de volgende woorden beschreef[62]:

Voor een groot deel zijn de bisdommen gegeven in handen van leeken en van overspelige geestelijken, tollenaren en zondaren, opdat zij de inkomsten genieten. Er zijn diakenen, die vanaf hun jeugd in ontucht en echtbreuk hebben geleefd. Sommigen hebben vier tot vijf concubinen gehad; verschillende priesters hebben dezen levenswandel voortgezet en zijn niettemin bisschop geworden. Andere bisschoppen zijn weliswaar geen hoereerders en echtbrekers, maar dronkaards en jagers; zij strijden in het leger en vergieten met eigen hand het bloed van menschen, onverschillig of het heidenen of christenen zijn.

Wij lezen dan verder, dat de geestelijken onder strenge tucht van hun bisschop werden gesteld, dat voor hen op geslachtsverkeer met een vrouw gevangenisstraf en geeseling kwamen te staan, maar dat het, ondanks alle strafbedreigingen, toch niet gelukte de misbruiken uit te roeien. Was de diepere oorzaak van dit zedelijk verval niet gelegen eenerzijds in het gedwongen aanvaarden van een vreemde moraal en anderzijds in het karakter eener bastaardbevolking? Het feit, dat Karloman en Pippijn, in roerende eensgezindheid met Bonifatius, reeds trachtten het coelibaat in te voeren, laat zien, welke on-Germaansche idealen bij hun handelen meespraken.

De hervorming der Frankische kerk moet — van Frankisch standpunt uit gezien — als de derde groote verdienste der Karolingers worden aangemerkt. Van dit standpunt uit beoordeeld, was het dan ook met recht, dat Pippijn thans een eind maakte aan het schijnkoningschap der Merowingers en zichzelf tot koning liet uitroepen (751). Evenwel getuigt het niet van Germaansch zelfbewustzijn, dat Pippijn tot dezen stap eerst is overgegaan, nadat hij de uitdrukkelijke toestemming van den Paus had verkregen, terwijl hij zijn verheffing liet opluisteren door de oud-testamentische ceremonie der zalving, [56] die door Bonifatius werd voltrokken. Naar alle waarschijnlijkheid had hij zich van tevoren tegenover den Paus moeten verplichten tot ’n gewapend ingrijpen in Italië, waar de koningen der Langobarden door hun herhaalde pogingen, om het geheele land in een eenheidsstaat te vereenigen, met het pauselijk verlangen naar wereldlijke macht in een onverzoenlijke tegenstelling waren geraakt. Dit ingrijpen, dat enkele jaren later (754) plaats vond en waardoor toen de grondslag werd gelegd voor den Kerkelijken Staat — een gebeurtenis, die voor de toekomst van ontzaglijke beteekenis zou blijken — legt meer dan iets anders getuigenis af van de nauwe belangengemeenschap, die allengs tusschen het Frankische koningschap en het pausdom was ontstaan. Niet minder duidelijk komt deze belangengemeenschap echter tot uiting bij de onderwerping en de daarmee gepaard gaande bekeering der nog vrij en heidensch gebleven Germanen, tot de bespreking waarvan wij thans overgaan.

2. De Christelijke zending onder de West-Germanen.

Het is duidelijk, dat van een christendom, dat zóó lauw en uitwendig was, als het Frankische in de eerste twee eeuwen na Chlodwigs bekeering, geen krachtige zendingsactie kon uitgaan. In haar aanvangstadium was de zending onder de Germaansche stammen rechts van den Rijn dan ook voornamelijk het werk, niet van Frankische, maar van Iersche zendelingen. Voor een goed begrip van de bekeeringsgeschiedenis is daarom een korte uiteenzetting omtrent het wezen van het Iersche Christendom en de verschilpunten, waardoor het zich van het Roomsch-katholieke onderscheidde, noodzakelijk.


Ierland was tot het Christendom bekeerd kort voordat Engeland, tengevolge van den inval der Angelen en Saksen (449), van half-christelijk weer bijna geheel heidensch was geworden. [57] Dit was des te merkwaardiger, daar de bekeering van het „groene eiland” van Engeland was uitgegaan. De kerstening van Ierland was namelijk in hoofdzaak het werk geweest van een zekeren Patricius (St. Patrick), een geromaniseerden Brit. De kerk, die zich in Ierland ontwikkelde, verkreeg — dank zij haar afzondering — eenige bijzondere trekken; zij werd een monnikenkerk, waarvan kloosters de centra vormden en waarin de abten dezer kloosters veelal tegelijktijdig als bisschoppen optraden en in elk geval als de meerderen der bisschoppen golden[63]. Van het begin af droeg zij een militant karakter. Vanuit Ierland werd Schotland bekeerd, voornamelijk door Columba (den Ouderen), den stichter van het beroemde klooster Jona (± 565) en weldra verschenen de Iersche zendelingen ook op het vasteland, waar zij in het Frankische Rijk een uitgestrekt arbeidsveld vonden. In navolging van Christus en zijn twaalf discipelen trokken zij gewoonlijk met een twaalftal begeleiders (monniken!) door het land en begonnen zij hun zendingswerk bij voorkeur op 30-of 33-jarigen leeftijd. Het feit, dat deze rondtrekkende predikers zich tevens als bisschoppen beschouwden, terwijl ook de abten der door hen op Frankischen bodem gestichte kloosters het gezag der bisschoppen van de Frankische rijkskerk niet wilden erkennen, moest hen op den duur in conflict brengen met de kerkelijke hiërarchie. Het verzet, dat zij reeds aanstonds ondervonden van de zijde der verwereldlijkte geestelijkheid, sproot echter voornamelijk hieruit voort, dat deze geestelijkheid zich door het asketische streven, dat van de Ieren uitging, in haar weelderig bestaan bedreigd gevoelde.

Geheel onjuist is de voorstelling, dat de Iersche kerk geheel los zou hebben gestaan van Rome en in haar leer met het latere Protestantisme verwant zou zijn geweest[64]. Deze opvatting is niet in overeenstemming met het verloop der historische ontwikkeling. Wanneer de Iersche kerk het primaat van den Paus niet uitdrukkelijk erkende, moet dit zonder twijfel hieraan worden toegeschreven, dat zij was ontstaan in een tijd, waarin dit primaat zich eerst langzaam begon te ontwikkelen, bij welke ontwikkeling zij in aanzienlijke mate was achtergebleven, tengevolge van de bijna volledige afzondering, waarin het christelijke Ierland bijna twee eeuwen lang had verkeerd. Uit deze langdurige afzondering zijn ongetwijfeld ook de betrekkelijk onbeduidende verschillen te verklaren, [58] waardoor de Iersche kerk zich in leer en gebruiken van de Roomsch-katholieke onderscheidde: de afwijkende berekening van den datum van het Paaschfeest, de andere vorm van de mis, de verschillen in dracht en tonsuur der geestelijken en de reeds genoemde voorkeur voor rondtrekkende zendelingen en kloosters. Met de kern van het Iersche Christendom, dat, evenals het Roomsche, alle nadruk legde op het toekomstige leven en de voorbereiding voor het komende Godsrijk — dat als zeer nabij werd verondersteld — zocht in berouw, boete, onthouding en goede werken, had dit alles echter weinig te maken. Het eenige wezenlijke verschil tusschen beide kerken bestond dan ook hierin, dat de Ieren deze dingen niet alleen leerden, maar er ook ernst mee maakten. Wanneer wij echter vernemen, dat in de Iersche kloosters een volstrekte zelfverloochening werd verlangd, dat er voor de monniken geen andere verdienste bestond dan blinde onderwerping, dat de kleinste vergrijpen — spreken aan tafel, het vergeten van het kruisteeken vóór of na het eten, het aanraken van de avondmaalskelk met de tanden — met lichamelijke kastijding werden gestraft en dat zelfs het hebben van een eigen oordeel als zonde gold, wordt het duidelijk, hoezeer dit Iersche Christendom met den Germaanschen aard in strijd was. Hier werd het goede zelfs slecht, wanneer het uit het eigen hart voortkwam, want: slechts de bevolen daad werd geacht waarde te bezitten voor God[65]. Het is dan ook stellig onjuist, dit Iersche Christendom op één lijn te stellen met dat van de latere Albigenzen, Waldenzen, Beghijnen, Hussieten e.a. sekten[66]. Een „verregaande gewetensvrijheid” stond het niet toe en evenmin heeft het zich uitsluitend door prediking — dus zonder dwang — trachten te verbreiden.

Ofschoon Timerding het tracht voor te stellen, alsof de bekeering der latere Duitsche stammen over het algemeen vreedzaam zou zijn verloopen en voornamelijk aan geestelijke krachten zou zijn te danken[67], kan hij toch niet verzwijgen, dat de christelijke zending gedurende heel deze eerste periode haar uitgangspunt en steunpunt steeds vond op Frankisch gebied en moet hij toegeven, dat de zendelingen min of meer onder bescherming der Frankische heerschers stonden en gedeeltelijk zelfs in hun opdracht handelden. Hoewel bij de Iersche zendelingen politieke oogmerken stellig ontbraken, stonden zij dus niettemin tot op zekere hoogte in dienst van een [59] politieke idee, al waren zij zich daarvan zelf wellicht niet bewust. Daar evenwel de Frankische staat, tengevolge van de zwakheid en onbekwaamheid zijner koningen en de uit de telkens herhaalde deelingen voortspruitende binnenlandsche twisten, voorloopig niet bij machte was, om ter verwezenlijking van deze idee zijn krachten ten volle in de weegschaal te werpen, bleven de christenzendelingen vooralsnog in hoofdzaak op zichzelf aangewezen. Hier kwam nog bij, dat zij evenmin werden gesteund door de hiërarchie van een kerk, die — zooals dit bij de Roomsche kerk van het begin af het geval was — naast geestelijke ook zuiver wereldlijke en naast godsdienstige ook politieke doeleinden nastreefde. Wanneer bij de prediking van deze Iersche monniken betrekkelijk weinig sprake is van de aanwending van geweld, is de oorzaak daarvan dan ook meer in onmacht dan in onwil te zoeken. Uit het ontbreken van politieke bij-oogmerken bij de predikers zelf is het echter te verklaren, dat hun prediking ook niet die mate van verzet heeft opgewekt, als de latere bekeeringsarbeid der Angelsaksen.

Columba (de Jongere), de eerste Iersche zendeling die in het Frankenrijk verscheen (± 583), wijdde zich aanvankelijk niet aan de heidenzending, maar predikte onder de christenen tegen de overal heerschende zedeloosheid en wereldsche gezindheid en vermaande tot boete en zelfverloochening. Tien jaar lang was het door hem in de zuidelijke Vogezen gestichte klooster Luxueil (Luxovium) het middelpunt zijner werkzaamheid. Eerst nadat hij met de Frankische bisschoppen, wier gezag hij niet wilde erkennen, en met het Austrasische koningshuis, dat hij in zijn fanatisme al te scherp hekelde, in botsing was gekomen (± 612) en zelfs tijdelijk gevangen was gezet, begaf hij zich naar de nog heidensche Alemannen. Samen met zijn landgenoot Gallus, den stichter van het later zoo beroemde klooster St. Gallen, predikte hij drie jaar lang in de omgeving van het Boden Meer. Van zijn metgezel wordt daarbij in zijn levensbeschrijving[68] vermeld, dat hij de heiligdommen der heidenen verbrandde en hun afgodsbeelden in het meer wierp, waarop deze heidenen zóó kwaad werden, dat zij de christenpredikers uit hun gebied verdreven. Ofschoon heiligenlegenden geenszins betrouwbare geschiedbronnen zijn, kan toch moeilijk worden aangenomen, dat deze trek verzonnen is, want de auteur van deze levensbeschrijving zal [60] zijn heilige eerder in een te gunstig, dan in een te ongunstig daglicht hebben gesteld. Zoo hebben wij hier een eerste bewijs voor de opvatting, dat ook de Iersche predikers volstrekt niet afkeerig waren van geweld.

Uit hetgeen bekend is omtrent den levensloop van Pirmin, een anderen Terschen zendeling, die ten tijde van Karel Martel in het land der Alemannen predikte en er vele kloosters stichtte, blijkt hoezeer de Frankische politiek zich van deze Iersche zendelingen voor haar eigen oogmerken bediende. Zijn eerste klooster, dat in 724 op het eiland Reichenau in het Boden Meer verrees, gold vanaf het begin als een geestelijke voorpost van de Frankische overheersching en kwam tot stand op aandrang van Alemannische edelen, die met de Franken sympathiseerden[69]. Geen wonder dat, toen drie jaar later (727) tusschen de Alemannen en Karel Martel een oorlog uitbrak, Pirmin uit zijn klooster moest vluchten. Merkwaardig is echter, dat de abt Etto (Eddo of Heddo), die tot zijn opvolger werd aangesteld, eenige jaren later (732) om dezelfde reden door den Alemannischen hertog werd verdreven en naar Uri verbannen. De abt van het klooster op Reichenau gold blijkbaar als een aanhanger van den Frankischen heerscher, zoodat het geenszins verwonderlijk is, dat Etto eerst kon terugkeeren, nadat Karel den Alemannenhertog had verdreven (nog in 732). Door zijn wereldlijken gebieder tot bisschop van Straatsburg benoemd (734), stichtte Etto in zijn bisdom, dat o.a. het tegenwoordige Baden omvatte, tal van kloosters. Vermoedelijk heeft hij daarbij samengewerkt met Pirmin, wiens verdere kloosterstichtingen in den Elzas plaats vonden.

Zoo blijkt uit alles, dat de werkzaamheid dezer eerste christenpredikers zich heeft beperkt tot den buitenrand van het Alemannische gebied, die reeds goeddeels door de Franken werd beheerscht[70], in tegenstelling tot hun kernland, het eigenlijke Zwaben, dat zijn zelfstandigheid vooralsnog had weten te handhaven en van waar uit bij tijd en wijle pogingen werden ondernomen, om dit randgebied te heroveren. De bekeerders konden hier niet slechts steunen op de oude bisschopszetels, die deels uit den Romeinschen tijd waren blijven bestaan (Chur, Straatsburg en Mainz), deels opnieuw werden opgericht (Bazel, Constanz en Augsburg), maar ook op de Romaansche bevolkingsresten, die in deze, vroeger [61] Romeinsche, gebiedsdeelen waren achtergebleven en er een aanzienlijk deel der bevolking uitmaakten. Aangezien de Rijnstreken reeds in den Romeinschen tijd sterk onder den invloed der christelijke zending waren geraakt[71], kan veilig worden aangenomen, dat onder deze Romanen zich reeds vele christenen bevonden. Zoo behoeft het niet te verwonderen, dat de kerstening dezer streken zonder groote schokken kon verloopen.

* * *

Anders staat het echter met het kerngebied van den Zwabischen stam, dat in het stroomgebied van den Neckar is te zoeken. Aangezien de Zwaben zich in dit — ook vroeger reeds Germaansche — gebied, dat als „Tiendland” („Agri Decumates”) slechts gedurende betrekkelijk korten tijd deel had uitgemaakt van het Romeinsche Imperium, reeds tegen het eind der 3e eeuw opnieuw hadden gevestigd, moet worden aangenomen, dat zij er de overwegende meerderheid der bevolking uitmaakten, wat in de later door hen veroverde gebieden zeker niet het geval was. De talrijke herinneringen aan den heidenschen tijd, die in liederen en sagen, zinnebeelden en gebruiken, nog tegenwoordig in dit gebied voortleven, bewijzen, dat het Germaansche heidendom er eenmaal diep wortel heeft geschoten, wat slechts in een tijdsverloop van vele eeuwen mogelijk is geweest[72].

Zoo kan het ons niet verwonderen, dat, ofschoon de Zwabische hertogen en met hen vermoedelijk een deel van den adel reeds omstreeks het jaar 700 christenen waren[73], de meerderheid van hun volk nog aan het oude geloof vasthield. Bovendien was het Christendom, dat hier ingang had gevonden, zoozeer met heidensche elementen vermengd, dat het den ijveraars onder de Frankische bisschoppen als „duivelswerk” moest voorkomen. Niet slechts kon men gedoopt worden, zonder de oude goden te moeten afzweren en werd Christus als het ware onder deze goden opgenomen, maar zelfs kon een en dezelfde man bij Christelijke en heidensche plechtigheden als priester optreden. Van dit verbasterde en — naar valt aan te nemen — nauwelijks begrepen Christendom schreef paus Gregorius II: „Er zijn beoosten den Rijn volken, die onder den schijn van de christelijke religie den afgodendienst [62] aanhangen”. Vanuit een volksch standpunt beoordeeld is het evenwel van het grootste belang, dat dit gegermaniseerde Christendom zóó verdraagzaam was, dat het noch den band met de heidensche voorouders, noch dien met de aan het voorvaderlijke geloof vasthoudende stamverwanten verbrak, zoodat het voor de volkseenheid geen gevaar opleverde.

Het is duidelijk, dat de Frankische machthebbers en hun Roomsche helpers met dezen toestand geen genoegen konden nemen. Zoo hooren wij reeds in het jaar 712 van een Frankischen bisschop, die tegen den Zwabischen hertog Willihar met een leger oprukte en in Zwaben een schrikkelijk bloedbad aanrichtte. De vele veldtochten, welke Karel Martel vervolgens naar Zwaben ondernam, bewijzen, dat deze eerste bekeeringspoging niet het gewenschte resultaat heeft opgeleverd. Teneinde het land voorgoed aan zich te onderwerpen, trachtte Karel er de Roomsche hiërarchie in te voeren en aan de Kerk een zoodanige machtspositie te verschaffen, dat zij een tegenwicht kon vormen tegenover de steeds naar herstel der onafhankelijkheid strevende hertogen. Daartoe werd (± 720) een nieuwe wet afgekondigd, de „lex Alamannorum', die niet — zooals van kerkelijk-Protestantsche zijde wel is beweerd[74] — op een vergadering van vrije Zwaben, maar op een Frankischen rijksdag tot stand kwam en met geweld aan het land werd opgelegd. Het is de moeite waard bij deze wet, waarvan het eerste deel, omstreeks een derde van het geheel omvattend, geheel nieuw is en uitvoerige bepalingen bevat omtrent de kerkelijke organisatie en de rechten harer dragers, een oogenblik stil te staan.

Allereerst verraadt zij het streven de Kerk tot een economische macht te maken door haar grootgrondbezit te verschaffen. Te dien einde wordt reeds in het eerste artikel bepaald, dat het aan een ieder, zelfs aan den hertog, is verboden het doen van landschenkingen te verhinderen, terwijl degenen, die zulke schenkingen ongedaan trachten te maken, met strenge straffen worden bedreigd. Door de verpachting van landerijen aan weerplichtigen kon de Kerk nu zelfs militaire macht verkrijgen, die zij — zoo noodig — tegen den hertog kon aanwenden. Voorts werd aan de Kerk en haar dienaren een bijzondere bescherming verzekerd, doordat misdrijven jegens haar met bijzonder zware straffen werden bedreigd. Zoo werden de bisschoppen met den hertog gelijk gesteld; beiden [63] kregen een drievoudig weergeld, het zegel van beiden werd gelijkwaardig en het niet voldoen aan een bisschoppelijk bevel werd even zwaar gestraft als ongehoorzaamheid jegens den hertog. Bedenkt men hierbij, dat de bisschoppen de rechtspraak uitoefenden „in kerkelijke zaken” — een begrip, dat ruim van aard en daarbij steeds voor uitbreiding vatbaar was — en dat zij daarin van den hertog onafhankelijk en slechts aan den Koning ondergeschikt waren, dan wordt het duidelijk, hoezeer zij waren voorbestemd, om als de eigenlijke dragers van het Frankisch-kerkelijke gezag in dit Germaansche land op te treden.

De Kerk verkreeg verder ook het asylrecht voor alle vervolgden, o.a. dus ook voor weggeloopen knechten en maagden. Behalve de schending van dit nieuwe recht, werd ook de overtreding van de Zondagsheiliging met zware straffen bedreigd. Slaven werden voor dit vergrijp op stokslagen onthaald, vrijen moesten eerst driemaal worden gewaarschuwd. Bij een vierde overtreding werd een vrije met verlies van een derde deel van zijn bezit gestraft; bleek zijn eerbied voor den Zondag ook dan nog onvoldoende, dan werd hij in den slavenstand gestooten. Weliswaar werd tegen de heidenen, wier bestaan werd erkend, nog geen openlijke aanval ondernomen, maar toch werden zij reeds verlaagd tot volksgenooten van den tweeden rang. Terwijl namelijk volgens het Germaansche recht een aangeklaagde zich met behulp van eedhelpers, die zijn onschuld mede bezwoeren en voor hem borg stonden, door een eed op het blanke wapen van verdenking kon zuiveren, verlangde de nieuwe wet een eed in de kerk en eischte als eedhelpers gedoopten. Met recht is dan ook opgemerkt[75], dat verzet tegen de Kerk nog in geen enkel Germaansch volksrecht met zoo strenge straffen was bedreigd. De Alemannenwet is in dit opzicht slechts door de latere wetgeving tegen de heidensche Saksen overtroffen.

Geen wonder dan ook, dat deze nieuwe wet op het vrijheidlievende volk, welks kracht nog niet was gebroken, een averechtsche uitwerking had. Reeds drie jaar later (723) plantte hertog Landfried opnieuw de vaan van den opstand en ontwikkelde daarbij zulk ’n kracht, dat de veldtochten, welke Karel Martel tegen hem ondernam, herhaaldelijk mislukten. Eerst in 730 wist de Frankische hofmeier hem te verslaan en naar het schijnt Zwaben te onderwerpen. Bij de opvolging van [64] diens beide clericaal gezinde zonen komt Zwaben — zooals boven reeds werd vermeld — dan opnieuw in opstand en eerst met het bloedbad van Cannstatt (746) wordt, met de onderwerping, ook de bekeering van het ongelukkige land ingeluid. Dit blijkt ten overvloede uit het feit, dat de oudste kerkelijke oorkonden uit dit gebied afkomstig zijn uit de tweede helft der achtste eeuw[76]. Wie onder invloed van den schrik, die dit gruwzame bloedbad verwekte, er niet toe overging de nieuwe leer te omhelzen, werd daartoe gedwongen door een reeks koninklijke decreten, welke met de zwaarste straffen diegenen bedreigden, die zich niet wilden laten doopen, of vasthielden aan de oude heidensche gebruiken. De snelle invoering van het Roomsch-katholieke Christendom was zoodoende verzekerd; voor het volksleven had deze gewelddadige kerstening echter dezelfde diep ingrijpende gevolgen, die wij ook reeds bij de bekeering der Franken zelf leerden kennen.

Deze gevolgen deden zich met name gelden op twee gebieden, namelijk op dat van het recht en op dat van den socialen opbouw en — daarmee in verband — de rassenkundige samenstelling van het Zwabische volk. Wat het eerste betreft valt op te merken, dat, daar de Kerk voor zichzelf en haar dienaren slechts het Romeinsche recht liet gelden en haar ondergeschikten volgens de regelen van dit uitheemsche recht zelf berechtte, voortaan in Zwaben, als in andere christelijk gemaakte Germaansche landen, twee rechtssystemen naast en tegenover elkaar stonden. In verband met de diepgaande en zeer wezenlijke verschillen, welke tusschen beide rechten bestonden, moest dit op den duur ontbindend op het Germaansche rechtsgevoel inwerken. De invoering der kerkelijke tienden hield met dit rechtsgevoel echter al evenmin rekening.

Erger nog was het, dat door den nadruk, waarmee de Kerk haar leer der gelijkheid predikte, de grenzen tusschen de standen, die tot op zekere hoogte met rasverschillen samenvielen, in bedenkelijke mate vervaagden. De ijver, waarmee de Kerk opkwam voor lijfeigenen en slaven, de vele vrijlatingen, die zij bewerkte, de opklimming op den socialen ladder, die zij voor de leden der lagere standen mogelijk maakte, dit alles had tengevolge, dat thans voor het eerst het minder raszuivere bloed dezer standen zich met het zuiver Germaansche bloed der hoogere standen kon vermengen. De maatschappelijke orde werd in menig opzicht onderstboven gekeerd, maar [65] daarmee was tevens de eerste schrede gezet op den weg naar de verbastering van het ras, op welks zuiverheid tot dusver de kracht van het Zwabenvolk had berust. Zoo is het geen toeval, dat in dit tijdvak de eerste rondschedels in de Zwabische familiegraven voorkomen[77]. De ontzaglijke geestelijke verwarring, die het binnendringen der rasvreemde leer ook hier weer veroorzaakte, is mede aansprakelijk voor het verdwijnen van den ouden Zwabischen adel, waarvan de leden in zulk een aantal een toevlucht binnen de kloostermuren zochten, dat vele geslachten uitstierven.

* * *

In tegenstelling tot de plotselinge en uitsluitend gewelddadige bekeering van Zwaben, verliep de kerstening van Beieren weer meer geleidelijk; in tempo en methoden is zij met die der Alemannische randgebieden te vergelijken. Het hertogelijke geslacht der Agilolfingen, dat Roomsch en waarschijnlijk ook van Frankische afkomst was, vormde hier de drijvende kracht. Zoo zien wij bij de bekeering van Beieren dezelfde werkwijze door de christenpredikers toegepast, als ook reeds bij de bekeering van Chlodwig en zijn Franken door hen was gevolgd. Haar methoden aanpassend aan de hechte maatschappelijke geleding dezer volken, volgde de christelijke zending bij de Germanen veelal een weg, welke precies tegenovergesteld was aan die, welke zij bij de uitbreiding van het Christendom in het Romeinsche Rijk had bewandeld; inplaats van tot de armen en verdrukten, richtte zij haar prediking thans het eerst tot de rijken en machtigen. Waren de hertogen en graven eenmaal voor het nieuwe geloof gewonnen, dan voerden dezen het ook bij het volk in „dat zich naar het voorbeeld en gebod van zijn leider moest schikken” (Timerding[78]). Ofschoon mag worden aangenomen, dat ook in Beieren een dergelijk gebod van den hertog is uitgegaan, zoodat de bekeering er niet zonder dwang is geschied, zijn omtrent de kerstening van dit land toch te weinig bijzonderheden bekend, dan dat het mogelijk zou zijn de directe bewijzen voor dien dwang te leveren. Opmerkelijk is evenwel, dat bisschop Rudbert (of Rupert) van Worms, die in 697 naar Beieren kwam en zich daar vestigde in een klooster, dat hij bouwde bij de ruïnen van het oude Juvavum (= Salzburg), [66] daar terecht kwam temidden van een der Romaansch-christelijke bevolkingsresten, die in dit vroegere grensland van het Romeinsche Rijk waren achtergebleven[79]. Het schijnt, dat deze „Walchen” (= Welschen, vreemdelingen, verg. ons Walen!), zooals zij door de Beieren werden genoemd[80], ook hier de springplank zijn geweest, waarvan de christelijke zending zich bediende. De „Frank”, die tegelijkertijd in de oud-Romeinsche vesting Regensburg (Regina Castra) predikte, Emmeram († 715), was evenals Rudbert een rondtrekkend zendeling naar Ierschen stijl, maar ondanks zijn Frankischen naam een Romaan, uit Poitiers geboortig. Ook Corbiniaan, die Freising als zijn arbeidsveld had gekozen, was vermoedelijk een Romaan, zooals blijkt uit zijn naam en zijn herkomst uit Midden-Gallië (Melun). Wanneer de prediking dezer Romanen bij de Romaansche bevolking, temidden waarvan zij, naar het schijnt, bij voorkeur optraden, geen verzet heeft opgewekt, is dit niet meer dan natuurlijk.

In het Maingebied, dat — zooals reeds in het vorige hoofdstuk bleek — door de zonen van Chlodwig op de Thuringers was veroverd, predikte de Ier Kiliaan (Killen), die te Würzburg onder onbekende omstandigheden den marteldood stierf († 689). Ook in het eigenlijke Thuringen drong het Christendom reeds door, zonder dat evenwel de omstandigheden duidelijk zijn, waaronder de bekeering hier plaats vond. De verpletterende slag, die door de Franken aan dit volk was toegebracht, mag hier zeker niet buiten beschouwing blijven. Een nederlaag, als die bij Seithingi (—= Burgscheidungen) aan de Unstrut (531), waar, naar de sage later berichtte, zooveel Thuringers waren gevallen, dat de Franken over hun lijken, als over een brug, de rivier konden overschrijden, moet zeker groote moreele gevolgen hebben gehad. Voorzoover de geestelijke inzinking, die op deze catastrofe volgde, de Thuringers niet alreeds bereid had gemaakt tot het aannemen der vreemde leer, heeft allicht dwang van de zijde der hun opgedrongen christelijke hertogen de beslissende stoot gegeven. Evenals in Beieren was het Christendom hier vooreerst nog zeer oppervlakkig en met vele heidensche gebruiken en voorstellingen vermengd.

Zonder dwang vermocht ook Amandus, die jarenlang onder de nog heidensche bevolking in de omstreken van Gent predikte, niet veel te bereiken. Ten einde raad deed deze [67] „apostel der Friezen” daarom een beroep op koning Dagobert, die hem, op zijn verzoek, een volmacht gaf tot gedwongen bekeering[81]. Voor de strenge opvattingen van dezen prediker, die in Aquitanië uit Romaansche ouders was geboren, is vooral kenmerkend het verzet, dat hij van de zijde zijner ondergeschikten ondervond, nadat hij in 647 bisschop van Maastricht was geworden, een verzet, dat zóó sterk was, dat hij na drie jaar zijn bisschopsambt weer opgaf. Van Landibert, één zijner opvolgers in dit ambt (van 669-705?), wordt in zijn levensbeschrijving vermeld, dat hij op een bekeeringsreis naar Toxandrië, een landstreek op de Zuidgrens van het tegenwoordige Noord-Brabant, vele tempels en afgodsbeelden verwoestte, wat ook weer op de aanwending van dwang wijst. Als laatste christenprediker, die tot deze eerste zendingsperiode is te rekenen, moet Eligius worden genoemd, die in de omgeving van Noyon, van welke stad hij een tijdlang bisschop was (omstreeks 640), onder de daar wonende heidensche Saksen en Zwaben[82] predikte. Hoever de Iersche invloed in zijn tijd ging, wordt duidelijk uit de besluiten der synode van Châlon (650), die uitdrukkelijk verschillende grondbeginselen van de Iersche missie goedkeurde: de boetvaardigheid als voorwaarde voor het zieleheil, de door Columba geëischte biecht, de kuischheidsgelofte voor geestelijken e.d. De Iersche richting had daarmee haar hoogtepunt bereikt; bij ’t verdere verloop der ontwikkeling zou zij voor een andere moeten plaats maken. In hoeverre zij erin was geslaagd, een godsdienstig leven, dat dien naam waard was, in het Frankische Rijk te wekken, moet hier een open vraag blijven.

* * *

Terwijl de zending onder de nog heidensche Germanen gedurende dit eerste stadium was uitgegaan van Iersche monniken en hun z.g. „Frankische”, in werkelijkheid grootendeels Romaansche, navolgers, lag zij gedurende het tweede stadium, dat thans moet worden geschetst, zoogoed als geheel in handen van Angelsaksen. Uit de handen van rasvreemden gaat zij zoodoende in die van rasverwanten over. Daarom valt het in hooge mate op, dat het tegen de christelijke zending geboden verzet gedurende deze tweede periode niet zwakker, maar integendeel sterker wordt, dan het in de eerste was [68] geweest. De oorzaken van dit — op het eerste gezicht onverklaarbare — verschijnsel worden duidelijk, wanneer wij de verschilpunten tusschen de Iersche en de Angelsaksische zending nagaan.

Een eerste verschil bestaat hierin, dat terwijl de Iersche zendelingen aanvankelijk hadden getracht het godsdienstig leven in het Frankische Rijk zelf te wekken, door de prediking van boetvaardigheid en zelfkastijding, en zij eerst later ertoe waren overgegaan, de heidenzending binnen het terrein hunner werkzaamheid te betrekken, de Angelsaksische zending daarentegen zich van het begin af tot de heidenen richtte. Belangrijker nog is, dat, in tegenstelling met de Iersche monniken, die zich bij voorkeur tot het volk richtten en die eerst wanneer hun prediking zonder het gewenschte gevolg bleef de hulp inriepen van den vorst, de Angelsaksische christenpredikers zich steeds direct wendden tot de heerschers, die zij ertoe trachtten te brengen hun onderdanen tot het christelijk geloof te dwingen. Het voornaamste verschil bestaat evenwel hierin, dat de laatsten — in tegenstelling tot de eersten — steeds optraden als afgezanten en vertegenwoordigers van den Paus, wiens gezag zij onder alle omstandigheden trachtten te vestigen, of te vergrooten. Timerding merkt terecht op, dat voor den Paus de kerkelijke organisatie natuurlijk op den voorgrond stond en vervolgt dan:[83]

Zijn positie als opperhoofd der Kerk en de organisatie van het nieuw bekeerde land in bisdommen waren voor hem de beslissende gezichtspunten. Het nagestreefde doel was weliswaar slechts te bereiken, wanneer ook de harten der bevolking voor het nieuwe geloof werden gewonnen. In ver ziende wijsheid beval de Paus zelf inplaats van een gewelddadig optreden zachtmoedige overreding aan, inplaats van het met gestrengheid eischen van geloof de geleidelijke overgang tot het Christendom.

Aangezien wij geen reden hebben, om aan de woorden van dezen Roomsch-katholieken schrijver te twijfelen, nemen wij met hem aan, dat de pauselijke machtspolitiek bij de bekeering der Germanen den doorslag gaf, terwijl het winnen der harten eerst in de tweede plaats kwam. Uit den laatsten zin van deze aanhaling, die op de bekeering der Angelsaksen zelf betrekking heeft, blijkt bovendien, dat wanneer de pauselijke [69] politiek somtijds aan overreding den voorkeur gaf boven dwang, dit een zaak was niet van beginsel, maar uitsluitend van doelmatigheid.

Uit overwegingen van doelmatigheid is het ook te verklaren, dat de Angelsaksische zendelingen steeds ten nauwste samenwerkten met de vertegenwoordigers van het Frankische staatsgezag. In deze nauwe samenwerking, die de gedwongen „bekeering” steeds deed samenvallen met de staatkundige onderwerping der voorheen vrije Germanen aan het Frankische Rijk, komt de nauwe belangengemeenschap tot uiting, die — zooals wij reeds zagen — onder de latere Karolingers het Frankische koningschap en het pausdom steeds inniger aan elkaar verbond. In deze enge verbinding van wereldlijk en geestelijk gezag, van godsdienstige „bekeering” en staatkundige onderwerping, is dan ook de oorzaak te zien van het langdurige en halsstarrige verzet, dat door de vrije Germanen aan de prediking der met hen stamverwante Angelsaksen werd geboden. Vragen wij echter hoe het kwam, dat hier rasechte Germanen optraden als vertegenwoordigers en voorvechters van een macht, die, door rasvreemde idealen bezield, de volledige geestelijke onderwerping van het Germanendom als doel voor oogen had, dan kan op deze vraag slechts de bekeeringsgeschiedenis der Angelsaksen zelf het antwoord geven.

* * *

Uit afkeer tegen de inheemsche bevolking der Britten, die door hen ten deele was uitgeroeid en ten deele naar het Westen van het eiland was teruggedrongen, hadden de Angelsaksen na hun vestiging in Engeland (449) ook tegenover het toen onder dit volk reeds verbreide Christendom een vijandige houding aangenomen. Om dezelfde reden bleven zij later ook voor de van Ierland uitgaande zending ontoegankelijk. Hun bekeering vond eerst plaats, toen in het jaar 596 een aantal Benedictijner monniken in Engeland verscheen, die door paus Gregorius I, den Grooten, zelf waren gezonden. De nationale tegenstelling van de Angelsaksen tot de Ieren en Britten, die tevens een tegenstelling van ras was[84], had hier dus een soortgelijk gevolg, als wij ook reeds bij de in Zuid-Europa doorgedrongen Germanen hebben opgemerkt. Terwijl evenwel de Gothen, Langobarden en Vandalen hun [70] voortbestaan als afzonderlijke volken trachtten te verzekeren, door te midden der hen omringende Roomsche Romanen taai vast te houden aan het Arianisme, waren het in dit geval juist de binnengedrongen Germanen, die het Roomsche geloof aannamen, terwijl daarentegen de inheemsche bevolking aan een afwijkenden vorm van het Christendom vasthield, die haar een grootere kerkelijke zelfstandigheid verschafte, dan het deel kon worden van de, zich aan Rome onderwerpende, overwinnaars. In beide gevallen was dus eenzelfde oorzaak werkzaam, maar deze oorzaak had uiteenloopende en ten deele zelfs tegengestelde gevolgen.

Van groot belang is het ongetwijfeld geweest, dat in Engeland de Roomsch-katholieke richting niet van het begin af de alleenheerschappij heeft uitgeoefend, maar dat zij heeft overwonnen gedurende de periode der bekeering, die eerst omstreeks het jaar 690 eindigde. Met den strijd tegen de Iersche richting, die toen in het Noorden van Engeland doordrong en er een tijdlang overheerschte, viel de bekeering dus samen. Daardoor werden de Angelsaksische geestelijken er als vanzelf toe gebracht tegenover de „Welschen” op hun „katholicisme” en op hun onderwerping aan de suprematie van den Paus bijzonder den nadruk te leggen. De betrekkelijke onbeduidendheid van de verschillen tusschen de twee richtingen, die — afgezien van het primaat van den Paus — meer op uitwendigheden, dan op het geloof zelf betrekking hadden, blijkt ook hieruit, dat Wilfried, de eerste Angelsaksische zendeling onder de Friezen, die als bisschop van York op een te Whitby gehouden concilie den strijd over het Paaschteest in „katholieken” zin wist te doen beslechten, zelf uit het door de Ieren in Northumberland gebouwde klooster Lindisfarme afkomstig was. Dit was echter geenszins een op zichzelf staand geval, want van twee andere zendelingen, Wigbert en Willibrord, wordt vermeld, dat zij ter voltooiing van hun vorming enkele jaren in Ierland vertoefden; wel een bewijs, dat een diepgaande tegenstelling op godsdienstig gebied niet heeft bestaan.

* * *

Wilfried, de eerste Angelsaksische christenprediker die (in 678?) naar het vasteland overstak, zou, volgens het verhaal in Beda's kerkgeschiedenis[85], bij den Frieschen koning [71] Aldgisil een vriendelijk onthaal hebben gevonden. Aldgisil zou ook geweigerd hebben hem uit te leveren aan den Neustrischen hofmeier Ebroïn, die een grief tegen den zendeling had en daarom zijn uitlevering verlangde. Terwijl het niet duidelijk is, in hoeverre zijn prediking, die in elk geval slechts kort heeft geduurd, vruchten heeft afgeworpen, wordt ons omtrent Wigbert, die enkele jaren later naar Friesland ging en er twee jaar lang predikte, uitdrukkelijk vermeld, dat hij bij zijn weerspannige toehoorders, ondanks al zijn moeite, geen vruchten oogstte en daarom naar zijn vaderland terugkeerde[86].

Dat was al onder de regeering van den Frieschen koning Radbod (679—719), die in dit tijdvak één der weinige verdedigers van het heidendom is, wier namen ons door de geschiedenis zijn overgeleverd. Het weinige, wat wij omtrent dezen vorst weten, is niettemin voldoende om ons de overtuiging te geven, dat hij een krachtige persoonlijkheid is geweest, die een doelbewuste doch tevens beleidvolle politiek heeft gevolgd, een man van groote geestkracht, wiens tegenstand zelfs door het overmachtige rijk der Franken niet gemakkelijk kon worden gebroken. Ongetwijfeld had Radbod reden te over, om de Angelsaksische zendelingen, die op zijn gebied verschenen, te wantrouwen; het feit, dat hij hen niettemin ontving en hun het prediken toestond, bewijst afdoende, dat hij niet als een „barbaar” is te beschouwen. Wanneer dan ook Willibrord, bij zijn eerste verschijning in Friesland, waarbij hij — volgens het verhaal van Beda — in Utrecht geweest zou zijn, met zijn prediking geen succes heeft gehad, kan dit zeker niet aan Radbod worden geweten. Eerder is aan te nemen, dat een innerlijke weerstand bij de Friezen zelf de oorzaak was der mislukking. Voor deze veronderstelling pleit bovendien ook het feit, dat deze eerste zendingsreis vermoedelijk heeft plaats gehad in het jaar 690, dus na den slag bij Dorestad, die — zooals wij boven reeds zagen — aan Radbods heerschappij over Utrecht een einde had gemaakt.

Kenmerkend voor den aard der Angelsaksische zending is het feit, dat Willibrord zich na deze teleurstellende ervaring naar Pippijn (den Middelsten) begaf, die hem toen het land aan de beneden-Schelde, dat ook reeds door Eligius en Amandus was bearbeid, voor zijn verdere zendingswerk aanwees. Evenals zijn voorgangers in dit gebied, maakte hij Antwerpen, [72] waar hem bepaalde eigendommen en inkomsten van staatswege werden toegewezen, tot het uitgangspunt van zijn werkzaamheid. Enkele jaren later wordt hij dan door Pippijn naar Rome gezonden, waar paus Sergius hem tot aartsbisschop wijdt en hem den naam Clemens geeft (695). Teruggekeerd, begeeft hij zich eerst weer naar zijn opdrachtgever, Pippijn en gaat dan naar het klooster Echternach, een stichting van Irmina, een dochter van Dagobert II. In dit klooster, waarvan hij abt was, schijnt hij in de volgende jaren bijna voortdurend te hebben vertoefd, wat ons geenszins behoeft te bevreemden, daar deze abdij, door de voortdurende schenkingen, die haar werden gedaan, één der rijkste uit de heele omgeving was geworden, zoodat Willibrord er optrad als beheerder van uitgestrekte landgoederen. In het nog niet aan het Frankische gezag onderworpen deel van Friesland verscheen hij in elk geval eerst weer in een lateren tijd en had er toen evenmin succes als op zijn eerste reis. Het verloop van dit tweede bezoek is voor de verhoudingen in hooge mate kenmerkend.

Volgens Timerding zou zich na de nederlaag van Radbod langzamerhand een meer vriendschappelijke verhouding tusschen Franken en Friezen hebben ontwikkeld. Dit zou o.a. blijken uit het huwelijk van Pippijns zoon Grimoald met Radbods dochter Theudesinde. Evenwel werd deze Grimoald, op reis naar zijn zwaar ziek geworden vader, in April 714 te Luik door den heidenschen Fries Rantgar vermoord[87], wat toch zonder twijfel op een minder vriendschappelijke verhouding wijst. Ook is het niets ongewoons, dat een verslagen heerscher onder den dwang der omstandigheden zich ertoe laat brengen, zijn dochter aan een voormaligen tegenstander ten huwelijk te geven. Voorbeelden daarvan zijn ook uit een lateren tijd bekend, zonder dat daarbij altijd sprake is van het tot stand komen eener vriendschappelijke verhouding. Wanneer dan ook Radbod bij Willibrords bezoek den aartsbisschop op eervolle wijze ontving, zooals het met diens rang overeenkwam, moet dit eerder worden toegeschreven aan het juiste besef van de zwakke positie, die hij tegenover de opdringende Frankische macht innam, dan aan een gevoel van werkelijke vriendschap. Ook het feit, dat uitdrukkelijk wordt vermeld, dat Willibrord het „steenen hart” van den koning niet met „den warmen adem des levens” kon doordringen, [73] wijst erop, dat Radbod bij de vriendschappelijke ontvangst, die hij zijn bezoeker bereidde, uit berekening heeft gehandeld.

Terwijl Radbods houding van groote zelfbeheersching getuigt — alweer een bewijs, dat hij geen barbaar was! — komt in het verdere gedrag van Willibrord een zekere onevenwichtigheid tot uiting. Na de mislukking zijner plannen besluit hij namelijk tot een zeereis naar Denemarken, teneinde door zijn verdere zendingsarbeid het gebied der Friezen en Saksen als het ware te omsingelen. Bij den Deenschen koning Ongentio vindt hij evenwel een nog veel sterker weerstand. Op zijn terugreis gaat hij zich dan te buiten, door zich op Fositesland[88], een voor de Friesche kust gelegen eiland, aan het daar gelegen stam-heiligdom te vergrijpen, wat aan één zijner begeleiders, en bijna ook aan hemzelf, het leven kost. Geen wonder, dat Willibrord na deze ervaringen zijn prediking verder beperkte tot die gedeelten van Friesland, welke reeds volledig aan het Frankische gezag waren onderworpen en waar hij bij zijn prediking steeds ten volle op dit gezag kon steunen.

Het schijnt, dat daarbij zijn landgenoot Winfried (Bonifatius) één zijner medewerkers is geweest. Volgens de mededeelingen, die Liudger in zijn levensbeschrijving van den abt Gregorius van Utrecht omtrent het eerste optreden van Bonifatius heeft ingelascht[89], zou deze zijn geestelijke loopbaan namelijk zijn begonnen te Wyrda (= Woerden), waar hij zeven jaar lang werkzaam zou zijn geweest, om vervolgens drie jaar lang te Attingehem (= Adrichem in Z. Holland) en drie jaar te Felisa (= Velzen in N. Holland) te prediken. In strijd met het relaas, dat Willibald in zijn levensbeschrijving van Bonifatius geeft, zou volgens dit verhaal, dat waarschijnlijk juist is, moeten worden aangenomen, dat Bonifatius’ zendingsarbeid op het vasteland niet eerst in 716 — zooals Willibald het doet voorkomen — maar reeds omstreeks het jaar 705 is begonnen. Bonifatius heeft dan mede den geweldigen terugslag ondervonden, die bij den dood van Pippijn den Middelsten (714) intrad.

* * *

Zooals wij boven reeds zagen, maakte Radbod van de twist en verwarring, die toen in het Frankenrijk uitbraken, gebruik, om West-Friesland te heroveren en het daar eerst kort [74] tevoren begonnen zendingswerk weer te vernietigen. De wijze, waarop hij de tijdelijke verzwakking van zijn tegenstander wist uit te buiten, getuigt van zijn staatsmanstalent. Niet slechts verkreeg hij hulp van de Saksen, die eveneens door de opdringende Frankische macht werden bedreigd, maar ook werkte hij samen met den binnenlandschen vijand, die de Karolingers in den persoon van Raginfried hadden gekregen. De nederlaag, die hij aan Karel Martel bij Keulen toebracht (716), is een bewijs voor zijn militaire kracht; de vloot, die hij uitrustte, bewijst, dat zijn volk ook met scheepsbouw en zeevaart nog steeds vertrouwd was. Opmerkelijk is ook, dat wij wel hooren van verdrijving, maar niet van vermoording der aan de Friezen opgedrongen christenpredikers, ofschoon een soort pogrom, na al hetgeen was vooraf gegaan, zeer begrijpelijk zou zijn geweest. Aan Karel Martel schijnt het niet te zijn gelukt, Radbod opnieuw tot onderwerping te brengen. Eerst nadat de heldhaftige en onbuigzame Fries in 719 aan een zware ziekte was gestorven, wist hij diens zwakken en van het Christendom minder afkeerigen opvolger, Aldgisil II, tot den hernieuwden afstand van West-Friesland te dwingen, waarop de bekeering hier met kracht kon worden hervat.


Op welke wijze de kerstening van Friesland plaats vond, wordt duidelijk uit een door Bonifatius aan den Paus gerichten brief, waarin hij schrijft: „dat hij zonder den steun der Frankische wapenen bij de bestrijding der heidengoden niets vermocht uit te richten[90]”. De heidengoden bestreed ook Willibrord, toen hij op het eiland Walacrum (= Walcheren), in al te groote geloofsijver, een godenbeeld probeerde stuk te slaan en daarop door den vertoornden wachter bijna werd gedood. Rekening houdend met deze feiten is het eenvoudig verbijsterend, wanneer in sommige werken over onze vaderlandsche geschiedenis[91] de voorstelling wordt gegeven, alsof de bekeering der Friezen vreedzaam zou zijn verloopen, in tegenstelling met de latere bekeering der Saksen. Over deze „bekeering” schrijft Dahn:[92]

De geheele Friezenstam was vanuit het weer Frankisch geworden West-Friesland onophoudelijk zoowel in zijn oude godengeloof, als in zijn trotsche en innig geliefde vrijheid bedreigd door de christelijke priesters en de Frankische graven, [75] die steeds hand in hand gingen. De Franken dwongen overal de nog heidensche gouwen hunner naburen (de Friezen, Saksen enz.) de bekeerders toe te laten, die zich dan evenwel niet bepaalden tot het op vreedzame wijze winnen der zielen, maar met eigen hand of door de pas bekeerden de heiligdommen der heidenen vernietigden, de heilige eiken velden, de offerfeesten verstoorden en verhinderden. De zoodoende door de schending van wat hun het heiligste was geprikkelde heidenen, die den toorn der beleedigde goden vreesden en zich tegen het Frankische juk, als tegen het daarmee gelijktijdig opgedrongen nieuwe geloof, verzetten, vergolden dan weliswaar zulke misdaden vaak door bloedige gewelddaden tegenover de christenpriesters, de Frankische beambten en krijgslieden, meer nog de eigen reeds afgevallen volksgenooten en de naburige Frankische grensmarken; maar zooals vanzelf spreekt, moesten in den ongelijken kamp met het geweldige, aan wapen- en beschavingsmacht zoo onvergelijkelijk veel sterkere Frankenrijk en zijn staatsgodsdienst de heidenen het onderspit delven. De uitsluitend door christenen en meestal door Franken geschreven bronnen berichten dan van de „opstanden” en „aanvallen” der heidenen, welke, zooals vanzelf spreekt, door het Frankenrijk moeten worden afgeweerd en bestraft. Welke plagerijen echter aan deze aanvallen der heidenen vooraf gingen, verzwijgen deze berichten. Of ook wel: neen! Zij verhalen zelfs met groote voldoening de verwoesting der heidensche heiligdommen door de moedige bekeerders en jammeren en schelden, dat de heidenen dat niet rustig verdragen. Dat ook voor anderen dan christenen de schending en verwoesting van hun heiligdommen smartelijk is, weten deze christenen niet. Zeker heeft ook bij gelegenheid roofzucht de naburen van het rijke Frankenrijk tot invallen verleid. Zeker hebben de met geweld door staat en kerk der Franken onderdrukten zeer vaak getracht het dubbele juk weer af te schudden: dan heet het zoo ongeveer, dat het „bijzonder harde volk in gramschap opstaat”. Maar een bedreiging van het Frankische Rijk door de Saksische en Friesche heidenen aan te nemen — overeenkomende met de manier, waarop b.v. het Romeinsche Rijk in de 5e en 6e eeuw door de Germanen is bedreigd — de heidenen principieel tot de „aanvallers te stempelen en de deugdzame Franken als uit noodweer handelend [76] voor te stellen, zoodat de onderdrukking en het gedwongen doopen van die stammen ons rechtens en zedelijk gerechtvaardigd voorkomt — daartoe behoort veel scherpzinnigheid, of vrome ijver, of hoogst gewelddadige uitlegging, of verzwijging van bronnen.

De gebezigde methoden maken het zeer begrijpelijk, dat de bekeering van Friesland nu verder een geregelden voortgang had. Nadat hertog Boppo in den slag aan de Boornzee (734) was gevallen, konden de christenpredikers, onder bescherming der Frankische wapenen, zelfs tot aan de Lauwers doordringen. Hun werkzaamheid werd daarbij geleid door Willibrord, die in dezen tijd zijn zetel had gevestigd te Utrecht, welke stad hem in 723, samen met het naburige Vechten, door Karel Martel in eigendom werd gegeven en waar hij, behalve een kerk, ook een klooster bouwde. De vele schenkingen, die hij ook verder ontving, zijn zeker van belang voor de kennis van zijn persoonlijkheid; zij toonen aan, dat hij het woord, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen, voor zichzelf niet op een opvallende wijze in praktijk heeft gebracht. Afgezien van de talrijke landschenkingen aan zijn abdij Echternach, ontving hij nog van den Thuringschen hertog Hetan landerijen bij Arnstadt, Mühlberg en München (Weimar), van Pippijn en Plectrudis de abdij Susteren (714) en van Karel Martel Elst, Adrichem, Egmont en Velzen en Heiloo. Behalve landgoederen, kreeg hij echter ook vele reliquieën ten geschenke, aan welke wondermiddelen hij — volgens Timerding — groote behoefte had. Zoo ontving hij uit Engeland beenderen van den heiligen Oswald, terwijl hij uit Frankrijk, voor een te Utrecht herbouwde kapel, overblijfselen van den heiligen Martinus betrok. Met geschenken van alle kanten overladen, heeft Willibrord, die in 739 op zijn abdij te Echternach overleed, niet veel weg van een „navolger van Christus” maar vertoont hij eerder ’t beeld van een door de wereldlijke machthebbers verwenden en door zijn onderhoorigen bewierookten kerkvorst.

* * *

Bonifatius (Winfried), de andere groote figuur uit de kerkelijke wereld dier dagen, is ondanks zijn eeretitel van „apostel der Duitschers” meer als een hervormer en organisator der [77] Kerk, dan als een geloofsbode onder de heidenen te beschouwen. In Wessex uit voorname ouders geboren (omstreeks 672), stamde hij uit een ander deel van Engeland, dan de uit Northumberland geboortige Willibrord. Tijdens zijn eerste reis naar Rome (719) gaf paus Gregorius II hem den naam Bonifatius en droeg hem de heidenzending, maar tevens ook de hervorming der christelijke kerk in Roomsch-katholieken zin in Thuringen op. In dit land aangekomen, bleek hij er zonder den krachtigen steun van het wereldlijk gezag weinig te kunnen uitrichten; voor de uitroeiïng der nog aanwezige resten van heidendom en van de Iersch-christelijke opvattingen en gebruiken, die in dit land ingang hadden gevonden, bleek overreding alleen niet voldoende. Niet in staat zijn plan te volvoeren, begaf Bonifatius zich daarop naar Willibrord en vertoefde drie jaar lang bij hem in Utrecht. Daarna ging hij naar Hessen, waar hij, naar het schijnt, voor zijn prediking een vruchtbaren bodem aantrof; o.a. stichtte hij er zijn eerste klooster, Amöneburg. Voor de tweede maal in Rome (722), wordt hij door den Paus tot bisschop van Thuringen gewijd. De Paus vordert daarbij van hem een specialen eed, waarbij hij belooft die bisschoppen te zullen tegenwerken, die op eenigerlei manier van de Roomsche orde mochten afwijken. Voorzien van een pauselijk schrijven, waarin ieder, die hem hinderde of tegenwerkte, met den ban en de eeuwige verdoemenis werd bedreigd, keerde hij daarop naar Duitschland terug[93].

Teekenend is, dat Bonifatius, alvorens zijn hervormingsarbeid ter hand te nemen, zich eerst naar den hofmeier Karel Martel begeeft. Timerding, die zich alle moeite geeft, om het gewelddadig karakter van Bonifatius’ optreden zooveel mogelijk te bemantelen, laat zich hier toch ontvallen, dat zonder een volmacht van het wereldlijk opperhoofd, er voor Bonifatius in Thuringen niets viel te bereiken. Met de weinig kerkelijk gezinde houding van Karel Martel was het in overeenstemming, dat hij — inplaats van een volmacht — aan Bonifatius slechts een schrijven meegaf, waarin hij den bisschop onder zijn bescherming nam. Geen wonder, dat onder deze omstandigheden het resultaat van Bonifatius’ werkzaamheid voorloopig niet overmatig groot was, temeer, daar ook de hooge Frankische geestelijkheid, vooraan bisschop Gerold van Mainz, hem tegenwerkte.

Met name bleek het onmogelijk, den priesterstand in Thuringen [78] te „hervormen”, d.w.z. te dwingen tot het coelibaat, het volgen der in de Roomsch-katholieke kerk in zwang zijnde gebruiken en de erkenning van de suprematie van den Paus. In een brief aan zijn vroegeren supérieur, bisschop Daniël van Winchester, erkent Bonifatius, dat hij een gesloten kerkelijke gemeenschap heeft aangetroffen, die zich aan den pauselijken invloed onttrok en naar eigen goeddunken huishield. Zonder de bescherming (lees: gewapende hulp!) van den Frankenvorst vermocht hij niets; zonder hem kon hij noch de gemeenten leiden, noch de rechtgeloovige geestelijken beschermen, ja, zonder zijn bevel en steun, kon hij zelfs de heidensche gebruiken en den „afgodsdienst” niet verhinderen. In zijn antwoord geeft bisschop Daniël hem dan den raad, zich met geveinsde blijmoedigheid schijnbaar in zijn lot te schikken, aangezien ook in de ark reine en onreine dieren bijeen zijn geweest. Het hier omtrent de verhoudingen onder de Thuringers meegedeelde is intusschen hoogst merkwaardig. Het toont aan, dat ook bij dit, in zijn oorspronkelijk woongebied achtergebleven, Germaansche volk het streven bestond, om door de aanvaarding van ’n afwijkenden vorm van ’t Christendom en de handhaving eener afzonderlijke kerkelijke organisatie zich tegen het gevaar van vermenging en ontaarding te vrijwaren.

Aan Bonifatius bleef het voorbehouden, dit streven den kop in te drukken. Voorloopig kon daarvan echter nog geen sprake zijn, daar hij zich slechts met moeite kon handhaven. In de omgeving van Erfurt en Gotha, waar hij bij voorkeur vertoefde, schijnt hij nog den meesten aanhang te hebben gevonden. Toch keerde hij spoedig weer terug naar Hessen, waar hij bij Fritzlar een klooster stichtte en bij het naburige dorp Geismar een aan Donar gewijden eik velde. Van Fritzlar uit stichtte hij vervolgens nog de later zoo beroemde abdijen van Hersfeld en Fulda, waarvan de laatste weldra zijn meest geliefde verblijfplaats werd. Ook bouwde hij verschillende nonnenkloosters. Door den Paus tot aartsbisschop verheven (732), werd hij tijdens zijn derde verblijf in Rome (738) bovendien nog benoemd tot pauselijk legaat in de Duitsche landen en het geheele Frankische Rijk, terwijl hij tevens de opdracht ontving, om in Beieren de kerk te reorganiseeren. Deze opdracht, die zoowel de uitroeiïng van de ook hier nog aanwezige heidensche gebruiken, als de vernietiging [79] van den invloed der Iersche geestelijken ten doel had, werd met den krachtigen steun van hertog Odilo, die — zooals wij boven reeds zagen — in deze jaren nauw met den Paus was verbonden, door Bonifatius in den kortst mogelijken tijd tot uitvoering gebracht. Reeds tegen het einde van het volgende jaar was de „reorganisatie” voltrokken. Daarmee was Beieren vast in den greep der kerkelijke hiërarchie gebracht en volledig aan de pauselijke suprematie onderworpen.

Zooals ook Timerding uitdrukkelijk toegeeft, was het de dood van Karel Martel, die het aan Bonifatius mogelijk maakte, om nu ook in Thuringen met beslistheid op te treden. De kerkelijke gezindheid van diens beide opvolgers verschafte hem thans den steun, die hem tot dusver had ontbroken en zonder welke hij niet in staat was de pauselijke doeleinden te verwezenlijken. Evenals zij dit in de andere deelen van het rijk deden, schreven Karloman en Pippijn nu ook in Thuringen aan de geestelijken den ongehuwden staat voor en bepaalden daarbij zelfs, dat de reeds bestaande huwelijken van priesters moesten worden ontbonden. Terwijl door de stichting van drie nieuwe bisdommen: Würzburg, Büraburg (bij Fritzlar) en Erfurt, de kerkelijke hiërarchie over Thuringen werd uitgebreid, werden verschillende geestelijken, die zich tegen Bonifatius hadden verzet, uit het land verbannen. Een weldra gehouden „Germaansche” synode (742) besloot tot de verwijdering van alle „valsche” priesters, d.w.z. van dezulke, die niet volgens canoniek recht waren gewijd, de afschaffing van alle Iersche gebruiken — b.v. bepaalde eigenaardigheden in de priesterkleeding — en de vervanging van den kloosterregel van Columba door dien van Benedictus. Zij eischte verder van de priesters gehoorzaamheid jegens hun bisschoppen en verbood hun het dragen van wapenen en — onder strenge strafbedreiging — den omgang met vrouwen. Tenslotte kondigde zij ook een reeks verbodsbepalingen af tegen de vele nog in zwang zijnde heidensche gebruiken.

Met deze synode, die voor geheel Midden- en Zuid-Duitschland de geestelijke vrijheid volkomen vernietigde en die, met de resten van het oude heidendom, tevens de eerste kiemen verstikte van een zelfstandige kerkelijke organisatie dezer Germaansche landen, was het Romeinsche Rijk als het ware uit zijn asch herrezen. Door de gewelddadige onderwerping van Thuringen en de daarbij aansluitende gebieden aan de [80] kerkelijke hiërarchie en het primaat van den Paus, had het nieuwe Imperium zijn grenzen reeds tot in het hart van Duitschland vooruit geschoven. Voor Karel den Frank bleef de taak weggelegd, het door de gedwongen bekeering van Thutingen eenerzijds en van Friesland anderzijds reeds goeddeels omsingelde Saksen — de nog overgebleven rest van het Germaansche kernland — aan het nieuwe Rome te onderwerpen.


Gedurende zijn laatste levensjaren ondervond Bonifatius vele verdrietelijkheden en ergernissen, die evenwel voor een groot deel voortsproten uit de onverzettelijke en veelal ook kleingeestige manier, waarop hij alle uitingen van wereldschgezindheid en alles, wat maar eenigszins zweemde naar ketterij, meedoogenloos trachtte uit te roeien. Zijn verheffing tot bisschop van Mainz (746) ging met veel strijd gepaard, terwijl gebeurtenissen, die terzelfder tijd in Zuid-Duitschland voorvielen, hem eveneens pijnlijk troffen. Het was evenwel niet het bloedbad te Cannstatt, dat hier zijn verontwaardiging opwekte, maar de verheffing van den Ier Virgilius tot bisschop van Salzburg. Deze Virgilius bezat namelijk een uitgebreide kennis op het gebied der wiskunde en astronomie en leerde o.a. den bolvorm der aarde, weshalve Bonifatius hem bij den Paus van ketterij beschuldigde. De angst voor ketterij nam met het klimmen der jaren bijna ziekelijke afmetingen bij hem aan, maar tevens verergerde zijn bedilzucht. Tenslotte becritiseerde hij zelfs den Paus, hekelde de toestanden te Rome en viel het opperhoofd der Kerk lastig over de onbeduidendste zaken (Timerding).

Van de vrije geesteshouding, die zoo kenmerkend is voor den rasechten Germaan, is in het leven van dezen man dan ook geen spoor meer te bekennen. Het geestelijke verraad, dat hij tegenover zijn eigen ras pleegde, past maar al te goed bij de verwoesting der heidensche heiligdommen, waarmee hij tot vlak voor zijn dood bleef doorgaan. Wanneer niettemin zijn doodsjaar aan onze schoolkinderen met de grootste zorg wordt ingeprent, terwijl de doodsjaren der Friesche vrijheid worden verzwegen of veronachtzaamd, is dit een afdoend bewijs voor het volstrekt volksvreemde karakter van ons geschiedenisonderwijs; 689 en 734 zijn voor ons gedenkwaardiger dan 754.

Vierde hoofdstuk — Karel de Frank

[81] Geen andere historische figuur is bij de geschiedbeschouwing van den Frankischen tijd van zoo groot belang, als die van Karel den Frank, den zoon en opvolger van Pippijn den Korten. In verband met de centrale plaats, die deze Frankenkoning in de geschiedenis inneemt, ligt in de opsiering van zijn figuur door de officieele geschiedschrijving, die zijn ware gedaante welhaast onherkenbaar heeft gemaakt, zeker wel de grootste belemmering voor het totstand komen van een geschiedbeschouwing, die aan de groote beteekenis van het ras recht doet wedervaren. Door Germaansche en ten deele ook vermeend Germaansche trekken aan zijn beeld te verleenen, die ons hem deden zien als een bijna ideale belichaming van het type van den Germaanschen held, heeft deze geschiedschrijving den grondslag gelegd voor een vereering, die niet alleen goeddeels misplaatst was, maar tevens bij uitstek geschikt, om het inzicht in de historische ontwikkeling te vertroebelen en onmogelijk te maken. Het ergste daarbij is niet, dat men er door een even matelooze, als critieklooze verheerlijking in is geslaagd, ons Karel „den Grooten” onder de heroën der wereldgeschiedenis te doen rangschikken, maar dat men tevens het denkbeeld ingang heeft doen vinden, dat zijn levenswerk voor de Germaansche volken uitsluitend heilzame gevolgen zou hebben gehad. Aan Karel zouden de Germanen niet alleen het totstand komen van hun staatkundige eenheid en hun eerste kennismaking met vele beschavingsgoederen, maar zelfs de opbloei van hun eerste „echte” kultuur te danken hebben!

Teneinde de onhoudbaarheid van dit waandenkbeeld op overtuigende wijze aan te toonen, willen wij ook in dit hoofdstuk weer zooveel mogelijk de feiten laten spreken. Daarbij zullen achtereenvolgens Karels afkomst en persoonlijkheid, de aard van zijn rijk en de voor beide zoo kenmerkende wijze, waarop hij een eind maakte aan het zelfstandige volksbestaan der [82] Saksen — het eenige volk van Midden-Europa, dat zijn Germaanschen aard nog zuiver had bewaard — worden besproken.

1 Karels afkomst en persoonlijkheid.

Wanneer Karel door Duitsche en Nederlandsche geschiedschrijvers doorgaans wordt voorgesteld als een bijna ideale vertegenwoordiger van het type van den „echten” Germaan, moet dit ongetwijfeld worden geweten aan een tweetal oorzaken, welke onderling nauw verband houden. Vooreerst moet worden vastgesteld, dat deze historici bij hun beschouwingen steeds blijken uit te gaan van een vage, ja, hoogst nevelachtige voorstelling van hetgeen onder een echten Germaan is te verstaan. Daarnaast valt op te merken een steeds weer op den voorgrond stellen van allerlei bijkomstigheden, gepaard aan een volledig voorbijzien van de hoofdzaak. Uit den aard der zaak is de tweede fout het logische en noodzakelijke gevolg van de eerste. Een nadere omlijning van het begrip „Germaan” dient daarom aan onze beschouwing vooraf te gaan.

Ongetwijfeld hebben de begrippen „Germaan” en „Germaansch” in onzen tijd voornamelijk een taalkundigen inhoud verkregen, in zooverre daarmee de volken worden aangeduid, die Germaansche talen spreken. Het staat echter vast, dat onder de volken, die tot de Germaansche talengroep behooren, het Noordras-element overheerscht en als toonaangevend is te beschouwen. Evenmin is het voor tegenspraak vatbaar, dat deze overheersching van het Noordras binnen de Germaansche volkengroep sterker is geweest en duidelijker tot uiting is gekomen, naarmate men verder in de geschiedenis terug gaat; de oude Germanen waren zuiverder vertegenwoordigers van dit ras dan wij, terwijl hun talen nog niet — zooals dat tegenwoordig het geval is — op groote schaal door volks-elementen van ander ras waren overgenomen. Het is het bewustzijn van dit overwegen van het Noordras binnen [83] de Germaansche volkenfamilie, dat zelfs den meest verstokten bestrijder der „rassenleer” huiverig maakt, om de benaming „Germaan” zonder meer toe te passen b.v. op een Noordamerikaanschen, Engelsch (dus een Germaansche taal!) sprekenden, Neger. Geheel onmogelijk lijkt het evenwel zulk een Neger, op grond van b.v. zijn voorbeeldige uitspraak van het Engelsch, als een „echten” Germaan te bestempelen. Evenals onder de volken der Germaansche taalgroep het Noordras-element overheerscht en toonaangevend is, wordt onder een „echten” Germaan iemand verstaan, bij wien de lichamelijke en geestelijke trekken van dit ras eveneens overheerschen. Behalve door blond haar, een lange en smalle schedel, lichtgekleurde oogen en een lange en slanke gestalte, wordt de echte Germaan dus in geestelijk opzicht gekenmerkt door de vrije en onafhankelijke geesteshouding, die de eeuwen door den mensch van het Noordras in zoo hooge mate heeft gekenmerkt. De vraag is nu, in hoeverre deze trekken bij Karel den Frank aanwezig waren en zijn persoonlijkheid bepaalden.

* * *

Wat de afkomst van Karel betreft, zij er vooreerst aan herinnerd, dat het geslacht der Arnulfingers — zooals in het vorige hoofdstuk reeds is uiteengezet — ofschoon in mannelijke lijn waarschijnlijk wél van Germaansche afkomst, tijdens zijn langdurig verblijf op Gallischen bodem door voortdurende vermenging zoozeer was verbasterd, dat de voor het Noordras kenmerkende trekken en typeerende geesteshouding bij zijn uit de geschiedenis bekende leden niet meer duidelijk op den voorgrond treden en ten deele zelfs geheel ontbreken. Met name is dat het geval bij Pippijn den Korten, den vader van Karel, bij wien van het Germaansche wezen weinig meer is te bespeuren; men denke slechts aan zijn blijkbaar opvallend korte gestalte, zijn kerkelijk georiënteerde politiek en zijn onzelfstandige geesteshouding.

Het ligt zeker geheel in de lijn van de gedragingen, die wij tot dusver bij dit geslacht den toon zagen aangeven, dat de moeder van Karel niet met zekerheid bekend is. Gewoonlijk wordt als zoodanig genoemd Pippijns gemalin Bertha, of Berthrada, dochter van een zekeren Heribert, graaf van Laon. [54] Daar zij ten tijde van Karels geboorte (742 of 743, zelfs het jaar is onzeker!) nog niet kerkelijk met Pippijn gehuwd was — het kerkelijk huwelijk tusschen beiden werd eerst later (747?) gesloten[94] — is Karel, naar kerkelijke opvatting, in elk geval een buitenechtelijk kind geweest. Of Bertha wel inderdaad zijn moeder was, blijft bovendien onzeker. Terwijl de bronnen op dit punt met elkaar in tegenspraak zijn en Einhard, Karels biograaf, het „ongepast” noemt nader op zijn geboorte en jeugd in te gaan, alsof daar een luchtje aan zat, is er onder de oorkonden namelijk één, waarin het heet, dat Karels moeder een Hongaarsche was, terwijl een andere bron hem weer een Oost-Frankische moeder toeschrijft. Hoewel hier dus alles onzeker is, wettigen zoowel Karels uiterlijk, als zijn geesteshouding het vermoeden, dat het verhaal omtrent zijn Hongaarsche (dus Mongoolsche!) moeder althans een kern van waarheid bevat. Terecht is opgemerkt[95], dat ook wanneer Karels moeder uit het tegenwoordige Frankrijk afkomstig was, zij zeer wel van Mongoolsche afstamming kan zijn geweest, gezien o.a. het feit, dat na den slag op de Catalaunische velden (451) aan een groep Hunnen een woonplaats werd gegeven in de tegenwoordige Vendée.

Wat het uiterlijk van Karel betreft, moet, in strijd met de heerschende opvatting, worden vastgesteld, dat zijn lichamelijke verschijning geenszins heeft beantwoord aan die van den echten Germaan. Wanneer de hedendaagsche geschiedschrijvers, die hem als Germaan verheerlijken, aan Karel een lange gestalte toeschrijven, gaan zij daarbij af op een skelet, dat men in het jaar 1164 — dus 350 jaar na Karels dood! — in de Maria-kerk te Aken heeft gevonden, toen men daar, op bevel van keizer Frederik Barbarossa, de stoffelijke overblijf selen van den grooten Frankenkeizer poogde op te graven. Dit skelet, dat, naar latere onderzoekingen hebben aangetoond, de respectabele lengte van 1.92 M. heeft en dat nog steeds, als ware het van Karel, in een te Aken aanwezigen schrijn wordt bewaard, biedt echter niet de minste zekerheid, dat het inderdaad dat van Karel is. Want niet alleen heeft in het jaar 1164 niemand meer geweten, waar de kapel, waarin Karel zou zijn bijgezet, heeft gestaan, maar bovendien is het niet eens zeker, of hij wel in Aken is begraven[96]. In verband met de geringe lengte van zijn vader is het ook zeer onwaarschijnlijk, dat Karel opvallend lang zou zijn geweest. Deze [85] veronderstelling is bovendien in strijd met het getuigenis van Einhard, die zijn koninklijken vriend en beschermer een statige, maar niet overmatig lange gestalte, een korte nek en een „eenigszins zwaar lichaam” toeschrijft. De bijzonderheden, die omtrent Karels uiterlijk verder nog in de bronnen worden vermeld: zijn rond hoofd, zwart haar, dunne snorbaard en rond gezicht, duiden op een Mongoolsche, of althans Oostras (Alpine) afstamming. Het is daarom van groot belang na te gaan, of zijn geaardheid inderdaad zoo Germaansch is geweest, als zijn hedendaagsche vereerders het doen voorkomen.

* * *

De bewijzen, die voor Karels Germaanschen aard naar voren worden gebracht, blijven bijna zonder uitzondering in het uitwendige steken en zijn daarom zeer weinig overtuigend. Vooreerst wordt telkens weer gewezen op Karels dapperheid en andere krijgsmansdeugden, alsmede op zijn voorliefde voor jagen, rijden en zwemmen[97]. Hier rijst onmiddellijk de vraag, of dapperheid en strategisch talent alleen bij Germanen kunnen voorkomen en of het op den voorgrond treden der genoemde liefhebberijen slechts bij een echten Germaan denkbaar is. Natuurlijk moet deze vraag ontkennend worden beantwoord; evenmin als de Germanen het monopolie van dapperheid en veldheerstalenten bezitten, zoomin is het juist, dat de voorliefde voor de genoemde sport — ofschoon onder hen inderdaad zeer veelvuldig — zich uitsluitend tot hen beperkt. Hetzelfde kan worden gezegd van Karels groote belangstelling voor den landbouw en het beheer zijner landgoederen, die ook al als een bewijs voor zijn Germaanschen aard worden aangehaald. Indien de Germanen op het gebied van den landbouw al hebben uitgemunt, dan hebben zij dit toch zeker met verscheidene volken van ander ras gemeen. Bepaald vreemd doet het echter aan, wanneer door een hedendaagsch geschiedkundige[98] ook Karels belangstelling voor sterrenkunde als een Germaansch erfstuk wordt opgevat. Want het was juist Karel, die getracht heeft de Germaansche 8-deeling van de windroos door een andere te vervangen. Dank zij de mislukking van zijn poging, is de kompasroos echter nog steeds 32-deelig. Daarentegen gelukte hem de invoering van een dagindeeling in 24 in plaats van in 8 deelen. Even [86] wonderlijk doet het aan, wanneer Karels Germaansche aard wordt afgeleid uit het feit, dat hij eens aan den Langobard Fardulf de opdracht gaf, om bij St. Denis voor hem een huis „naar de zede der oervaders” te bouwen, waaronder waarschijnlijk een oud-Germaansche vorstenhal van hout is te verstaan. Attila bezat ook een Germaansche hal en toch zal bij niemand het denkbeeld opkomen hem daarom onder de echte Germanen te rangschikken.

Minder dwaas, ofschoon evenmin overtuigend, zijn enkele andere feiten, die als bewijzen voor Karels vermeenden echt Germaanschen aard worden genoemd. Zoo wordt gewezen op het feit, dat hij aan een door hem uit Ravenna meegevoerd ruiterstandbeeld van Dietrich van Bern (d.i. Theoderik den Grooten) een eereplaats gaf op het voornaamste plein van Aken. Dit feit zou echter alleen dan iets omtrent Karels geaardheid kunnen bewijzen, indien vast stond, dat hij Theoderik heeft vereerd om de echt Germaansche deugden, waaraan deze Oost-Gothenkoning zoo rijk was. Dit staat echter volstrekt niet vast. Als Dietrich van Bern werd Theoderik in heel het Avondland vereerd en in tal van liederen bezongen, zoodat het zeer goed mogelijk en in verband met Karels geesteshouding zelfs waarschijnlijk is, dat hij hier eenvoudig heeft meegedaan aan een reeds in zwang zijnde mode. Echter moet worden erkend, dat hij in dit geval van een ruimere opvatting blijk gaf, dan de aan zijn hof vertoevende geestelijken, voor wie dit, tegenover hun hoofdkerk geplaatste, standbeeld van een Ariaanschen ketter een gruwel was[99]. Van de bezwaren dezer geestelijken trok hij zich al evenmin iets aan bij zijn bevel tot verzameling en opteekening der oud-Germaansche heldenliederen, een bevel, dat in hun kring zonder twijfel eveneens scherpe afkeuring heeft gevonden[100]. Wanneer Karel, als meer op de praktijk gericht man, zijn geestelijke adviseurs nu en dan in ruimheid van opvatting heeft overtroffen, kan dit echter nog volstrekt geen aanleiding zijn, om hem een werkelijk vrije, echt Germaansche levenshouding toe te schrijven.

Al evenmin blijkt deze levenshouding uit de groote mate van gastvrijheid, die Karel — zooals ons met nadruk wordt verzekerd — steeds betoonde en die steeds weer wordt aangehaald als een bewijs voor zijn Germaanschen aard. De vraag dient evenwel te worden gesteld, of zijn handelen hier inderdaad [87] voortsproot uit een aangeboren Germaanschen geest. Wanneer wij lezen, dat de vele pelgrims uit Groot-Brittanje en lerland, die, op reis naar Rome, hun weg door het Frankenrijk namen, een groot bezwaar voor de schatkist werden, zoodat zelfs tegen het misbruik, dat van deze pelgrimstochten werd gemaakt, moest worden opgetreden, rijst het vermoeden, dat Karels gastvrijheid minder te danken was aan het vasthouden aan een oud-Germaansche zede, dan wel aan het beoefenen van een christelijke deugd, die echter, wat de praktijk betreft, tegenover deze pelgrims op hetzelfde neerkwam.

Naast deze weinig steekhoudende argumenten, die te zeer op uiterlijkheden betrekking hebben, dan dat zij veel omtrent Karels geaardheid kunnen bewijzen, worden door zijn vereerders toch ook enkele feiten genoemd, waaruit inderdaad iets omtrent zijn persoonlijkheid is af te leiden. Zoo wordt door hen erop gewezen, dat Karel levenslang heeft vastgehouden aan de oud-Frankische kleedij, die hij slechts tweemaal — beide malen bij bijzondere gelegenheden te Rome — voor een Romeinsche toga moet hebben verwisseld. Met nadruk wordt verder naar voren gebracht, dat het Frankische dialect — dus een Germaansche taal! — zijn moedertaal was. Aan de juistheid van dit feit, waaraan terecht groote beteekenis wordt toegekend, valt inderdaad niet te twijfelen. Immers bericht Einhard, dat Karel „met de moedertaal niet tevreden”, ernaar streefde „ook vreemde talen te leeren, waarvan hij het Latijn[101] zóó goed leerde, dat hij het zich tot gewoonte maakte, daarin even goed als in zijn moedertaal te bidden”. Al kan uit deze feiten het een en ander worden afgeleid omtrent Karels denkwijze en geaardheid, zoo bewijzen zij nog volstrekt niet, dat hij van Noorder bloed was. Een antwoord op de vraag, welk ras in zijn aanleg overheerschte, wordt door deze feiten niet gegeven.

Toch moet het feit, dat een Germaansche taal zijn moedertaal was, voor Karels gemoedsleven van groote beteekenis zijn geweest. Liefde tot de moedertaal is een ieder aangeboren. Zoo kan het ons niet verwonderen, wanneer wij vernemen, dat ook Karel zijn moedertaal heeft liefgehad en dat hij getracht heeft haar te verrijken en tot hooger ontwikkeling te brengen, getuige o.a. zijn streven, om Germaansche namen voor de windrichtingen en de maanden in te voeren en zijn bevel tot opteekening der oud-Germaansche heldenliederen.

[88] Zooals ook zijn vasthouden aan de kleedij zijner vaderen en aan bepaalde Germaansche gebruiken — b.v. het veelvuldig baden en zwemmen — bewijst, heeft Karel, op grond van zijn taal en de afkomst van zijn geslacht, zichzelf zonder twijfel als een echte Frank beschouwd en is hij afkeerig geweest van de romaniseering op de gebieden van taal en uiterlijke beschaving, waaraan, nadat de zooveel gevaarlijker romaniseering op het gebied der kultuur in hoofdzaak was voltooid, een steeds grooter deel der Franken in zijn tijd ten prooi viel.

Het schijnt zelfs verantwoord nog een stap verder te gaan en de mogelijkheid open te laten, dat Karel, op grond van zijn taal, zich niet alleen als een Frank, maar ook als een Germaan heeft beschouwd. Het besef van de nauwe verwantschap der verschillende Germaansche volkstalen begon in zijn tijd op te komen, zooals blijkt uit het in gebruik komen van het woord „Duitsch” („theodisc”, of „diutisk”, in het Latijn „theodiscus”, afgeleid van „diot”, het Oud-Hoogduitsche woord voor volk), waarmee men, op het voorbeeld der geleerden, deze talen begon aan te duiden[102]. Karels bevel tot het samenstellen van een „Duitsche”, d.i. dus algemeen Germaansche, grammatica, alsmede zijn verdere bemoeïïngen op taalkundig gebied, maken het waarschijnlijk, dat hij zelf dit besef ook deelachtig is geweest. Meer dan een taalkundige eenheid zijn de Germanen voor hem echter niet geweest en al toonde hij ook in menig opzicht liefde voor het Germaansche, zoo miste hij toch, als bastaard, de noodzakelijke intuïtie, om de Germaansche volksziel in haar diepere roerselen te kunnen begrijpen. Het on-Germaansche van zijn persoonlijkheid komt reeds uit bij de beschouwing van zijn familieleven.

* * *

Het huwelijks- en familieleven van Karel den Frank is door de geschiedschrijvers niet weinig opgehemeld. Zijn groote zinnelijkheid wordt toegegeven, maar hieruit verklaard, dat hij een krachtmensch was, die niet lang zonder vrouw kon leven; zijn sexueele losbandigheid zou dus eigenlijk een bewijs te meer zijn voor zijn grootheid[103]. Ondanks zijn zinnelijke aard, zou Karel echter toch tot ware liefde in staat zijn geweest. Ook wordt hij ons als een voorbeeldig huisvader [89] afgeschilderd, die zijn talrijke kinderen — echte en onechte — teeder beminde en als een welmeenende, ofschoon iets te toegeeflijke, patriarch over hun belangen waakte. Na al deze lofspraak doet het zeker vreemd aan, wanneer men, in onmiddellijke aansluiting hierop, dan verder verneemt, dat Karel zijn eerste gemalin, een dochter[104] van den Langobardenkoning Desiderius, zonder grond heeft verstooten, om nog in hetzelfde jaar (771) te huwen met de eerst twaalfjarige Hildigard, een Alemannische, die hem in een tijdsverloop van twaalf jaar vier zoons en vijf of zes dochters schonk. Na haar dood, in 783, nam hij zich — alweer in hetzelfde jaar! — Fastrada, de dochter van één zijner graven, tot gemalin. Deze heerschzuchtige, harde en zelfs wreede vrouw moet een zóó grooten invloed op hem hebben gehad, dat een tweetal samenzweringen, bij één waarvan zijn zoon Pippijn was betrokken, er het gevolg van waren. Dit verhinderde evenwel niet, dat Karel een liefdesbetrekking aanknoopte met een andere vrouw, Liutgard, die hij na den dood van Fastrada (794) tot zijn gemalin verhief. Evenals Hildigard, was zij een Alemannische en evenals gene wordt zij door de geschiedschrijvers, zoowel om haar schoonheid, als om haar geestesgaven en karakter, uitbundig geprezen. Na haar dood (800) nam Karel zich geen nieuwe gemalin, maar leefde met een drietal „vriendinnen”.

Is dit relaas reeds niet verkwikkelijk, vooral wanneer men in aanmerking neemt, dat in de bronnen zeker wel het noodige bemanteld of verzwegen zal zijn, erger is, dat Karel aan zijn dochters een zoodanige vrijheid toestond, dat ongewenschte gevolgen op den duur niet uitbleven. Wel praten de geschiedkundigen dit goed[105], door te beweren, dat Karel zijn lieftallige dochters zóó gaarne om zich heen had, dat hij liever het een en ander door de vingers zag, dan ze uit te huwelijken en daardoor hun gezelschap te moeten missen, maar dit neemt niet weg, dat de feiten toch een eigenaardig licht op zijn karakter werpen. Naar Dahn mededeelt, schonk één zijner dochters, Hrothrud, aan graaf Rorik van Maine een zoon, Lodewijk, later protonotarius van Karel den Kalen en abt van St. Denis, St. Riquier en St. Wandrille, terwijl een andere dochter, Bertha, twee zonen schonk aan den abt Angilbert van St. Riquier, des Keizers meest vertrouwden raadgever en vriend[106]! Opmerkelijk is, dat de abt ook na deze voorvallen [90] Karels bijzondere gunst behield. Dahn merkt dan op, dat aan Karels hof een zoodanige zedelijke verwording heerschte, dat van een nicht des Keizers, Gundrada, kon worden gezegd, dat zij alleen van alle aan het hof verblijvende jonkvrouwen kuisch was gebleven. Ook uit een capitalatio (= rijkswet) van Karel zou de aan zijn hof heerschende sexueele losbandigheid duidelijk blijken. Onmiddellijk na zijn dood liet zijn zoon Lodewijk later een radicale opruiming houden. Genoeg is hiermee gezegd, om aan te toonen, dat de zoo onGermaansche liederlijkheid, die wij reeds bij de Merowingers na de kerstening der Franken hebben opgemerkt, aan het hof van Karel den Frank geenszins ontbrak. Tot de weinige figuren, die, zooals koningin Brunhilde en haar gemaal Sigibert, dank zij hun onverbasterd bloed, torenhoog boven deze verwording uitstaken, heeft hij dan ook stellig niet behoord.

* * *

Een Germaansche levenshouding — en daarop alleen komt het ons aan! — spreekt al evenmin uit Karels beweerde voorliefde voor de Rijnstreek en het daarmee in verband gebrachte feit, dat hij tegen het eind van zijn leven Aken tot zijn feitelijke residentie maakte. Wanneer hij bij voorkeur vertoefde in de aan of nabij den Rijn gelegen paltsen (= paleizen), zooals die te Nijmegen en Ingelheim, dan gaven daarbij zeer waarschijnlijk praktische overwegingen den doorslag, met name de wensch, om dicht bij het steeds onrustige en tot verzet tegen het Frankische juk geneigde Saksen te zijn. Dezelfde overwegingen hebben zonder twijfel meegesproken bij de vestiging van zijn residentie in Aken, welke stad bovendien nagenoeg in het aardrijkskundige middelpunt van zijn rijk was gelegen, in tegenstelling met Rome, dat wegens zijn excentrische ligging als regeeringszetel niet in aanmerking kon komen[107]. Ook de in eerstgenoemde stad aanwezige geneeskrachtige bronnen, waarvan Karel op lateren leeftijd een dankbaar gebruik maakte, hebben waarschijnlijk bij de keuze meegesproken.

Beslist on-Germaansch zijn Karels bloeddorst en wreedheid, karaktertrekken, die — zooals zelfs door zijn hedendaagsche vereerders[108] moet worden toegegeven — in het oude Germanië onbekend waren. Kenmerkend voor zijn aard lijkt ons [91] het bekende verhaal omtrent zijn schoolvisitaties, dat ontleend is aan Notker van St. Gallen. Volgens dit verhaal zou Karel aan de arme, maar vlijtige knapen, als belooning voor hun ijver, latere waardigheden en ambten hebben beloofd, terwijl hij aan de voorname, maar luie[109] knapen zou hebben toegevoegd, dat hij niet veel „om hun adel” en „hun knap uiterlijk” gaf en dat zij daarmee nimmer iets goeds van Karel hadden te verwachten. Spreekt hier niet de haat van den bastaard tegen den adellijken mensch en misschien ook de afkeer van vreemd bloed tegen het Noordras, dat juist in den adel zijn zuiverste vertegenwoordigers[110] vond?

Wat de talenten betreft, die bij Karel waarschijnlijk het meest op den voorgrond traden en zijn persoonlijkheid kenmerkten, schijnt het zeer wel mogelijk, dat deze verklaard moeten worden uit zijn vreemde bloed. Wanneer wij van hem vernemen, dat hij de bewondering van zijn tijdgenooten opwekte door de voortreffelijke wijze, waarop hij zijn uitgestrekte rijk bestuurde en administreerde en wanneer daarbij met nadruk wordt vermeld, dat hij zijn omgeving verbaasde door de mate, waarin hij steeds op de hoogte was, niet alleen van de bijzonderheden van het rijksbestuur, maar ook van het beheer zijner talrijke „villae” (= groote landgoederen), dringt zich onwillekeurig de vergelijking op met de heerschers der Mongoolsche wereldrijken, die eveneens uitblonken in organisatorisch talent en administratieve bekwaamheid[111]. In elk geval behoeft het op den voorgrond treden dezer talenten bij Karel niet noodzakelijk in verband te worden gebracht met het Noordras, dat, ofschoon op organisatorisch gebied eveneens zeer begaafd, voor bureaucratie en een in bijzonderheden afdalende administratie eerder een zekeren tegenzin aan den dag schijnt te leggen.

Tenslotte is ook Karels groote belangstelling voor theologie en zijn daarmee samenhangende neiging, zich in dogmatische strijdvragen en spitsvondigheden te verdiepen, een vingerwijzing voor on-Germaanschen aard en — naar Noorder maatstaf! — niet-genialen aanleg. Deze belangstelling ging zoover, dat hij zich niet alleen mengde in de theologische twisten van zijn tijd[112] en daarbij zelfs persoonlijk aan de plaats vindende debatten deelnam, maar zich ook bezighield met het aanbrengen van verbeteringen in Latijnsche teksten en het zoeken naar den oorspronkelijken vorm van den regel [92] der Benedictijnen. Kenmerkend voor zijn bekrompen geestesgesteldheid is ook het feit, dat hij paus Leo II in het jaar 804 midden in den winter over de Alpen liet komen, om met hem te spreken over een wonder, dat te Mantua zou zijn geschied[113].

Neemt men al deze feiten in aanmerking, dan is het in hooge mate bevreemdend, dat het nog steeds de gewoonte is, om dezen bigotten, bijgeloovigen en in theologische termen denkenden vorst, wiens geestesgaven — gemeten met den maatstaf van het Noordras — hoogstens als middelmatig aangemerkt kunnen worden, voor te stellen als een typischen en ras-echten Germaan en hem tevens te rangschikken onder de genieën der wereldgeschiedenis. Inplaats van dezen Frankenkoning op één lijn te stellen met een Alexander, een Caesar en een Napoleon, met wie hij in aanleg niet is te vergelijken, dient men hem eerder een plaats te geven in de groote rij der heerschers, wier macht door de grootheid hunner gaven geenszins werd geëvenaard, de rij dus, waartoe o.a. zijn latere naamgenoot, Karel V, alsmede Philips II en Lodewijk XIV behooren. Al behoort Karel de Frank ongetwijfeld tot de hoofdfiguren der geschiedenis, zoo dient hij toch uit de rij der groote figuren te worden geschrapt. Het aureool, dat hij in de oogen van het nageslacht heeft verkregen en tot op onzen tijd heeft behouden, is hem door de Kerk verleend. Daar de geschiedschrijvers, zulks in navolging van Einhard[114], zijn beeld zooveel mogelijk hebben ontdaan van zijn, naar Germaanschen smaak, afstootende trekken, kon deze stralenkrans zijn hoofd tot op onzen tijd blijven omschijnen en is zij nog slechts weinig verbleekt. Laat men zich daardoor niet verblinden, dan blijft, bij een onbevooroordeelde beschouwing, van den genialen aanleg, dien de latere geschiedschrijvers aan Karel hebben toegeschreven, evenmin veel over, als van den ras-echten Germaanschen aard, dien zij hem hebben toegedicht. Het blijft evenwel de vraag, of en in hoeverre zijn levenswerk niettemin aan de Germanen ten goede is gekomen.

2) Het „Imperium Christianum”.

a. Het rijk van Karel den Frank, zijn ontstaan en karakter.

[93] Het rijk van Karel den Frank is niet ten onrechte door de geschiedkundigen vergeleken met dat van Napoleon, dat inderdaad, wat betreft omvang, aardrijkskundige begrenzing en volkenkundige samenstelling, sterk aan het zijne herinnert. Bij een verdere doorvoering van deze vergelijking springt echter een kenmerkend verschil in het oog. Let men namelijk op de ontstaanswijze van beide rijken, dan is het duidelijk, dat terwijl het rijk van den grooten Corsicaan in hoofdzaak als een persoonlijke schepping is te beschouwen, dat van Karel veel meer is op te vatten als het eindresultaat van een langdurige ontwikkeling, die, door Chlodwig ingeluid en door Pippijn den Middelsten opnieuw op gang bracht, dank zij de politiek van Karel Martel, Karloman en Pippijn den Korten over de haar tegenwerkende krachten de beslissende overwinning behaalde, zoodat voor Karel slechts de taak bleef weggelegd haar te voltooien. Ook voor zijn vroegere en hedendaagsche vereerders[115] is Karel daarom meer de voleinder van het werk zijner voorvaderen, dan de baanbreker voor een nieuwe ontwikkeling.

In verband hiermee kan het ons niet verwonderen, dat het oorspronkelijke karakter, dat aan het latere Fransche keizerrijk in zoo hooge mate eigen was en dat — moge men tegen zijn samenstelling en karakter ook de grootste bezwaren hebben — toch altijd frisch aandoet, bij het rijk van den Karolinger geheel ontbreekt. Een universeel karakter was — zooals wij reeds zagen — aan het Frankische Rijk al door Chlodwig verleend; de zalving van Pippijn den Korten had het ook reeds zijn theocratischen stempel gegeven. Evenwel is ook de overheerschende machtspositie van het Frankenrijk door Karel wel versterkt, maar niet gevestigd. Als beschermheer van den Paus, of — zooals men het toen uitdrukte — van Sint Petrus, was reeds Pippijn in de oogen zijner onderdanen de rechtmatige [94] voogd over de Roomsch-katholieke kerk, zoodat hij met recht kan worden beschouwd als de wegbereider naar het beschermheerschap over de geheele Westersche christenheid, dat zijn zoon zich zou toekennen. Als de machtigste vorst van het Westen knoopte reeds hij zoowel met den Byzantijnschen keizer[116], als met den khalief van Bagdad betrekkingen aan, zoodat al onder zijn regeering de geschiedenis van het Frankische Rijk begint uit te groeien tot die van geheel West-Europa. Hoezeer Karel heeft voortgebouwd op het werk zijner vaderen, blijkt bij de nadere beschouwing zijner veroveringen.

* * *

Van deze veroveringen zijn ongetwijfeld die van Saksen en van Noord-Italië de voornaamste en tevens de in hun gevolgen belangrijkste. Door beide voltooide Karel evenwel slechts, wat zijn voorgangers reeds waren begonnen. Zooals ons reeds bleek in het vorige hoofdstuk, is de onderwerping der Saksen voorbereid door Karel Martel, Karloman en Pippijn den Korten, die eenerzijds door hun opdringen in Friesland, anderzijds door de bevestiging van hun macht in Zuid- en Midden-Duitschland het Saksische gebied van twee zijden hadden ingesloten. Tevens hadden deze vorsten door de herhaalde krijgstochten, welke zij tegen de Saksen ondernamen, de richting vastgelegd, waarin Karels veroveringspolitiek zich ten opzichte van het vrij gebleven Germanië zou bewegen. Wanneer Karel, ondanks zijn geweldige overmacht, bijna levenslang heeft moeten vechten, om het einddoel te bereiken en de Saksen tot onderwerping te brengen — een kortstondige onderbreking (n.l. van 785-792) buiten beschouwing gelaten, duurde de Saksenoorlog meer dan dertig jaar, van 772 tot 804! — dan pleit dit zeker niet voor zijn grootheid als veldheer en staatsman, Evenwel kan hier veel worden verklaard uit den aard van het Saksenvolk, dat, in zijn heiligste gevoelens gekrenkt en bedreigd, zich tot het uiterste tegen de vreemde overheersching verzette.

De verovering van het rijk der Langobarden (774), waardoor Karel Noord-Italië bij zijn rijk inlijfde, was — zooals duidelijk blijkt uit het verloop van de voorgeschiedenis van zijn veldtocht — al evenmin het gevolg van een vooraf door hem beraamd plan. Veeleer was deze verovering, die voor de [95] Middeleeuwsche geschiedenis van het latere Duitschland van zoo verstrekkende beteekenis is geworden, een gevolg van min of meer toevallige omstandigheden, die bij het uitbreken van het conflict den doorslag gaven. De onedele houding, die Karel tegenover zijn eerste gemalin, de dochter van den Langobardenkoning Desiderius, had aangenomen, speelde daarbij b.v. een groote rol. Dit neemt evenwel niet weg, dat de machtsuitbreiding over Noord-Italië toch in zooverre in de lijn der historische ontwikkeling lag, als reeds de door zijn vader naar Lombardije ondernomen veldtochten, alsmede het beschermheerschap over den pauselijken stoel, dat aan Pippijn ten deel was gevallen, ook hier de richting hadden aangewezen, waarin Karels veroveringsdrang zich kon uitleven. Het snelle succes, dat hij — in tegenstelling met den Saksenoorlog — hier behaalde, was evenwel minder een gevolg van zijn eigen genialiteit, dan wel van de verregaande staat van verzwakking, waarin het Langobardenrijk ten gevolge van velerlei oorzaken[117] verkeerde.

Hetzelfde gebrek aan oorspronkelijkheid valt op te merken bij de andere veroveringen, die Karel heeft ondernomen. Zijn ingrijpen in Spanje was slechts de voortzetting van de reeds onder Karel Martel begonnen strijd tegen de Mohammedanen, die reeds onder Pippijn den Korten, inplaats van een verdedigend, een aanvallend karakter had gekregen; men denke slechts aan diens verovering van Narbonne (759). De groote plannen, die Karel aanvankelijk ten opzichte van Spanje koesterde, heeft hij bovendien niet kunnen verwezenlijken. Bij den beroemden veldtocht, dien hij in het jaar 778 tegen den khalief van Cordova ondernam, beoogde hij niets minder dan de verovering van geheel Spanje[118]. Na de inname van Pampelona stiet hij echter het hoofd voor Saragossa, dat hij tevergeefs belegerde en op den terugtocht werd zijn achterhoede volkomen vernietigd in den pas van Roncesvalles[119]. Wel kwam het later (795) tot de oprichting van de z.g. Spaansche Mark, welke het aan gene zijde der Pyreneeën gewonnen gebied omvatte, maar dit neemt niet weg, dat zijn oorspronkelijk veel verder reikende plannen volkomen waren mislukt.

Daarentegen was de inlijving van Beieren (788) door de voorafgegane gebeurtenissen reeds in die mate voorbereid, dat zij door Karel zonder noemenswaardige krachtsinspanning kon worden verwezenlijkt. Niet alleen was dit land, sinds de [96] verovering van Lombardije, aan drie zijden door het Frankische gebied ingesloten, maar ook was het in genen deele tegen zijn machtigen nabuur opgewassen. Het bereiken van zijn doel werd Karel hier bovendien vergemakkelijkt door de zwakke houding van den Beierschen hertog Tassilo, die zijn bij het begin van Karels regeering afgelegden en later eenige malen hernieuwden vasalleneed herhaaldelijk brak, maar op het beslissende oogenblik niet den moed vond, om voor zijn onafhankelijkheid te strijden.

Als erfgenaam van Beieren aanvaardde Karel ook den strijd tegen de Avaren, een Mongoolsch ruitervolk, dat sinds de zesde eeuw in Pannonië (= het tegenwoordige Hongarije) huisde en dat in het jaar van Tassilo’s afzetting een verwoestenden inval in Beieren had gedaan. Als verdediger van West-Europa tegen een uit Azië komende bedreiging trad Karel hier in de voetsporen van zijn grooten voorvader, Karel Martel en verdient hij ongetwijfeld onze waardeering. Ook mag als vaststaand worden beschouwd, dat hij in den Avarenoorlog (791-795), die, in verband met den aard van het landschap en het karakter zijner bewoners, bijzondere moeilijkheden meebracht, groote energie heeft ontwikkeld en van een juist inzicht heeft blijk gegeven. Herinnerd zij hier slechts aan zijn troepenvervoer over den Donau en zijn daarmee samenhangende plan, om deze rivier door een kanaal met Main en Rijn te verbinden. Ofschoon de uitvoering van dit plan met de toenmalige hulpmiddelen onmogelijk bleek, moet het niettemin als een geniale gedachte worden bestempeld. Wat het verloop van den krijg zelf betreft, dient bij de beoordeeling van Karels succes niet te worden vergeten, dat de Avaren onder hun Groot-Khan slechts een losse eenheid vormden, terwijl bovendien van de onder dit opperhoofd staande „toedoens” (= stadhouders) sommige tot de Franken overhelden. Ondanks dit gebrek aan eenheid in het vijandelijke kamp duurde het nog jaren, eer de voornaamste „ring” der Avaren was veroverd (795), waarna nog weer ettelijke jaren verliepen, eer hun verzet geheel was gebroken.

De Slavische stammen, die, langs de oostgrens van het Frankenrijk gezeten, door Karel in den loop zijner regeering schatplichtig werden gemaakt, waren nog nauwelijks tot staatvorming gekomen en daarom niet bij machte, om aan den op hen uitgeoefenden druk een krachtigen weerstand te bieden. Hier [97] kwam nog bij, dat sommige dezer stammen uit hun bondgenootschap met het naburige rijk aanzienlijke voordeelen genoten, terwijl de band met het centrale gezag hier bovendien zóó los was, dat hij nauwelijks werd gevoeld en daarom moeilijk tot verzet aanleiding kon geven. Indien men de gedeeltelijke onderwerping dezer Slaven al tot Karels veroveringen wil rekenen, dan droeg zij toch zeker als zoodanig slechts een voorloopig karakter.

Samenvattend kan worden gezegd, dat, met uitzondering alleen van Noord-Italië, waar een vermolmd staatswezen aanstonds[120] onder zijn mokerslagen bezweek, Karels veroveringen óf het resultaat zijn geweest van een langdurigen en wisselvalligen strijd (Saksen, Spaansche Mark, land der Avaren), óf hem als een rijpe vrucht in den schoot zijn gevallen (Beieren), terwijl hem bij al zijn ondernemingen, voorzoover hij daarbij niet onder den dwang der omstandigheden heeft gehandeld, door zijn voorgeslacht de weg is gewezen. Waarop berust dan de bewering[121], dat Karel zich bij zijn veroveringen zou hebben laten leiden door den wensch, zooveel mogelijk Germanen bij zijn rijk in te lijven, waarbij hem dan de stichting van een Germaansch-christelijk eenheidsrijk voor oogen zou hebben gestaan? De feiten spreken een andere taal! Onder de door Karel veroverde gebieden bezat slechts het Saksenland een nagenoeg zuiver Germaansche bevolking. Gedurende den langen en met de uiterste verbittering gevoerden oorlog werd deze echter niet alleen op schrikwekkende wijze gedund, maar ook moedwillig verbasterd, doordat Karel er tenslotte toe overging groote volksdeelen weg te voeren, wier plaatsen ten deele door Franken, maar voornamelijk door Slaven werden ingenomen. Verder overwoog het Germaansche element in Beieren, doch in Noord-Italië en de Spaansche Mark vormde het slechts een dunne bovenlaag, terwijl het in het Avarenland en de Slavische gebieden bijna geheel ontbrak. Deze opsomming wettigt het vermoeden, dat Karels veroveringen meer vreemde bestanddeelen dan Germanen binnen zijn rijk hebben gebracht en daardoor het Germaansche element in den Frankischen staat relatief hebben verzwakt. En zeker zou dit in nog veel sterker mate het geval zijn geweest, indien hij zijn veroveringsplannen betreffende Spanje volledig tot uitvoering had kunnen brengen. De grenzen, die hij aan zijn rijk gaf, hielden [98] dan ook geen verband met het woongebied der Germanen, maar waren in hun, van de volksgrenzen onafhankelijk, beloop een getrouwe weerspiegeling van den universeelen aard van zijn rijk. Meer dan iets anders geven deze grenzen uitdrukking aan den onbeperkten veroveringsdrang, waardoor Karel, in navolging van zijn voorgeslacht, zich levenslang liet leiden.

* * *

Hetzelfde gemis aan oorspronkelijkheid valt op te merken bij de inwendige organisatie van Karels rijk. In wezen waren zijn bestuursmethoden dezelfde als die zijner voorgangers; de nieuwe trekken, die het rijksbestuur onder zijn regeering verkreeg, waren niet van ingrijpenden aard en bovendien ten deele aan de Kerk ontleend. De graafschapsindeeling was voor en na het fundament, waarop het Karolingische bestuursstelsel berustte en de dienst- of beambtenadel bleef, als vanouds, de voornaamste steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook de verregaande dooreenmenging van wereldlijk en geestelijk gezag was reeds van ouden datum. Nieuw was de inrichting der markgraafschappen, die in de laatste helft van Karels regeering langs de grenzen werden opgericht en die, naar het schijnt, als zijn persoonlijke schepping zijn te beschouwen. Nieuw was ook de instelling der zendgraven, of koningsboden (in het Latijn „missi regii”, of „missi dominici” geheeten), die toezicht op de graven moesten houden, maar dit instituut was geen uitvinding van Karel, maar een navolging van de in de Kerk in zwang zijnde bisschoppelijke visitatiereizen[122]. In zooverre deze instelling als een uiting van keizerlijk wantrouwen is op te vatten, is zij tevens een bewijs voor den gebrekkigen samenhang van Karels rijk, voor het luchtledig, dat aanwezig was tusschen het Imperium en de volken, die het samenstelden, tusschen het centrale gezag en het volksleven in landschap en gouw (Zaunert). De poging, om door bureaucratische middelen het ontbreken van den natuurlijken gevoelsband tusschen den vorst en zijn onderdanen goed te maken, was tot mislukking gedoemd. Het feit, dat zij werd ondernomen, kan als een voorbode van de komende ontbinding van dit heterogene rijk worden beschouwd.

Van groote beteekenis voor het karakter van den Frankischen staat was de sociale ontwikkeling, die zich in Karels tijd [99] voltrok. Tengevolge van de voortdurende oorlogen en den toenemenden omvang der rechtspraak werden de heerban (d.i. de militaire dienstplicht) en de dingplicht (d.i. de plicht, om aan gerechtszittingen deel te nemen) voor de vrije en eigenerfde boeren gaandeweg een ondragelijke last, waarom zij er meer en meer toe kwamen, zich met gedeeltelijke prijsgave van hun eigendomsrecht en zelfs van hun vrijheid onder de bescherming der groote landeigenaren te stellen. Wel nam Karel enkele maatregelen tot verlichting van den druk, maar deze bleven, ofschoon goed bedoeld, zonder het gewenschte gevolg. Het tegenhouden van deze langzaam voortschrijdende ontwikkeling, die op het leenstelsel moest uitloopen, zou ook een bijna bovenmenschelijke taak zijn geweest. Tengevolge van het geleidelijk verdwijnen van de oud-Germaansche boerenvrijheid, verkreeg de Frankische staat evenwel ook in zijn maatschappelijken opbouw steeds meer een on-Germaansch karakter. Laat ons thans zien door welke denkbeelden en idealen Karel zich bij het bestuur van zijn staat liet leiden!

b. De idee van den godsstaat en haar verwerkelijking.

Door welke voorstellingen Karel zich bij zijn politiek liet leiden, wordt ons duidelijk, wanneer wij vernemen, dat Augustinus’ boek „Over den Godsstaat” (De Civitate Dei) — waarvan in het eerste hoofdstuk een korte karakteristiek werd gegeven — zijn lievelingsboek was, waaruit hij zich tijdens zijn maaltijden liet voorlezen. Inderdaad was het onder invloed van dit boek, dat Karel meer en meer tot de voorstelling kwam van een christelijk wereldrijk „Imperium christianum”, waarover hij, als Frankenkoning en „Verdediger der Kerk”, geroepen was te heerschen, welke roeping hem echter tevens de plicht oplegde, de heidenen met geweld aan dit rijk te onderwerpen[123]. Terwijl Augustinus’ leer, dat aan den „Godsstaat”, d.i. de georganiseerde, zichtbare Kerk, de wereldheerschappij toekomt, hem in staat stelde, om aan zijn zuiver wereldlijke veroveringspolitiek een godsdienstige wijding te geven, diende hem tevens de leer van dezen kerkvader inzake de op den aardschen „wereldstaat” rustende plicht, om [100] ketters met geweld naar de Kerk terug te voeren, tot het „bekeeren” of uitroeien der heidenen. Door het fanatisme van Augustinus, die door Dahn niet ten onrechte één der grootste, maar tevens verderfelijkste leeraars der menschheid wordt genoemd, werd Karel er toe gebracht, om van de heidensche volken, die hij bij zijn rijk inlijfde — Saksen zoowel als Avaren — godsdienstige „bekeering” te eischen als symbool van staatkundige onderwerping. De gedwongen bekeering dezer heidenen werd zelfs het hoofddoel, waarop Karel de krachten van zijn rijk concentreerde[124].

Hoezeer deze denkbeelden Karel beheerschten, wordt duidelijk uit het feit, dat, toen hij tot den veldtocht van 778 besloot, de bevrijding der Spaansche christenen van het juk van den Islam hem als hoofddoel voor oogen stond en aan zijn, door veroveringsgedrang en machtsbegeerte ingegeven, onderneming een godsdienstige wijding verleende. Kenmerkend voor zijn denkwijze is echter vooral een brief, dien hij in het jaar 794 aan Spaansche ketters[125] schreef, om hun onder het oog te brengen, dat hij dit doel zou moeten opgeven, indien zij, door in hun ketterij te volharden, het hem onmogelijk zouden maken, om met hen gemeenschap te onderhouden. Grooter enghartigheid is wel nauwelijks denkbaar en van een Germaansche levenshouding is hier zeker geen spoor meer te bekennen. De opvattingen, waartoe Karel onder Augustinus’ invloed kwam, worden door Dahn[126] als volgt gekenschetst:

Reeds lang vóór 801 is zijn opvatting van zijn heerschersplicht de theocratische: recht, moraal, godsdienst werden in het geheel niet gescheiden. Het recht is slechts het middel tot het door de moraal gestelde doel. Alle moraal is godsdienstig. De Kerk, als draagster der openbaring, bepaalt de moraal. De Koning (of Keizer) heeft den plicht, de Kerk te beschermen. Het Godsrijk op aarde is de Kerk: kerk en staat vormen een eenheid. Zij zijn beide slechts één kogel, de bovenste (geestelijke) en de onderste (wereldlijke) halve kogel van de groote eenheid: de „Christenheid”. Karels rijk behoort niet slechts een gemeenschap te zijn van het recht, maar ook van het „zedelijk-christelijke leven”.

Hoe groot de invloed was, die deze denkbeelden op de praktijk van het staatsleven uitoefenden, blijkt vooreerst uit de door Karel uitgevaardigde capitulariën, waarin — naast [101] rechtsvragen en staatkundige aangelegenheden — ook zuiver kerkelijke kwesties worden geregeld. Zoo regelen deze rijkswetten vraagstukken, die niet slechts op den ritus en de liturgie, maar ook op de kerkleer betrekking hebben. Weliswaar werden de desbetreffende besluiten gewoonlijk alleen door geestelijken genomen, op synoden, die veelal met rijksdagen samenvielen, of aan deze voorafgingen, maar dit neemt niet weg, dat zij als „capitula” (= hoofdstukken) werden ingelascht in capitulariën, die ook op andere dingen betrekking hadden en dat van een scherpe scheiding tusschen wereldlijke en geestelijke vergaderingen geen sprake was[127].

De theocratische opvatting, die Karel omtrent zijn heerschersambt huldigde, blijkt verder uit den eed van trouw, dien hij van zijn onderdanen verlangde. Bij dezen eed moesten zij zich niet alleen verplichten tot trouw en gehoorzaamheid, maar ook tot opvolging van de Joodsche wet der Tien Geboden. Daarmee nog niet tevreden, veranderde deze „echte” Germaan na zijn keizerskroning de eedsformule zoodanig, dat de zedelijke en godsdienstige plichten zijner onderdanen daarin nog meer naar voren kwamen.

De verregaande vermenging van godsdienst, moraal en recht in den allerchristelijksten Frankischen staat vindt wel zijn meest schrijnende uitdrukking in het feit, dat kloosters tevens werden gebruikt als staatsgevangenissen. In deze inrichtingen, die het voortbrengsel waren eener den Germaan vreemde en onverstaanbare vroomheid, deed Karel al diegenen verdwijnen, die hem gevaarlijk waren, of wier onverzettelijkheid het welslagen zijner plannen in den weg stond. Dit ondervonden niet slechts de heidensche Saksen, die bij honderden binnen de kloostermuren moesten versmachten, maar ook de christelijke koning Desiderius, die na zijn val met vrouw en dochter in een Frankisch klooster werd opgesloten. Hetzelfde lot trof ook den Beierschen hertog Tassilo, die, nadat hij aanvankelijk wegens zijn trouwbreuk ter dood was veroordeeld, door Karel werd begenadigd, maar daarop tezamen met zijn beide zonen tot monnik werd geschoren. Het on-Germaansche karakter van Karels „Godsstaat” wordt door niets beter geteekend, dan door de dienstbaarmaking van het asketisch levensideaal aan politieke onderdrukking.

* * *

[102] Opmerkelijk is, dat Karel zichzelf — en niet den Paus — als het hoofd van den Godsstaat beschouwde en daarom niet slechts in wereldlijke, maar ook in zuiver kerkelijke zaken optrad als de hoogste gebieder. Welke opvatting hij omtrent zijn verhouding tot het pausdom was toegedaan blijkt uit een brief, dien hij aan paus Leo III bij gelegenheid van diens troonsbestijging deed toekomen en waarin hij de taken van Koning en Paus als volgt omschrijft:

Onze taak is het, de heilige kerk van Christus overal tegen den aanval der heidenen en de verwoesting door de ongeloovigen naar buiten met de wapens te verdedigen en naar binnen door de erkenning van het katholieke geloof te bevestigen; Uw taak is het, met op de wijze van Mozes tot God opgeheven handen onzen krijgsdienst te ondersteunen[128].

Duidelijk blijkt uit deze woorden, dat Karel van het politieke initiatief van den Paus volstrekt niet gediend was en dezen geheel tot zijn zuiver geestelijke functies wilde beperken. De Paus werd dan ook als een Frankisch rijksbisschop behandeld en het feit, dat Leo III in het jaar 798 „op bevel” van den Koning, zooals het uitdrukkelijk heet, het aartsbisdom Salzburg oprichtte, dat bedoeld was als een zendingscentrum voor het juist veroverde Avarenland en de daarbij aansluitende Slavische gebieden van het Z.O., toont aan, dat men van een „Caesaro-papisme” naar Byzantijnsch model in den Frankischen staat niet ver meer was verwijderd. Wat Karel bij de benoeming van bisschoppen aan den Paus overliet, was feitelijk slechts de ceremonie der zalving. De brief, dien paus Adrianus I in het jaar 791 aan hem schreef, om hem te onderrichten omtrent de hindernissen[129], die zich daarbij konden voordoen, bewijst, dat hij het recht van den Paus, om over de wijding te beslissen, althans in beginsel heeft erkend. Daarentegen was van eenige volksinvloed bij de benoeming dezer ambtsdragers hoegenaamd geen sprake meer. Terwijl in den Frankischen staat reeds sinds lang zich de gewoonte had ingeburgerd, dat omtrent de benoeming der bisschoppen, die, volgens canoniek recht, door clerus en volk moesten worden verkozen met toestemming van den metropolitaan en de andere bisschoppen, in werkelijkheid gewoonlijk door den Koning werd beslist[130], blijkt uit niets, dat Karel met deze gewoonte heeft gebroken. Hoe ver was men hier verwijderd van de [103] typisch Germaansche geesteshouding, die b.v. doorklinkt in het Oud-Zweedsche West-Götalag, waarin het heet:

Wanneer een bisschop moet worden gekozen, dient de Koning bij alle lieden in het land na te vorschen, wien zij willen hebben; het moet een boerenzoon zijn. Dan dient de Koning hem een staf in de hand te geven en een gouden zegelring. Daarna behoort men hem in de kerk te voeren en op den bisschopsstoel te plaatsen. Van dat oogenblik af is hij in het volkomen bezit zijner macht, zonder wijding.

Het beschermheerschap over de Kerk, dat Karel zich als „patricius Romanus” — een titel, dien ook zijn vader reeds had gedragen — toekende, werd door hem zelfs in een zoo ruimen zin opgevat, dat hij zich ook met zuiver kerkelijke aangelegenheden bemoeide en daarin zelfstandig besliste. Als „beschermheer van de Kerk overal” (ubique), zooals hij zich weldra[131] noemde, achtte hij het niet alleen zijn plicht, om zijn heidensche naburen met geweld te bekeeren, maar ook, om steeds en overal voor de zuiverheid van het geloof te waken. Zoo liet hij naar aanleiding van de ketterij[132] van een tweetal Spaansche bisschoppen, van wie slechts de eene zijn onderdaan was, terwijl de andere uit het door de Mohammedanen beheerschte deel van Spanje afkomstig was, te Regensburg (792) een Frankische rijkssynode samenkomen, waar, onder zijn persoonlijke leiding en zonder dat de Paus ook slechts naar zijn meening werd gevraagd, deze ketterij werd veroordeeld en één der beide bedrijvers ervan tot herroeping werd gedwongen. Nog verder ging een concilie, dat twee jaar later te Frankfurt bijeen kwam en dat eveneens door den Koning persoonlijk werd gepresideerd; het veroordeelde onder meer een besluit der synode van Nicaea (787) over de beeldenvereering, dat door den Paus was goedgekeurd, en deelde dit den Paus in krasse bewoordingen mee, terwijl het van hem verlangde, dat hij zijn eigen vroeger genomen besluit zou veroordeelen[133]. Ofschoon hij later door de Kerk heilig is verklaard, blijkt Karel van het geloof in de persoonlijke onfeilbaarheid dus nog zeer ver verwijderd.

De keizerskroning bracht in zijn verhouding tot het nominale opperhoofd van de Kerk geen verandering. Een te Aken gehouden synode (809) besloot op zijn voorstel, dat — in tegenstelling tot de leer der Byzantijnsche kerk — de Heilige [104] Geest niet slechts van den Vader, maar ook van den Zoon uitging en liet dit in de geloofsbelijdenis opnemen. Kenmerkend voor de verhoudingen is het alweer, dat de Paus eerst achteraf zijn instemming met het nieuwe leerstuk betuigde, hoewel hij de opneming van het „filioque” in de geloofsbelijdenis afkeurde. Niet minder kenmerkend is het feit, dat Karel in meerdere omzendbrieven de hooge geestelijkheid van zijn rijk onderrichtte in vragen, die het geloof en de uitdeeling der sacramenten betroffen. Terwijl de synoden van het jaar 812 het recht des Keizers, om ook in zuiver geestelijke zaken bevelen te geven, eenstemmig en met eerbied erkenden, meende de synode, welke in het volgende jaar te Mainz werd gehouden, den monarch zelfs met den titel „beheerscher en regent van de Kerk” te moeten eeren.

De afhankelijke positie, waarin de Paus zich bevond, wordt van een anderen kant belicht, wanneer wij het oog slaan op de verhoudingen in den Kerkelijken Staat. Ofschoon Karel (in 774) de door zijn vader aan St. Petrus gedane schenking bevestigde en beloofde deze met nog andere Italiaansche gebiedsdeelen te zullen vergrooten[134], behield hij toch in Rome en omgeving het oppergezag en beschouwde hij zich als de souverein ook van den Paus. Ondanks herhaaldelijk voorkomende meeningsverschillen wijst alles erop, dat de Paus deze souvereiniteit in beginsel ook steeds heeft erkend. Het sterkste bewijs daarvoor ligt wel in het gedrag van Paus Leo III, die, door een hem vijandige partij onder de bevolking van Rome gevangen genomen en mishandeld, maar naar Spoleto ontkomen, zich vervolgens naar Karel begaf, om van hem een gerechtelijk onderzoek, bestraffing der schuldigen en herstel in zijn waardigheid te begeeren. Het ingrijpen, waartoe Karel toen inderdaad besloot en waarbij hij als rechter over den Paus optrad, werd de onmiddellijke aanleiding tot de keizerskroning.

c. De keizerskroning en haar symbolische beteekenis.

Wat bij deze keizerskroning allereerst opvalt is het feit, dat de nieuwe titel, hoewel hij ongetwijfeld Karels aanzien [105] verhoogde, in den omvang en het karakter zijner heerschersrechten geen feitelijke verandering bracht. Ook toen hij nog slechts „koning van het rijk der Franken en Langobarden” heette, was Karels machtspositie reeds in wezen een universeele, d.i. keizerlijke. Bovendien was de herleving van het West-Romeinsche keizerschap reeds aangekondigd door den titel van „patricius Romanus”, welken Karel — in navolging van zijn vader — bij het begin zijner regeering aannam, want deze titel bracht niet slechts zijn souvereiniteit over Rome en over den Paus, maar ook zijn beschermheerschap over de Romaansche bevolking van heel Italië tot uitdrukking[135]. Bracht de keizerskroning in de feitelijke machtsverhouding dus geen verandering, zoo werd zij niettemin door de wijze, waarop zij plaats vond, voor de toekomst van de grootste beteekenis. Als symbool van de verandering, welke zich in de geesteshouding der leiding gevende Franken had voltrokken, is zij voor ons van het grootste belang. Hoe groot die verandering was, blijkt, wanneer wij de ontstaanswijze van het denkbeeld der keizerskroning nagaan.

In verband met den geweldigen omvang van Karels macht was het niet meer dan natuurlijk, dat bij de geletterden dier dagen de gedachte opkwam, dat zijn positie, ofschoon in naam een koninklijke, in wezen een keizerlijke, universeele was. Paus Adrianus I, die in een brief van 778 Karel als den „nieuwen allerchristelijksten imperator Constantijn” aanspreekt, schijnt als eerste aan deze gedachte uitdrukking te hebben verleend[136]. Vermoedelijk was deze betiteling echter slechts een beleefdheidsphrase, waartoe de Paus zich verplicht achtte in verband met de grootsch opgezette poging, welke Karel in genoemd jaar ondernam, om Spanje aan de Mohammedanen te ontrukken. Zooals uit talrijke uitlatingen blijkt, leefde deze gedachte echter vooral in den kring der aan zijn hof verbonden geleerden, welke men wel zijn academie heeft genoemd. Daar deze uitlatingen, waarvan de eerste omstreeks het jaar 794 vallen, tegen 800 steeds talrijker worden, moet worden aangenomen, dat het denkbeeld der keizerskroning inderdaad van dezen geleerdenkring is uitgegaan[137]. Voor deze mannen die — zooals Alkwin (Alcuin) — geheel in de voorstellingen van het oude, doch reeds christelijke, Rome leefden, was Karel, als opperheer van Rome — de hoofdstad der wereld! — en als beschermer der Kerk „overal” reeds [106] keizer, ook wanneer hij officieel den titel nog niet voerde. Het denkbeeld der keizerskroning was dan ook hieraan te danken, dat deze geleerden, voor wie de oud-Germaansche opvattingen niet meer bestonden, in Karel niet meer den Frankenkoning, maar den leider van het christenvolk — „rectorem populi christiani”, zooals Alkwin hem in een zijner brieven noemt — zagen. Een sterkere verzaking van de Germaansche wereldbeschouwing en traditie is wel niet denkbaar.

In het prijsgeven van de Germaansche wereldbeschouwing ligt zonder twijfel ook de diepste oorzaak van hetgeen bij de kroning geschiedde. Immers was de rol, die de Paus bij deze plechtigheid speelde, ofschoon bij uitstek geschikt, om aan het nieuwe keizerschap een theocratisch en on-Germaansch karakter te geven, toch — naar met zekerheid mag worden aangenomen — met de oorspronkelijke bedoelingen van Karel volstrekt niet in overeenstemming. Het denkbeeld, om aan den Frankenkoning den imperatorstitel te verleenen, kan echter moeilijk van den Paus zijn uitgegaan, want terwijl de positie, welke de bisschop van Rome zich als wereldlijk vorst en geestelijk primaat gaandeweg had verworven, door Karels zich uitbreidende macht reeds ernstig was geschokt, werd zij door de hernieuwing van het West-Romeinsche keizerschap ongetwijfeld in nog sterker mate bedreigd. Afgezien van de mogelijkheid[138], dat de nieuwe keizer zich in Rome zou vestigen en daardoor alle voordeelen te loor zou doen gaan, welke de opeenvolgende pausen hadden weten te verkrijgen door gebruik te maken van de omstandigheid, dat sinds het jaar 555 hun wettige souverein in het verafgelegen Byzantium woonde[139] en daardoor niet bij machte was, om zich voldoende te doen gelden, moest het den tijdgenoot, die het snelle verval van de Frankische macht na Karels dood onmogelijk kon voorzien, waarschijnlijk voorkomen, dat het herstel van dit keizerschap de afhankelijkheid, waarin het pausdom ten opzichte van den Frankenkoning reeds verkeerde, nog zou vergrooten. Bestond niet het gevaar, dat de wederopstanding van het Romeinsche Imperium tevens de beslissende stoot zou zijn voor het ontstaan van een „Caesaro-papisme” ook in het Westen? Met het Byzantijnsche voorbeeld voor oogen kon het opperhoofd der Westersche kerk onmogelijk iets voor het herstel van het Westersche keizerschap gevoelen. Dit neemt evenwel niet weg, dat de Paus, toen dit herstel onafwendbaar [107] bleek, getracht heeft uit de gebeurtenissen toch zooveel mogelijk voordeel te trekken.

Voor de toekomst was het van de grootste beteekenis, dat Leo III, van den nood een deugd makend, het initiatief tot de kroning schijnbaar van zich deed uitgaan, doordat hij, nog voordat deze op de door Karel gewenschte wijze had kunnen plaats vinden, den Frankenkoning op een oogenblik, waarop hij er volstrekt niet op verdacht was, onverhoeds een keizerskroon op de slapen drukte. Terwijl deze priesterlist latere pausen in staat heeft gesteld, om — met een schijn van recht — te beweren, dat aan den plaatsvervanger van St. Petrus het recht toekwam, om naar welgevallen over de keizerskroon van het Avondland te beschikken, is voor ons hier het belangrijkste, dat zij aan een waardigheid, waarvan het karakter oorspronkelijk door den geest van het Noordras was bepaald, een nieuwen inhoud verleende, die in niets meer aan dat ras herinnerde. Immers was het vanouds een Romeinsche grondregel geweest, dat het leger den imperatorstitel verleende en dit „imperatorem facit exercitus” vertolkte een opvatting omtrent de koningskeuze, die oorspronkelijk bij alle Indo-Germaansche volken — de oude Romeinen zoowel als de Germanen — gangbaar was geweest[140]. Nu de Paus den imperator kroonde, verkreeg deze waardigheid daardoor hetzelfde theocratische karakter, dat door de ceremonie der zalving ook reeds aan het Frankische koningschap was verleend. De zalving van Pippijn en de keizerskroning van Karel liggen daarom in één lijn; in wezen on-Germaansch, zijn beide te beschouwen als symbolen van de verdringing van de Germaansche wereldbeschouwing en het Germaansche recht door de wereldbeschouwing en het recht van den laat-Romeinschen rassenchaos. Zij zijn bovendien de voorboden van een priesterheerschappij, die in de komende eeuwen de onderdrukking van den Germaanschen geest ten top zou voeren.

Welke opvatting Karel zelf omtrent zijn nieuwe waardigheid koesterde, wordt duidelijk uit het feit, dat hij zijn keizerschap aanvankelijk niet beschouwde als een erfelijk bezit van zijn huis, maar als een strikt persoonlijke titel, welke bij zijn overlijden weer zou verdwijnen. Theocratisch als zijn opvatting was, meende hij in zijn vele overwinningen en groote macht de bewijzen te zien, dat hij persoonlijk door God was uitverkoren, om als beschermer van de Kerk op te treden. Met de [108] idee van den „Godsstaat” — die toch moeilijk anders dan duurzaam, ten minste voor zoover dit begrip hier op aarde geldigheid heeft, gedacht kan worden — schijnt dit tijdelijke keizerschap moeilijk in overeenstemming te brengen. Nog minder lijkt daarmee te rijmen het feit, dat Karel in het jaar 806 zijn rijk onder zijn drie zonen, Karel, Lodewijk en Pippijn, verdeelde, teneinde te voorkomen, dat na zijn dood een strijd over die verdeeling zou uitbreken. De gelijkstelling van een „Godsstaat” met een privaat bezit, dat na den dood van den eigenaar onder de erfgenamen wordt verdeeld, lijkt ons onmogelijk[141], Toch is het een feit, dat slechts de vroegtijdige dood van twee zijner drie wettige zonen heeft verhinderd, dat Karels rijk reeds bij zijn dood in stukken uiteen viel; daar het keizerschap aanvankelijk bestemd was weer te verdwijnen, zou er in dat geval geen enkele band zijn geweest, die de drie deelrijken bijeen hield. Het denkbeeld van een ondeelbaar staatsgezag was Karel blijkbaar even vreemd, als zijn Merowingische en Arnulfingische voorgangers: nieuwe wegen heeft hij ook in dit opzicht niet gebaand. De kloof tusschen zijn godsdienstig ideaal en de staatkundige traditie van zijn voorgeslacht heeft hij niet weten te overbruggen.

d. „Frankische” kultuur en kultuurpolitiek.

Alvorens ons af te vragen, welke beteekenis Karels rijk heeft gehad voor de Germanen, dienen wij nog een oogenblik stil te staan bij den aard der z.g. „Frankische” kultuur en de wijze, waarop deze werd bevorderd. Beide waren volstrekt on-Germaansch en de gewelddadige wijze, waarop een afgeleefde bastaard-kultuur aan de binnen het rijk wonende volken werd opgelegd, was zeker uitermate geschikt, om alle eigen en levende — dus echte! — kultuur in den kiem te smoren.

Het wezen dezer pseudo-kultuur wordt helder belicht, wanneer wij een blik slaan op den onvolprezen kring van dichters en geleerden, die Karel aan zijn hof had verzameld. Deze mannen, tot wie o.a. Petrus van Pisa [1, [2 https://en.wikipedia.org/wiki/Petrus_Pisanus] of 3?], een grammatica-leeraar uit Italië; Paulus Diaconus, de geschiedschrijver der Langobarden; Paulinus, later patiarch van Aquileja: Theodulf, [109] een West-Goth uit Spanje en Karels beste hofdichter, maar ook een geleerd theoloog: Dungal, een Ier, wiens dichtersgaven niet beletten, dat hij zich later in een klooster terugtrok; de abt Angilbert, dien wij reeds bij de bespreking van Karels familieleven leerden kennen en Alkwin (Alcuin), een Angelsaks, die optrad als Karels voornaamste raadgever in kultureele aangelegenheden, behoorden, waren weliswaar voor het meerendeel Germanen, maar de kultuur, die zij brachten, was daarom toch niet minder on-Germaansch van karakter. Wat zij aan Karels hof deden herleven en deze aan de volken van zijn rijk — de Germaansche zoowel als de Romaansche — trachtte op te leggen, was de afgeleefde, christelijk gekleurde, schijn-kultuur van den laat-Romeinschen rassenchaos, die hier haar renaissance (= wedergeboorte) beleefde[142]. Zooals hun vorstelijke beschermheer zijn kerken en paleizen naar Romeinsche en Byzantijnsche voorbeelden liet bouwen, zoo schreven deze dichters en geleerden Latijnsche verzen en verhandelingen, die in vorm en inhoud nabootsingen waren van antieke voorbeelden. De kultureele overwinning van het Ondergaande Rome over zijn Germaansche overweldigers, waarvan in het eerste hoofdstuk werd gesproken, was aan dit hof reeds een voldongen feit.

De aard van de voorstellingswereld, waarin men in dezen geleerdenkring, waartoe ook Karel zelf behoorde, leefde, blijkt wel uit de bijnamen, die men in het onderling verkeer, dat zeer ongedwongen moet zijn geweest, elkaar gaf: Karel heette David of ook wel Salomo, Alkwin sprak men aan als Flaccus, abt Angilbert werd Homerus genoemd, terwijl Einhard zich den naam Besaleël zag toebedeeld. Het was dan ook een internationale gedachtensfeer van een volstrekt on-volksch karakter, waarin Karel leefde en waarin hij de volken van zijn rijk trachtte op te voeden[143]. Aan dit heillooze streven moet het worden geweten, dat aan de Germaansche volken geestelijke leidslieden werden opgedrongen, wier denkwereld een volksvreemd en tevens rasvreemd karakter bezat en door een onoverbrugbare kloof van de voorstellings- en gedachtenwereld van het gewone volk werd gescheiden. Zoo zien wij hier de innerlijke tweespalt ontstaan, die als een doodelijk venijn het geestesleven dezer volken tot op onzen tijd heeft vergiftigd.

Niet Germaansch, maar kerkelijk-christelijk was ook de aard [110] van het onderwijs, dat Karel in zijn rijk bevorderde. Beslissend voor inhoud en strekking van dit onderwijs, dat bijna uitsluitend door geestelijken werd gegeven, was de onder leiding van Alkwin staande hofschool, waarin Karel zijn zoons en dochters, tezamen met andere jongelieden, liet onderwijzen. Het doel dezer school, die het voorbeeld werd voor vele andere in de grootere steden van het rijk, wordt door Dahn als volgt omschreven:

Deze school was evenwel niet slechts voor geestelijken, maar ook voor leeken bedoeld. Maar in overeenstemming met de tot in haar diepsten grond theocratische denkwijze en theologische opvattingen van Karel was toch deze heele vorming — wat haar doel betreft — theologisch; ook leeken moesten — evenals geestelijken — per slot van rekening daardoor zoover komen, dat zij de in den Bijbel gegeven openbaring konden verstaan[144].

De aard van Karels kultuurpolitiek wordt scherp belicht door het feit, dat hij reeds in een zijner eerste verordeningen gelastte, dat onwetende priesters in hun ambt moesten worden geschorst, totdat zij de tekorten in hun vorming hadden aangevuld. De kathedraalkerken en kloosters werden verplicht door geregeld schoolonderwijs voor een voldoende aanwas van goed onderlegde geestelijken te zorgen en deze maatregelen hadden inderdaad ten gevolge, dat de clerus tegen het eind van Karels regeering op een veel hooger peil stond, dan bij zijn troonsbestijging. Teneinde de in den „Godsstaat” geldende plichten aan al zijn onderdanen duidelijk te maken, beval hij in een rijkswet van het jaar 801, dat niet slechts de ontwikkelingsgraad der geestelijken, maar ook die der leeken in het geheele rijk onderzocht moest worden. Terwijl geestelijken moesten bewijzen zooveel Latijn machtig te zijn, als voor de liturgie noodzakelijk was, werd van leeken verlangd, dat zij, op straffe van geeseling en onthouding van voedsel, het Onze Vader en de geloofsbelijdenis van Athanasius voor een bisschop, graaf, of koningsbode zouden kunnen opzeggen. Al bleek deze laatste bepaling ook onuitvoerbaar, zoo is zij daarom toch niet minder kenmerkend voor de kerkelijke doeleinden, die Karel met zijn kultuurpolitiek beoogde en de een vrijen Germaan onwaardige wijze, waarop hij deze poogde te bereiken.

3) Karel en de „Duitsche” landen.

a. Karels regeering in haar beteekenis voor de Germanen.

[111] Wanneer wij ons thans afvragen, in hoeverre Karels levenswerk aan de Germanen ten goede is gekomen, dient allereerst te worden herinnerd aan de alles vervlakkende werking, die — zooals ons in ’t tweede hoofdstuk bleek — van het Frankische Rijk ook vroeger reeds was uitgegaan. Krachtens zijn universeel en theocratisch karakter en zijn, van elk verband met het ras los geraakte, schijn-kultuur vormde dit rijk, ook afgezien van de persoonlijkheid van zijn heerscher, een doodelijk gevaar zoowel voor alle volksbestaan, als voor alle echte — d.i. met het ras verbonden en door het ras voortgebrachte — kultuur.

Het is evenwel duidelijk, dat de vervlakkende werking, welke het Frankische Rijk op het leven der onder zijn gezag staande volken uitoefende, door Karel nog in aanzienlijke mate is versterkt. De betrekkelijke zelfstandigheid, die hij aan sommige der bij zijn rijk ingelijfde volken toestond en de oude stamrechten, die hij gewoonlijk van kracht liet blijven, mogen ons in dit opzicht niet op een dwaalspoor brengen. Immers was van een werkelijk zelfbestuur hier geen sprake, getuige alleen reeds het feit, dat deze zeer beperkte autonomie zich niet uitstrekte over het gebied der kultuur[145], dus het gebied, dat voor het volksleven juist het allerbelangrijkste is. Kenmerkend voor Karels denkwijze is wel het feit, dat de gedachte bij hem opkwam, de versmelting van de volken van zijn rijk door menghuwelijken te begunstigen[146]. Hoewel dit denkbeeld, dat onwillekeurig de massa-huwelijken in herinnering roept, die Alexander de Groote tusschen Macedoniërs en Perzen deed plaats vinden, niet tot uitvoering schijnt te zijn gekomen, kenmerkt het niettemin Karels op de uitwissching van alle volks- en rasgrenzen gerichte streven, een streven, dat logisch voortvloeide uit zijn kerkelijk-godsdienstige idealen.

[112] Het waren dan ook Karels idealen en zijn daarmee samenhangende onverdraagzaamheid, die het gevaarlijke karakter van zijn rijk nog versterkten en zijn Imperium tot een bedreiging maakten voor het leven der daaraan onderworpen volken, in het bijzonder de Germaansche. In verband met zijn universeel en theocratisch karakter in de vérgaande vermenging van godsdienst en politiek, kerk en staat, die het kenmerkten, is zijn rijk wellicht het best te vergelijken met het Arabische wereldrijk der khaliefen. Echter valt het op, dat terwijl de opvolgers van Mohammed de door hen onderworpen volken ten minste hun godsdienst lieten behouden, of althans er niet toe kwamen hen met geweld tot verwisseling van geloof te dwingen, Karel daarentegen de volken, die hij bij zijn rijk inlijfde, zoo noodig met het zwaard bekeerde. Terwijl beide wereldrijken — evenals verscheidene andere! — zijn te vergelijken met enorme walsen, die de volken, over welke zij zijn heen gerold, hebben geplet en vervormd, is dat van Karel ongetwijfeld het meest vernietigend van karakter; dat deze wals niet enkel het kleinste gruis heeft achtergelaten, is dan ook uitsluitend te danken aan de buitengewone hardheid van het Germaansche graniet.

Wat Karels wereldrijk juist voor de Germanen zoo bijzonder gevaarlijk maakte, was zijn schijnbaar echt Germaansche aard, die meebracht, dat het rasvreemde hier tot op zekere hoogte in vermomming optrad en daardoor minder gemakkelijk als zoodanig werd herkend. Hier dringt zich de vergelijking op met de monarchie der Habsburgers, wier door volksvreemde idealen beheerschte politiek, wat Duitschland betreft, ongetwijfeld is vergemakkelijkt door het vermeende echt-Duitsche karakter van hun huis. Evenmin als de voorkeur, die een deel der Habsburgers getoond mag hebben voor de Duitsche taal en voor Duitsche zeden en gebruiken, iets afdoet aan het feit, dat de politiek van hun huis, over het geheel genomen, wezenlijk vijandig is geweest tegenover het Duitsche volk en aan de ontwikkeling van den Duitschen volksaard en de Duitsche kultuur in den weg heeft gestaan, zoomin kan de voorliefde, welke Karel de Frank aan den dag legde voor de Frankische taal en de kleedij zijner voorvaderen en misschien ook voor bepaalde Germaansche zeden en gebruiken, iets veranderen aan het feit, dat zijn door godsdienstige idealen beheerschte politiek de Germaansche volksaard en kultuur met vernietiging [113] heeft bedreigd. Hoezeer de bewondering, die hij misschien bij gelegenheid getoond heeft voor bepaalde uitingen van deze volksaard en kultuur, met het wezen en de algemeene richting van zijn, door de idee van den Godsstaat beheerschte, politiek in strijd was, toont reeds het lot van de op zijn bevel verzamelde en op schrift gebrachte Germaansche heldenliederen, die al onder de regeering van zijn zoon Lodewijk — „den Bidbroeder”, zooals zijn tijdgenooten hem veelbeteekenend noemden — als heidensche overblijfselen door de Kerk werden vernietigd. Als geheel genomen kon deze politiek slechts een gewelddadige ombuiging van den Germaanschen aard tengevolge hebben en wanneer zij, naast vele ongunstige, toch ook gunstige gevolgen voor de Germanen heeft gehad, dan waren die zeker onbedoeld en voor een deel zelfs ongewild. Met name was dit het geval op taalkundig gebied, zooals uit het vervolg zal blijken.

b. Karel en de „Duitsche” taal.

Zooals in het eerste deel van dit hoofdstuk reeds is aangestipt, kwam men in Karels tijd tot het besef van de nauwe onderlinge verwantschap der Germaansche talen, in verband waarmee het woord „Duitsch”[147] als benaming voor de grootste groep dezer talen in zwang kwam. Het eerst werd dit woord gebruikt door de geleerden, die daarmee aanvankelijk de volkstaal aanduidden in tegenstelling tot het Latijn, dat niet alleen door hen zelf werd gesproken en geschreven, maar dat ook de taal was van de Kerk en voorloopig ook van de dichters. Mogelijk is het woord dus aan Karels hof ontstaan[148]. Van meer belang is echter, dat zijn ontstaansgeschiedenis aantoont, op welke manier Karels rijk de bewustwording der Germaansche taaleenheid heeft bevorderd. Het gebruik van de vreemde taal, die in dit rijk een bevoorrechte positie innam[149], verdiepte het inzicht in het wezen der eigen taal en het besef van de taalkundige eenheid der Duitsche stammen brak zich eerst baan, toen men Latijn ging spreken en schrijven. Feitelijk was dit besef dus een gevolg van de overheersching van een vreemde taal, die de onderwerping aan het Frankische Rijk voor de Germanen meebracht.

[114] De studie van het Latijn gaf met name een dieper inzicht in de grondbeginselen ook der Germaansche grammatica en maakte zoodoende niet slechts de vreemde, maar ook de eigen taal tot een voorwerp van nadenken[150]. Vermoedelijk is dit ook bij Karel zelf het geval geweest, getuige zijn bevel tot het ontwerpen eener „Duitsche”, d.i. algemeen-Germaansche, grammatica. Door deze poging, om uit de veelheid der Germaansche dialecten een algemeene schrijftaal af te leiden, alsmede door zijn verdere bemoeiïngen op taalkundig gebied, heeft hij zich ongetwijfeld voor de ontwikkeling der Duitsche taal verdienstelijk gemaakt. Er is echter grond voor de veronderstelling, dat het vooral praktische, maar daarnaast ook kerkelijk-godsdienstige motieven waren, die bij hem daarbij op den voorgrond stonden. Wanneer wij vernemen, dat gedurende zijn regeering het schriftelijk verkeer in het staatsbestuur een „voor dien tijd verbazingwekkenden omvang” verkreeg (Hampe), wordt het ons duidelijk, dat Karel reeds om redenen van bestuurstechniek het ontstaan van een Duitsche schrijftaal moest bevorderen. De bijdrage, die hij door zijn bevel tot opteekening der, tot dusver slechts mondeling overgeleverde, stamrechten heeft geleverd voor het ontstaan eener Duitsche literatuur, zal dan ook stellig niet als zoodanig bedoeld zijn geweest. Intusschen laten deze feiten ons zien, hoe Karel de Frank door de samenvatting van alle latere Duitsche stammen in een grooter verband eenerzijds de behoefte aan een algemeene Duitsche schrijftaal heeft versterkt en anderzijds het ontstaan van deze schrijftaal heeft mogelijk gemaakt en bevorderd.

Overwegingen van kerkelijk-godsdienstigen aard hebben daarbij echter stellig meegesproken. Teneinde de kerstening der Duitsche stammen te voltooien, gelastte Karel aan de bisschoppen, die in overwegend Duitsche streken hun standplaats hadden, elken Zondag in het Duitsch te preeken en bevorderde hij het tot stand komen van Duitsche vertalingen van den catechismus, het Onze Vader, de geloofsbelijdenis, stukken uit de Evangeliën en de kerkvaders en verschillende kerkelijke formulieren[151]. Hier hebben wij Karels tweede bijdrage tot het ontstaan eener Duitsche literatuur voor ons, een bijdrage, die een zuiver christelijk-godsdienstigen inhoud bezat en evenmin als de eerste bedoeld kan zijn geweest als een verrijking der Germaansche kultuur. Het is immers [115] duidelijk, dat, wanneer de Kerk het gebruik der Latijnsche letters onder de Germanen verbreidde, zij dat alleen deed met het kennelijke doel, de invoering van den door haar belichaamden Roomsch-katholieken vorm van het Christendom, met al de vreemde en voor Germanen onverteerbare kultuurelementen, die daarmee waren verbonden, in het gebied der Duitsche taal te vergemakkelijken. Daarbij was Karel echter haar praktische raadgever. Want terwijl zijn omgeving — Alkwin aan het hoofd — vasthield aan de oude, ook reeds door Bonifatius beleden, leer van de drie heilige hoofdtalen: Grieksch, Hebreeuwsch en Latijn, was Karel in dit opzicht revolutionnair en wees hij aan de Kerk den juisten weg voor de verdere verbreiding van haar leer. Die weg was echter tevens de weg naar de volledige onderwerping van den Germaanschen geest. Ondanks zijn onmiskenbare verdiensten voor de Duitsche taal, die wellicht ten deele uit ware liefde voor die taal zijn te verklaren, maar anderzijds toch ook verband houden met zijn kerkelijke politiek, kan Karel daarom niet als een bevorderaar der Germaansche kultuur worden verheerlijkt, maar moet hij veeleer als een vernieler van die kultuur worden gebrandmerkt.

c. Karel en de Duitsche eenheid.

Voor het verdere verloop der geschiedenis was het van groote beteekenis, dat, met het besef van hun taalkundige eenheid, onder de Germaansche stammen van het latere Duitschland tevens het bewustzijn ontstond van hun volksche saamhoorigheid. Ook hier is het evenwel weer de vraag, of het gewettigd is Karel als de doelbewuste bevorderaar van deze Germaansche bewustwording te vereeren.

Zooals blijkt uit de door Tacitus opgeteekende stamsage, die alle Germanen van een drietal broeders laat afstammen, had aan de oude Germanen het gevoel van hun volksche saamhoorigheid niet geheel ontbroken. Dit ongetwijfeld slechts zwak ontwikkelde gevoel was in de stormen der Volksverhuizing weer verloren gegaan. De nauwe aanraking en het gedwongen in één rijk samenwonen met volken van andere taal en ander ras deed thans onder de Germanen van Karels rijk [116] dit gevoel herleven. Het verloop dezer ontwikkeling wordt veraanschouwelijkt door de geschiedenis van het woord „Duitsch”, dat aanvankelijk slechts de Germaansche taal aanduidde, maar later — na den dood van Lodewijk den Bidbroeder — ook in gebruik kwam voor het volk, dat deze taal sprak en het land, waar dit volk woonde. Ofschoon vermoedelijk nog zwak en met het nationale gevoel van onzen tijd in diepte en kracht niet te vergelijken, had dit herboren Germaansche saamhoorigheidsgevoel toch ten gevolge, dat de stammen der Beieren, Zwaben (= Alemannen), Oost-Franken, Thuringers, Saksen en Friezen gedurende de vroege Middeleeuwen gaandeweg ophielden zich als verschillende volken te beschouwen, wat op zijn beurt weer oorzaak was, dat de door Karel met geweld aan de Duitsche stammen opgelegde eenheid in de woelige tijden, die na zijn dood volgden, behouden kon blijven.

De herleving van de wetenschap der Oudheid, die onder dichters en geleerden het woord „Germania” weer in zwang bracht en daardoor voorzag in de door hen gevoelde behoefte aan een woord, dat kon dienen als benaming voor het gemeenschappelijke woongebied van alle Duitsche stammen, kan aan dit herboren gevoel van volksche verbondenheid hoogstens een nadere omlijning hebben gegeven. Immers bleef de invloed daarvan tot een kleine kring beperkt, want in de volkstaal drong het woord niet door[152]. Wanneer ook onder het eigenlijke volk het besef van zijn Germaanschen aard ontwaakte, was dit in de eerste plaats te danken aan de verscherpte tegenstelling tot volken van andere taal en ander ras, met welke het — dank zij juist het gedwongen samenleven in een gemeenschappelijk rijk — thans meer in aanraking kwam dan vroeger. Het ontwaken van dit zelfbewustzijn was echter vooral een gevolg van de zware en langdurige onderdrukking, die dit volk in zijn geheel had te verduren van de zijde van een vreemde macht, die, met zijn politieke onderwerping alleen niet tevreden, het ook geestelijk trachtte te knechten[153].

d. Karel en de Slaven.

Hoe onjuist het is, om Karel als den grondlegger van deze Duitsche eenheid te vereeren, blijkt ook, wanneer wij een [117] oogenblik stilstaan bij de politiek, die hij heeft gevolgd ten opzichte van de langs de oostgrens van zijn rijk wonende Slaven. Zonder twijfel heeft Karel door de gedeeltelijke onderwerping en de gedwongen bekeering dezer stammen, die de inleiding werden tot hun geleidelijke „germaniseering”, d.w.z. het overnemen door deze stammen van de Duitsche taal en zeden, de Oost-politiek der latere Duitsche koningen voorbereid. Ook hier is het echter zaak de gewilde van de ongewilde — of althans onbedoelde — gevolgen te onderscheiden. Indien Karel deze Slavische stammen onderwierp, dan gaven daarbij zijn ongebreidelde veroveringszucht en zijn even onbeperkte bekeeringsijver den doorslag, terwijl de behoefte aan een afdoende bescherming der grenzen de dekmantel was, waardoor hij zijn optreden trachtte te rechtvaardigen. Maar zeker heeft hem daarbij geen oogenblik de vergrooting van het Duitsche taalgebied, of de herovering van het tijdens de Volksverhuizing verloren gegane Germaansche Oosten als doel voor oogen gestaan.

Dit blijkt, wanneer wij het verloop der gebeurtenissen meer in bijzonderheden nagaan. Vooreerst was het niet Karel, maar hertog Tassilo van Beieren, die met de onderwerping en gedwongen bekeering dezer Slaven een begin maakte en daarom als de ontwerper van deze politiek kan gelden. Daarbij is natuurlijk te bedenken, dat deze politiek door het Frankische Rijk tegenover heidensche naburen sinds lang werd gevolgd en dat Tassilo slechts de eerste was, die haar ook tegenover Slaven in toepassing bracht. Door een geleidelijke gebiedsuitbreiding, gepaard gaande met een van staatswege krachtdadig ondersteunde zending, had hij reeds het gebied der Slavische Karantanen (het tegenwoordige Karinthië) bij zijn hertogdom ingelijfd, toen hij door Karel werd afgezet. Dank zij zijn grootere macht, die in deze streken vooral voelbaar werd na zijn overwinning op de Avaren, kon deze het veroverings- en bekeeringswerk op grootere schaal en met meer nadruk voortzetten, waarbij het evenwel iets nieuws was, dat hij het deed vergezeld gaan door een begin van kolonisatie in de veroverde gebieden. Aangezien bij deze kolonisatie uit den aard der zaak in hoofdzaak Beieren werden betrokken, was een vergrooting van het Duitsche taalgebied er het gevolg van. Ofschoon Karel daarom met een zeker recht de grondlegger der Duitsche Oostmark, het latere Oostenrijk, [118] mag heeten, is te bedenken, dat dit nog slechts dun bevolkte gebied een eeuw later door een nieuwe Mongoolsche vloedgolf, de uit Zuid-Rusland naar hun tegenwoordige woongebied opdrongen Madyaren, opnieuw werd overstroomd en daarbij zoodanig werd verwoest, dat het kolonisatiewerk naderhand feitelijk opnieuw moest beginnen[154]. Als stichter van de Oostmark kan Karel daarom slechts onder zeker voorbehoud gelden!

Ook de wijze, waarop hij aan de N.O.-grens van zijn rijk optrad, bewijst, dat bij hem van het bewustzijn van een Germaansche, of Duitsche, zending geen sprake kan zijn geweest. Inplaats van hier in het Noorden op te treden als de bondgenoot en machtige beschermer der Saksen en in het over de Saale en Elbe gelegen gebied aansluiting te zoeken bij de talrijke Germaansche volksresten, die sinds de Volksverhuizing in dit, door de Slaven nog pas dun bevolkte, gebied waren achtergebleven[155] en er waardevolle steunpunten hadden kunnen vormen bij een poging, om het voor de Germanen te heroveren, speelde hij liever de verschillende Slavische stammen tegen elkaar uit, op sommige waarvan hij zelfs steunde bij den verdelgingsoorlog, die hij bijna levenslang tegen de Saksen voerde. Zoo vormt ook de Slaven-politiek van Karel den Frank een treffend bewijs voor het imperiale en on-Germaansche karakter van zijn politiek.

e. Samenvatting.

Vatten wij ons oordeel omtrent de beteekenis, die Karels regeering voor de Germanen heeft gehad, thans in weinige woorden samen, dan dienen de gunstige gevolgen, die de gedwongen opneming in zijn rijk voor de in het oude kernland achtergebleven stammen op den duur heeft meegebracht, als zoodanig ten volle te worden erkend. Anderzijds moet echter uitdrukkelijk worden vastgesteld, dat zij van geringe beteekenis zijn tegenover de noodlottige uitwerking, die Karels Imperium op ras en kultuur der Germanen moest hebben. Gesticht op de puinhoopen der Germaansche vrijheid, heeft zijn rijk voor de Germanen een periode van politieke onderdrukking en geestelijke slavernij ingeluid, die bestemd was vele eeuwen [119] te duren en waarvan de gevolgen tot in onzen tijd nawerken. De gewelddadige ombuiging, die door zijn toedoen in den ontwikkelingsgang der Germaansche volken tot stand kwam, vindt haar meest zichtbare uitdrukking in de verbreking van het kultureele verband, dat tot dusver tusschen Noord- en Zuid-Germanen had bestaan. Terwijl Karel door zijn verovering en gedwongen bekeering van Saksen dit oer-Germaansche land afwendde van het stamverwante Skandinavië, waarmee het voorheen door vele banden van geloof en zede was verbonden, en hij aldus ook voor zijn nieuwe onderdanen de deur naar het Noorden sloot, heeft hij door zijn verovering van Italië en de kerkelijke instelling van zijn politiek de deur naar het Zuiden zoo wijd mogelijk geopend.

Zoo is het te verklaren, dat het Duitsche Rijk, dat als een ongewild gevolg van de veroveringspolitiek, die Karel ten opzichte van de Germanen had gevoerd, omstreeks een eeuw na zijn dood ontstond, maar weinig Germaansch meer aandoet. Dit „Heilige Roomsche Rijk der Duitsche Natie” draagt al te duidelijk den stempel van zijn ontstaan; het leeft hoofdzakelijk uit niet-Germaansche tradities; bezit een vreemde, van buiten af opgelegde en dus in wezen onechte, kultuur, handhaaft met geweld een aan het volk opgedrongen godsdienst en vindt — wat zeker ook in hooge mate kenmerkend is! — zijn zwaartepunt niet meer in het hart van het oude Germanië, maar aan den rand daarvan, aan den Rijn, ofschoon zijn grootste en strijdbaarste figuren[156] gewoonlijk nog uit het Germaansche kerngebied stammen. Welk een ontzaglijken druk dit on-Germaansche (immers Roomsche!) rijk, dat als erfgenaam van het Frankische Rijk optrad, op het geestesleven van het Duitsche volk heeft uitgeoefend, blijkt wel het best uit den eeuwenlangen strijd, dien dit volk heeft moeten voeren, om zich daarvan geleidelijk te bevrijden. Duurde het eeuwen, voordat het Duitsche volk in de dagen der Kerkhervorming het besef van zijn eigen aard gedeeltelijk herwon, zoo moesten nogmaals eeuwen verloopen, eer met de bewustwording van het Germaansche verleden dit besef volledig kon doorbreken. Het feit, dat enkele keizers, met name de Saksische: Hendrik de Vogelaar en zijn opvolgers, wederom bij de Germaansche traditie hebben aangeknoopt, heeft den on-Germaanschen aard van dit eerste rijk der Duitschers niet blijvend kunnen veranderen.

[120] Door zijn universeele monarchie heeft Karel echter niet alleen den grondslag gelegd voor de universeele monarchie der Middeleeuwsche Duitsche keizers, maar is hij bovendien de wegbereider geworden voor de wereldheerschappij der pausen, wier theocratische en universeele monarchie in de 13de eeuw die der keizers zou aflossen. Ook in dit opzicht is Karels rijk te vergelijken met dat van Napoleon, dat later een soortgelijke rol zou vervullen[157]. In verband met zijn volstrekt theocratisch karakter en de priesterkultuur, die het meebracht, was dit pauselijk Imperium voorbestemd, om de knechting van den Germaanschen geest ten top te voeren. In dezen priesterstaat vond Karels „Imperium christianum” uiteindelijk zijn natuurlijken erfgenaam.

4) De Saksenoorlog.

a. De Saksen en de christelijke zending.

Als het eenige Germaansche volk van het Midden-Europeesche vasteland, dat zijn zelfstandigheid had behouden, leefden de Saksen bij het begin van Karels regeering nog in de Germaansche Oudheid. Bewijst dit hun achterlijkheid? Naar de opvatting der christelijke schrijvers van vroeger en later tijd, voor wie het geloof den doorslag geeft, doet het dat ongetwijfeld. Wanneer echter in christelijke geschiedbronnen, die doorgaans sterk den nadruk leggen op de vele soorten van bijgeloof, die onder de Saksen voorkwamen, toch ook de kuischheid, de strenge zeden en de zorg voor de zuiverheid van het bloed, waardoor dit volk zich onderscheidde, worden geroemd, dringt zich de gedachte op, dat bij hen sprake was van een „achterlijkheid”, waarom zij in menig opzicht waren te benijden. Van niet vele christelijke volken zal kunnen gelden, wat in het hier volgende citaat, dat aan één dezer bronnen is ontleend, van de heidensche Saksen wordt gezegd:

[121] Ook hadden zij voortreffelijke wetten tot bestraffing van misdadigers. En in hun reinheid van zeden streefden zij ernaar, vele nuttige en volgens de natuurwet ook achtenswaardige inrichtingen te bezitten, welke hun wel tot de erlanging van de ware gelukzaligheid hadden kunnen dienen, indien zij niet in volmaakte onwetenheid omtrent hun Schepper hadden verkeerd en zoo ver af hadden gestaan van de waarheid van zijn dienst[158].

Indien de Saksen echter waren achtergebleven bij een ontwikkeling, die met een bijna volledige demoraliseering der Germaansche volken was begonnen en bestemd was in hun volslagen geestelijke en kultureele knechting te eindigen, dan had dit anderzijds toch ook ten gevolge, dat zij waren blijven steken in een staatsvorm, die, ofschoon uitstekend geschikt, om aan hun echt Germaansche behoefte aan zelfregeering te voldoen, hen op het gebied der buitenlandsche politiek de zwakkeren deed zijn tegenover de goeddeels geromaniseerde Franken en hun — naar toenmaligen maatstaf — sterk gecentraliseerde monarchie. Aan den eenen kant is het zeker hoogst merkwaardig en een bewijs voor de aanwezigheid van een organisch staatsgevoel, dat de omstreeks honderd gouwen, waarin het Saksenvolk verdeeld was, in vredestijd jaarlijks hun vertegenwoordigers zonden naar den landdag van Markelo (aan de Wezer), waarbij door den adel, de „frilinge” (= vrijen) en de „liten” (= hoorigen) van elke gouw twaalf vertegenwoordigers werden afgevaardigd. Aan den anderen kant neemt het voorhanden zijn van dit zoo organisch samengestelde „parlement” — zooals men het wel heeft genoemd — echter niet weg, dat zelfs de vier groepen, waarin de Saksen verdeeld waren: de Westfalen, Engeren, Oostfalen en Noord-Albingers (benoorden de Elbe), geen vaste staatkundige verbanden waren, zoodat zelfs in oorlogstijd de gouwen vaak zelfstandig handelden. Wel kon in geval van oorlog een hertog aan het hoofd van het geheele volk worden gesteld, maar deze mogelijkheid, om een eenhoofdige leiding in geval van nood te improviseeren, kon het gebrek aan eenheid toch niet vergoeden. Bovendien werd deze hertog, volgens Beda’s bericht, door het lot aangewezen, een regeling, die vermoedelijk uit vrees voor het ontstaan van een monarchie verklaard moet worden, maar die zeker volmaakt ongeschikt was, om [122] het aan het hoofd treden van een waarlijk krachtige persoonlijkheid te waarborgen.

Het was tegen dit weliswaar krijgshaftige en dappere, maar voor een strijd op leven en dood onvoldoend georganiseerde volk, dat Karel het gewicht van zijn Imperium in de weegschaal wierp en niet slechts zijn geschoold leger, maar ook de politieke methoden, welke zijn voorgeslacht zich op vroeger Romeinschen bodem had eigen gemaakt, aanwendde[159]. De afloop van den strijd, die feitelijk reeds door zijn vader was begonnen[160], kon bij deze verhouding der krachten nauwelijks twijfelachtig zijn. De onderlinge verdeeldheid der Saksen bracht mee, dat Karel, althans in de eerste jaren van den oorlog, steeds slechts betrekkelijk kleine gedeelten van het volk tegenover zich vond, die hij gemakkelijk tot onderwerping kon brengen. Zij had echter ook ten gevolge, dat het verzet telkens weer op andere plaatsen opvlamde, zoodat een snelle beslissing niet kon worden verkregen, temeer daar Karel herhaaldelijk door andere ondernemingen (Langobardenoorlog, veldtocht naar Spanje) werd afgeleid. Ongetwijfeld heeft hij herhaaldelijk ook in Saksen zelf bondgenooten gehad; omkooping behoorde nu eenmaal tot de door de Karolingers bij voorkeur gebezigde methoden en heeft, volgens de bronnen, minstens evenzeer tot de onderwerping der Saksen bijgedragen, als de aanwending van geweld, getuige o.a. het capitulare, dat moest worden afgekondigd, om de uitgifte van beneficia (= schenkingen, meestal landgoederen) aan Saksen te regelen[161]. Ofschoon het waarschijnlijk is, dat Karel zijn handlangers voornamelijk onder den stand der edelen heeft gezocht en gevonden, bestaat er geen grond om aan te nemen, dat de adel als geheel met hem zou hebben samengewerkt, teneinde zijn machtpositie te kunnen handhaven. Van een adelsheerschappij was in Saksen geen sprake en een klassentegenstelling was bij dit boerenvolk zeker evenmin voorhanden[162], hoewel de klassen er streng waren gescheiden en de adel er grooten invloed bezat.

* * *

Het mislukken van alle vreedzame bekeeringspogingen toont aan, dat de afkeer van het Roomsch-katholieke Christendom onder de Saksen algemeen was, even algemeen, als onder de [123] andere Germaansche volken. De Angelsaksen vormen, wat dit betreft, de eenige uitzondering. Zooals wij in het vorige hoofdstuk reeds zagen, moet de vrijwillige overgang van dit volk echter voornamelijk aan politieke beweegredenen worden toegeschreven. Niet geheel onmogelijk is het overigens, dat de ontworteling, die kolonisatie in vreemd gebied tenminste in het begin met zich brengt, den overgang van dit volk tot de nieuwe leer heeft vergemakkelijkt[163], evenals dit hoogstwaarschijnlijk ook bij de Franken het geval is geweest. Wat de in hun stamland achtergebleven Saksen betreft, valt op te merken, dat de christelijke prediking zich aanvankelijk uitsluitend bepaalde tot den rand van hun gebied, om eerst later, in het gevolg der Frankische legers en onder hun bescherming, in het binnenland door te dringen. Naast Angelsaksen treffen wij thans onder de zendelingen ook reeds een enkelen Fries aan, die evenwel niet uit het kerngebied van den Frieschen stam, maar uit het eerst later door de Friesche vorsten veroverde gebied afkomstig schijnt te zijn geweest.


Nadat in de dagen van Pippijn den Middelsten de „witte” en de „zwarte” Ewald[164], beiden Angelen, hun mislukte bekeeringspoging in het land der Saksen met den dood hadden moeten bekoopen, predikte sinds het begin van Karels regeering de Angelsaks Liafwin (Lebuïnus † 775) onder de Saksen in de buurt van Deventer. Opmerkelijk is, dat hij eens door een overval der over zijn werkzaamheid verstoorde Saksen gedwongen werd naar Utrecht te vluchten. Later keerde hij evenwel naar Deventer terug, naar aangenomen moet worden onder bescherming der Frankische wapenen. Willehad (± 735-789), eveneens een Angelsaks, verscheen omstreeks denzelfden tijd op het vasteland en predikte aanvankelijk onder de Friezen in de buurt van Dokkum. Later verhuisde hij naar Oostelijker streken en hield zich tenslotte op in Drente. In opdracht van koning Karel, die het jaar tevoren de Westfalen bij Bocholt verslagen en daarop heel Saksen onderworpen had, voer hij in 780 naar Dithmarschen en bouwde er te Melinthorp (= Meldorf) de eerste kerk. Zijn daarop volgende werkzaamheid in Oost-Friesland en omgeving werd echter onderbroken door den opstand, die in het jaar 782 door Widukind werd ontketend en hem dwong naar Frankisch gebied te vluchten. Eerst nadat Widukind zich had onderworpen [124] kon hij in 785 naar Oost-Friesland terugkeeren en er zijn werkzaamheid hervatten. Door een te Worms gehouden synode tot bisschop van Bremen gewijd (787), werd hij door Karel rijk met geschenken bedacht,zoodat hij in staat was de hoofdstad van zijn nieuwe bisdom te verrijken met een (houten!) kerk, waarvan de pracht en schoonheid bijzonder worden geroemd. Hoeveel heidensche heiligdommen deze „tempelschender”, zooals hij, zeker wel niet ten onrechte, door de heidenen werd genoemd[165], in zijn leven had verwoest, vinden wij in zijn levensbeschrijving echter niet vermeld.

Liudger (744-809), de derde groote heidenapostel uit deze periode, is waarschijnlijk te Zuilen aan de Vecht geboren, uit een voornaam geslacht, en kan daarom slechts onder een zeker voorbehoud als Fries worden aangemerkt. Opmerkelijk is, dat ook hij zijn zendingsarbeid in Deventer en West-Friesland — dus aan den rand van het Saksische en in het sinds lang onderworpen Friesche gebied — begon (775), om vervolgens (778), als opvolger van Willehad[166], naar Dokkum te worden gezonden. Het feit, dat hij in 782 voor den door Widukind ontketenden opstand van daar moest vluchten, bewijst, dat deze volksbeweging in de betrekkelijk pas kort tevoren onderworpen Friesche gebieden een krachtige weerklank heeft gevonden. Na zijn terugkeer in 785 werden hem door den Frankenkoning de gouwen Hoegmerki, of Hoegmark (= ongeveer Groningens Westerkwartier), Hunsingoo, Fivelingoo en de Eemsgouw (= ongeveer het tegenwoordige Oost-Friesland) als zendingsgebied toegewezen. Enkele jaren later werd daaraan Westfalen toegevoegd en tenslotte (804) werd Liudger de eerste bisschop van Munster. Ook van hem wordt in zijn levensbeschrijving vermeld, dat hij tempels en offerplaatsen der heidenen vernielde en zelfs beroofde; van de daarbij in het land der Friezen buit gemaakte schatten ontving de Koning twee derde[167], een feit, dat een merkwaardig en schril licht werpt op de nauwe samenwerking tusschen wereldlijk en geestelijk gezag, die bij de kerstening der heidenen steeds weer valt op te merken. Wanneer wij uit onverdachte bron[168] vernemen, dat het geslacht van Liudger, dat nog vele andere dienaren en dienaressen aan de Kerk schonk, een sprekend voorbeeld ervan is, hoe oude adelsgeslachten tengevolge van het in den geestelijken stand treden hunner leden uitstierven, toont dit overduidelijk aan, met welke [125] gevaren het Christendom in zijn Roomsch-katholieken vorm de nog heidensche Saksen bedreigde.

b. Frankische oorlogvoering en wetgeving.

Wat precies de aanleiding is geweest tot den veldtocht, dien Karel in het jaar 772 tegen de Saksen ondernam, is onbekend. De vraag, van welke voorwendsels hij zich heeft bediend, om zijn inval in den buurstaat te rechtvaardigen, is echter van weinig belang; hoofdzaak is, dat zijn optreden geheel paste in het kader der Frankische veroveringspolitiek, welke reeds door zijn oom Karloman en zijn vader Pippijn tegenover het oude Germaansche kernland in toepassing was gebracht. Terwijl deze politiek tot dusver reeds had geleid tot de onderwerping van geheel Zuid- en Midden-Duitschland zoowel aan het Frankische rijksgezag, als aan de Roomsch-katholieke kerkelijke hiërarchie, was het thans Saksen, dat, als de overgebleven kern van het vrije Germanië, den aanval van deze beide steeds samengaande en onderling nauw verbonden machten kreeg te doorstaan. Wanneer Karel van de heidensch gebleven Saksen godsdienstige bekeering eischte als symbool van staatkundige onderwerping, was dit een noodlottig, doch onvermijdelijk gevolg van het feit, dat het Roomsch-katholieke Christendom het voornaamste bindmiddel was, dat zijn heterogene rijk bijeen hield. De bekeeringsijver, waarvan hij bij zijn optreden blijk gaf, sproot dan ook niet alleen voort uit den wensch, om aan zijn imperialisme een godsdienstige wijding te verleenen en is evenmin uitsluitend uit persoonlijke onverdraagzaamheid te verklaren.

Hoe groot zijn bekeeringsijver was, bleek reeds dadelijk bij dezen eersten veldtocht, dien hij tegen de Saksen ondernam en waarbij hij, naar ons in Eigils levensbeschrijving van den abt Sturmi van Fulda wordt medegedeeld[169], zijn leger vergezeld deed gaan door een menigte priesters en monniken, terwijl hij „deels door het zwaard, deels door overreding, deels ook door geschenken” de Saksen „bekeerde”. Het godsdiensig karakter van den krijg kwam verder tot uiting in de verwoesting van den Irminsul, een boomstam van ongewone grootte, die den wereldesch symboliseerde en als het [126] voornaamste heiligdom der Saksen algemeene vereering genoot[170]. De verdeeling van den tempelschat, die daarbij werd buitgemaakt, onder Karels troepen, bewijst, dat roofzucht aan dit optreden ook niet vreemd was. Daarentegen was de verovering van den Eresburg (Stadberge aan de Diemel) het eenige wapenfeit van beteekenis uit dezen eersten veldtocht, die verder, zooals blijkt uit de uitdrukkelijke vermelding, dat Karel alles te vuur en te zwaard verwoestte, de algeheele vernieling van het door de Frankische legers veroverde gebied ten gevolge had.

Geen wonder, dat, toen Karel twee jaar later (774) zijn veldtocht naar Italië ondernam, de Saksen van zijn afwezigheid gebruik maakten, om den Eresburg te verwoesten en een rooftocht in Hessen te ondernemen. Niet alleen nam Karel daarvoor onmiddellijk wraak door een nieuwen inval in hun gebied, waarbij hij — zooals ons in één der bronnen[171] wordt verzekerd — door brandstichting en roof alles verwoestte, vele Saksen, die tegenstand boden, doodde en met een ontzaglijke buit huiswaarts keerde, maar ook nam hij in den daarop volgenden winter (1 Jan. 775) te Quierzy het besluit, om „het trouwelooze en meineedige Saksenvolk te beoorlogen en niet af te laten, voordat het, overwonnen zijnde, zich aan het Christendom zou hebben onderworpen, dan wel geheel uitgeroeid zou zijn[172]”, Het karakter van den Saksenoorlog, die in zijn verdere verloop meer en meer in een verdelgingsoorlog ontaardde, wordt door dit besluit, dat op den aard van het toenmalige Christendom wel een allermerkwaardigst licht werpt, afdoende geteekend.

Het is niet noodzakelijk en ligt ook niet in onze bedoeling het verloop van den strijd verder in bijzonderheden te schetsen. Slechts zij herinnerd aan het feit, dat Karel, na een nieuwen opstand in bloed te hebben gesmoord, in 777 op den rijksdag te Paderborn de Saksen dwong tot de belofte, dat zij het Christendom zouden aanvaarden, maar dat daarbij Widukind (Wittekind), de hertog der Westfalen, wiens naam hier voor het eerst in de geschiedenis opduikt, afwezig was. Deze Widukind, die naar de Denen was gevlucht, wordt van nu af aan de dappere en onvermoeide voorvechter van heidendom en vrijheid en een werkelijke volksheld[173]. Van Karels afmarsch naar Spanje (778) maakt hij gebruik, om zijn volk tot een nieuwen vrijheidskamp op te roepen, waarbij hij, door Friezen [127] en Denen ondersteund, tot aan den Rijn doordringt. Terwijl bij dezen inval het Frankische gebied te vuur en te zwaard wordt verwoest, verdient het de aandacht, dat Einhard de groote verbittering van den vijand hier aanhaalt als bewijs, dat het hem niet om buit, maar om wraak te doen was. Zeer terecht merkt Dahn[174] naar aanleiding daarvan op:

Hier wordt het dus ronduit door de Franken erkend, dat het nu niet meer ging om de afweer van Saksische rooftochten aan de grens, maar dat de wraak der Saksen thans vóór alles was uitgelokt door de schending en verwoesting van hun heiligdommen. Afgezien van de wonde, die, voor alle menschen even pijnlijk, door de aantasting van wat voor ons het heiligste is wordt geslagen, kwam voor de heidensche Germanen hier nog de overweging bij, dat de toorn der hemelbewoners, der stamvaders van het volk, over hun nageslacht werd opgeroepen, indien zij zulke ontzaglijke misdaden tegen de goden niet naar krachten verhinderden, of, wanneer eenmaal geschied, straften. Zoo werd voor de heidenen de hartstocht der wraak even zoozeer als godsdienstige en zedelijke plicht geadeld en gewijd, als Karels hartstochten: zijn veroveringszucht en machtsbegeerte, dan later eveneens wraakzucht en gekrenkte wapentrots, hem door den waan geïdealiseerd en bemanteld werden, dat hij zoo moest handelen als beschermer des geloofs. Men heeft tot dusver te weinig in aanmerking genomen, dat niet alleen de christenen heiligdommen hebben. Men heeft alleen bij de christenen, niet ook bij de heidenen de idealiseering van de wildste hartstochten door het geloof laten gelden. Daarbij zijn echter steeds de heidenen door de verdediging van hun heiligdommen, de christenen door den aanval op vreemde heiligdommen in beslag genomen. En men noemt de Saksen het „trouwelooze volk” (nog in 1882!), omdat ze, trouw aan hun oude geloof, het hun opgedrongen geloof steeds weer afschudden; de huichelarij begon hun echter zwaar te vallen, zij was aan het heidendom onbekend geweest, want zij bood den heidenen geen enkel voordeel.

Hoe ondragelijk zwaar deze huichelarij den Saksen moet zijn gevallen, blijkt uit een vondst, die indertijd is gedaan in de buurt van Orhaim (vroeger Ohrum) aan de Ocker, de plaats, waar in 780 de Saksen moesten verschijnen, om zich te onderwerpen [128] en tevens te laten doopen. Bij het kanaliseeren van de rivierbedding vond men daar een groot aantal looden kruisjes, waarvan de boeren uit de omgeving de herkomst nog wisten te verklaren. Het waren kruisjes, die den bekeerlingen na den doop waren omgehangen, maar die door hen, blijkbaar onmiddellijk daarna, in de beek waren gesmeten[175]. Hun gedrag wordt ons begrijpelijk, wanneer wij de omstandigheden in aanmerking nemen, waaronder deze doop plaats vond. Na zijn terugkeer uit Spanje, had Karel zich opnieuw tegen de Saksen gewend en de Westfalen bij Bocholt (779) verslagen. Het feit, dat dit op zichzelf weinig beteekenende gevecht de aanleiding kon worden tot de hernieuwde onderwerping van den geheelen stam, is wel een afdoend bewijs voor het gebrek aan eenheid, dat onder de Saksen heerschte. Opnieuw meester geworden over het geheele land, kon Karel nu het volgend jaar (780), op een te Lippspringe gehouden rijksdag, zijn beruchte „Capitulatio de partibus saxoniae” afkondigen, de met bloed geschreven wet, die met de onderwerping tevens de bekeering der Saksen moet bezegelen. Het loont de moeite bij den inhoud van dit, voor het karakter van Karels Saksenpolitiek zoo kenmerkend, staatsstuk wat langer stil te staan[176].

* * *

Het eerste deel van de Capitulatio heeft betrekking op de invoering van het Christendom in Saksen en is voor ons daarom van het grootste belang. Nadat in het eerste kapittel is bepaald, dat voortaan de christelijke kerken in Saksen een grootere eer zullen genieten, dan voorheen aan de heidensche tempels werd bewezen, wordt in het tweede aan deze kerken het asylrecht verleend, een recht, dat in de Oudheid ook reeds aan vele heidensche tempels toekwam en den misdadiger, die binnen de muren dezer gebouwen wist te vluchten, zelfs tegen het ingrijpen van het staatsgezag beschermde. In het volgende hoofdstuk wordt dan niet slechts op de schending van dit recht, maar ook op het bestelen of verbranden van een kerk de doodstraf gesteld en dit „hij sterve den dood” („morte moriatur”) keert in eentonige herhaling aan het slot van bijna alle volgende kapittels terug. Zoo wordt de doodstraf gesteld op het opzettelijk niet [129] houden van de veertig dagen durende vasten, terwijl de priester te beslissen krijgt over de vraag, of daarbij al dan niet opzet aanwezig is. Bij deze bepaling is te bedenken[177], dat de Oostersche gedachtengang, die aan dit vasten ten grondslag lag, voor een Germaan volkomen onbegrijpelijk was. Het geheiligde karakter van den christelijken priester werd hem echter ingescherpt door het kapittel, dat de doodstraf — dus niet het gebruikelijke weergeld! — stelde op het dooden, al of niet opzettelijk, van een bisschop, priester, of diaken. Een andere bepaling, die de doodstraf stelde op het zich verbergen met het doel, om aan den doop te ontkomen, maakte feitelijk den beul tot peter. Met den dood werd ook diegene bedreigd, die met de heidenen een samenzwering tegen de christenen smeedde, of ... met hen in vijandschap tegen de christenen wilde volharden. Hetzelfde rekbare karakter bezat het kapittel, dat de doodstraf stelde op ontrouw jegens den koninklijken meester; beide maakten de vijandige gezindheid alleen al tot een voldoenden grond voor een doodvonnis en gaven Karel zoodoende de gelegenheid, om, met een schijn van recht, ook krijgsgevangenen te dooden.

Hoe diep deze Frankische wet in het leven der Saksen ingreep, blijkt uit het kapittel, dat de doodstraf stelt op het verbranden van lijken. Immers was de lijkverbranding bij hen een oude zede, die zij met vele andere Indogermaansche volken gemeen hadden en die met hun godsdienstige voorstellingen verband hield. Daarentegen sproot het verbod voort uit de voorstelling van de wederopstanding des vleesches, een Oostersche gedachte[178], die den Germaan in dezen vorm vreemd was.

Meer genade vinden in onze oogen een tweetal andere kapittels, die — althans op het eerste gezicht — een geest van verlichting schijnen te ademen. In het eerste wordt met den dood bedreigd degene, die, door den duivel misleid, meent, dat deze of gene man of vrouw een heks is en menschen eet en hem (of haar) derhalve verbrandt en zijn (haar) vleesch eet, of te eten geeft. Dit lijkt een lofwaardig gebod. Echter wordt den Saksen hier een kwaad in de schoenen geschoven, waaraan zij zich zeker niet hebben schuldig gemaakt. Immers, de heidensche Germaan at geen menschenvleesch, ook niet van heksen, en heksenwaan en duivelsangst waren hem vreemd. Al deze voorstellingen kwamen eerst met de beschaving uit [130] het Zuiden en het is zeker hoogst merkwaardig, dat datzelfde Zuiden nu verbodsbepalingen invoerde tegen een kwaad, dat het zelf meebracht en dat eerst langzamerhand het Germaansche Noorden heeft vergiftigd. Zeker is hier de vraag gewettigd, waarom Karel, indien hij werkelijk zoo afkeerig was van bijgeloof, den heksenwaan dan niet heeft bestreden daar, waar hij in werkelijkheid was te vinden, namelijk in de Roomsch-katholieke kerk. Mogelijk waren dan de afgrijselijke bloedtafereelen voorkomen, waarbij in de komende eeuwen millioenen onschuldige menschen als slachtoffers van dezen waan zouden sterven.

Het tweede kapittel, dat wij hier op het oog hebben, stelt de doodstraf op het brengen van een menschenoffer aan de demonen, d.i. aan de Germaansche goden. Wij weten van het offeren van krijgsgevangenen aan Wodan. Of, afgezien daarvan, menschenoffers bij de heidensche Germanen gebruikelijk waren, is nog een omstreden vraag. Wat zij zeker niet hebben gekend, is het „offeren” van kinderen, die levend begraven of in kloostermuren ingemetseld werden als „bouwoffer” — tot laat in de Middeleeuwen.

Aan het slot van dit eerste deel van de Capitulatio wordt dan nog bepaald, dat iemand, die wegens het heimelijk begaan van een dezer misdaden eigener beweging tot een priester vlucht, om, na afgelegde biecht, boete te doen, op getuigenis van den priester van den dood zal worden verschoond. Het is duidelijk, dat deze bepaling niet alleen de strekking had, om de toch al zoo groote macht van de geestelijkheid nog te vergrooten, maar dat zij bovendien, door de straffeloosheid, die zij aan overloopers verzekerde, het volksverraad in de hand moest werken. Zoo tastte deze wet het Saksische volk niet slechts in zijn diepste zieleleven aan, maar bevorderde zij ook zijn ontbinding, door aan den afvallig geworden enkeling lijfsbehoud in uitzicht te stellen.

Het tweede deel van de Capitulatio regelt vooreerst de finantieele positie van de Kerk en verzekert haar economischen grondslag. Bepaald wordt in welken omvang de gouwgenooten grond aan hun kerk moeten schenken en hoeveel knechten en maagden zij haar moeten geven. Van het grootste belang is verder vooral de instelling der tienden, die inhield, dat niet slechts van alle belastingen en inkomsten, maar ook van alle vermogens een tiende deel aan de Kerk moest vervallen. Op [131] zichzelf beschouwd beteekende dezer heffing van het vermo- gen voor een boerenvolk, als de Saksen, reeds een bijna ondragelijke last. Daar kwam echter nog bij, dat zij, als vrij volk, geen belastingen hadden gekend. Het voldoen aan deze bijkans onvervulbare eischen moest hun te zwaarder vallen, daar deze offers moesten dienen voor het onderhoud van een hun opgedrongen kerk, die zij innerlijk niet konden erkennen.

Voorts bevat dit tweede deel dan nog een reeks verboden, die alle ten doel hebben, de heidensche gebruiken zoo volledig mogelijk uit te roeien en die daardoor sterk herinneren aan de desbetreffende wetgeving, die wij ook reeds uit een veel vroegere periode van de geschiedenis van het Frankische Rijk leerden kennen. Wel wordt de doodstraf in deze bepalingen vervangen door geldboeten, maar die zijn zóó hoog, dat zij veelal den economischen ondergang van den betrokkene ten gevolge moeten hebben gehad. Verboden wordt het houden van openbare samenkomsten en vergaderingen op Zondag; geboden wordt kerkbezoek. Bevolen wordt alle kinderen binnen het jaar te laten doopen. Boeten worden gesteld op (kerkelijk!) ongeoorloofde en verboden huwelijken, o.a. dus op die, waarbij één der deelgenooten heiden was. Natuurlijk wordt ook het bidden, of offeren bij bronnen, boomen en heilige bosschen verboden; de toevoeging, dat de gestelde boete, zoo noodig, door dienstbaarheid aan de Kerk kan worden vervangen, bewijst, hoe buitensporig hoog deze boete was. Verder wordt verboden de lijken van christelijke Saksen in de grafheuvels der heidenen te begraven. De verwijzing dezer dooden naar de kerkhoven is alweer een maatregel, die zonder twijfel het gemoedsleven der Saksen diep heeft beroerd. Nog erger is het echter, dat van hen werd verlangd, dat zij „waarzeggers en toovenaars”, d.w.z. heidensche priesters en skalden, dus hun eigen geestelijke leidslieden, aan de Kerk en haar dienaren zouden uitleveren. Leest men dan nog, dat ook het herbergen, of beschermen van „roovers en misdadigers” — waaronder zeker ook de tegenstanders des Konings zijn te verstaan — werd verboden, dat de invoering der Frankische gouwindeeling — het onderdrukkingsmiddel bij uitnemendheid! — werd voorzien en dat het bijeenroepen van ding- en andere vergaderingen werd verboden, dan dringt de gevolgtrekking zich op, dat deze Frankische bloedwet juist door haar buitensporige hardheid zeer geschikt was, om de Saksen [132] eindelijk tot eensgezindheid te brengen.

Inderdaad krijgt het door de Saksen geboden verzet in de nu volgende jaren een meer algemeen karakter en komt het tot vertwijfelde pogingen, om de verloren gegane vrijheid op den vreemden overweldiger te heroveren. De uiteindelijke mislukking dezer pogingen schijnt ten deele hieraan te moeten worden toegeschreven, dat de zoo laat tot stand gekomen eenheid slechts van korten duur en bovendien nog ver van volmaakt was. Het is namelijk een feit, dat Karel aan het hoofd der nieuw opgerichte graafschappen Saksische edelingen kon stellen, die hun volk en het geloof hunner vaderen ontrouw waren geworden en de zijde van den onderdrukker hadden gekozen[179]. Daarin ligt het bewijs, dat het hem was gelukt, zoo niet den geheelen Saksischen adel, dan toch een gedeelte van deze, weliswaar niet heerschende, maar toch zeer invloedrijke en machtige stand door overreding en omkooping aan zijn zijde te krijgen. Onderling verdeeld en verzwakt en voor een deel beroofd van hun natuurlijke leiders, waren de Saksen voorbestemd den strijd om hun zelfstandig volksbestaan, die thans in zijn beslissend stadium kwam, ondanks hun groote heldhaftigheid toch op den duur te verliezen.

c. Het hoogtepunt van den strijd en het bloedbad van Verden.

Het was zeker een groote teleurstelling voor Karel, dat de aanstelling dezer graven, waartoe hij in 782 te Lippspringe overging, niet de afsluiting van den oorlog bleek te beteekenen, maar integendeel de aanleiding werd tot een hernieuwd oplaaien van den krijg, die thans zelfs heviger werd dan ooit tevoren. Het taaie verzet, dat de inlijving bij het Frankische Rijk (in engeren zin!) van nu af aan bij de breede massa van het volk te voorschijn roept, houdt ongetwijfeld verband met de deelname van het geheele volk aan de leiding der stam-aangelegenheden, die in den landdag van Markeloo tot uitdrukking kwam[180]. Karel verkeerde evenwel in den waan het verzet, dat nu eerst recht begon, reeds geheel te hebben gebroken. Daarom ging hij er bij den aanvang van dit jaar toe over Saksische manschappen in te lijven bij den heerban, [133] dien hij tot afweer van een door de Slavische Sorben in het gebied der Thuringers ondernomen inval opriep. De invoering van den militairen dienstplicht schijnt voor het pas onderworpen volk de druppel te zijn geweest, die den beker deed overloopen. Terwijl dit Frankisch-Saksische leger naar de oostgrens van het rijk oprukte, brak in het Noorden, aan de Wezer, een nieuwe opstand uit, die door Widukind geleid werd en door de bronnen ook aan diens aanstichting wordt geweten. Nadat het Frankische leger zijn marschrichting had gewijzigd, teneinde eerst dezen opstand te dempen; werd het bij het Süntel Gebergte (= het tegenwoordige Wiehen- en Wezergebergte) vernietigend verslagen.

Het was deze nederlaag, de zwaarste, die hij tegenover dit volk nog ooit had geleden, die Karel thans noopte opnieuw in Saksenland te verschijnen en hem deed besluiten tot een bloedgericht, dat door weinige in de geschiedenis wordt geëvenaard, Daar de gouwrechters en edelingen[181] hem Widukind, die opnieuw naar de Denen was gevlucht, niet konden uitleveren, brachten zij hem de „misleiden”, die aan den opstand hadden deelgenomen. Karel liet hen allen op één dag te Verden onthoofden. Ofschoon van kerkelijke zijde is getracht den omvang van dit bloedbad, waarin 4500 Saksische adelboeren omkwamen, te verkleinen, of zelfs de gebeurtenis als zoodanig in twijfel trekken — zooals onlangs nog van protestantsche zijde geschiedde — staan de feiten hier onomstootelijk vast. Niet slechts stemmen de bronnen — en daaronder zelfs Einhard, Karels vriend en raadgever — wat de hoofdzaak betreft met elkaar overeen[182], maar ook vinden zij steun in de Saksische volksoverleving, waarin Karel tot op onzen tijd als „de Slachter” voortleeft. Bovendien lag dit bloedbad geheel in de lijn der Karolingische traditie; Cannstatt was het voorbeeld, dat Karel hier navolgde. In tegenstelling met zijn oom Karloman, die door de herinnering aan de aanschouwde gruwelen zijn verstand verloor, werd Karel later, voorzoover wij weten, niet door gewetenswroeging gekweld.

Indien hij had gemeend door dezen laaghartigen moord den tegenstand der Saksen voorgoed te hebben gebroken, bleek hem spoedig zijn vergissing. Het volgend jaar (783) reeds brak een algemeene opstand uit; de woede der door de terechtstelling hunner verwanten verbitterde en zich tot bloedwraak [134] verplicht voelende Saksen was thans zóó groot, dat zij het voor het eerst waagden Karel in het open veld slag te leveren. Zoo kwam het nu tot de twee eenige werkelijke veldslagen, die in het verloop van den Saksenoorlog hebben plaats gevonden. Welk een omvang het verzet der Saksen had verkregen blijkt uit het feit, dat Karels „overwinning” bij Detmold van zulk een twijfelachtig karakter was, dat hij naar Paderborn moest terugkeeren, om versterkingen af te wachten. Wel bevocht hij vervolgens een meer beslissende overwinning aan de Haase, waar, volgens de bronnen, een „ontelbare menigte Saksen” sneuvelde, maar hoewel deze zege hem in staat stelde weer tot de Elbe door te dringen en het land wijd en zijd te plunderen, vermocht hij toch niet daarmee de algeheele onderwerping der Saksen af te dwingen. Het voortduren van hun verzet, ook na deze zware nederlaag, is wel een sprekend bewijs voor de groote vastberadenheid, waarmee de Saksen thans hun vrijheid verdedigden.

In 784 begon de opstand zich zelfs uit te breiden over de oostelijke deelen van Friesland, waaruit Liudger — zooals wij boven reeds zagen — al had moeten vluchten. Tezamen met zijn gelijknamigen zoon trok Karel, wederom alles verwoestend, door Westfalen naar de Wezer. Daar het verder trekken hem door groote overstroomingen werd belet, wendde hij zich vervolgens oostwaarts, om door Noord-Thuringen het land der Oostfalen te bereiken, dat hij eveneens in een woestenij veranderde. In ongekunstelde, maar daarom toch niet minder veelzeggende bewoordingen wordt ons in Einhards Annalen[183] de barbaarsche krijgvoering geschilderd, waardoor Karel tenslotte zijn doel bereikte en den oorlog tot een voorloopig einde bracht. De hernieuwde onderwerping der Saksen wordt daarin namelijk als volgt beschreven:

Hij (n.l. Karel) trok nu, terwijl hij hen (n.l. zijn gezin) met een voldoende betrouwbare en sterke bezetting in de vesting (n.l. de Eresburg) achterliet, met een licht bewapende manschap uit, om de gouwen der Saksen te verwoesten en hun dorpen te plunderen; hij bezorgde den Saksen een hoogst onrustigen winter, doordat hij zoowel door zijn eigen troepen, als door de legeraanvoerders, die hij uitzond, het heele land liet doorkruisen en met moord en brand liet verwoesten. Nadat hij met zulke vernielingen den heelen winter door bijna [135] alle landstreken der Saksen zwaar had getroffen en aan het einde van den winter toevoer uit het Frankenland had gekregen, hield hij te Paderborn op de gebruikelijke wijze de algemeene rijksvergadering van zijn volk. Daarop trok hij naar de Bardengouw[184] en toen hij hier hoorde, dat Widukind en Abbio zich in het Saksenland aan gene zijde van de Elbe ophielden, liet hij hen door Saksische gezanten aanmanen hun ongehoorzaamheid op te geven en zich zonder bedenken te onderwerpen. Toen zij echter in het bewustzijn van hun misdaden bezwaar maakten, om zich onder ’s Konings bescherming te stellen, beloofde hij hun op hun wensch straffeloosheid en stond hun ook de gijzelaars toe, die zij zich voor hun zekerheid bedongen; deze liet hij hun door Amalwin, een zijner hovelingen, brengen, en nu verschenen zij met dezen voor den Koning in zijn palts te Attigny en lieten zich doopen. Nadat namelijk de Koning, om ze af te halen, Amalwin had uitgezonden, was hij naar het Frankenland teruggekeerd. Thans had deze hardnekkige Saksische trouweloosheid voor enkele jaren een eind, voornamelijk echter slechts hierom, dat zich geen geschikte gelegenheid om af te vallen meer liet vinden[185].

d. De methoden der onderwerping.

Wanneer wij bedenken hoe zwaar de Saksen waren getroffen, hoe diep zij waren vernederd en welke ongehoorde kwellingen, lichamelijke en geestelijke, zij hadden doorstaan, komt het ons bijna ongelooflijk voor, dat, ondanks dit alles, hun verzet reeds na enkele jaren herleefde en zelfs weer hoog oplaaide. Toch is het een feit, dat al in 792 — dus zeven jaar nadat Widukind zich had laten doopen — een nieuwe opstand van bijna geheel Saksen uitbrak. Nog onwaarschijnlijker moet het ons voorkomen, dat deze opstand het sein werd voor een nieuwen oorlog, die bestemd was nog twaalf jaar te duren. Voor de kennis van de methoden, die Karel aanwendde bij de onderwerping van het „hardnekkige” volk, is deze laatste periode van den strijd van het meeste belang. Immers is het in deze latere jaren, dat hij overgaat tot de wegvoering en overplaatsing van de bevolking van geheele gouwen, een [136] methode van krijgvoering, die in de geschiedenis het eerst bij de Assyriërs opduikt en die in hooge mate kenmerkend is voor het alles vervlakkende en het ras bedervende karakter van Aziatische despotieën. Wel had Karel ook reeds vroeger vele gevangenen uit Saksen weggevoerd[186], maar tot massale ontruimingen was het in de beide voorgaande perioden van den Saksenoorlog toch niet gekomen. Het feit echter, dat Karel reeds in het jaar 777 de op den rijksdag te Lippspringe vergaderde Saksische edelingen liet verklaren, dat zij toestemden in de verbeurdverklaring hunner goederen voor het geval, dat zij trouwbreuk tegenover den Koning zouden plegen[187], maakt het waarschijnlijk, dat hij deze maatregel wel reeds sinds lang had overwogen. Welke waren echter de redenen, die de Saksen thans opnieuw naar de wapenen deden grijpen?

De trouw, waarmee zij vasthielden aan hun godsdienst, moet hier in de eerste plaats worden genoemd. In een brief, dien Alkwin naar aanleiding van de onderwerping der „Hunnen” (= Avaren) in het jaar 796 aan Karel schreef, geeft hij als zijn meening te kennen, dat het uur der goddelijke uitverkiezing voor de Saksen nog niet heeft geslagen, waarom velen van hen volharden „als zondige en te verdoemen menschen met den duivel in het vuil hunner slechte gewoonte”. Behalve uit hun trouw aan het oude geloof, schijnt het verzet der Saksen echter ook verklaard te moeten worden uit de harde, ja, niets ontziende wijze, waarop zij tot het betalen der kerkelijke tienden werden gedwongen. Alkwin heeft daartegen herhaaldelijk, doch tevergeefs gewaarschuwd. In den zooeven genoemden brief wijst hij er zijn koninklijken meester op, dat de apostelen nooit tienden hebben verlangd en laat daarop volgen, dat het beter is geen tienden te ontvangen, dan het geloof te gronde te richten. Aan den bisschop van Salzburg schrijft hij, dat, naar men zegt, de tienden het geloof der Saksen ten val hebben gebracht. Leerrijk is echter vooral de brief, dien hij in hetzelfde jaar (796) aan Megenfried, den schatbewaarder des Konings, zond en waarin hij het volgende schrijft[188]:

Wanneer met een even groote vasthoudendheid aan het zoo hardnekkige volk der Saksen het zachte juk van Christus en de lichte last werd gepredikt, als waarmee het opbrengen der [137] tienden en de betaling van boeten, op grond van een rechtskracht bezittende verordening, voor het een of andere onbeduidende vergrijp werd afgedwongen, dan zouden zij misschien het sacrament van den doop niet verafschuwen. Mochten er eindelijk eens leeraars komen, gevormd naar het apostolische voorbeeld; mochten er predikers (praedicatores) zijn, niet afpersers (praedatores). Mogen zij vertrouwen op het vroom geloof van hem, die zegt: Draagt geen buidel, noch male[189] (= tasch) enz. en van wien de Profeet zegt: Die niet verlaat, die op hem vertrouwen[190].

Wat de Saksen wel het meest moet hebben verbitterd is het feit, dat zij deze belastingen moesten opbrengen voor het onderhoud van een kerk, die hun met geweld was opgedrongen, en van hooggeplaatste geestelijken, die in het pas „bekeerde” gebied niet eens durfden, of wilden verschijnen. In een bron[191], die in dit verband zeker onverdacht is, lezen wij namelijk, dat Karel, nadat hij het land in bisdommen had verdeeld (vermoedelijk is hier de voorloopige verdeeling bedoeld, die hij in 780 te Lippspringe afkondigde), nauwelijks mannen kon vinden, die men tot bisschoppen van het ruwe en half heidensche volk had kunnen benoemen „daar geen geestelijke het veilig vond, onder een volk te wonen, dat bij tijd en wijle weer in het heidendom terugzonk en aan hetwelk de godsdienst en alles, wat daarbij hoorde, niet slechts ontbrak, maar ook geheel onbekend was”. Dit opmerkelijk gebrek aan bekeeringsijver noopte Karel tot het treffen van een regeling, waarbij de nieuwe bisdommen voorloopig onder de Frankische bisschoppen werden verdeeld. Terwijl aan deze prelaten de verplichting werd opgelegd, om „zoo vaak hun tijd het toeliet” zich tot onderrichting van het kerkvolk naar het aan hun zorgen toevertrouwde gebied te begeven, mochten zij de geestelijke verzorging van dit gevaarlijke terrein verder toevertrouwen aan geestelijken van lageren rang, die zij goed zouden vinden uit hun eigen diocees daarheen af te vaardigen. Deze voor de kerkvorsten zoo aangename regeling zou van kracht blijven, totdat „met Gods hulp” de bekeering zoo ver zou zijn gevorderd „dat zelfs in de afzonderlijke diocesen eigen bisschoppen waardig en vrij zouden kunnen verwijlen”. Naar Germaansche begrippen was het al evenzeer stuitend, dat het eigenlijke bekeeringswerk geheel, of althans voor een [138] aanzienlijk gedeelte, werd verricht door geestelijken van Saksische afkomst, die hun opleiding hadden te danken aan het feit, dat zij in hun jeugd als gevangenen, of ook wel als gijzelaars, in Frankische kloosters waren opgesloten[192]. Teneinde ook het kloosterwezen in Saksen te kunnen invoeren, zond Karel een groot aantal van deze ongelukkigen naar het klooster Corbie aan de Somme[193], dat wegens zijn strenge tucht, meer nog misschien om het feit, dat het door ’s Konings neef Adalhard geleid werd, vermaardheid genoot. Deze door de kloostertucht van eigen aard en volk vervreemde geestelijken werden echter tevens en bij voorkeur belast met de bekeering hunner volksgenooten. Geen wonder, dat de Saksen hun afvallige stamgenooten, die zich op deze wijze lieten bekeeren, met bijzondere haat vervolgden, zooals blijkt uit de vermelding in de oorkonden, dat deze bekeerlingen zelfs in de nederzettingen van weggevoerde Saksen, die in dezen tijd elders in het Frankenrijk ontstonden[194], geen vrede meer vonden. Geen wonder ook, dat zij zich op de verkondigers van dezen godsdienst, die hun met geweld werd opgelegd, bij elken opstand, dien zij waagden, bloedig wreekten, Hun wraak wordt ons b.v. in de levensbeschrijving van Willehad[195] met schrille kleuren geschilderd; wanneer daarbij echter de namen der slachtoffers worden vermeld, wekt dit den indruk, dat hun aantal, al zijn mogelijk ook niet allen genoemd, toch slechts klein is geweest. In ieder geval verzonk het in het niet vergeleken bij de geweldige bloedoffers, die de „bekeering” aan de Saksen kostte. Als een „godsdienst der liefde” hebben zij het Christendom zeer zeker niet leeren kennen.

* * *

Voor de gevoelens, die het Saksenvolk ten opzichte van zijn nieuwen godsdienst koesterde, is het zeker kenmerkend, dat bij den opstand van 792, waartoe een overval op Frankische schepen, die de beneden-Elbe bevoeren, het sein was, onmiddellijk overal de kerken werden verbrand en de priesters verjaagd, of gedood, terwijl het volk in zijn geheel tot de vereering der oude goden terugkeerde. Het heeft er allen schijn van, dat deze opstand goed was voorbereid, want in de bronnen wordt niet slechts gesproken van geheime betrekkingen, die de Saksen hadden aangeknoopt met de Avaren en andere [139] „barbaren” (Slaven?), maar wordt bovendien ook nog een andere gelukte overval vermeld, die in den gouw Rüstringen (Riustri), aan den linker oever van de Wezermond — dus in gebied, dat toenmaals Friesch was! — plaats vond. Voor de kracht van den opstand pleit niet alleen het feit, dat in de bronnen uitdrukkelijk van een „algemeene afval der Saksen” wordt gesproken, maar ook de omstandigheid, dat het tot 794 duurde, eer Karel, die bovendien ook door andere zorgen werd gekweld[196], het verzet ten deele vermocht te breken. Naar het heet, wist hij, door met twee legers uit verschillende richtingen op te rukken — een strategie, die hij bij voorkeur toepaste — de Saksen tot onderwerping te brengen.

Het staat echter vast, dat deze onderwerping, die allicht mede door omkooping was verkregen, zich slechts tot enkele gouwen uitstrekte, die bovendien ook verder zóó onrustig bleven, dat Karel het volgend jaar (795) opnieuw in den reeds genoemden Bardengouw moest verschijnen. Te Bardewick ontving hij bericht, dat zijn Slavische bondgenoot, de Abotritenvorst Witzin, die hem ook reeds het vorige jaar tegen de Saksen had geholpen, bij zijn overgang over de Elbe door een Saksische legerafdeeling was gedood. Het was op dit bericht, dat Karel niet slechts het land wijd en zijd liet verwoesten, maar ook 7070 mannen, het derde deel der mannelijke bevolking, als „gijzelaars” — d.i. als gevangenen — liet wegvoeren en over andere rijksdeelen verspreiden. In hun plaats werden Franken in groote scharen in het ontvolkte land gevestigd, die de akkers der gevangenen ontvingen en, naar men moet aannemen, doorgaans ook huwden met hun achtergebleven vrouwen en dochters.

Ook nadat op deze wijze een begin was gemaakt met de doelbewuste vernietiging van de volkskracht der Saksen, bleven er bij den Elbemond en bij den beneden-Wezer nog gouwen, die zich verzetten. Zelfs kwamen de pas onderworpen gouwen opnieuw in opstand, zoodra Karel hun den rug had toegekeerd. Derhalve trok hij in den volgenden zomer (796) met zijn zonen Karel en Lodewijk opnieuw door het ongelukkige land „brandend en verwoestend en een ontelbare menigte gevangenen meesleepend, dit keer ook vrouwen en kinderen met de mannen uit de Draingouw[197]”. Het volgend jaar werd deze strafexpeditie herhaald en tot in het Friesche gebied bij de riviermonden (het tegenwoordige Land Hadeln) voortgezet; [140] ten tweede male werd toen de gouw Wigmodië[198], die tot het vroegere zendingsterrein van Willehad had behoord, zwaar getroffen. Nadat de bevolking der opstandige gouwen zich had onderworpen, werd ook hier een derde deel der mannen met vrouwen en kinderen gevankelijk weggevoerd, waarna hun plaatsen door Franken werden ingenomen. Tegenover deze verschrikkingen beteekende het al heel weinig, dat bij het „Capitulare Saxonicum”, dat in hetzelfde jaar (797) op den rijksdag te Aken werd uitgevaardigd, de wreede wetgeving van 780 op enkele punten eenigszins werd verzacht. Alleen al het feit, dat Karel wederom — als van 784 op ’85 — den winter in Saksen doorbracht, toont aan, hoe zwaar zijn hand op het gepijnigde land bleef rusten.

Hoe ongelooflijk het ook mag schijnen, zoo kon dit alles toch niet verhinderen, dat reeds het volgend jaar (798) een nieuwe opstand in Saksen uitbrak. Nadat de Noord-Albingers koninklijke zendboden hadden gedood, grepen ook de Engeren en Oostfalen weer naar de wapens. IJlings uit Herstal toegesneld, verwoestte Karel thans heel het gebied tusschen de Wezer en de Elbe en voerde opnieuw edelingen en anderen als „gijzelaars” weg „zooveel hij slechts wilde”. Tegen de Noord-Albingers steunde hij ook nu weer op de Slavische Abotriten — „zijn” Slaven (Sclavi nostri), zooals ze veelbeteekenend in een bron worden genoemd — die met Frankische hulp dit deel der Saksen versloegen in een gevecht, dat hun tegenstanders 4000 dooden kostte. Drosoeg, de aanvoerder der Abotriten, werd daarop door Karel „wonderbaar” geëerd „zooals hij verdiende”. Welk een schrikkelijke slag het Saksische volk in dit jaar opnieuw werd toegebracht, blijkt alleen al uit de vermelding, dat Karel niet minder dan 1600 edelingen uit Saksen wegvoerde en over „Francia[199]” verstrooide.

Evenwel kwam het ook het volgend jaar (799) weer tot de wegvoering van groote bevolkingsdeelen; het land, dat daardoor vrijkwam, werd onder bisschoppen en priesters, graven en koninklijke vazallen verdeeld. Aan de vermaningen van Alkwin, die zelfs nu (in 799!) nog twijfelde, of God het Saksenland wel voor het Christendom had voorbestemd, daar slechts de weggevoerden christenen waren geworden, gaf hij geen gehoor. Dit keer had Karel gelijk, want de uitputting van het ongelukkige land was van dien aard, dat het in de [141] volgende jaren, terwijl hij in Italië vertoefde, niet meer bij machte was op te staan. Nog slechts eenmaal, in 804, flakkerde het verzet op; weer waren Noord-Albingië en Wigmodië de haarden van den opstand. Vreeselijk was de wijze, waarop Karels wraak thans deze gewesten trof. Aan Drosoeg schonk hij al het land aan gene zijde van de Elbe. Daarop liet hij alle Saksen zonder uitzondering, die in dat gebied (Noord-Albingië) en in het reeds zoo zwaar geteisterde Wigmodië nog over waren, met vrouwen en kinderen wegsleepen naar de over den Rijn gelegen deelen van zijn rijk. De knapen werden echter aan hun ouders ontrukt, om in kloosters tot monniken en priesters te worden opgeleid. Kenmerkend voor de verregaand brutale en ruwe wijze, waarop de ontruiming dezer gebieden plaats vond, is vooral het feit, dat ook de christen geworden Saksen het lot hunner gouwgenooten moesten deelen[200]. Behalve de reeds genoemde, werden ook nog enkele andere, in de bronnen met name genoemde, gouwen ontruimd, waarom het door Einhard genoemde getal van 10.000 alleen in dit jaar weggevoerde mannen zeker niet te hoog lijkt. De rust, die thans in Saksen intrad, was dan ook de rust van het graf.

* * *

Eindelijk dan had Karel, voor wien, naar Einhard opmerkt, de Saksenoorlog meer beteekende, dan zelfs de oorlog tegen de Avaren[201], het hardnekkige volk voorgoed aan zich en aan het Christendom onderworpen. De oprichting van een zestal nieuwe bisdommen[202] bezegelde zijn overwinning. Ten koste van welke ontzaglijke offers en met welke barbaarsche methoden was deze overwinning echter niet behaald! Wanneer Alfred Rosenberg den Saksenoorlog met den Dertigjarigen Oorlog heeft vergeleken, dan is deze vergelijking ook in zooverre juist, als de eerstgenoemde oorlog voor het Saksenland, naar welhaast met zekerheid mag worden aangenomen, dezelfde catastrophale gevolgen heeft gehad, als de laatstgenoemde voor geheel Duitschland[203]. De lezer vergelijke slechts het achter in dit boek geplaatste Vierde Overzicht, om nogmaals een indruk te krijgen van den omvang der verwoestingen en der uit de herhaalde wegvoeringen voortspruitende ontvolking, waardoor Saksen in den loop van den krijg is [142] getroffen. Het merkwaardigste daarbij is wel, dat Karel de oude kultuur der Saksen niet heeft kunnen vernietigen, zonder het bloed van dezen stam aan te tasten en door een ruw ingrijpen te verbasteren.

Terecht is door een Duitschen geschiedkundige[204] opgemerkt, dat uit Karels handelwijze de geest van een Oosterschen despoot en de wreedheid van het Oude Testament spreekt en zeker niet de geesteshouding van een Germaanschen vorst. Zijn gedrag wordt door den theocratischen waan, die hem bevangen hield en die hem de gewelddadige uitbreiding van het Christendom als een godsdienstige plicht deed zien, slechts zeer ten deele verontschuldigd. Terwijl de onder invloed der Kerk staande dichtkunst der Middeleeuwen Karel in tal van legenden en sagen heeft verheerlijkt en hem met name als den grootsten wetgever aller tijden heeft gehuldigd en bezongen, is voor ons veeleer het beeld beslissend, dat hij in de volksoverlevering der Saksen tot op onzen tijd heeft behouden. Hoe zuiver dit beeld door de eeuwen heen is bewaard en hoezeer het nog het gevoelsleven der Neder-Saksische landbevolking beheerscht, bleek, toen men kort vóór 1914 voor Karel den Frank een standbeeld wilde oprichten tegenover het Hermannsgedenkteeken. Met dorschvlegels en mestgrepen bewapend kwamen de boeren toen op, om de eerste-steenlegging van dit monument, dat den „Schlächter” zou eeren, te verhinderen. De aard van een volk, dat in een dood gewaand verleden voor het behoud van zijn vrijheid en godsdienst grootere offers had weten te brengen, dan wellicht één ander volk ter wereld, kon zich in deze dappere nazaten van een dapper voorgeslacht niet verloochenen.

Dit voorgeslacht was echter niet slechts dapper, maar bezat ook andere gaven. De verovering en kolonisatie van Engeland door de verbonden Angelen en Saksen — voor die dagen een onderneming van even grootschen opzet, als in later eeuwen de verovering en kolonisatie van Noord-Amerika door hun afstammelingen — bewijst, welke verborgen krachten in deze volken sluimerden. In veroveringsdrang en staatkundig talent stonden de Saksen dan ook zeker niet ten achter bij de oorspronkelijke (nog zuiver Germaansche!) Franken. Het was echter het binnendringen dier Franken in het gebied van den laat-Romeinsche rassenchaos, waardoor deze stam zich de organisatie-methoden, de overgeleverde bestuurskunst en de [143] oorlogstechniek der afgeleefde Romaansche wereld had eigen gemaakt, zij het ook ten koste van den eigen volkschen aard. Daardoor had deze Frankische stam op al deze gebieden een voorsprong verkregen, die, hoe duur ook betaald, hem het overwicht verzekerde over de andere Germaansche volken. Of was het veeleer de rassenchaos, die thans — dank zij zijn voortschrijdende doordringing met Germaansch bloed — de kracht verkreeg, om over het eenige volk, dat op het vasteland van Midden-Europa den Germaanschen aard nog zuiver had bewaard, te zegevieren? In elk geval is het duidelijk, dat zoowel in den Eersten-, als in den Tweeden Dertigjarigen Oorlog der Duitsche geschiedenis[205] de Germaansche geest den strijd had aan te binden tegen de machten uit het Zuiden. Terwijl beide oorlogen het karakter van godsdienstoorlogen vertoonen, komen zij ook hierin overeen, dat de hulp voor de Germaansche zaak in beide gevallen komt opdagen uit het Noorden. Het was evenwel het noodlot der Saksen, dat het ingrijpen der Noord-Germaansche volken te laat kwam, om hen nog voor den ondergang te behoeden. De Vikingers, aan wie ons laatste hoofdstuk gewijd zal zijn, konden daardoor geen redders meer zijn. Inplaats daarvan werden zij geduchte wrekers.

Vijfde hoofdstuk — De Noormannen als Wrekers der Germaansche Eer

[144] Wellicht is er geen tweede historische gebeurtenis aan te wijzen, waaronder onder geschiedkundigen zoowel, als onder leeken zooveel vooroordeel en wanbegrip heerschen, als de invallen der Noormannen[206]. Deze invallen, die gedurende meer dan twee eeuwen (787-±1000) het gekerstend deel van Europa hebben geteisterd, worden door een geschiedschrijving, die in haar verklarende taak hier wel in een zeer bijzondere mate te kort schiet, ons nog steeds afgeschilderd als een uiting van barbaarsche roofzucht en moordlust. De oorzaak dezer misvatting is hierin te zoeken, dat men zijn oordeel nog altijd zoogoed als uitsluitend grondt op de berichten van kroniekschrijvende monniken en andere geestelijken, die uit den aard der zaak vijanden dezer heidenen waren. Niet alleen, dat men zoodoende een uitgesproken „zuidelijk” standpunt inneemt, dat niet van eenzijdigheid valt vrij te pleiten, maar men ontneemt zich ook de mogelijkheid, om door een ernstig onderzoek naar de omstandigheden, waaronder deze Noordsche krijgers in hun vaderland leefden, naar hun kultuur en beschaving, zich ’n oordeel te vormen omtrent de beweegredenen, waardoor zij zich bij hun optreden lieten leiden. Een nadere bestudeering van den Noorman in zijn land van herkomst is echter het eenige middel, waardoor wij in staat gesteld kunnen worden, deze beweegredenen met een groote mate van waarschijnlijkheid te bepalen.

Het is de verdienste van hedendaagsche Duitsche geleerden, onder wie zich uitnemende kenners der oud-Noorsche letterkunde bevinden[207], de vroegste geschiedenis van het Noorden voor het eerst beter te hebben belicht. De bestudeering der oud-Noorsche bronnen, die door de geschiedschrijvers tevoren nauwelijks waren geraadpleegd, gepaard aan een scherpere [145] critiek ten opzichte van de Latijnsch-christelijke berichtgeving, is voor hen het middel geweest, om tot den dieperen ondergrond der gebeurtenissen door te dringen. Daar wij bij onze beschouwing van het Noorden willen uitgaan en van een Germaansch standpunt het verloop der gebeurtenissen willen bezien, kan een beknopt overzicht van de oudste geschiedenis der Noordsche volken hier niet worden gemist, ook al valt dit schijnbaar buiten het kader van ons boek. Het beeld, dat thans van deze geschiedenis kan worden ontworpen, doet menige misvatting, die bij ons omtrent de Noormannen van jongsaf had postgevat, als vanzelf verdwijnen.

* * *

Volgens de tot dusver gehuldigde opvatting waren de Noord-Germanen, voordat zij omstreeks het jaar 1000 werden bekeerd, kultuurlooze barbaren en was hun land een land zonder geschiedenis. Hoe geheel anders is evenwel het beeld van de vroegste ontwikkeling dezer volken, wanneer wij het bezien in het nieuwe licht, dat door talrijke praehistorische vondsten daarop wordt geworpen! De prachtige, uit brons gegoten „loeren”[208] uit den Bronstijd (±1800-±800 vóór Chr.), die met name in Jutland zijn gevonden, getuigen van de groote kunstvaardigheid der Noord-Germaansche stammen reeds in deze vroege periode; zij zijn één der vele bewijzen voor de hooge ouderdom hunner kultuur. De groote rotsteekeningen uit dit tijdvak, welke in Skandinavië[209] worden aangetroffen en slechts als het werk van een grootere gemeenschap zijn te verklaren, leveren met hun afbeeldingen van schepen, soms met een honderdtal roeiers bemand, van ploegende boeren en weidende koeien, van ruiters met lans en schild en soms ook van strijdwagens het overtuigende bewijs niet slechts van een betrekkelijk reeds zeer hooge kultureele, maar ook van een aan de kinderschoenen reeds ontgroeide politieke ontwikkeling. Zonder een zekere mate van staatkundige organisatie zijn de scheepsbouw en zeevaart, waarvan deze teekeningen getuigenis afleggen, evenmin verklaarbaar, als het voorkomen van geweldige gedenkteekenen, zooals het „koningsgraf” van Hågå in Uppland[210]. Met koninklijke aanvoerders, die met de volkskoningen der oudste, uit het Noorden afkomstige, Iraniërs en Grieken zijn te vergelijken, moet daarom reeds [146] voor 3000 jaar de geschiedkundige overlevering van het Noorden zijn begonnen[211].

De spaarzame berichten, die de Grieken en Romeinen ons omtrent de Noordsche volken hebben achtergelaten, zijn met het stomme getuigenis dezer rotswanden in overeenstemming. Pytheas van Massilia, een Grieksche zeeman, die vermoedelijk in de vierde eeuw vóór Christus leefde, vertelt in zijn reisverhaal, dat ons uit latere uittreksels slechts ten deele bekend is, alleen van zijn vaart, zes dagen voorbij Brittanje, naar Thule, van de korte nachten aldaar, van de korenbouw en het brouwen van mede. Daarentegen spreekt Plinius (79 na Chr.), in wiens verloren gegane boeken misschien nog meer over het Noorden heeft gestaan, van de vijfhonderd gouwen der Noord-Germanen, die hij Hellevionen noemt, van Nerigon[212] of Berricen en van het groote eiland Skadinavia. In 98 na Christus spreekt Tacitus van de „staten” der Zweden, hun koningen, hun rijkdom en hun vloten. Van de rest der Kimbren in het Noorden van Denemarken zegt hij: „Zij zijn een klein volk, maar hun roem is geweldig”. Dit bericht is in zooverre van groot belang, als het bewijst, dat de herinnering aan de groote daden van een volk, dat Rome eenmaal op zijn grondvesten had doen beven, onder zijn in het Noorden achtergebleven stamverwanten nog na twee eeuwen voortleefde.

Een geschiedkundige overlevering, deels van zeer ouden datum, heeft onder de heidensche Noord-Germanen dan ook zeker duizend jaar vóór hun bekeering reeds bestaan. Echter was deze overlevering. afgezien van op zichzelf staande en late mededeelingen op met runen bekraste staven en steenen[213] — van welke „runensteenen” er alleen in Zweden echter meer dan 3000 zijn gevonden — van mondeling karakter. In heldenliederen en stafrijmverzen werd de herinnering aan het verleden voornamelijk bewaard. Daarom is het niet te verwonderen, dat deze herinnering in menig opzicht kon worden vervalscht en verwrongen, zoodra de nieuwe machten, die met de invoering van het Christendom zegevierden en wier belang meebracht, het beeld van het heidensche verleden zooveel mogelijk te verduisteren, ertoe overgingen haar voor een deel op schrift te brengen.

Van deze geschiedvervalsching geeft vooral Zweden, het land, dat wel de oudste geschiedenis heeft gehad, een voorbeeld. De voor ons bewaard gebleven geslachtslijst van dertig [147] Zweedsche koningen uit den heidenschen tijd is afkomstig van den Noorschen skald (= dichter en zanger) Thjodolf, die leefde tegen het einde der negende eeuw. In den vorm echter, waarin zij ons door IJslandsche geschiedschrijvers uit den vroeg-christelijken tijd is overgeleverd, heeft zij veel weg van een „chronique scandaleuse”. Bloedige familietwisten met moord en doodslag, overspel, strijd met de Denen en Gothen en menschenoffers, die op grond van de onwaarschijnlijkste motieven heeten te zijn gebracht, wisselen elkaar in bonte volgorde af. Koning Högni, die door zijn eigen vrouw met behulp van een gouden keten aan een boom bij het latere Stockholm zou zijn opgehangen, is in dit sombere relaas zeker wel de figuur, die het meest tot de verbeelding spreekt. Intusschen vernemen wij toch ook andere klanken. Van een lateren vorst, koning Oenund, lezen wij, dat het Zweden onder hem wél ging, dat hij de Esthen opnieuw onderwierp, bosschen liet kappen en boerderijen liet oprichten en bovenal, dat hij wegen deed aanleggen door wouden en moerassen en over het gebergte, waarom hij „Wegen-Oenund” werd genoemd[214]. Deze mededeeling staat in het verhaal niet alleen, daar ook van andere vorsten wordt vermeld, dat zij boschgrond deden ontginnen. Hoewel de christelijke kroniekschrijvers in hun vooringenomenheid deze heidensche vorsten niet zwart genoeg kunnen schilderen, valt hun beschavingspeil den onbevangen lezer dus toch sterk mee.

Deze indruk wordt bevestigd door hetgeen ons is overgeleverd van de wetten der Zweden en Gothen[215]. Ofschoon deze eerst in den christelijken tijd zijn opgeteekend, zijn zij in hun kern toch uit een veel vroegeren tijd afkomstig. Beide volken waren, na een periode van zwaren onderlingen strijd, die met de overwinning der Zweden was geëindigd, in één rijk vereenigd, dat eerst in een lateren tijd (na 300) door deelingen schijnt te zijn versplinterd. De koningskeuze, welke binnen het geslacht der Inglingen moest plaats vinden en de huldiging van den verkozen vorst waren nauwkeurig geregeld. Daarbij valt op te merken, dat de koningsmacht in sterke mate door den invloed der „jarlen” of edelen en zeker niet minder door het recht der vrije boeren, die samen met de edelen op een „ding” den koning kozen, was beperkt.

In Noorwegen, dat nog niet tot één enkel rijk was vereenigd, waren de gouwkoningen eveneens van de medewerking der [148] uit vrije boeren bestaande volksvergaderingen afhankelijk. Van de oudste geschiedenis van dit land, die door de IJslandsche geleerden volkomen is veronachtzaamd, getuigen slechts runensteenen, plaatsnamen en koningsgraven. De geschiedenis der koningen, die in den heidenschen tijd over Denemarken hebben geregeerd, is eveneens bijna geheel verloren. Niettemin is het feit van belang, dat ook de Denen minstens reeds eenige eeuwen, voordat zij met het Frankische Rijk in botsing kwamen, door koningen werden geleid. De geschiedenis dezer botsing kan in haar draagwijdte en beteekenis dan ook niet worden begrepen, wanneer men vasthoudt aan de voorstelling, die in de toenmalige Noordsche volken enkel barbaren vermag te zien, inplaats van volken met een reeds eeuwenoude kultuur en even oude geschiedenis.

* * *

Het hier gegeven overzicht van de vroegste geschiedenis van het Noorden kan ons doen zien, hoe onwaarschijnlijk het is, dat de invallen der Noormannen, of Vikingers[216] zooals zij zichzelf noemden, enkel en alleen het werk geweest zouden zijn van woeste zeeschuimers, die slechts om te moorden en te plunderen hun krijgstochten ondernamen. Teveel is door onze geschiedschrijvers dan ook voorbij gezien, dat het ontbreken van een uit dit tijdvak stammende Noordsche kroniekschrijving, waarin wij de motieven en inzichten der Noordsche aanvoerders en vorsten als uit hun eigen mond zouden kunnen vernemen, een sterke eenzijdigheid der berichtgeving tengevolge heeft. Inplaats van het uitgangspunt van hun beschouwing in het Noorden te zoeken en den Noorman eerst in zijn vaderland te bestudeeren, teneinde zoodoende in staat te worden gesteld de wijze, waarop hij in de geschiedenis ingreep, uit zijn geschiedenis en wereldbeschouwing, zijn geaardheid en de ruimte van zijn gezichtskring te verklaren, bespieden deze geschiedvorschers — zij het ook onbewust — den Viking nog altijd door het kloostervenster, daarbij voorgelicht door mannen, die dezen heidenschen krijgsman in zijn diepste wezen niet konden en niet wilden begrijpen.

Een andere tekortkoming der tot dusver gangbare geschiedbeschouwing bestaat hierin, dat men zich onvoldoende rekenschap geeft van de omstandigheden, waaronder het eerste [149] optreden der Noormannen plaats vond. Dit optreden moet namelijk worden gezien als het directe antwoord op de onderwerping en gedwongen bekeering der Saksen door den Frankenkoning. De barbaarsche en wreede middelen, die deze daarbij aanwendde, moeten onder de heidensche bewoners van het Noorden afschuw en verontwaardiging hebben gewekt. Met zekerheid kan worden aangenomen, dat de tragische gebeurtenissen in het nabuurland, waarmee men door ras en taal ten nauwste was verbonden[217], bij de Noordsche volken op dezelfde manier weerklank hebben gevonden, als de heldenstrijd der Finnen in onze dagen. Tweemaal (in 777 en 782) zocht Widukind een toevluchtsoord bij den Deenschen koning Siegfried en met hem kwamen ongetwijfeld vele andere vluchtelingen, die zeker in staat waren een sterk medegevoel met het lijden van het Germaansche broedervolk op te wekken. Zonder twijfel ontstond in de Noordsche landen tevens het besef, dat ook de eigen toekomst bij een verder opdringen der reeds zoo geweldig toegenomen Frankische macht ten zeerste bedreigd was te achten. De gedachtengang, die zich daarbij aan velen opdrong, wordt door een Duitschen schrijver[218] in de volgende bewoordingen weergeven:

Na het bloedige voorbeeld van Neder-Saksen moet het voor de bewoners van het Noorden een uitgemaakte zaak zijn geweest, dat beide, de wereldlijke macht der Franken en het christelijke priesterdom, doodsvijanden van hun godsdienst, zede en gemeenschapsorde waren. Juist in het kloosterwezen en het monnikendom moesten de Vikingers daarom veel eerder de voorhoede van den vijand zien, dan een organisatie tot verbreiding van de liefdeleer van Christus.

Zoo kwam het tenslotte tot een ingrijpen in den oorlog, die door Alfred Rosenberg terecht de „Eerste Dertigjarige oorlog” der Duitsche geschiedenis is genoemd. De Noordsche volken traden daarbij op dezelfde wijze in het krijt als verdedigers der Germaansche wereldbeschouwing tegen een rasvreemde leer, als hun nazaten het in den tweeden Dertigjarigen oorlog zouden doen. Een kort overzicht der gebeurtenissen uit dit tijdvak kan ons leeren, hoezeer het waarschijnlijk is, dat de leiders dezer volken, die geenszins barbaren waren, maar integendeel mannen met een zeer ruimen gezichtskring, zich daarbij van hun doel klaar bewust zijn geweest.

[150] De inval, die een aantal Noren uit Hördaland[219] in het jaar 787 in Wessex deden, vormt het begin der eigenlijke Vikingtochten. Al dadelijk is het merkwaardig, dat hij werd ondernomen kort na de eerste bloedige onderwerping der Saksen (785). Evenwel is omtrent dezen eersten inval te weinig bekend, dan dat het verantwoord zou zijn, hier bepaalde gevolgtrekkingen te maken. Anders staat het echter met den volgenden inval, die in het jaar 793 Northumberland trof. Daarbij wordt namelijk het klooster Lindisfarme, dat in Noord-Engeland het voornaamste centrum was der Roomsch-katholieke missie, door Vikingers verwoest. Gezien het feit, dat kloosters de steunpunten waren der gedwongen bekeering, die op het vasteland van Europa steeds met de onderwerping aan het Frankische staatsgezag gepaard ging en tevens in aanmerking nemend, dat deze, aan godsdienstige afzondering en bespiegeling gewijde, oorden door Karel — zooals wij in het vorige hoofdstuk reeds zagen — tevens werden gebruikt als staatsgevangenissen, waarin hij zijn vijanden en met name ook vele Saksische jongelingen opsloot, kan hier wel nauwelijks sprake zijn van toeval.

In de volgende jaren laten de Vikingers Engeland voorloopig met rust, maar weer is het merkwaardig, dat zij dan hun aanvallen in hoofdzaak richten tegen lerland, het land, dat gedurende langen tijd het uitstralingspunt was geweest der christelijke zending in Noord-West-Europa. Ook zijn het vooral kerken en kloosters, die door den Vikingerstorm worden getroffen en monniken, die daarbij als slachtoffers vallen. Zoo wordt in 813 het op het Hebrideneiland Jona gelegen klooster, dat aan de Iersche monniken tot uitgangspunt had gediend voor de bekeering van Schotland, door de Vikingers verwoest. De rijkdommen dezer kloosters kunnen dit merkwaardige verschijnsel niet afdoende verklaren. De invallen der Vikingers werden dan ook reeds door Ranke, den grooten Duitschen historicus, in verband gebracht met de godsdienstige ondernemingen van het christelijke Europa, in het bijzonder met die van het Iersche en Angelsaksische priesterdom, waarop zij als het ware het heidensche antwoord vormen.

Het gebied van het Frankische Rijk schijnt aanvankelijk door de Noormannen te zijn ontzien. Eerst in het jaar 800 vernemen wij van aanvallen der Vikingers op de kust van Gallië. Karel richt daartegen een kustbewaking op en laat tevens [151] een vloot bouwen, waartoe hij gedurende langen tijd te Rouaan verblijf houdt[220]. In 804, dus op het oogenblik, waarop hij de Saksen opnieuw en thans voorgoed heeft onderworpen, wisselt hij gezanten met den Denenkoning Göttrik, of Godofried — zooals de Franken hem noemden — vermoedelijk den opvolger van den boven genoemden Siegfried. Deze verschijnt met zijn vloot en zijn geheele ruiterij in zijn vesting Sliesthorp (= Sleeswijk), op de grens van het door Karel kort tevoren onderworpen Noord-Albingsche gebied, en wil den Keizer in diens legerplaats opzoeken, maar wordt door zijn gevolg, dat de spreekwoordelijk geworden trouweloosheid der Franken blijkbaar maar al te goed kende, daarvan weerhouden. Bij de dan volgende onderhandelingen eischt Karel, naar het schijnt tevergeefs, de uitlevering van Saksische vluchtelingen. Althans is korten tijd later de breuk tusschen beide heerschers een feit.

Merkwaardig is dan de krachtsontplooiïng, waartoe Göttrik, die, behalve een bekwaam aanvoerder, ook een krachtige en zelfbewuste persoonlijkheid moet zijn geweest, in staat blijkt. In het jaar 808 zien wij hem aanvallend optreden. Tezamen met de, aan het Frankische Rijk vijandig gezinde, Slavische Wilzen doet hij een inval in het gebied der met Karel verbonden, eveneens Slavische, Abotriten[221], verdrijft hun hoofdman Drosoeg en onderwerpt — zij het onder zware verliezen — twee derde van hun gebied. Eerst wanneer Karels gelijknamige zoon met een leger aanrukt, wijkt hij terug, verwoest zelf de hem toebehoorende handelsplaats Reric[222] en laat dan door zijn leger den grenswal aanleggen, die later onder den naam „Danewirk” bekend zou staan. Deze grenswal, die zich uitstrekte van de uitmonding van de Eider in de Noordzee tot het in de Oostzee uitmondende Schlei en slechts één uitvalspoort bezat, was bestemd het Deensche gebied tegen een aanval uit het Zuiden te beschermen. Zoowel de aanleg van deze grensversterking, als heel het verdere gedrag van Göttrik getuigt van een doelbewust handelen en geeft blijk van een strategisch talent, dat zeker niet voor dat der Frankische aanvoerders behoefde onder te doen.

Nadat de vredesonderhandelingen waren mislukt en Karel den aanleg van het Danewirk met den bouw van de vesting Esesfelt (—= Itzehoe) had beantwoord, ontbrandde de krijg opnieuw (810). Göttrik benutte vooreerst zijn overmacht ter zee; [152] hij zond een vloot van 200 zeilen naar Friesland, die alle voor de kust gelegen eilanden plunderde en een leger aan wal zette, dat den Frieschen heerban in drie gevechten versloeg. Het gewest werd daarbij als een veroverde provincie behandeld; het moest een jaarlijksche schatting van 100 pond zilver opbrengen, waarvan de eerste termijn onmiddellijk was te voldoen.

Op het bericht dezer gebeurtenissen laat Karel in allerijl een vloot bouwen en de kust van zijn rijk in staat van verdediging brengen. Hij verlaat zelfs zijn palts te Aken en stelt zich aan het hoofd van een leger, waarmee hij tegen den Denenvorst, die intusschen ook de Abotriten opnieuw heeft onderworpen, optrekt. In de buurt van Verden, bij de uitmonding van de Aller in de Wezer, komen beide legers tegenover elkaar te staan. Hoezeer ook voor Karel alles op het spel stond, blijkt uit het feit, dat — volgens Frankische berichten — Göttrik zich niet alleen reeds als meester van Friesland en Saksen beschouwde, maar ook het voornemen te kennen gaf, om, na Karel te hebben verslagen, als heer van geheel Germanië in Aken binnen te rukken[223]. Voordat het evenwel kwam tot den beslissenden slag, die — naar het oordeel van Ranke — alles had kunnen keeren en Karel had kunnen verpletteren, werd de Denenkoning door één zijner eigen landslieden vermoord. Hemming, zijn neef en opvolger, sloot met den Keizer vrede (811), waarmee de mogelijkheid, om Saksen alsnog den greep van het Frankisch-kerkelijke gezag te ontwringen, voorgoed verdween. De dood van Göttrik vormt daarom een beslissend keerpunt in de geschiedenis. Bezien vanuit het standpunt der Kerk, wordt de op hem gepleegde moord door den geschiedschrijver Adam van Bremen[224] terecht als een daad der Voorzienigheid geprezen. Vanuit een Germaansch gezichtspunt beoordeeld, was het daarentegen een onherstelbaar verlies, dat de oeroude kultuurgemeenschap, welke vroeger de Noord-Germanen met hun zuidelijke stamverwanten had vereenigd, thans voorgoed was verbroken.

* * *

In het tijdperk van verval, dat voor het Frankische Rijk begint met den dood van keizer Karel, verdienen twee dingen onze aandacht. Vooreerst zien wij reeds Lodewijk den Vromen [153] (814—840) tegen de Noordsche rijken de middelen aanwenden, die de kerkelijke hiërarchie uiteindelijk in staat zouden stellen, ook het Noorden aan haar gezag te onderwerpen. Door politieke intrigues zou tenslotte worden bereikt, wat door wapengeweld alleen niet was te verwezenlijken. Lodewijk neemt een uitgeweken Deenschen prins, Harald genaamd, onder zijn bescherming en deze doet, na den Keizer als leenheer te hebben gehuldigd, een drietal invallen in Denemarken. De krachtige koning Ragnar Lodbrok vindt daartegen steun in Noorwegen. Zoo ontwikkelt zich een burgeroorlog, welke door dezelfde macht wordt bevorderd, die wellicht ook reeds achter den moord op Göttrik had gestaan. Teneinde meerdere hulp te verkrijgen, moet Harald zich in 826 met 500 Denen op plechtige wijze te Mainz laten doopen. Dank zij de gewapende hulp des Keizers kan hij dan Sleeswijk bezetten, waar hij de heidensche heiligdommen verwoest, de priesters verjaagt, de vereering der „valsche goden” uitroeit[225] en ter eere van den christengod een kerk bouwt. Wel wordt hij reeds het volgend jaar door Ragnar verjaagd, waarop de oude eeredienst in zijn rechten wordt hersteld, maar dit kon den val van het heidendom en de daarmee gepaard gaande vernietiging der oude volksvrijheden toch slechts vertragen. De uiteindelijke zegepraal van het Christendom was evenwel niet te danken aan de bekeeringspogingen van Ansgar, die, door Lodewijk tot bisschop van Hamburg benoemd, enkele missiereizen naar het Noorden ondernam, welke hoegenaamd geen vruchten afwierpen. Ook ditmaal besliste weer het geweld.

Nadat Gorm de Oude (900-935) de koningsmacht in Denemarken had bevestigd, werd zijn zoon, Harald Blaatand (d.i. Blauwtand, 935-985), door keizer Otto II verslagen en gedwongen tot de invoering van het Christendom. Een nieuwe heidensche reactie onder Swen (985-1014) kon dit niet meer ongedaan maken. Zijn zoon, Kanoet („de Groote”, 1014-1035), die, behalve over Denemarken en het door zijn vader veroverde Engeland, ook over Noorwegen regeerde, liet zich doopen en onderwierp daardoor het Noorden opnieuw — en thans voorgoed — aan het kerkelijk gezag. Aan de invallen der Noormannen in het gekerstende deel van Europa kwam daardoor als vanzelf een einde. Opmerkelijk is, dat deze onderwerping ook in Noorwegen en Zweden is voorafgegaan door de invoering eener gecentraliseerde monarchie, die den [154] adel aan zijn gezag ondergeschikt wist te maken. Zonder twijfel beteekende dit een geweldige omwenteling, die diep in den maatschappelijken opbouw der Noordsche volken heeft ingegrepen, maar hier verder buiten beschouwing moet blijven. Slechts zij opgemerkt, dat zij zeker niet zonder Karolingischen invloed tot stand kwam. Ofschoon het aan de Kerk in de Noordsche rijken niet gelukte een even onweerstaanbaren greep op de zielen te verkrijgen, als in de reeds eerder binnen haar machtsgebied getrokken landen, was haar overwinning toch onmiskenbaar.

In de tweede plaats heeft het den schijn, dat de invallen der Noormannen in deze periode meer en meer ontaarden. Hun aanval van het jaar 845, waarbij zij met hun vloten Hamburg — het uitgangspunt van de door Lodewijk in het oog gevatte bekeering van het Noorden — en tegelijkertijd Parijs veroveren, wijst nog op een planmatig handelen. Daarentegen is uit de gebeurtenissen der volgende jaren, waarin zoovele Frankische steden door de Vikingers worden geplunderd, nauwelijks meer het beeld van een doelbewuste oorlogvoering te construeeren. Meer en meer schijnen de ondernemingen der Noormannen te ontaarden in op zichzelf staande rooftochten, waarbij niet meer een politiek doel, maar roof en plundering op den voorgrond staan. Toch blijft het merkwaardig, dat zij zelfs op Westfrankisch gebied het heidendom doen herleven en het stallen der paarden in de paltskapel van Karel den Frank te Nijmegen had wellicht mede ten doel, de overwinning van dit heidendom symbolisch tot uitdrukking te brengen. Hoezeer de Vikingerscharen echter gaandeweg den band met het vaderland verliezen, blijkt wel het best uit het feit, dat zij zich tenslotte ook tegen dit vaderland laten gebruiken. Het is de boven reeds genoemde Harald Blaatand, die den bond der Joms-Vikingers[226] als zijn beroepssoldaten in dienst neemt en hen gebruikt bij een aanval op Noorwegen, dat hij, behalve aan zijn eigen gezag, ook aan dat der Kerk wenschte te onderwerpen. Andere Vikingers wendt hij terzelfdertijd aan tegen Zweden[227]. Als zeeroovers en beroepssoldaten hebben de Vikingers aldus hun loopbaan beëindigd, die zij als voorvechters der Germaansche wereldbeschouwing waren begonnen.

Toch bewijzen ook de feiten uit dit tijdvak, dat de Noormannen geenszins barbaren waren en niet enkel als woeste [155] zeeschuimers van zich hebben doen spreken. In de deelen van Europa, waar zij zich blijvend vestigden, hebben zij rijken gesticht, die door hun voorbeeldige organisatie de bewondering der tijdgenooten opwekten en even zoovele uitstralingspunten werden van Noordsche scheppingsdrang en daadkracht. Herinnerd zij hier slechts aan de stichting van het hertogdom Normandië door den Noorman Rolf en zijn metgezellen (912), de van daaruit plaats vindende verovering van Zuid-Italië en Sicilië (1042-1130) door de twaalf dappere zonen van den ouden graaf Tankred van Hauteville en de eveneens vanuit Normandië ondernomen verovering van Engeland door Willem den Veroveraar (1066). Wat Oost-Europa betreft is daar de stichting van Rusland door de „Warägers” (van het oud-Noorsche „vaeringjar” = gevolgslieden) van den Zweed Hrurekr (Slavisch: Rjurik) tegenover te stellen. De invloed, die de Noormannen aldus op de verdere politieke en kultureele ontwikkeling van ons werelddeel hebben uitgeoefend, kan wel nauwelijks worden overschat. Indien zelfs in de donkerste periode der Middeleeuwen de Germaansche geest toch nog een enkele maal zich weet te uiten, is dit zeker in de eerste plaats aan Noordschen invloed te danken. Men denke slechts aan het opmerkelijke feit, dat de typisch Germaansche kunstvorm der gothiek juist in Normandië is ontstaan, wat zeker niet aan toeval mag worden toegeschreven. Niet minder opmerkelijk is, dat Frederik II, de keizer, die door zijn vrijzinnige opvattingen zich den onverzoenlijken haat van het priesterdom op den hals haalde, een Normandische vrouw tot moeder had[228]. De Noordsche veroveringsdrang vindt verder ook in de Kruistochten en vele andere ondernemingen een uitlaat en het sterke Noordras-element in de door de Noormannen gestichte staten heeft zijn invloed nog eeuwenlang doen gevoelen.

Een andere verdienste, waardoor de Vikingers zich een eervolle plaats in de geschiedenis hebben verworven, zijn hun ontdekkingsreizen, die aanleiding gaven tot de kolonisatie van voorheen niet of nauwelijks bevolkte gebieden. Wij noemen hier slechts de kolonisatie van het kort tevoren door hen ontdekte IJsland (874), de ontdekking van Groenland (982), waar eveneens een volksplanting werd gesticht en de mislukte poging zich blijvend te vestigen op de oostkust van Noord-Amerika (1000). De geweldige uitbreidingsdrang, die [156] bij de Noordsche volken in dit tijdvak valt op te merken, moet in ruimer verband zonder twijfel worden beschouwd als de laatste fase der Germaansche Volksverhuizing, die in een vroegere periode het staatkundige en kultureele beeld van Europa reeds zoo grondig had gewijzigd. Behalve aan een betrekkelijke overbevolking, die in het rotsachtige en onvruchtbare Skandinavië zich uit den aard der zaak eerder voelbaar maakte dan elders en aan den tot uitzwermen sterk geneigden aard van het Noordras, dat ongetwijfeld meer behoefte aan ruimte heeft dan vele andere rassen, moet deze expansiezucht echter ook aan politieke oorzaken worden toegeschreven. Het was de Noorsche koning Harald Harfager (d.i. Schoonhaar, ±860-933), die door de invoering van een gecentraliseerde monarchie naar Karolingisch voorbeeld en de daarmee gepaard gaande onteigening der odalsgoederen vele adels- en boerengeslachten ertoe bracht, zich in overzeesche gebieden en tot dusver onontgonnen streken van Skandinavië zelf een nieuwe woonplaats te zoeken. De grootscheepsche uittocht, die daardoor ontstond, was aan liefde voor de oude volksvrijheid te danken en beroofde daarom Noorwegen van zijn beste elementen.

Zoo heeft de Vikingerstorm, die het christelijke Europa op zijn grondvesten deed beven, het politieke overwicht van het Germaansche element in dit werelddeel nogmaals versterkt en het daarbij opnieuw met Noordras-bloed doordrongen en bevrucht. Hij heeft echter tevens het eigen Noordsche vaderland verzwakt, de aanraking met de geestelijke machten van het Zuiden vergroot en daardoor, ongewild en onbedoeld, de overwinning dezer machten bevorderd. Het is de tragiek der geschiedenis, dat juist de overwinningen, die door de Noormannen met de wapenen werden bevochten, den weg hebben gebaand naar hun geestelijke onderwerping aan een kerkelijk-politiek systeem, tot welks bestrijders zij zich hadden opgeworpen. De vrije geest van het Noordras, door de Vikingers zoo duidelijk vertolkt, leed in politiek opzicht de nederlaag tegen de georganiseerde geestesmacht uit het Zuiden, die in Karels Imperium Christianum was belichaamd.

Slotwoord

[157] Aan het einde van onze beschouwing gekomen schijnt het ons nuttig, de ontwikkeling, welke in dit boek breedvoerig is geschetst, nogmaals in haar hoofdtrekken samen te vatten. Keeren wij daarom tot ons uitgangspunt terug!

Ten tijde van het Imperium Romanum staan de Romaansche en de Germaansche wereld als twee scherp van elkaar gescheiden en gelijkwaardige machten naast en tegenover elkaar. Elk van deze werelden vormt een zelfstandig geheel, rust in zichzelf, gehoorzaamt aan eigen wetten en heeft haar eigen wereldbeschouwing, al vindt aan de grenzen, waar beide op elkander stooten, ook een wederzijdsche beïnvloeding plaats. Terwijl evenwel het volk, dat het Imperium schiep, in den loop der eeuwen door en door is verbasterd en zijn Noordras-element, waarop zijn oorspronkelijke kracht berustte, bijna geheel heeft verloren, staat aan de andere zijde dezer grenzen een volk, dat zijn jeugdige kracht, dank zij zijn onverbasterd gebleven bloed, ongebroken heeft weten te bewaren.

Met deze tegenstelling gaat een andere parallel. Tegenover de afgeleefde kultuur van het Imperium, welke dien naam feitelijk niet meer verdient, aangezien zij, opgebouwd als zij is uit de meest heterogene eiementen, met geen enkel ras meer direct verband houdt en feitelijk nog slechts den geest van den rassenchaos belichaamt, staat de gave, ofschoon jeugdige en onontwikkelde, kultuur der Germanen. De opgezamelde kennis uit het verleden, het geschoolde denken, de wetenschappelijke of quasi-wetenschappelijke methoden, de techniek en de uitwendige beschaving zijn echter grootendeels te vinden in het kamp hunner vijanden. Bovendien is daar ook een kerkelijk-politiek systeem, dat de organisatievormen van het Imperium heeft overgenomen, om zich de heerschappij over de zielen te verzekeren. Bezield door denzelfden imperialistischen waan, als voorheen de caesaren, zijn de dragers van dit [158] systeem erop uit de machtspolitiek van het afstervende, wereldlijke Rome voort te zetten en deze, onder gebruikmaking van andere middelen, te doen zegevieren ook daar, waar het Imperium faalde.

Het is deze langzaam afstervende wereld, welke onder de slagen, die haar tijdens de Volksverhuizing treffen, vrij plotseling en toch voor de tijdgenooten, die de draagwijdte der gebeurtenissen niet kunnen overzien, bijna onopgemerkt, bezwijkt. Zij wordt overweldigd door de Germaansche volken, die het West-Romeinsche Rijk veroveren en op zijn gebied hun eigen rijken stichten, doch er zich over het algemeen slechts in betrekkelijk kleine aantallen vestigen. Reeds tevoren zijn enkele dezer volken begonnen zich te bekeeren tot het Christendom, dat in het Romeinsche Rijk kort vóór zijn val de overhand had verkregen; nadat de verovering is voltooid en de verschillende stammen hun definitieve woonplaatsen hebben ingenomen, vindt deze bekeering verderen voortgang. Het is daarbij van de grootste beteekenis, dat het meerendeel dezer volken zich laat bekeeren niet tot het Roomsch-katholieke, maar tot het Ariaansche christendom. Hoewel van huis uit even on-Germaansch, heeft dit zich namelijk geheel los van Rome ontwikkeld en sterk den invloed van den Germaanschen geest ondergaan. Het is tegen monnikenwezen en mirakelzucht, stelt den Bijbel voorop en predikt in de landstaal. De bekeering der Germaansche volken tot dezen vorm van het Christendom, die als een voorlooper van het latere Protestantisme is te beschouwen, opent wijde perspectieven. De mogelijkheid schijnt aanwezig, dat zij, met behulp hunner christelijke leermeesters, zich toegang zullen verschaffen tot de schatten van wijsheid en kennis, die de afgeleefde kultuur van het Imperium uit het verleden had bewaard en zich aldus uit het arsenaal van den vijand de geestelijke wapenen zullen verschaffen, die zij behoeven in den strijd, dien zij tot verdediging van hun eigen aard in een rasvreemde omgeving op leven en dood moeten voeren. Deze mogelijkheid, hoewel langen tijd aanwezig, gaat echter niet in vervulling.

Terwijl de Ariaansche Germanen zich van de door hen onderworpen Romaansche bevolking afgezonderd houden, wordt dit weldra anders bij het eenige Germaansche volk, dat zich, bij monde van zijn koning, van het begin af voor het Roomsch-katholieke geloof verklaart. Politieke beweegredenen geven [159] daarbij den doorslag. Het betreft hier de daad van een zelfzuchtigen vorst, die tegen den wil van zijn volk, dat tot volgen moet worden gedwongen, een weg betreedt, die naar de geleidelijke versmelting van overwinnaars en overwonnenen zal voeren. Daarbij is Chlodwigs bekeering tot het Roomsche geloof (496) ook in zooverre van de grootste beteekenis, als zij hem de middelen verschaft, om met de medewerking en steun der onderworpen Romaansche bevolking de naburige Germaansche volken te verslaan en ten deele aan zijn gezag te onderwerpen. De eerste Germaansche vorst heeft zich daarmee in dienst gesteld van rasvreemde idealen en tevens is de grondslag gelegd van een boven-volkschen staat, waarin Germaansche en Romaansche kultuur- en bevolkingselementen zich steeds meer vermengen en waarvan de kerkelijke hiërarchie, die voorloopig met het koninklijk gezag hand in hand gaat, het bindend element vormt. In een wat lateren tijd gaan ook de andere Germaansche volken, die aan de vernietiging door Oost-Romeinen of Franken zijn ontkomen, tot het Roomsch-katholicisme over (± 600). Hun geringe getalsterkte en hun door vermenging met de onderworpen bevolking tenslotte toch ook verbasterd bloed zijn oorzaak, dat zij den strijd voor het behoud van den eigen volksaard op den duur niet kunnen volhouden, te minder, waar de band met het Germaansche kernland sinds lang is verbroken.


Zoo vormt het jaar 600 een beslissend keerpunt. De afgeleefde Romaansche wereld, die voor de wapenen der Germanen was bezweken, heeft zich door de opname van Noordras-bloed verjongd, de binnengedrongen veroveraars geestelijk overwonnen en hen in dienst gesteld van haar eigen idealen. Terzelfder tijd is het oude Germaansche kernland door het verlies van talrijke volksdeelen, die tot de beste behoorden, alsmede door het opdringen der Slaven, verkleind en verzwakt, terwijl zijn wereldbeschouwing en levensopvatting door den overgang van zijn weggetrokken zonen tot een nieuwe en onbegrepen leer aan het wankelen zijn gebracht. Daardoor zijn ook de grenzen tusschen beide werelden, die voorheen zoo duidelijk waren afgebakend, vervaagd en ten deele zelfs aan het ongeoefend oog onttrokken. Bij den strijd, die staat te ontbranden, zal het tweede Rome, evenals het eerste dat eeuwenlang had gedaan, Germanen gebruiken [160] tegen Germanen, maar deze strijd zal onder geheel andere krachtsverhoudingen plaats vinden, dan die, welke golden tusschen de vroegere Germaansche stammen en de Romeinsche legioenen en daarom zal hij ook geheel anders eindigen. De volkomen militaire overwinning, welke de binnendringende Germanen op het in verval geraakte keizerrijk behaalden, zal met een even volledige geestelijke overwinning van het nieuwe Imperium, dat in de plaats van het oude is getreden, worden beantwoord en, zooals de Vandalen het eindpunt van hun zegetocht vonden aan de randen der Sahara, zoo zal het Kruis zegevieren tot in Skandinavië en op IJsland. Daarmee zal zich een schouwspel voor ons oog ontrollen, dat de geschiedenis in vroeger en later tijd vaker te zien heeft gegeven. Men denke slechts aan het merkwaardige feit, dat de militaire en politieke vernietiging van Carthago met de Puniseering van het Romeinsche Rijk werd beantwoord.


De binnenlandsche woelingen en twisten, waardoor het Frankische Rijk na Chlodwigs dood gedurende langen tijd wordt geteisterd, veroorzaken een vrij langdurige onderbreking van deze ontwikkeling. De vreedzame prediking der leren vindt intusschen voornamelijk in de grensgebieden van het vroegere Imperium gehoor en wel in hoofdzaak bij de daar achtergebleven Romanen. Eerst nadat onder de eerste Arnulfingers (Karolingers) de eenheid van het rijk onder een krachtige leiding is hersteld, kan de groote aanval op het Germaansche kernland beginnen. Bij den dan beginnenden strijd gaan wereldlijk en kerkelijk gezag steeds hand in hand en banen de wapenen den weg naar de „bekeering”. Heftig is vooral het verzet der Friezen, onder wie de prediking van Willibrord eerst vruchten afwerpt, nadat Pippijn de Middelste hun koning Radbod bij Dorestad heeft verslagen (689). De overwinning, die Karel Martel aan de Boornzee op hertog Boppo bevecht (734), legt dan ook het Noorden van Friesland open voor de christelijke prediking. Bonifatius moet bij zijn zendingsarbeid in Hessen en Thuringen op dezelfde manier worden ondersteund. Eerst als deze steun hem onder Pippijn den Korten en Karloman ten volle wordt verleend, gelukt het hem zoowel het heidendom, als het ook in deze landen doorgedrongen Iersch-Schotsche Christendom te vernietigen. De onderwerping der Zwaben aan de kerkelijke hiërarchie wordt eerst [161] een feit, nadat de aanvoerders van dit volk in het bloedbad van Cannstadt (746) zijn gevallen.

Opmerkelijk is, dat bijna overal, waar de Roomsch-katholieke leer aan onverbasterd gebleven Germanen wordt gebracht, zij slechts door de toepassing van het uiterste geweld kan zegevieren. Een uitzondering vormen slechts de Angelsaksen en — in een veel lateren tijd — de bewoners van IJsland. Bij het eerstgenoemde volk was de overgang tot het Roomsch-katholicisme, evenals zulks bij Chlodwig het geval was geweest, te wijten aan politieke motieven. Bij de IJslanders, waar hij krachtens een besluit van het volksding geschiedde (1000), sproot hij voort uit den wensch de volksgemeenschap voor godsdienstige verdeeldheid te bewaren.[229]

Daarentegen is bij de Saksen, die zich in een dertigjarigen oorlog tegen hun bekeering verzetten, de afkeer van het hun opgedrongen geloof weer onmiskenbaar. Hoe diep deze afkeer wortelde, blijkt wel het best uit het feit, dat Karel de Frank teneinde hun verzet voorgoed te breken, tenslotte geen ander middel zag dan een gedwongen volksverhuizing, waardoor hij het bloed van dit volk opzettelijk verbasterde. Zijn verbeten worsteling met de laatste vrije en heidensche Germanen, die in Midden-Europa nog overig waren, brengt tenslotte de beslissing en de inzet der nog onverbruikte kracht der Noordsche volken kan deze uitkomst niet meer ongedaan maken. Door de onderwerping der Langobarden en de gebiedsuitbreidingen, die hij verder tot stand brengt, wordt hij tevens de stichter van een universeele monarchie, waarin bijkans heel het Roomsch-katholieke Europa is vereenigd. Tenslotte doet hij, door zich tot keizer te laten kronen, het Romeinsche Imperium herleven. Met recht kan Karel daarom worden beschouwd als de voornaamste grondlegger van het Middeleeuwsche Europa en onmiskenbaar is hij in heel het drama dat met de volkomen geestelijke onderwerping der Germanen eindigt, de centrale figuur. Ons oordeel over dit drama kan daarom niet verschillen van dat over zijn historische rol.


Zooals wij aan de hand van ons onderzoek zagen, bestaat er geen enkele reden, om Karel als een „echten Germaan” te verheerlijken, terwijl er alle grond aanwezig is, om aan zijn Germaanschen aard te twijfelen. Bovendien mist hij de oorspronkelijkheid, die, naar den maatstaf van ons ras, als de [162] meest kenmerkende eigenschap van het genie is te beschouwen. Evenwel kan niet worden ontkend, dat — afgezien van alle geestverwantschap van godsdienstigen aard — al diegenen, voor wie de vervaging van alle grenzen het hoogste ideaal is, die de oplossing van het bijzondere in het algemeene begeeren, die de samensmelting der volken en nog meer die der rassen nastreven en in het bestaan eener „menschheid”, als zedelijke gemeenschap aller op aarde levende menschelijke individuen, gelooven, alle reden hebben om Karel en zijn werk te verheerlijken. Voor hen daarentegen, die juist in de vervolmaking van het bijzondere hun ideaal zien, die in een natuurlijke wereldorde gelooven en het bestaan van afzonderlijke volken en rassen als een door een hoogere macht gewilde werkelijkheid aanvaarden, staat de zaak anders. Karels Imperium Christianum kunnen zij geenszins bewonderen en inplaats van aan den overwinnenden Frankenkoning brengen zij liever hulde aan diens verslagen tegenstanders, Widukind en Göttrik. Zoo is ons oordeel over deze historische figuur in laatste instantie afhankelijk van de wereldbeschouwing, die wij zijn toegedaan.

* * *

Slaan wij ten besluite nog een blik op het verdere verloop der ontwikkeling! Na eeuwen van geestelijke slavernij, gedurende welke de Germaansche ziel zich slechts hier en daar en als in het verborgene kon uiten, onderging het kerkelijk gezag door de herleving van de studie der Oudheid tijdens de zoogenaamde Renaissance voor het eerst een ernstige verzwakking. Vervolgens bracht de Hervorming een gedeeltelijke bevrijding, die de tegenstelling tusschen het Germaansche en het Romaansche deel van Europa weer duidelijk aan den dag deed treden. Terwijl het „Avondland” zich staat en maatschappij slechts onder het beeld van een machine vermocht voor te stellen, vergeleek Luther beide met het dierlijke organisme en schonk daardoor aan het zich bevrijdende „Noordland” den grondslag voor een eigen wereldbeschouwing),[230] die aan de oud-Germaansche in menig opzicht verwant is. De volgende eeuwen hebben de tegenstelling, die Europa opnieuw had verdeeld, verdiept en verscherpt, maar de Fransche revolutie bracht voor het Noordland een gevaarlijke [163] reactie. Omstrikt door de denkbeelden van het Liberalisme, die op de grondgedachten dezer revolutie teruggaan en in de mechanische wereldbeschouwing van het Avondland hun diepsten oergrond vinden, en vervolgens verblind door het gedachtensysteem van het Marxisme, dat van nog vreemderen oorsprong is, dreigde het Noordland opnieuw van eigen aard te vervreemden. Een diepgaande bezinning op het eigen verleden en een wereldbrand waren noodig, om op het laatste oogenblik redding te brengen.


De opbouw van een Noordland, dat geheel van vreemde invloeden is bevrijd, dat weer — als het oude Germanië — rust in zichzelf en aan eigen wetten gehoorzaamt, is een taak voor de toekomst. Wordt zij volbracht, dan zal Europa in zekeren zin tot het uitgangspunt van zijn geschiedenis zijn teruggekeerd, want weer zal het zijn verdeeld in een Romaansche en een Germaansche wereld, die ook in geestelijk opzicht duidelijk zullen zijn gescheiden. Was dan heel deze ontwikkeling doelloos en vertoont de geschiedenis slechts een zinlooze herhaling ? In geenen deele! Niets in de geschiedenis voltrekt zich zonder doel, geen enkele gebeurtenis is zinloos. De eeuwenlange strijd tegen de geestelijke overheersching van rasvreemde elementen heeft voor de Germanen tenslotte geleid tot een volledige bewustwording van eigen aard en karakter. Deze bewustwording, die de vrucht is van een lange en wisselvallige geschiedenis, breekt zich eerst in onze dagen ruimer baan en dit houdt een belofte in voor de toekomst. Het nieuwe Germanië, dat wij zien groeien, zal daarom innerlijk rijker en daardoor ook krachtiger zijn dan het oude.

Noten

  1. Namelijk Wilhelm Teudt in „Germanische Heiligtümer”, Jena 1929, blz. 148 e.v., afgedrukt in Knöpp: „Karl und Widukind”, blz. 46.
  2. Verg. Wolf: „Angewandte Geschichte”, Leipzig 1913, blz. 80.
  3. Namelijk van Dr. R. Luft, die haar gebruikt in zijn verderop nog te noemen werkje over de Franken.
  4. L.G. Tirala heeft in zijn „Rasse, Geist und Seele” ook voor het late Rome er op gewezen, dat kruising van bepaalde rassen homosexueele afwijkingen tengevolge heeft, waardoor de drang tot het grootbrengen van kinderen uitdooft.
  5. Verg. het genoemde werk van Wolf op blz. 81.
  6. Een uitnemende uiteenzetting van dit verband vindt men in het werkje van H. Laagland, waarmede de reeks der uitgaven van „Der Vaderen Erfdeel” is geopend.
  7. De eerste christenen waren zelfs communisten, verg. Handelingen 4:34!
  8. Verg. Wolf: „Angewandte Kirchengeschichte” blz. 83.
  9. Verg. Chamberlains „Grundlagen” blz. 557 der „Hauptausgabe”.
  10. Onder „askese” wordt verstaan opzettelijke zelfkwelling, waarvan wordt aangenomen, dat zij den goden (of God) aangenaam is.
  11. Namelijk door Pachomius, die in 340 op het eiland Tabennae in den Nijl het eerste klooster stichtte.
  12. De vormen, die het Christendom in den loop der eeuwen heeft aangenomen, loopen zeer uiteen en zijn talrijk. Zij zijn elk voor zich overtuigd „de ware leer” te verkondigen. Wij kiezen hier geen partij en laten Christus, die boven al deze ware leeren staat, buiten deze beschouwing.
  13. Deze onderscheiding lijkt ons noodzakelijk, daar onder den verzamelnaam „heidendom” de meest heterogene godsdiensten worden samengevat, die onderling soms zeer diepgaand verschillen. Zoo is tusschen het „heidendom” der Germanen en dat van het latere Rome het verschil stellig veel grooter en wezenlijker, dan tusschen het laatste en het Christendom.
  14. Op deze merkwaardige samenloop wijst Wolf op blz. 299 van zijn „Angewandte Geschichte”, waaraan de in den tekst volgende bijzonderheden zijn ontleend.
  15. Namelijk door Dr. R. Luft in zijn „Die Franken und das Christentum”, München 1936, een voortreffelijk werkje, dat op een uitgebreid bronnenonderzoek steunt en waaraan wij een groot deel der in dit hoofdstuk vervatte gegevens ontleenden.
  16. Waarom ontbreken hun namen in onze geschiedenisboeken? De tragische ondergang dezer Frankische vorsten, die ongetwijfeld tot ons voorgeslacht zijn te rekenen, lijkt ons toch wel de vermelding waard.
  17. Trier was in die dagen een Romeinsch centrum.
  18. Namelijk Salvianus in zijn „de gubernatione dei”; verg. Luft blz. 16.
  19. Ook deze trek is tevens Indogermaansch, want reis- en treklust zijn kenmerkend voor alle tot het Noordras behoorende volken.
  20. Verg. Luft blz. 15.
  21. De Ubiërs woonden toen b.v. al op den linker-Rijnoever bij Keulen.
  22. De naam is afgeleid óf van Isala = IJsel, óf van Salon = Salland, óf van het Latijnsche woord „sal” = zout(water); in het laatste geval zou Salische Franken de beteekenis hebben van Zee-Franken.
  23. Ripuariërs, van het Latijnsche woord „ripa” = oever, beteekent: „oeverbewoners”, n.l. van den Rijn.
  24. Chlod = beroemd, wig = strijd; een andere schrijfwijze van dezen naam, de oudste vorm van ons Lodewijk, is Hluodwig.
  25. De stamvader en naamgever der Merowingers.
  26. De zoon van den voormaligen Romeinschen stadhouder Aegidius.
  27. Misschien bij Zülpich (Tolbiacum) ten Z.W. van Keulen; vast staat dat echter niet.
  28. Luft, aan wien wij deze gegevens ontleenen, heeft hier geput uit het werk van Rettberg: „Kirchengeschichte Deutschlands” § 43 blz. 287, naar hij in een noot mededeelt.
  29. De naam is afgeleid van „auster”, het Germaansche woord voor Oosten, en beteekent dus „Oostland”. De beteekenis van het woord Neustrië bleef lang onverklaard. Naar P. Kretschmer meedeelt, is de oudere vorm echter Neaustria — ook wel Niuwistria, of Niustria — zoodat het duidelijk is, dat Neustrië beteekent Nieuw-Austrië (= Austrasië). Verg. „Germanien” van Juni 1938 blz. 206.
  30. Hij leefde van 538-594 en is de schrijver van een omvangrijk werk over de Frankische geschiedenis, dat de hoofdbron voor de kennis van dit tijdvak is geworden.
  31. Namelijk door Dr. A. Baldamus in Weber-Baldamus’ „Weltgeschichte”, deel II § 34.
  32. Een meening, die wij niet kunnen onderschrijven. Hoewel de verwildering in de hoogere klassen — die het eerst bekeerd werden — begon en daar ook de grootste afmetingen aannam, valt uit tal van aanwijzingen af te leiden, dat zij zich op den duur over het geheele volk verspreidde. Men bedenke slechts, dat de grenzen tusschen de klassen onder invloed van het Christendom zoozeer vervaagden, dat de Germaansche standenmaatschappij als het ware onderst-boven werd gekeerd.
  33. De schrijver vergeet hier aan toe te voegen, dat deze maatschappij reeds christelijk was geworden, maar daardoor in wezen niet was veranderd; met het oude Rome had deze bevolking niets meer gemeen.
  34. Die van geboorte een onvrije dienstmaagd was!
  35. Namelijk door Dr. Ulrike Garbe in haar voortreffelijke studie: „Frauen des Merowingerhauses”, Leipzig 1936.
  36. Luft blz. 34.
  37. Als gevolg daarvan moesten de Thuringers het Main-gebied aan het Frankische Rijk afstaan; vandaar de namen „Ober-Franken” en „Unter-Franken”, die deelen van dit gebied nog heden dragen en die ons dus niet ertoe mogen verleiden, hier de bakermat der Franken te gaan zoeken.
  38. De Frankische naam voor de Zwaben, die voor de Franschen later de benaming is geworden voor de Duitschers in het algemeen.
  39. Aldus omschrijft Baldamus de historische beteekenis van het Frankische Rijk.
  40. Het woord beteekent „helpers”, nl. van den koning, en is afgeleid van het Latijnsche woord „trustis” = troost, bescherming, hulp.
  41. Oorspronkelijk werden deze Romanen, naar het voornaamste eererecht, dat hun daarbij ten deel viel, aangeduid als „convivae regis” = dischgenooten des konings.
  42. Verg, het artikel: „Die Herkunft der Karolinger” van H. Aubin in: „Karl der Grosze oder Charlemagne? Acht Antworten deutscher Geschichtsforscher”, Berlin 1935.
  43. In tegenstelling met het bij ons geldende beginsel van de territorialiteit van het recht.
  44. Hierop wijst Dettweiler in het op naam van Kummer uitgegeven werkje: „Reaktion oder deutscher Fortschritt in der Geschichtswissenschaft”, Leipzig 1935, waarin hij, onder den titel „Rückantwort eines Biologen”, de opvattingen der boven bedoelde acht „Geschichtsforscher” bestrijdt.
  45. Namelijk door P. Zaunert in zijn artikel over „Die Entwicklung des Karolinger-Typus”, in „Volk und Rasse” van Jan. 1933.
  46. De vaste verbinding tusschen grondbezit en staatsambt, die wij hier zien ontstaan, legde den grond voor het ontstaan van het leenstelsel, De hoogst belangrijke ontwikkeling, die zoodoende werd ingeluid, moet hier echter buiten beschouwing blijven.
  47. Zoo Baldamus in zijn „Weltgeschichte”, deel II blz. 93.
  48. Het Sincfal of Zwin was een water op de grens van het tegenwoordige Zeeuwsch Vlaanderen. Het was destijds de zuidgrens van Friesland en het was nog in lateren tijd de zuidgrens van het gebied van het Friesche recht.
  49. Pippijn was in dit opzicht een waardig lid van zijn geslacht, waarin het gelijktijdig erop na houden van meerdere gemalinnen evenzeer traditie was, als het in menigte verwekken van onechte kinderen.
  50. Het rijksdeel ten zuiden van de Loire, dat zich tijdens de periode van verwarring min of meer onafhankelijk had weten te maken.
  51. Verg. Felix Dahn: „Deutsche Geschichte”, deel II blz. 231, waar wordt verwezen naar de bronnen.
  52. Waarom hebben de Friezen, die zoo trotsch heeten te zijn op hun stam, dezen vrijheidsheld niet door de oprichting van een gedenkteeken geëerd? Is het soms, omdat hij heiden was? Hoe heel anders deden dan Franschen en Duitschers, voor wie het heidensche geloof resp. van Vercingetorix, den door Caesar overwonnen Gallischen vrijheidsheld, en van Herman den Cherusker geen beletsel was, om de gedachtenis dezer nationale figuren door standbeelden te vereeuwigen.
  53. Ten deele misschien ook met het feit, dat ook de in dit gebied achtergebleven West-Gothen — onder wie zich allicht nog Arianen bevonden — tot verzet geneigd waren, verg. F. Dahn: „Deutsche Geschichte”, deel II blz. 247.
  54. Dit volk woonde toenmaals tot aan de Garonne en nam dus een grooter gebied in dan tegenwoordig.
  55. Verg. het artikel van W. Kinkelin: „Das Blutbad von Cannstatt und seine Folgen für das Schwabenland”, in „Germanen Erbe" van Sept. 1938, waaraan wij vele gegevens ontleenden.
  56. Verg. Timerding: „Die christliche Frühzeit Deutschlands in den Berichten über die Bekehrer”, deel II blz. 50 e.v.
  57. Men bedenke, dat Zwaben (d.i. het gebied der Alemannen in engeren zin!) nog tegenwoordig dat deel van Zuid-Duitschland is, waar het Noordras het sterkst overweegt en vergelijke in dit verband de kaart op blz. 163 van Günther’s „Rassenkunde des Deutschen Volkes”.
  58. Tegenwoordig een wijk van Stuttgart.
  59. Inlijving, want het eigenlijke Zwaben had tot dusver slechts onder Frankisch oppergezag gestaan, terwijl het, wat zijn binnenlandsche staatsorde betreft, zijn vrijheid had weten te handhaven. Daarentegen was het Noordelijkste deel van het Alemannische gebied en vermoedelijk ook het Westelijke deel (de Elzas en omgeving) reeds door Chlodwig bij het Frankische Rijk ingelijfd (namelijk in 496).
  60. Evenwel niet als hun persoonlijk eigendom, want — evenals dit oorspronkelijk ook bij de andere Germaansche volken het geval was — gold de hoeve met de erbij behoorende grond in Zwaben als het onvervreemdbare eigendom van het geslacht, de sibbe.
  61. Veelzeggend is het, dat ook door deze concilies nog maatregelen werden genomen tegen de onder het volk voortlevende heidensche gebruiken.
  62. Verg. Timerding blz. 51.
  63. Timerding, deel I blz. 53 e.v.
  64. Een voorstelling, waar Timerding terecht tegen op komt.
  65. Luft: „Die Franken und das Christentum”, blz. 47.
  66. Zooals Dettweiler doet op blz. 20 van het bovengenoemde werkje van Kummer.
  67. Verg. blz. 45, laatste al. en ook blz. 43, waar de voorstelling wordt gegeven, alsof in de bekeering der Germanen zich reeds „der Wille zum Aufstieg” openbaarde.
  68. Timerding, deel I blz. 103.
  69. Zoo althans Timerding, die in dit verband zeker een onverdachte bron is! Verg. deel II van zijn werk op biz. 249.
  70. De Elzas schijnt zelfs reeds bij het eigenlijke Frankenrijk ingelijfd te zijn geweest, getuige het aldaar optreden van Frankische graven.
  71. Naar Prof. J. de Vries in zijn „Altgermanische Religionsgeschichte”, Band I blz. 220 opmerkt, moet men zich de kerstening der Romeinsche grensprovincies niet te oppervlakkig voorstellen; de Frankische bisdomorganisatie stamt b.v. uit den Romeinschen tijd.
  72. Men vergelijke het reeds genoemde artikel van Kinkelin in „Germanen-Erbe” van Sept. 1933, waaraan wij ook onze beschouwing omtrent de gevolgen, die de gedwongen kerstening voor Zwaben had, ontleenden.
  73. Verg. het artikel van E. Wittmann: „Das Blutbad von Cannstatt”, in het tijdschrift „Deutscher Glaube” van Juni 1940, waaraan de in den tekst volgende bijzonderheden zijn ontleend.
  74. Verg. het artikel van J.W. Hauer: „Die lex Alamannorum”, in „Deutscher Glaube” van Aug. 1940.
  75. Namelijk door Wittmann in zijn boven genoemde artikel.
  76. Volgens Kinkelin.
  77. Volgens Kinkelin.
  78. Deel I blz. 33. Hierbij valt op te merken, dat het naar Germaansche opvatting een onhoudbare toestand was, wanneer vorst en volk niet aan gemeenschappelijk „heil” deel hadden, wanneer het volk zijn heil uit het oude geloof putte en de vorst het in den „Witten Krist” vond. Hoe kon onder zulke omstandigheden de koning heilbrengend voor zijn volk zijn? De bekeering van de leidende mannen bracht daarom gemakkelijk een kerstening — tenminste naar het uiterlijk — van het volk met zich, wanneer de band tusschen beide hecht was. Maar evengoed kwam het voor, dat het volk de band verbroken achtte door de bekeering van den koning en dan was geweld onvermijdelijk.
  79. Timerding, deel I blz. 221.
  80. Aan hun aanwezigheid herinneren nog tal van aardrijkskundige namen, als Walchstadt, Wallberg, Walchensee, Walchsee en Wallersee.
  81. Timerding, deel I blz. 162.
  82. Deze volkssplinters waren met de Franken meegekomen, toen dezen Gallië veroverden en hadden zich toen in de genoemde streek gevestigd.
  83. Deel II blz. 4.
  84. Aangezien de Keltische bovenlaag dezer volken, die tot het Noordras behoorde, toenmaals reeds verregaand verbasterd was, moeten de Ieren en Britten van dien tijd overwegend tot het Westras (Mediterrane ras) worden gerekend, terwijl de Angelsaksen, als Germanen, overwegend tot het Noordras behoorden.
  85. Timerding, deel II blz. 9.
  86. Het jaartal 692, dat Timerding voor deze terugkeer noemt, kan o.i. niet juist zijn, daar Wigberts prediking moet hebben plaats gehad vóór de slag bij Dorestad (689). Timerding noemt echter ook voor deze slag een later jaartal.
  87. Dahn, deel II blz. 218.
  88. Dit naar Foseti, of Forseti, den god van de rechtspraak, genoemde eiland, schijnt tot het gebied van Radbod te hebben behoord. Willibrord doopte er drie menschen bij een heilige bron en liet bovenden heilige dieren slachten, die op het eiland (Helgoland?) weidden.
  89. Timerding, deel II blz. 43.
  90. Verg. de noot op blz. 28 van het reeds meermalen genoemde werkje van Luft.
  91. Zoo b.v. in het „Handboek tot de Staatkundige Geschiedenis van Nederland”, van Dr. I.H. Gosses en Dr. N. Japikse, waarin men op blz. XXV leest: „Hard zijn Christendom en heidendom overigens niet op elkaar gestooten; het volk is tenslotte door de missie en niet met het zwaard bekeerd”. Aangezien de schrijvers aan het Frankische Rijk een Germaansch karakter toedichten en meenen, dat dit rijk weinig in zich had, dat drukken of afschrikken kon, is deze misvatting begrijpelijk.
  92. Deel II blz. 231.
  93. Timerding, deel II blz. 46 e.v, waaraan ook onze verdere gegevens omtrent Bonifatius zijn ontleend.
  94. Verg. Dahn, deel II blz. 274, waar er bovendien op wordt gewezen, dat niets omtrent Karels geboorte, jeugd en knapenleeftijd bekend is.
  95. Namelijk door Dettweiler op blz. 14 e.v. van zijn reeds genoemde artikel, waaraan wij enkele bijzonderheden ontleenden. Evenwel moet worden opgemerkt, dat de moeder van Karel moeilijk een Hongaarsche kan zijn geweest, aangezien dit volk toen nog in de Zuid-Russische steppe verblijf hield. Mogelijk is echter, dat in de bedoelde oorkonde de Avaren met de hun verwante Hongaren zijn verwisseld, evenals het eerstgenoemde volk in de bronnen soms als „Hunnen” wordt aangeduid.
  96. Verg. Dettweiler, blz. 15.
  97. Zoo nu weer door Prof. H. Naumann in zijn opstel over „Karls germanische Art” in „Karl der Grosze oder Charlemagne?” Bepaald dwaas is het echter, dat deze schrijver aan Karel o.a. ook „Sinn für die Flotte” toedicht, want tot het bouwen van een vloot heeft Karel eerst heel laat en slechts uit pure noodzaak besloten.
  98. Namelijk door Naumann, aan wien ook de andere in den tekst besproken argumenten zijn ontleend.
  99. Verg. het genoemde artikel van Naumann.
  100. Volgens Naumann maakte Alkwin (Alcuin), Karels raadgever in kultureele zaken, den monniken van Lindisfarne een heftig verwijt van hun bemoeienis met deze liederen.
  101. Bedoeld is het vulgaire Latijn, de voorlooper van het oud-Fransch. Verg. Dahn, deel II blz. 396.
  102. De naam „Germanen” werd na de Volksverhuizing in de Germaansche volkstalen niet meer gebruikt. Het ontbreken van een naam voor het geheel der Duitsche stammen is een bewijs voor de afwezigheid van een Duitsch volksbewustzijn. Verg. Erdmann: „Der Name Deutsch” in „Karl der Grosze oder Charlemagne?”
  103. Zoo o.a. Prof. K. Hampe in zijn artikel over „Die Persönlichkeit Karls”, in „Karl der Grosze oder Charlemagne?”
  104. Haar naam (Bertherada?) is niet met zekerheid bekend. Voor Karels familieleven vergelijke men Dahn, deel II biz. 386 en de voetnoot op blz. 277.
  105. Dit doet niet alleen Hampe, maar ook Dahn, die Karel nog beschouwt als een echten Germaan en hem daarom meent te moeten verheerlijken.
  106. Het gedrag van dezen abt is wel een treffend bewijs voor de juistheid van Hampe’s opmerking, dat men niet moet meenen, dat een eenzijdig theologische, of zelfs ascetische, geest voor Karels hof kenmerkend is geweest. Neen, ascetisch heeft deze latere heilige der R.K. Kerk zeker niet geleefd!
  107. Voor Naumann is daarentegen het feit, dat Karel er niet aan dacht Rome tot zijn keizerlijke residentie te maken, één der bewijzen voor zijn Germaanschen aard.
  108. Zoo o.a. door Naumann.
  109. Men lette op de tegenstelling!
  110. Ook Karels verdelgingswoede tegen de (raszuiver gebleven!) Saksen is misschien ten deele uit zijn gemengde afkomst te verklaren.
  111. Men denke aan Dsjengis Khan en zijn opvolgers, die voortreffelijke organisators waren en wier staten gekenmerkt werden door een ver doorgevoerde bureaucratie.
  112. Zoo liet hij de toevoeging van het „filioque” aan de geloofsbelijdenis verdedigen in de z.g. „Karolingische boeken”, een geschrift, dat officieel als zijn eigen werk werd aangeduid. Verg. Prof. A. Brackmann: „Kaisertum und römische Kirche”, in „Karl der Grosze oder Charlemagne?” blz. 86.
  113. Brackmann blz. 90.
  114. Volgens Brackmann laat Einhard namelijk Karels godsdienstige motieven buiten beschouwing en stelt hij zijn oorlogen niet voor als godsdienstoorlogen, zoodat zijn levensbeschrijving „reeds een volkomen saecularisatie der heerschersgestalte inhoudt”. Vermoedelijk staat dit hiermee in verband, dat Pinhard de levensbeschrijvingen der Romeinsche keizers van Suetonius tot voorbeeld heeft genomen en bij zijn karakterbeschrijving diens typen navolgt. Verg. het reeds genoemde artikel van Zaunert op blz. 17 van „Volk und Rasse” van Jan. 1933.
  115. Zoo b.v. voor Dahn en Hampe.
  116. Die voor zijn zoon zelfs tevergeefs dong naar de hand van Pippijns dochter Gisela! Verg. Dahn, deel II blz. 272.
  117. Men denke o.a. aan de territoriale verbrokkeling en het daaruit voortvloeiende gebrek aan samenhang van dit rijk; zijn voortdurende strijd tegen het Pausdom; zijn vroegere nederlagen tegen de Franken; zijn gemengde bevolking en ook aan de demoralisatie, die de overgang van zijn staatsvolk van het Arianisme tot het katholicisme noodzakelijk ten gevolge moest hebben.
  118. Verg. Dahn, deel II blz. 284.
  119. Waarbij de dappere Hruodland (= Roland), markgraaf van de Bretonsche Mark, sneuvelde, wat later aanleiding werd voor het ontstaan van het beroemde Rolandslied.
  120. Natuurlijk is dit slechts in betrekkelijken zin op te vatten; het beleg van Pavia, de Langobardische hoofdstad, duurde b.v. toch nog zes maanden.
  121. Een bewering. die o.a. door Hampe wordt geuit.
  122. Verg. Dahn, deel II blz. 378.
  123. Volgens Brackmann duikt het woord „Imperium” eerst in 798 in de Frankische overlevering op, dus in het jaar, waarin de stichting van het aartsbisdom Salzburg de inleiding werd tot de gedwongen bekeering van Avaren en Slaven.
  124. Volgens Timerding was de missie een wezenlijke grondslag voor de schepping van dit rijk, verg. deel II blz, 50.
  125. Waarschijnlijk aanhangers van het z.g. Adoptianisme, dat leerde, dat Christus, als mensch, slechts een „aangenomen” zoon van God was geweest, verg. Dahn, deel II blz. 284.
  126. Deel II blz. 382.
  127. Voor de hier genoemde feiten vergelijke men Dahn, deel II blz. 376 e.v.
  128. Verg. Brackmann blz. 86.
  129. Opmerkelijk is, dat daarbij met nadruk wordt genoemd de sodomie: de te benoemen bisschop moet verklaren, dat hij zich daaraan niet heeft schuldig gemaakt. Terwijl aan Karel, naar uit de bewoordingen van den brief blijkt, de tegennatuurlijke ontucht onbekend was, tierde dit kwaad, dat tot aan de Hervorming nooit streng is aangepakt, toen reeds 500 jaar in de kloosters en onder de geestelijken in het algemeen. Verg. P.M. Schwartz: „1600 Jahre klosterprozesse”, in „Nordische Stimmen” 1937 Heft 9, waaraan ook het in den tekst volgende citaat is ontleend.
  130. Verg. Dahn, deel II blz. 724.
  131. In elk geval vanaf het jaar 794, dus nog vóór de keizerskroning. Verg. Dahn, deel II blz. 350.
  132. Het reeds genoemde Adoptianisme.
  133. Dahn, deel II blz. 349 e.v.
  134. Deze beloften, die o.a. de hertogdommen Beneventum en Spoleto betroffen, waren door Karel gedaan vóór den val van Pavia, maar werden achteraf niet door hem gehouden, evenmin als zijn later aan den Paus gedane beloften. Verg. Dahn, deel II 279 en 348.
  135. Brackmann laat in zijn reeds genoemde artikel deze feiten buiten beschouwing. Inplaats van de opkomst van het denkbeeld der keikerskroning af te leiden uit de politieke ontwikkeling, waaruit zij logisch voortvloeide, verklaart hij haar uit pauselijke machtsbegeerte; de Paus zou op het idee zijn gekomen Karel tot keizer te kronen, teneinde later in diens plaats zelf als beheerscher van het Avondland te kunnen optreden. Deze verklaring is te gekunsteld om waar te zijn.
  136. Verg. het artikel van Brackmann op blz. 81.
  137. De uitvoerige bewijzen daarvoor vindt men bij Dahn, deel II, noot op blz. 356.
  138. Die een oogenblik aanwezig scheen.
  139. Sinds den ondergang der Oost-Gothen was namelijk de Oost-Romeinsche keizer, althans nominaal, souverein over Rome.
  140. Verg. Burkhard von Bonin: „Vom nordischen Blut im Römischen Recht”, Leipzig 1935, blz. 22. Door dezen schrijver wordt er bovendien op gewezen, dat de herleving van het Romeinsche keizerschap het binnendringen van het Romeinsche recht in Duitschland heeft bebevorderd.
  141. Of heeft Karel bij deze verdeeling zijn rijk opgevat als aardschen wereldstaat? Deze veronderstelling komt in strijd met heel zijn verdere gedrag, daar hij zijn rijk steeds met den „Godsstaat” identificeert. Ook kan het niet zijn bedoeling zijn geweest, om — terwijl de „wereldstaat” werd verdeeld — den „Godsstaat” verder zonder hoofd te laten. Hoe men het echter ook draait, er blijven inconsequenties.
  142. Ook Hampe, een vereerder van Karel, erkent, dat men in dezen kring met bewust klassicisme geest en vorm van de christelijke, laat-Romeinsche kultuur trachtte te doen herleven, verg. zijn artikel op blz. 24.
  143. Zaunert, blz. 16.
  144. Dahn, deel II blz. 384; cursiveering van ons!
  145. Men denke aan de gedwongen bekeering van Saksen en Avaren en de daarmee gepaard gaande poging tot uitroeiïng der heidensche gebruiken. Hoeveel was daaronder niet te verstaan!
  146. Dahn, deel II blz. 391.
  147. Voor de afleiding van dit woord vergelijke men blz. 89 van dit boek.
  148. Het woord schijnt het eerst voor te komen in het proces tegen Tassilo, verg. Erdmann blz. 102.
  149. Volgens Hampe — een onverdachte bron! — had het Latijn voor Karels rijk dezelfde beteekenis, als het Arabisch voor het khaliefenrijk.
  150. Verg. Erdmann op blz. 100.
  151. Verg. Naumanns artikel op blz. 35 en dat van Erdmann op blz. 98.
  152. Verg. Erdmann, blz. 100 e.v.
  153. Het ontwaken van dit Duitsche nationale gevoel was dus — evenals dit later onder Napoleon het geval was — slechts een ongewild gevolg van Karels politiek. Men bedenke, om een voorbeeld uit onzen eigen tijd te noemen, hoeveel Clemenceau en Lloyd George hebben gedaan voor de totstandkoming van het Derde Rijk der Duitschers, terwijl toch geen enkele Duitscher het in zijn hoofd zal halen deze politici door de oprichting van standbeelden, of op andere wijze, te gaan vereeren. Waarom wordt Karel de Frank dan wél vereerd, om hetgeen hij even ongewild tot stand bracht?
  154. Verg. Prof. F. Baethgen: „Die Front nach Osten”, in „Karl der Grosze oder Charlemagne?”, blz. 72 e.v.
  155. De aanwezigheid dezer Germaansche volksresten wordt veelal over het hoofd gezien. Toch waren zij niet zonder belang, men denke slechts aan de Silingers, die aan Silezië hun naam hebben geschonken, en aan de Warnen in het tegenwoordige Mecklenburg en vergelijke hier o.a. het artikel van Leonhard Franz: „Germanen und Slawen in den Sudetenländern” in „Germanien” van Nov. 1938.
  156. Men denke aan Hendrik I, Otto II, den Grooten, Frederik Barbarossa en vele anderen!
  157. Verg. Wolf: „Angewandte Kirchengeschichte” blz. 343.
  158. Men vergelijke de bloemlezing uit de bronnen, die Dr. F. Knöpp onder den titel „Karl und Widukind”, Verlag Moritz Diesterweg, Frankfurt 1935, heeft uitgegeven op blz. 6. Het citaat is ontleend aan de „Overbrenging van den heiligen Alexander” van Rudolf en Meginhard. De cursiveering is van ons.
  159. Zaunert.
  160. Pippijn de Korte had namelijk reeds enkele Saksische gouwen, gelegen tusschen Unstrut en Bode, veroverd.
  161. Verg. Dahn, deel II blz. 317.
  162. In zijn artikel over „Die Sachsenkriege” in „Karl der Grosze oder Charlemagne?” stelt Prof. M. Lintzel het namelijk voor, alsof in Saksen een revolutie voor de deur stond, waarom de adel, teneinde haar „heerschappij” te behouden, steun bij Karel zou hebben gezocht.
  163. Bijna anderhalve eeuw na de landing der Nederduitsche stammen, kwam de eerste zendbode van Rome in Kent (595), daar, waar Hengist ook geland was. De Frankische gemalin van koning Aethelbert van Kent was toen reeds een christin.
  164. Zoo genoemd naar de kleur van hun haar, verg. Timerding, deel II blz. 12.
  165. Timerding, deel II blz. 185.
  166. En niet van Liafwin, zooals Timerding, ongetwijfeld bij vergissing heeft geschreven.
  167. Timerding, deel II blz. 203.
  168. Namelijk van Timerding, aan wien wij onze gegevens ontleenden.
  169. Verg. Knöpp: „Karl und Widukind”, blz. 24.
  170. De standplaats van dezen boom is niet met zekerheid bekend: behalve de Externsteine bij Detmold wordt ook Altenbeken genoemd.
  171. Verg. Knöpp, blz. 8.
  172. Knöpp blz. 8 en daarmee in overeenstemming Reche: „Kaiser Karls Gesetz”, blz. 24. De cursiveering is van ons.
  173. Baldamus in zijn „Weltgeschichte”.
  174. Deel II, blz. 301.
  175. Te vinden in Hermann Guthe: „Die Lande Braunschweig und Hannover”, 1867, blz. 314.
  176. De beknopte weergave van deze wet ontleenen wij aan het reeds genoemde werkje van Reche, dat de voornaamste bepalingen in letterlijke vertaling weergeeft.
  177. Naar Reche opmerkt.
  178. Men denke slechts aan de mummificeering van lijken, die met deze voorstelling verband houdt. Overigens kenden de Germanen, naast de lijkverbranding, in vele tijdperken hunner geschiedenis ook het begraven, terwijl de christenen der eerste eeuwen ook wel hun dooden verbrandden.
  179. Verg. Dahn, deel II blz. 305 en Knöpp blz. 18.
  180. Een feit, waarop is gewezen door H. Amberger in zijn artikel „Karl und Widukind”, in „Die Sonne” van Nov. 1935.
  181. De eersten werden gewoonlijk gekozen uit de laatsten, verg. Dahn, deel II blz. 306.
  182. Men vergelijke het artikel van Dr. Werner Petersen: „Das Blutbad von Verden ein Geschichtsirrtum?” in „Germanien” van Jan. 1938, waarin aan deze bronnen een nadere beschouwing wordt gewijd.
  183. Volgens Knöpp, aan wien wij het volgende citaat ontleenen, zijn deze „Annales Einhardi” echter niet van Einhard zelf afkomstig. De cursiveering is van ons.
  184. Een landstreek aan den linker oever van de beneden-Elbe in de buurt van Lüneburg, die vermoedelijk als de bakermat der Langobarden is te beschouwen.
  185. Intusschen is het nog geen uitgemaakte zaak, dat dit bericht omtrent den doop van Widukind op waarheid berust; men vergelijke het artikel van Edmund Weber: „Ist Widukind ermordet worden?” in „Die Sonne”, Heft 7/8 van 1937.
  186. De „Annales Petaviani” vermelden dit b.v. uitdrukkelijk voor het jaar 782, verg. het reeds genoemde artikel van Werner Petersen in „Germanien”.
  187. Verg. Dahn, deel II blz. 299.
  188. Men vergelijke voor de genoemde brieven Knöpp, blz. 36 e.v.
  189. Lukas 10:4.
  190. Judith 13:17.
  191. Namelijk de „Overbrenging van den Heiligen Liborius”, verg. Knöpp blz. 29.
  192. Verg. Dahn. deel II, noot op blz. 303.
  193. Knöpp blz. 28.
  194. Deze nederzettingen zijn veelal nog door hun naam als zoodanig te herkennen, b.v. Sachsenhausen bij Frankfurt. Misschien is ook de naam van ons Sassenheim aldus te verklaren; mogelijk lijkt deze verklaring in elk geval.
  195. Knöpp blz. 27.
  196. Namelijk zoowel door den Avarenoorlog, als door een gevaarlijken inval der Saracenen, verg. Dahn, deel I blz. 309 e.v., waaraan wij onze gegevens voor dit deel van den oorlog ontleenen.
  197. Een benoorden de Lippe gelegen gouw, die blijkbaar ook in opstand was gekomen, verg. Dahn, deel II blz. 307 en 311.
  198. Deze gouw lag rechts van den beneden-Wezer.
  199. In dit verband gebruikt, duidt deze naam, die overigens een relatieve beteekenis had, de meer Romaansche gebiedsdeelen van het Frankische Rijk aan, dus ongeveer het latere Frankrijk.
  200. Dit blijkt uit een nog voorhanden verzoekschrift, waarin een christelijke Saks Lodewijk den Bidbroeder verzoekt om teruggave van zijn vaderlijk erfdeel. Verg. Knöpp blz. 23.
  201. Verg. Baethgen aan het slot van zijn artikel.
  202. Namelijk Paderborn en Minden bij de Engeren, Verden en Bremen bij de Oostfalen en Münster en Osnabrück bij de Westfalen.
  203. Naar als bekend verondersteld mag worden, beroofde de Dertigjarige Oorlog Duitschland van omstreeks 2/3 van zijn bevolking!
  204. Namelijk door Reche, die daarbij verwijst naar de, in dit verband inderdaad veelzeggende, teksten Deut. 7:16, Jer. 48:10, Deut. 32:42 en het boek Esther; verg. zijn: „Kaiser Karls Gesetz” blz. 25.
  205. Rosenberg!
  206. Naar als bekend mag worden aangenomen, werden onder dezen naam in het Frankische Rijk de Germaansche volken begrepen, die Denemarken en Skandinavië bewoonden.
  207. Zoo Dr. B. Kammer, aan wiens op een uitgebreide bronnenstudie berustende werken vele gegevens voor dit hoofdstuk zijn ontleend. Met name zijn jongste werk: „Der Machtkampf zwischen Volk, König uad Kirche im alten Norden”, Leipzig 1939, werd door ons geraadpleegd.
  208. Groote blaasinstrumenten van 1,51 tot 2,38 M. lang. Op te merken valt, dat Jutland, het middelpunt der Bronstijdkultuur, toenmaals rijk was door den handel in barnsteen. Verg. H. Laagland: „Beknopte geschiedenis van het Noordras”, blz. 124.
  209. Met name in het district Bohus ten N. van Gothenburg.
  210. De landstreek benoorden het Mälar Meer, vanwaar, in verband met de daar gelegen oeroude heiligdommen van Uppsala en Sigtuna, de politieke vereeniging van Zweden is uitgegaan.
  211. Volgens Kummer op blz. 137 van zijn genoemde werk.
  212. Waarschijnlijk Noorwegen, dat in het Zweedsch nog „Norrigen” heet.
  213. De oudste dezer steenen dateeren uit het begin onzer jaartelling.
  214. Verg. Kummer blz. 240.
  215. Deze in Zuid-Zweden wonende Gothen, ook wel Göthen of Gauten genoemd, waren de achtergebleven resten van de stammen der Oost- en West-Gothen, die tijdens de Volksverhuizing vanuit Zuid-Rusland doordrongen in het Romeinsche Rijk.
  216. De naam beteekent mogelijk „krijgslieden”, maar wordt ook wel afgeleid van vik = golf, inham.
  217. Noord-Germanen en Saksen behoorden namelijk beiden tot den stam der Ingvaeonen, één der drie stammen, waarin volgens de door Tacitus meegedeelde Tuisto-sage de West-Germanen waren onderverdeeld. Daarom ook leidde het Zweedsche koningsgeslacht der Inglingen zijn herkomst af van Ingvi, den mythischen oervader van dezen stam.
  218. Namelijk door K. Rosenfelder op blz. 31 van Kummers: „Der nordische Mensch der Wikingerzeit”, Leipzig 1935.
  219. De streek om Bergen.
  220. Verg. Dahn, deel I blz. 319 e.v.
  221. Beide stammen woonden in het gebied beoosten de beneden-Elbe.
  222. De ligging dezer stad is onbekend.
  223. Men vergelijke de grootsche plannen, die Gustaaf Adolf na zijn op Tilly behaalde overwinnnigen koesterde en het aan hem toegeschreven voornemen, om zich tot keizer te laten kronen. Het optreden van dezen Zweedschen vorst vormt hier een treffende historische parallel.
  224. Schrijver van een „Hamburgsche Kerkgeschiedenis”, waarin veel over de volken van het Noorden wordt medegedeeld († na 1076).
  225. De uitdrukking is van Saxo Grammaticus († 1204), den schrijver van de oudste geschiedenis van Denemarken. Verg. Kummer blz. 196.
  226. Zoo genoemd naar hun sterkte, de Jomsburg, op het in den Odermond gelegen eiland Wollin.
  227. Verg. Kummer blz. 200.
  228. Namelijk Constantia, de erfgename der Normandische vorsten van Zuid-Italië en Sicilië.
  229. Wat de tot het Arianisme bekeerde Germanen betreft zij opgemerkt, dat de Gothen door den dwang der omstandigheden, na hardnekkig verzet tegen Constantinopel, zijn gekerstend. Van de kerstening der andere Ariaansche Germanen weten wij zeer weinig, in vele gevallen niets.
  230. Verg, Wilhelm Erbt: „Weltgeschichte auf rassischer Grundlage”, Leipzig 1936, blz. 308. Aan dit grootsch opgezette en diepzinnige boek ontleenden wij onze slotbeschouwing.