Jump to content

1940 Karel de Frank

From Oera Linda Wiki
Revision as of 09:34, 7 August 2026 by Jan (talk | contribs) (hk. 2)
Deze tekst bevat de gebruikelijke misvattingen (zoals over een vermeend Romeins Rijk), voortkomend uit een geloof in de authenticiteit van bronnen over de ‘Klassieke Oudheid’ en de vroege ‘Middeleeuwen’, die in de zgn. Renaissance zouden zijn herondekt, gekopiëerd en vervolgens direct verloren gegaan. Deze dubieuze bronnen lijken deels te zijn gebaseerd op ware feiten en namen. Wanneer de fictie eruit wordt gefilterd kan toch waardevolle informatie overblijven, die o.a. op basis van OL, nieuwe archeologie en genetica een reconstructie mogelijk kan maken. Andersom kan het ook dienen om delen uit OL beter te begrijpen.

Karel de Frank — de Groote?

De Franken en de kerstening

door F.J. Los

uitgeverij “Volk en Bodem”

Amsterdam [Oogstmaand/augustus 1940]

Voorwoord

[7] Over de tekortkomingen der hedendaagsche geschiedschrijving zou een boekdeel zijn te vullen. Terwijl deze wetenschap haar taak, waar het de vaststelling en beschrijving der feiten betreft, meestal op bevredigende en soms zelfs op bewonderenswaardige wijze vervult, schiet zij gewoonlijk schromelijk te kort in het andere deel van haar taak: de belichting en verklaring der feiten. Het individualisme en materialisme van den tijd, die achter ons ligt, hebben de geschiedkundige gebeurtenissen en personen anders doen zien, dan wij die thans zien, maar er zijn nog andere oorzaken, die het beeld onzuiver maakten.

Tot deze behoort allereerst het veel voorkomend streven, om het beeld der geschiedenis niet al te onaangenaam te doen uitvallen voor de machthebbers der eeuw, die in laatste instantie ook beschikken over het wel en wee van den armen geschiedschrijver. Dit streven, waarvan de schrijver zich niet altijd bewust behoeft te zijn en dat voortkomt uit menschelijke zwakheld, doet vanzelfsprekend te kort aan de geschiedenis als wetenschap. Immers is wetenschap slechts het zoeken naar waarheld en de vraag, of de resultaten van dat zoeken den heerschenden machten al of niet aangenaam zullen zijn, is daarbij volkomen onverschillig.

Niets doet echter het beeld der geschiedenis, zooals wij het zien, zoozeer verschillen van dat, hetwelk tot dusver opgeld deed, als het inzicht, dat het ras als verklaringsfactor niet kan worden gemist. Terwijl de diepere oorzaken van het wereldgebeuren gewoonlijk worden gezocht in „omstandigheden”, vaak van materieelen aard, dus van het wisselende, blijft het onveranderlijk blijvende, de aangeboren aard, de erfelijke, aan het ras gebonden aanleg, doorgaans buiten beschouwing. Wat zich hier wreekt, is het algeheele gebrek aan biologisch inzicht, dat bij de meeste geschiedschrijvers valt op te merken en dat het beeld, dat zij van de geschiedkundige ontwikkeling ontwerpen, steeds onvolledig doet blijven. In het onbevredigende karakter der gegeven „verklaring” ligt vermoedelijk ook één der voornaamste oorzaken, waaraan het moet worden toegeschreven, dat de voor onze wereldbeschouwing zoo uiterst [8] belangrijke wetenschap der geschiedenis in onzen tijd bij velen in discrediet is geraakt.

Wanneer in dit boek getracht zal worden een juister inzicht te verkrijgen in een tijdperk der geschiedenis, dat voor ons Germanen van het grootste belang is, de periode namelijk, die, liggend tusschen Oudheid en Middeleeuwen, in de regeering van Karel den Frank — door velen nog steeds als „de Groote” vereerd — haar afsluiting en bekroning vindt, dient daarbij door den lezer steeds in het oog te worden gehouden, dat niet het geven van een nieuwe geschiedbeschrijving, maar het den weg banen naar een nieuwe geschiedbeschouwing ons doel is. Met deze doelstelling hangt samen, dat niet naar volledigheid is gestreefd, maar dat, integendeel, veel is weggelaten, wat niet ter zake diende, al is anderzijds wel getracht de daardoor in het geschiedverhaal ontstane hiaten toch zooveel mogelijk te overbruggen, teneinde den samenhang van het geheel niet te verstoren.

Nog een andere opmerking moet hier worden gemaakt. Dit werk is niet de vrucht van een zelfstandige bronnenstudie, maar berust op de zorgvuldige bestudeering en onderlinge vergelijking van een aantal werken en recente publicaties, die voor het meerendeel direct op de bronnen steunen en waarnaar in voetnoten wordt verwezen. De schrijver is er zich van bewust, dat hij meer een bemiddelaar is, dan wel de ontdekker van iets nieuws. Al heeft hij echter ook veel aan anderen ontleend, zoo heeft hij toch altijd ernaar gestreefd, niet critiekloos over te nemen, maar het gebruikte materiaal zoo goed mogelijk te schiften en daarbij een strikte onpartijdigheid in acht te nemen. Met name heeft hij getracht, ook aan de bestrijders en tegenstanders van het rassenstandpunt recht te doen wedervaren. Dit neemt evenwel niet weg, dat hij steeds de woorden indachtig is geweest, waarmee een Duitsch geleerde[1] de moeilijkheden, die aan de onbevooroordeelde beschouwing van de genoemde periode in den weg staan, als volgt kenschetst: „Wij willen tot waarheidsgetrouwe gedachten over Karel komen. Dat is ten opzichte van de bronnen, die zonder uitzondering onder de verdenking van eenzijdige begunstiging staan, een moeilijke taak... De bronnen uit dien tijd, waarvan niet een enkele van Saksische of van neutrale kant komt, zijn reeds lang uitgeput, maar toch in bijzonderheden slechts aan weinigen bekend”.

[9] Oorspronkelijk was voor dit boek de titel „Karel de Frank” gekozen. Het bleek evenwel ondoenlijk de figuur van dezen Frankenkoning voldoende te belichten, zonder eerst de geschiedkundige ontwikkeling te schetsen, die aan zijn regeering vooraf ging en de voorwaarden schiep, waaronder zijn optreden plaats vond. Zoo ontstond als vanzelf een meer omvattend werk, waarin ook aan de voorafgaande geschiedenis der Franken, alsmede aan de bekeeringsgeschiedenis der Germanen een nadere beschouwing wordt gewijd. Een samenvattend overzicht van de voorafgaande ontwikkeling vindt de lezer nu in de eerste drie hoofdstukken, die tezamen de inleiding vormen tot de beschouwing van de hoofdfiguur.

Moge dit boek den weg helpen banen naar een Germaansche geschiedbeschouwing, die in de plaats kan treden van de universalistische en internationalistische, die ons van jongsaf is bijgebracht, maar ons nooit heeft kunnen bevredigen.

* * *

Het bovenstaande werd geschreven, nadat het maniscript van dit werk tegen het eind van 1938 was voltooid. Nu de uitgave ervan mogelijk is geworden, dient hieraan nog te worden toegevoegd, dat, behalve een enkele later aangebrachte verbetering, ook het slotwoord uit een lateren tijd stamt. Dit slotwoord, waarin de in dit boek geschetste ontwikkeling nogmaals in haar hoofdtrekken wordt samengevat, waarna de lijn dezer ontwikkeling tot in het heden wordt doorgetrokken en tenslotte getracht wordt een blik op de toekomst te slaan, is eerst in Bloeimaand van dit jaar geschreven, onder den indruk van de geweldige gebeurtenissen, die zich kort tevoren hadden voltrokken.

Nog rest ons een woord van dank uit te spreken aan den heer J.C. Nachenius, secretaris van den Nederlandschen Kultuur Kring, voor den krachtigen steun, dien hij door zijn deskundige doch tevens opbouwende critiek ons bij het schrijven van dit boek heeft gegeven.

Castricum, Oogstmaand 1940. / DE SCHRIJVER.

[nog toe te voegen: blz. 10-156 (hk. 1-5), noten en landkaart]

Eerste hoofdstuk — De Volksverhuizing en haar gevolgen

[10] In de geschiedenis is geen tweede gebeurtenis aan te wijzen, die het aanzien van ons werelddeel zoo volkomen heeft veranderd en het verdere verloop van zijn geschiedenis zoo diepgaand heeft beïnvloed, als de Germaansche volksverhuizing, die mede aanleiding werd tot den ondergang van het Romeinsche Rijk. Een wereldrijk, da bijna de geheele toenmaals bekende wereld omvatte, dat eeuwen had getrotseerd en dat in den loop van zijn bestaan een zoodanige taaie levenskracht had getoond, dat het meerendeel zijner bewoners aan zijn onvergankelijkheid geloofde, stortte ineen en op zijn puinhoopen werden door volken, die tot dusver als barbaren waren veracht, de nieuwe rijken gesticht, die den grondslag zouden vormen voor een geheel nieuwe ontwikkeling.

Niet slechts in haar beteekenis, maar ook in haar tragiek wordt de volksverhuizing nauwelijks door een andere gebeurtenis geevenaard. Heele volken gaan ten onder, andere worden uiteengeslagen, weer andere lijden enorme verliezen; gansche landstreken worden verwoest, steden in puin gelegd, kultuurschatten vernietigd. De grootste tragiek ligt echter in het lot der overwinnaars, het lot van die volken, welke hun doel tenslotte weten te bereiken, de stichters der nieuwe staten, die er — zij het veelal eerst na jarenlange omzwervingen — uiteindelijk in slagen zich duurzaam nieuwe woonplaatsen te verschaffen. Vandalen en Alanen, West-Gothen en Sueven, Boergonden en Langobarden, zij allen worden na korter of langer tijd geromaniseerd; behalve de taal, nemen zij de godsdienst en daarmee vele denkwijzen en gewoonten van de inheemsche bevolking over, verliezen daardoor hun Germaanschen volksaard en worden zoo van overwinnaars overwonnenen. Worden zij eenerzijds de redders van de Romeinsche kultuur en beschaving, daar het slechts aan hun aanwezigheid [11] is te danken, dat in een uitgeleefde wereld met een door en door verbasterde bevolking geestelijk leven mogelijk blijft, zoo gaan zij anderzijds voor het Germanendom als volken verloren, hetzij door romaniseering, hetzij — zooals de Oost-Gothen — door de barbaarsche oorlogvoering hunner vijanden.

Terwijl dus door de Volksverhuizing aan den eenen kant den Germanen de rol toeviel van heerschers over geheel West-Europa, heeft zij aan den anderen kant toch ook den grondslag gelegd voor de geestelijke en kultureele onderwerping der Germanen aan den Romaanschen geest en daarmee voor de eersten een geestelijke slavernij ingeluid, die bestemd was om eeuwenlang te duren en die ook in onzen tijd nog niet door hen is afgeschud. Tevens heeft zij daardoor den weg gebaand naar de opheffing van een tegenstelling, die de geheele geschiedenis van het Romeinsche Imperium had beheerscht, want zoolang dit had bestaan waren de Germanen zijn meest geduchte tegenstanders geweest. Teneinde deze tegenstelling in het juiste licht te zien is het noodig eenigszins uitvoerig stil te staan, zoowel bij den aard van dit rijk, zijn bevolking en zijn kultuur, als bij het wezen en de geaardheid der toenmalige Germanen.

* * *

Het Romeinsche Imperium geniet onder ons nog steeds een aanzien, dat het in bijna geen enkel opzicht verdient, in tegenstelling met het oude Rome. Alle misvattingen, die betreffende dit rijk heerschen, hier recht te zetten, is ondoenlijk; met een beknopt overzicht moet worden volstaan.

In een bijna ononderbroken reeks oorlogen hadden de Romeinen alle volken van het Middellandsche Zee-gebied in een geweldig rijk vereenigd, dat in het Noorden zijn grenzen uitstrekte langs Rijn en Donau. De stichting van dit rijk deed een proces verder om zich grijpen, dat in het Oosten, waar oudere wereldrijken hadden bestaan, reeds enkele eeuwen vroeger was begonnen en dat bestond in een steeds verder gaande vermenging en onderlinge doordringing van alle binnen het Imperium aanwezige volken en rassen, godsdiensten en kulturen. Zoo werden alle volks- en rasgrenzen gaandeweg vervaagd en alle kultureele en godsdienstige tegenstellingen [12] opgeheven. Terwijl in de provinciën de rasmenging sterk was bevorderd door de stichting van talrijke Romeinsche kolonies, wier bewoners zich op den duur met de inheemsche bevolking vermengden, was zij in Italië zelf voornamelijk het gevolg van de op groote schaal gedreven slavernij, die een voortdurenden invoer van rasvreemde elementen — vooral van Syriërs e.a. Oosterlingen — tengevolge had. Als verzwarende omstandigheid kwam hier nog bij, dat in de talrijke oorlogen, maar vooral in de hardnekkige en uiterst bloedige burgeroorlogen, die Rome in den loop zijner geschiedenis bij herhaling hadden geteisterd, steeds weer het beste en krachtigste deel der bevolking op groote schaal was uitgeroeid[2]), terwijl de rest naar verhouding steeds in veel geringer mate was getroffen. Het eind van deze ontwikkeling bestond hierin, dat het geheele rijk door een ten zeerste verbasterde en ontaarde bevolking werd bewoond, waarin ook de Romeinen zelf grootendeels waren opgegaan. Door den bekenden H.S. Chamberlain is deze bevolking met den typeerenden naam „volkenchaos” aangeduid; juister nog is de benaming „rassenchaos”, die wij, in navolging van een anderen Duitschen schrijver[3]), hier willen gebruiken.

De rassenchaos stond op een geestelijk peil en bezat een regeeringsvorm en een „kultuur”, die met zijn wezen in overeenstemming waren. Want waar tegenstellingen en strijd zijn gaan ontbreken, waar, met de opheffing der grenzen, het nationaal besef verloren is gegaan en waar, tengevolge eener ongebreidelde rasmenging, het oorspronkelijke volkskarakter is uitgewischt, daar moeten geestelijk verval en zedenbederf hun intrede doen en is echte kultuur even onbestaanbaar als politieke vrijheid, die niet ontaardt in bandeloosheid. Daarom kan het ons niet bevreemden, dat in de kleurlooze massa, waaruit de rassenchaos in steeds toenemende mate ging bestaan, het type van den kuddemensch den toon aangaf, terwijl sterke en evenwichtige naturen onder haar zoo goed als ontbraken. Door het staatsgezag óf met behulp van „brood en spelen”, óf door ruw geweld in bedwang gehouden, werd het geestelijk leven dezer massa beheerscht eenerzijds door een grof materialisme, anderzijds door een even grof bijgeloof. Het zedelijk peil, waarop zij stond, wordt voldoende geteekend door het feit, dat tengevolge van de ontbinding van het gezin — eenmaal de wortel van Rome’s kracht! — waarmee een [13] schrikbarende toename van het aantal der ongehuwden en een even schrikbarende afname van het kindertal gepaard ging, de ontvolking van het rijk zulke afmetingen had aangenomen, dat heele landstreken braak lagen, terwijl het steeds meer noodzakelijk werd het leger met vreemde huurlingen — meerendeels Germanen — aan te vullen[4]).

Opperbevelhebber van dit leger en tevens hoofd van het geweldige bestuursapparaat, dat langs zuiver mechanischen weg den staat bijeenhield, was een keizer, die als een god door zijn onderdanen werd vereerd en wiens despotisch gezag van Aziatischen oorsprong was. Wel waren, sinds keizer Caracalla aan alle gemeenten van het rijk het burgerrecht had geschonken (212 n.C.), alle vrije inwoners van het rijk rechtens gelijk gesteld, maar dit was, zooals de historicus Wolf terecht opmerkt[5]), niet een gelijkheid in vrijheid, maar in knechtschap; het was bovendien de juridische erkenning van het feit, dat alle in vroeger tijd bestaand hebbende verschillen, ook die tusschen het heerschende staatsvolk en de rest der bevolking, volkomen waren uitgewischt.

Tengevolge der steeds verder gaande vermenging was ook het verband tusschen ras en kultuur[6]) volkomen verbroken. De kultuur van het Imperium, feitelijk een mengelmoes van alle kulturen, die vroeger in het Middellandsche Zee-gebied hadden gebloeid, had zichzelf overleefd en was volkomen verstard. Niet in staat uit eigen kracht zichzelf een kultuur te scheppen, bewaarde deze ontaarde bevolking de geestelijke schatten, die vorige geslachten haar hadden nagelaten, zonder er zelf meer innerlijk deel aan te hebben en terwijl zij genoot van het klatergoud eener oppervlakkige en zuiver uitwendige beschaving, wist zij, dank zij een hoog ontwikkelde techniek, die haars gelijke niet had in de wereld, haar positie nog eeuwen te handhaven, zelfs tegenover vijanden, die in aangeboren kracht en begaafdheid haar verre overtroffen.

De scherpste tegenstelling, die in en door den rassenchaos was overwonnen, was die tusschen het Christendom en den Romeinschen geest. Zoolang de geest van het oude Rome nog ongebroken was, had hij zich tot het uiterste tegen het Christendom verzet; juist de beste en meest nationaal gezinde keizers hebben getracht de nieuwe leer door vervolgingen te onderdrukken. Niet ten onrechte zagen zij in de nieuwe, uit het Oosten binnendringende, godsdienst een gevaar voor staat [14] en maatschappij. Inderdaad vormde een leer, die de gelijkheid aller menschen zoozeer op den voorgrond stelde, als het toenmalige Christendom[7]), voor een staat en maatschappij, die — zooals overal, waar de samenleving gezond is! — op ongelijkheid berustten, een doodelijke bedreiging. Daar kwam dan nog bij, dat de neiging der christenen tot wereldontvluchting en askese hen vrijwel alles deed ontkennen en minachten, wat den Romeinschen staat groot had gemaakt. Daarom golden zij als vijanden van het menschengeslacht.

Het ergste was evenwel, dat de christenen allengs een staat in den staat gingen vormen. Terwijl aan den eenen kant de Romeinsche staat, in verband met de door hem georganiseerde goddelijke vereering van den Keizer, sedert het eind der 2de eeuw meer en meer de vormen aannam van een kerk, aan het hoofd waarvan de Keizer stond in zijn hoedanigheid van opperpriester (pontifex maximus), kreeg aan den anderen kant de christelijke kerk, die er steeds meer toe overging ook de zuiver zakelijke verhoudingen tusschen haar leden te regelen en hun onderlinge geschillen te berechten, steeds meer weg van een staat. Zoo stonden twee machten tegenover elkaar, die elkaar op elk levensterrein bestreden in een strijd op leven en dood, die slechts met de volledige vernietiging van één van beiden scheen te kunnen eindigen. Toch eindigde hij met een compromis, want de zege, die het Christendom behaalde, toen het eerst door keizer Constantijn (323-336) met het heidendom werd gelijkgesteld en daarna door zijn opvolgers tot staatsgodsdienst werd verheven (353), was slechts in schijn volledig. Niet slechts had het zijn overwinning vooral hieraan te danken, dat het in zijn kerkelijke organisatie (de bisschoppelijke hiërarchie) de bestuursorganisatie van den Romeinschen staat was gaan navolgen, maar ook was het de Keizer, die deze organisatie voltooide. Doordat Constantijn zichzelf aan het hoofd der Kerk stelde, gaf hij aan haar organisatie het monarchale karakter, dat zij sindsdien heeft behouden. Van nog meer belang is evenwel het feit, dat de christelijke kerk ook den geest van haar vroegeren tegenstander overnam, door, evenals het rijk, dat zij tot dusver had bestreden, naar wereldheerschappij te gaan streven. Aan het keizerlijke Rome ontleende de christelijke kerk haar imperialistisch karakter. Op overeenkomstige wijze was op godsdienstig gebied de overwinning van het Christendom mogelijk gemaakt. Aan de [15] vermenging der godsdiensten, die in het Oosten reeds enkele eeuwen vóór Christus’ geboorte was begonnen, heeft het Christendom namelijk op zijn wijze meegedaan, inplaats van er weerstand aan te bieden. Zijn zegetocht was vooral hierdoor mogelijk geworden, dat het van de heidensche godsdiensten, die het op zijn weg ontmoette, en waaronder er enkele waren, die — zooals de Perzische Mithras- en de Egyptische Isisdienst — eveneens naar de wereldheerschappij streefden, in zijn ceremoniën en riten vele elementen overnam. Voor de massa werd de overgang ten zeerste vergemakkelijkt, doordat de Kerk haar heidensche voorstellingen en gebruiken rustig liet voortbestaan, zij het onder andere namen. Zoo leefden de heroënvereering[8]) en het veelgodendom voort in de vereering van heiligen, terwijl Maria en het kindeke Jezus de plaats innamen van de in het geheele rijk vereerde Egyptische godin Isis en haar zoon Horus[9]). In de „mis” herleefde het heidensche offer en de reliquieënvereering was voor deze menschen een voortzetting, onder anderen naam, van de in de heidensche Oudheid overal in zwang zijnde doodenvereering. De overwoekering van het oorspronkelijke Christendom door aan het heidendom ontleende voorstellingen en gebruiken nam weldra zelfs zulke afmetingen aan, dat de Kerk — zooals Wolf het uitdrukt — een tooverinstituut dreigde te worden. Niets heeft echter den geest van het toenmalige Christendom zoozeer beïnvloed, als de volledige overname van het asketische[10]) levensideaal, dat in wereldontvluchting de hoogste deugd en in het „dooden van het vleesch” den weg tot zaligheid deed zien. Ook dit ideaal werd aan Oostersche godsdiensten ontleend (met name aan de Egyptische Serapisdienst), maar door het Christendom in praktijk gebracht op een schaal, als de wereld nog niet had aanschouwd. Het gaf aanleiding tot het ontstaan van het monnikwezen, waarbij alweer teekenend is, dat reeds kort nadat in Egypte het eerste klooster was opgericht[11]), heel het Oosten van het rijk met deze inrichtingen als overdekt was. Behalve dat het asketisch levensideaal veel heeft bijgedragen tot het ontstaan van een scherpe scheiding tusschen geestelijken en leeken, heeft het ook zijn stempel gezet op wat voortaan gold als „christelijke” moraal.

Zoo vertolkte dat Christendom dus in elk opzicht de idealen, die leefden in den rassenchaos, te midden waarvan het zich [16] had ontwikkeld en die het van zijn kant zeker ook had bevorderd. Door de onderlinge tegenstrijdigheid dezer idealen — wereldontvluchting naast het streven naar wereldbeheersching, verheerlijking der armoede naast een grof materialisme, prediking van naastenliefde en „vrede op aarde” naast bloedige uitroeiing van ongeloovigen en ketters — deed het zich als het geestesproduct eener verbasterde bevolking kennen. Tevens had het zooveel heidensche bestanddeelen in zich opgenomen, dat de leer van zijn stichter daaronder geheel schuil was gegaan. Hoofdzaak voor ons is, dat dit Christendom[12]), opgekomen als het was in den rassenchaos, de idealen van dien chaos had overgenomen en daardoor tevens de wegbereider van dien chaos was geworden. Hoezeer beide verwant waren, moge blijken uit hetgeen Tirala in zijn boven genoemd werk daaromtrent opmerkt:

Ik wijs er op, dat een pessimistisch opgevat Christendom met den aard van den volkenchaos van de Middellandsche Zeelanden in de eerste duizend jaren onzer tijdrekening overeenkwam. Voor deze menschen, die uit den bloed-chaos eener ongeregelde verbastering stamden, mag het volkomen juist zijn geweest, een godsdienst te kiezen, welke haar eenige toevlucht in de verlossing van dit leven en in een bovennatuurlijke genade zoekt, daar zinnelijkheid, erotiek en liefde hun als zonde moesten voorkomen. Ik geloof, dat het ook werkelijk zonde geweest zou zijn, wanneer deze lieden zich hadden voortgeplant! Daarentegen kan een pessimistische en daarom van het leven wegvoerende godsdienst op een gezond ras eenvoudig als een doodelijk vergift inwerken.

* * *

Stellen wij nu tegenover de verbasterde en ontaarde bevolking dezer uitgeleefde wereld de toenmalige Germanen, dan blijkt reeds aanstonds hun meerderheid op geestelijk en zedelijk gebied. Het meest afdoende bewijs voor deze meerderheid is wel gelegen in het feit, dat het Romeinsche Rijk in de laatste eeuwen van zijn bestaan geen ander middel heeft gevonden, om zich tegen de steeds weer opdringende Germaansche stammen te verdedigen, dan het op groote schaal in dienst nemen van Germanen, die als soldaten in de legioenen werden [17] ingelijfd, of met vrouw en kinderen in de grensstreken als boeren werden gekoloniseerd. Tenslotte kwam het zoover, dat Germanen de legioenen aanvoerden en zelfs als regenten het rijk bestuurden. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de Vandaal Stilicho, die als regent voor keizer Honorius jarenlang het bewind voerde, als veldheer, met behulp der van de grenzen teruggeroepen legioenen, tot tweemaal toe Alarik afweerde (403) en Ìtalië van de binnengedrongen Germanen bevrijdde en die ook als staatsman groote talenten toonde te bezitten, totdat hij tenslotte door zijn kleingeestige benijders op laaghartige wijze werd vermoord (408). Hij en andere op den voorgrond tredende Germanen uit dit tijdvak steken, ofschoon heidenen, torenhoog uit boven hun Romaansch-christelijke omgeving en dat niet alleen in begaafdheid, maar ook in grootheid van karakter en zedelijke kracht.

In hun nieuwe omgeving hebben deze Germanen ongetwijfeld veel aangetroffen, wat met hun geaardheid in strijd was en hun daarom onaanvaardbaar toe moest schijnen. Op het gebied der politiek moeten het keizerlijke absolutisme en de mechanische staatsopvatting, die aan de organisatie van het Imperium ten grondslag lag, in strijd als zij kwamen met hun aangeboren vrijheidszin en de hun van huis uit eigene organische staatsopvatting, hun tegen de borst hebben gestuit. Met de op zedelijk en maatschappelijk gebied heerschende toestanden en verhoudingen konden zij zich even moeilijk vereenigen. Zoo zien wij reeds Antoninus Pius (138—161), de eerste keizer, die waarschijnlijk volbloed Germaan was, een einde maken aan de sadistische slavenmishandelingen (De Germanen behandelden hun slaven goed!). Zijn echt Germaansche verdraagzaamheid op religieus gebied spreekt hieruit, dat zij, die op godsdienstige gronden den Keizer niet als een god konden huldigen, dit vrijelijk mochten nalaten. En vóór hem had Hadrianus (117-138), een keizer, die zeker veel Germaansch bloed had en die, in strijd met een eeuwenoude Romeinsche mode, een baard droeg (op den troon!), aan het ontzettende geknoei op het gebied van het recht een eind gemaakt.

Op godsdienstig gebied was de tegenstelling zoo mogelijk nog grooter! Askese en wereldontvluchting waren den Germanen vreemd en de tegenstelling tusschen stof en geest, natuur en God, die aan deze idealen ten grondslag lag, was hun [18] volkomen onbekend. Voorts namen wondergeloof en magie in hun voorstellingswereld hoogstens een ondergeschikte plaats in, terwijl hun harmonische aanleg en de natuurverbondenheid van hun denken hen weinig behoefte deed gevoelen aan een „verlossing”. De elementen van „zuidelijk” heidendom, die het Christendom bevatte, waren voor deze „noordelijke”[13]) heidenen al even onverteerbaar, als de Joodsche spitsvondigheid, die in de theologie tot een zoo rijke ontplooiïng was gekomen. Tenslotte was ook de Joodsche Godsvoorstelling, die in het Christendom was ingelijfd, van de hunne geheel verschillend. Niettegenstaande al deze tegenstellingen, waarvan zij zich, althans ten deele, ook klaar bewust geweest moeten zijn, was de nederlaag der Germanen op geestelijk gebied onvermijdelijk en hun geestelijke onderwerping aan den hen omringenden Romaanschen geest, dus aan de machten van den rassenchaos, op den duur onafwendbaar. Hoewel afgeleefd, genoot de Romeinsche kultuur, dank zij de schatten aan kennis en schoonheid, die zij belichaamde, dank zij vooral de macht van haar eeuwenoude traditie, nog altijd een overweldigend aanzien; tegenover de Germaansche kultuur, die nog in haar kinderschoenen stond, was haar positie volstrekt onaantastbaar. Op godsdienstig gebied was de overmacht van het Christendom evenwel niet minder groot. Niet alleen steunde dit op de macht eener hechte kerkelijke organisatie, maar ook bezat het een rijke literatuur en werd het verdedigd met de wapenen eener geslepen dialectiek, die haar argumenten ten deele ontleende aan Grieksche philosofen. Bovenal verschilde het Christendom van den Germaanschen godsdienst hierin, dat het al zijn gedachten en voorstellingen had samengevat in een theologisch systeem, welks grootschheid ook de Germanen op den duur moest imponeeren. Zoo bleek ook hier, zooals op zoo velerlei gebied, het ongeorganiseerde op den duur niet bestand tegen het georganiseerde; de systeemloosheid legde het af tegen het systeem!

Opmerkelijk is het feit, dat de binnengedrongen Germaansche volken, op slechts een paar uitzonderingen na, aanvankelijk niet den later officieelen vorm van het Christendom aannamen, maar het zoogenaamde Arianisme, een van de orthodoxe geloofsbelijdenis op belangrijke punten afwijkende leer, die tot op zekere hoogte als een voorlooper kan gelden van het latere Protestantisme. Zoodoende kwamen deze volken reeds [19] aanstonds in een confessioneele tegenstelling te staan tot de hen omringende Romaansche bevolkingen, wat de kultureele ineensmelting en de vermenging van heerschers en overheerschten vertraagde. Toch is dit niet meer geweest dan een episode: op den duur bleek de overgang dezer volken naar het katholicisme onvermijdelijk en omstreeks het jaar 600 kreeg hij zijn beslag. Door hun langdurig verzet, dat toch nog bijna twee eeuwen heeft geduurd, hebben deze Germanen echter onweerlegbaar bewezen, dat de machten, die hun romaniseering trachtten te bewerken, met hun diepste wezen onvereenigbaar waren. Het waren dan ook niet theologische spitsvondigheden, die hen aan het Arianisme deden vasthouden, doch het bewustzijn van hun eigen aard. Het Ariaansche geloof heeft langen tijd de verbastering dezer Germanen tegengehouden. Tenslotte zijn zij evenwel voor de overmacht bezweken.

Op militair en politiek gebied overwinnaars, werden de Germanen op geestelijk gebied niet slechts door de machten van den rassenchaos verslagen, maar zelfs volkomen onderworpen.In dit verband is het vooral merkwaardig, dat juist in den tijd, toen het Romeinsche Rijk voorgoed scheen onder te gaan, de grondslag werd gelegd voor zijn toekomstige herleving[14]). Terwijl Alarik Rome veroverde (410) en de scharen der Vandalen, Alanen en Sueven zich over Frankrijk en Spanje tot in Noord-Afrika uitbreidden, zoodat het West-Romeinsche Rijk van den aardbodem scheen te verdwijnen, schreef bisschop Augustinus van Hippo zijn beroemde boek „Over den Godsstaat” (De Civitate Dei). Daarin stelt hij de georganiseerde, zichtbare Kerk, die door de bisschoppen wordt bestuurd, als „Godsstaat” tegenover den aardschen „wereldstaat”, dien hij tot een werk des duivels verklaart. Terwijl aan den „Godsstaat” de wereldheerschappij toekomt, krijgt de „wereldstaat” eerst dan waarde en beteekenis, wanneer hij „met geweld de dwalenden naar de Kerk terugvoert”, want dat is zijn hoogste plicht. Tegenover de almachtige Kerk kent Augustinus aan den staat dus slechts de beteekenis toe van een uitvoerend orgaan, dat zich geheel in haar dienst heeft te stellen. Het universeele karakter van het Christendom komt wellicht nergens beter uit, dan in het feit, dat het in dit werk vervatte programma, dat bestemd was de ontwikkeling van heel West-Europa eeuwenlang te beheerschen en dat tot in onzen tijd [20] nawerkt, afkomstig was van dezen Noord-Afrikaanschen bastaard.

Het nieuwe Imperium, waarvoor Augustinus den theoretischen grondslag had gelegd, werd door Leo I (440—461), den eersten bisschop van Rome, die met recht „paus” genoemd kan worden, praktisch voorbereid. Het hooge aanzien, dat hij in geheel Italië genoot, het overwicht, dat hij op de andere bisschoppen uitoefende en de politieke invloed, die hij bezat, kondigden reeds de monarchale positie aan, die zijn opvolgers later aan het hoofd van den „Godsstaat” zouden innemen. Meer dan eenige paus hebben echter de koningen der Germaansche Franken de verwezenlijking van Augustinus’ programma bevorderd. Aan hen is het tenslotte zelfs gelukt het Germaansche kernland, dat zich tegen het oude Imperium steeds met succes had verdedigd, bij het nieuwe in te lijven. Daarmee was de grondslag gelegd voor het gedwongen samengaan van de drie elementen, welker schijnbare versmelting de grondtrek zou vormen van de geschiedenis onzer Middeleeuwen: Germanen, Romaanschen geest en Christendom. De geschiedenis der Franken is daarom dan ook bijzonder belangrijk.

Tweede hoofdstuk — De Franken en het Frankische Rijk

[21] Het volk der franken, dat is der „vrijen”, wordt in de Romeinsche bronnen in 238 voor het eerst genoemd. Het ontstond, toen kort vóór het midden der derde eeuw de verschillende Germaansche stammen, die langs den rechteroever van den beneden-Rijn en in de Rijn-delta waren gezeten, onder den druk der Romeinsche wapenen zich tot een duurzaam verbond aaneensloten. Dit verbond, waartoe de stammen der Bataven, Chattwaren, Chamaven, Bructeren, Amsivaren, Sugambren, Ubiërs en Chatten toetraden, was feitelijk reeds voorbereid door den opstand van Claudius Civilis (70 na Chr.), die de stammen van den beneden-Rijn voor het eerst in een verbond had saamgebracht. Wel was dit verbond door de nederlaag, die hij tenslotte leed, weer uiteengevallen, maar toch heeft het den grondslag gelegd voor de duurzame samenwerking tegen den erfvijand, die onder hen in later tijd tot stand kwam.

Den Romeinen golden de Franken als onbetrouwbaar. Zooals door een hedendaagsch schrijver[15] terecht is opgemerkt, dient men daarbij echter te bedenken, dat door de Romeinsche veldheeren de verraderlijke overval tijdens het voeren van vredesonderhandelingen — een gebruik, dat Caesar in de Romeinsche krijgskunst had ingevoerd — veel werd toegepast. Tegen de „barbaren” achtte men elk middel geoorloofd en daarbij was niet meer de onderwerping van den tegenstander, maar zijn bloedige uitroeïïng het doel. Duidelijk komt dit uit in den verdelgingsoorlog, dien keizer Constantijn (323-336) — de eerste christen-keizer — tegen de Franken voerde. In hun dorpen werden de niets vermoedenden overvallen; hun koningen, Askarik en Gaiso[16], op gruwzame wijze doodgemarteld; hun vrouwen gedood en hun kinderen als slaven verkocht. Wekenlang juichte het Romeinsche gepeupel in het groote circus te Trier[17], waar duizenden Frankische edelen door de [22] leeuwen werden verscheurd „totdat hun groote aantal de woedende dieren had vermoeid”.

Onder den tot het heidendom teruggekeerden keizer Julianus bleven de methoden dezelfde. Onder leiding van beroepsmisdadigers werden moordbenden tegen de Franken uitgestuurd (358), die hun hofsteden gedurende den nacht overvielen en in brand staken. De hoofden der verslagenen werden dan in Trier bij den Romeinschen stadhouder tegen betaling der uitgeloofde premie ingeleverd. Geen wonder, dat onder zulke omstandigheden de Franken telkens weer een hun opgelegd „vredes” — lees: onderwerpings — verdrag verbraken en b.v. in het jaar 355 Keulen, de Romeinsche hoofdvesting aan den Rijn, verwoestten. Over die „trouwbreuk” wendden de beschaafde Romeinen dan hetzelfde soort verontwaardiging voor, dat ons ook uit onzen eigen tijd zoo goed bekend is. Van een volk, dat eeuwenlang het slachtoffer was van zulke krijgsmethoden, zou men misschien denken, dat het zelf moest ontaarden. Ook zou het ons niet kunnen verbazen, indien het ras van dit volk, in verband met zijn voortdurende aanraking met de „Romeinen” (dus met den rassenchaos, verg. het vorige hoofdstuk), in aanzienlijke mate was verbasterd. Noch van het een, noch van het ander blijkt echter ook maar iets. Integendeel, zoowel in de zuiverheid van hun Germaanschen volksaard, als in hun, van ras-zuiverheid getuigende, aangeboren kracht en talenten, kunnen de Franken de vergelijking met andere Germaansche volken glansrijk doorstaan. Haat en afgunst hebben niet kunnen verhinderen, dat toch bij de Romeinsche schrijvers telkens weer een onverholen bewondering doorklinkt voor den heldenmoed en de kracht van dit volk, dat, dank zij zijn kinderrijkdom, de geleden verliezen steeds met een zoo wonderbaarlijke snelheid weer wist aan te vullen; zelfs een christelijk schrijver[18] moet de zedelijke meerderwaardigheid der heidensche Franken in tegenstelling met de christelijke Romeinen erkennen. Bewondering wekten vooral die Franken, die het in Romeinschen dienst tot hooge posten hadden weten te brengen. Het uitsterven van talent en karakter in het laat-Romeinsche Rijk deed begaafde Germanen, die in zijn dienst waren getreden, als het ware automatisch in rang opklimmen. Onder de Franken, die in dit verband zijn te noemen, is vooral opvallend de figuur van den geweldigen Arbogast, die, door keizer Theodosius tot eerste minister van [23] het West-rijk benoemd, den rechtmatigen keizer afzette en gedurende enkele jaren (390-394) dit rijksdeel volkomen beheerschte. Wegens hun onbaatzuchtigheid en eerlijkheid, hun verstand en hun ijver worden hij en andere op den voorgrond tredende Franken bijna eenstemmig door de Romeinsche schrijvers geprezen.

De zuiver Germaansche aard der Franken blijkt ook uit enkele trekken, die zij als volk vertoonen, Vooreerst uit de stoutmoedige en vaak zelfs geniale wijze van oorlogvoeren, die zij met alle volken, wier aard overwegend door het Noordras wordt bepaald, gemeen hebben. Toen de latere keizer Julianus als veldheer in den winter van 356, ter vergemakkelijking van de verpleging, zijn troepen wijd over de steden van oostelijk Gallië had verspreid, overschreden de Franken in nachtelijke marschen den bevroren Rijn, Moezel en Marne en verschenen plotseling voor Sens (Agedincum Senonum), in welke stad Julianus met slechts een gering aantal troepen zijn hoofdkwartier had opgeslagen. Gedurende 60 dagen hielden zij den Romeinschen opperbevelhebber daar ingesloten en weinig had het gescheeld, of zij hadden hem midden in Gallië gevangen genomen. Van een volk, dat tot zulk een krijgvoering in staat was, kan het ons niet bevreemden, dat het langs zijn grenzen een uitgebreide spionnage- en waarschuwingsdienst had ingericht, die menige Romeinsche overval deed mislukken.

Echt Germaansch is ook de ondernemingslust der Franken, die hen reeds vroeg zeevaarders deed worden[19]. Hoe ver hun zeevaartkunde reeds ging, moge blijken uit het verhaal, dat een Romeinsch schrijver doet omtrent een „ongelooflijk stoutmoedige zeevaart”, die in het jaar 276 door hen werd volbracht. Een Frankische stam bij den Rijnmond was door de Romeinen onderworpen en had een groot aantal soldaten moeten leveren. Dezen werden, na volbrachten diensttijd, aan de Zee van Marmara gekoloniseerd. Door heimwee naar hun vaderland gedreven, roofden zij op zekeren dag de in de haven liggende Romeinsche schepen en gingen onder zeil. Nadat zij de kusten van Klein-Azië en Griekenland hadden geplunderd, zagen zij kans Carthago en Syracuse stormenderhand in te nemen. Met buit beladen voeren zij tenslotte de Straat van Gibraltar uit, waarna zij, om Spanje heen en door de Golf van Biscaye en het Kanaal, hun vaderland weer wisten te bereiken.

[24] Deze tocht stond echter volstrekt niet op zichzelf! Tegen het eind der 3e eeuw werd de zeemacht der Franken voor de Romeinen een gevaar en beheerschten hun vloten een tijdlang de Noordzee en ten deele zelfs het Kanaal. Toen de Romeinsche Kanaal-vloot in het jaar 286 aan het muiten sloeg en haar bevelhebber, Carausius, zich tot tegenkeizer liet uitroepen, verzekerde hij zich terstond van de hulp der Frankische en Saksische vloten en stak met hun hulp naar Brittannië over. In de volgende tien jaren werd dit eiland nu het uitgangspunt van koene zeevaarten in alle toenmaals bekende zeeën. Frankische krijgslieden verbleven in Londen (Londinium) en in de kuststeden bracht de handel een zoodanige welvaart, dat — zooals een Romeinsch schrijver het uitdrukt — „beschaving en rijkdom toenmaals veel meer in Brittannië bloeiden dan op het Romeinsche vasteland”. Terecht wordt door Luft bij de vermelding van deze feiten erop gewezen, dat dergelijke tochten een zeevaartkundige kennis veronderstellen, die slechts in den loop van vele geslachten kan zijn verkregen. De techniek van scheepsbouw en zeevaart stond bij de aan zee wonende Franken — evenals bij de Gothen — dan ook sinds lang op een hoog peil; het stadium van den éénboom was door de Germanen reeds eeuwen vóór het begin onzer tijdrekening overwonnen. In het zeemanschap dezer Franken kan een voorlooper worden gezien van het zeemanschap der latere Hollanders, hun nazaten.

De onbedorven Germaansche aard der Franken komt evenwel het duidelijkst tot uiting in hun hoog ontwikkeld eergevoel. De eer was voor hen — als voor alle Germanen — de diepste grond van hun handelen. Als oneervol gold niet slechts de vlucht voor den vijand en het ongekwetst terugkeeren uit een slag, waarin de aanvoerder was gevallen, maar ook het enkele feit van de nederlaag. Slechts wraak en overwinning konden den verslagen krijgsman zijn eer teruggeven; vandaar, dat de Franken het krachtigst aanvielen vlak na een nederlaag. „Zij lijden onder een smaad meer dan onder den dood zelf,” zegt een Romeinsch schrijver en schildert dan, hoe reusachtige Frankische krijgers, die te trotsch zijn, om zich voor de oogen van het Romeinsche gepeupel door wilde dieren in de arena te laten verscheuren, elkaar wederkeerig den doodsteek geven.[20] Evenals de andere West-Germanen verschillen de Franken van de Oost-Germaansche volken in de manier van hun [25] voorwaarts dringen. Niet in een enkele geweldige veroveringstocht, zooals b.v. de Oost- en West-Gothen en Vandalen, hebben zij zich ten koste van het Romeinsche Rijk nieuwe woonplaatsen verschaft, maar door een langzaam en etappesgewijs vooruit schuiven van hun gebiedsgrenzen, dat zich voltrok als een langdurig proces, waarvan het begin lang vóór den aanvang der eigenlijke Volksverhuizing valt. Het kenmerkende daarbij is, dat verovering steeds met kolonisatie gepaard ging, terwijl de samenhang met het Germaansche kernland uit den aard der zaak nimmer werd verbroken.

De voortdurende druk, dien de Franken vanaf het eind der 3e eeuw op de Romeinsche grenzen uitoefenden, vond ongetwijfeld zijn voornaamste oorzaak in een zeer sterke bevolkingstoename, die telkens weer een overbevolking deed ontstaan. Nu eens vroegen en verkregen hun stammen van de Romeinsche stadhouders verlof, om zich als boeren in de grootendeels verlaten grensstreken te vestigen, dan weer doorbraken ze met geweld de tegen hen aangelegde grensversterkingen. Zoo was bij het begin der Volksverhuizing de Rijn reeds overschreden[21]. Als met den inval der Vandalen, Alanen en Sueven de Romeinsche heerschappij over Gallië praktisch geeindigd is (406), hervatten de Franken hun Zuid- en Westwaarts gerichte beweging, maar nu in een wat sneller tempo. Geleidelijk dringen ze dan verder door, totdat in het Westen de Somme, in het Oosten het gebied van Trier — welke stad eerst in 475 voorgoed was veroverd — is bereikt. Het grootendeels verlaten gebied wordt daarbij opnieuw door hen gekoloniseerd, zoodat het, met uitzondering van de steden en ook van de armere streken (zooals b.v. de Ardennen), waarin resten der Gallisch-Romaansche bevolking achterbleven, bijna volledig wordt gegermaniseerd. Noch bij de Salische[22] Franken, die het Westen van het tegenwoordige België bewoonden en als wier kernvolk de vroegere Bataven zijn te beschouwen, noch bij de Ripuarische[23] Franken, die het tegenwoordige Rijnland bevolkten en zich om de Ubiërs, als hoofdvolk, groepeerden, kan daarom in dezen tijd van een noemenswaardige verbastering van het ras sprake zijn geweest, al begon dit gevaar wel reeds te dreigen. Voorloopig waren hun Noorder bloed en Germaansche volksaard echter nog ongerept.

* * *

[26] Onder Chlodwig[24] (Clovis, 481-511), den stichter van het Groot-Frankische Rijk, werd deze politiek van langzame uitbreiding nu evenwel verlaten en vervangen door een grootsch opgezette veroveringspolitiek, die weliswaar aan zijn ontwerper roem en eer heeft gebracht, maar die in zijn gevolgen voor het Germaansche karakter van zijn volk noodlottig is geworden. Daarbij zijn het vooral twee gebeurtenissen, die, tezamen en in nauw onderling verband, een radicale verandering hebben ingeluid: Chlodwigs verovering van midden-Gallië (486) en zijn overgang tot het Roomsche Christendom (496). Op beide dient daarom wat nader te worden ingegaan.


Als één der gouwkoningen van de Salische (dus Westelijke) Franken resideerde Chlodwig aanvankelijk in Doornik, waar zijn vader, Childerik (457—481), en zijn grootvader, Merowech[25] (448457), vóór hem hadden geheerscht. Vanuit zijn kleine, maar vrijwel zuiver Germaansche stamgebied veroverde hij nu echter in het jaar 486 het rijk van Syagrius[26], dat in midden-Gallië als een overblijfsel van het Romeinsche Rijk was blijven bestaan, waardoor hij met één slag zijn macht uitbreidde over heel het uitgestrekte gebied tusschen de Somme en de Loire. Twee dingen zijn hierbij van groot belang! Ten eerste was het veroverde gebied te groot, om een verdringing der inheemsche bevolking en een verdeeling van den grond onder de Frankische veroveraars mogelijk te maken. Chlodwig vergenoegde er zich dan ook mee het staatsland en de landerijen, waarvan de eigenaren waren gevlucht, onder de mannen van zijn gevolg te verdeelen en het overige in handen der bezitters te laten. Het gevolg hiervan was, dat in het nieuw verworven gebied de heerschende klasse der Franken slechts een kleine minderheid vormden. En daar Chlodwig nu tevens zijn residentie verlegde naar Soissons (Suessionum), kwam hij uit een Germaansch-heidensche plotseling in een Romaansch-Christelijke omgeving terecht.

Hoewel deze onderdompeling in den rassenchaos van het ondergegane Romeinsche Rijk voor Chlodwig stellig niet zonder beteekenis is geweest, was zij toch niet de hoofdoorzaak van zijn bekeering. Nog veel minder was deze het gevolg van een gelofte, die hij tijdens een slag, dien hij[27] tegen de Alemannen leverde (496), zou hebben afgelegd. Ook de invloed, dien zijn Roomsch-Christelijke gemalin, de Boergondische [27] prinses Chlotilde, op hem heeft uitgeoefend, is op zijn minst sterk overdreven. Daarentegen was het van beslissende beteekenis, dat aan Chlodwig bij de geheime onderhandelingen met de Roomsche bisschoppen, die aan zijn „bekeering” voorafgingen, de machtige steun der Kerk werd toegezegd bij den door hem beraamden aanval op de rijken der Ariaansche Boergonden en West-Gothen. Dit geschiedde evenwel slechts op voorwaarde, dat hij zijn volk zou weten te bewegen hem bij zijn overgang tot de Roomsche kerk te volgen. Zijn eerst heimelijk, later openlijk verraad aan het geloof zijner voorvaderen was dus de prijs, waarvoor hij zich verzekerde van den steun en de medewerking der Roomsche geestelijkheid bij de nieuwe veroveringsoorlogen, die hij tegen de Germaansche broedervolken der Franken in den zin had. De Kerk van haar kant dacht hem te gebruiken bij de bestrijding der gehate Arianen. Inderdaad werd Chlodwig bij zijn nu volgenden oorlog tegen de Boergonden (500) en vervolgens bij de verovering van het West-Gothische Aquitanië (506), waardoor hij zijn rijk tot aan de Garonne uitbreidde, op doeltreffende wijze door de Kerk gesteund. Het komende landverraad der Boergondische en West-Gothische Roomsch-katholieke bisschoppen proeven wij reeds uit de aanwezigheid van velen hunner bij zijn doop (496), die door de Roomsche christenheid overal met de grootste vreugde werd begroet. Bij de dan volgende oorlogen, die door de Kerk reeds als een soort kruistochten werden beschouwd, daar het tegen de kettersche Arianen ging, loopen velen hunner met hun gemeenten openlijk naar Chlodwig over. Wij moeten ons hier in herinnering brengen, dat de mengbevolking dezer rijken Roomsch was, terwijl het Ariaansche geloof slechts werd beleden door de dunne bovenlaag van Boergondische en West-Gothische heerschers. Zoo kan ’t ons niet verwonderen, dat in Poitiers, Saintes, Bourges en andere steden het door zijn bisschoppen geleide volk bij de komst der Frankische legers de poorten opende en de Gothische garnizoenen overviel, terwijl de Roomsche Gallische-Romanen overal voor de aanvoerders der Franken spionnagediensten verrichtten. De medewerking, die Chlodwig op deze manier van de bevolking ontving, heeft het gelukken van zijn veroveringsplannen zeker in hooge mate bevorderd; feitelijk was zijn overwinning reeds van tevoren verzekerd.

Zoo is het voor een groot deel de steun der Roomsche [28] geestelijkheid geweest, die Chlodwig in staat heeft gesteld tot de stichting van zijn Groot-Frankische Rijk. Zooals in het vervolg van dit hoofdstuk nader zal worden aangetoond, heeft in dit nieuwe rijk, ondanks den Germaanschen aard zijner stichters en den Germaanschen stempel, dien het in zijn uitwendigen bouw en organisatie nog eeuwenlang zou dragen, de Romaansche geest van het begin af overheerscht. Niets heeft echter de overwinning van dien geest in sterker mate bevorderd dan het feit, dat de Franken tot het Roomsche Christendom overgingen juist op het oogenblik, toen, met het betreden van het gebied van den rassenchaos, het gevaar voor de verbastering van hun ras en het verlies van hun volksaard dreigend was geworden. Doordat Chlodwig zich in de Roomsche kerk liet doopen, ontbrak in zijn rijk van den aanvang af de slagboom, die in de rijken der Ariaansche Boergonden en West-Gothen het heerschende staatsvolk van de massa der onderworpen Gallisch-Romaansche bevolking scheidde. De wettelijke gelijkstelling van beide volksdeelen, waartoe het gemeenschappelijke geloof den weg baande, kon weliswaar voor het oogenblik de kracht, die het Frankenrijk naar buiten ontwikkelde, vergrooten, maar moest aan den anderen kant onvermijdelijk tot versmelting leiden: zij vormde daarom voor den Germaanschen volksaard der Franken een doodelijke bedreiging. Noodlottig moest het voor hen worden, dat juist nu hun volksaard en hun nationaal besef van alle kanten werden bedreigd en ondergraven, dit gevaar werd versluierd door een leer, die de gelijkheid aller menschen op den voorgrond stelde. Daar kwam nog bij, dat tengevolge der gemaakte veroveringen de band met het Germaansche stamland voortdurend meer verslapte. Parijs, dat thans de residentie werd, was wel geschikt om Chlodwig het land van zijn herkomst te doen vergeten! Ver van hun vaderland, levend te midden eener bevolking van vreemd ras, werden hij en de zijnen meer en meer tot ontwortelden.

* * *

Het overheerschen van den Romaanschen geest in het nieuwe rijk blijkt al dadelijk uit de wijze, waarop de „bekeering” van het Frankenvolk verder in haar werk ging. Is het niet opvallend, dat Chlodwig, die als heiden verdraagzaam was [29] geweest, als christen van groote onverdraagzaamheid blijk geeft? Ondanks het verzet, dat zijn bekeering bij den adel opwekte, een verzet, dat zóó sterk was, dat een deel zijner edelen hem zelfs verliet en in den dienst van Ragnachar, een anderen Frankischen gouwvorst, in het gebied van Sambre en Maas, overging, gaf hij den priesters verlof het heidendom in zijn rijk uit te roeien en ondersteunde hen daarbij door de schenking van groote landgoederen. Terwijl de bekeering bij de hovelingen en de hooge staatsbeambten betrekkelijk vlot verliep, stuitte zij bij de Frankische boeren op heftigen weerstand, met name in het overwegend Germaansche Noorden. Zoolang de staat de monniken en priesters niet krachtdadig ondersteunde, bleef hun prediking volmaakt vruchteloos, zoodat bij den dood van Chlodwig (511) de bekeering nog slechts geringe vorderingen had gemaakt. Onder de regeering zijner zonen begint dan de wilde vernietiging van alle Germaansche heiligdommen, die, onder de bescherming van troepen, door fanatieke christenpredikers worden vernield, terwijl het bekeeringswerk met vernieuwden ijver wordt hervat. Met hoeveel dwang daarbij te werk werd gegaan, wordt duidelijk uit de besluiten der 2de synode van Orleans (535), die aan de gedoopten onder zware strafbedreiging elken omgang met hun heidensche volksgenooten verbood, terwijl zij alles, wat aan den Germaanschen tijd herinnerde: de plechtige verloving van een jong paar onder de dorpslinde, het trouw zweren van wapenbroeders bij een heilige bron, de Mei-dans van de jeugd enz, tot duivelsche misdaden stempelde. Ten deele hadden deze dwangmaatregelen echter een averechts gevolg, want het verslag eener volgende synode stelt het „bedroevende” feit vast, dat een groot aantal christenen weer tot het geloof hunner vaderen was teruggekeerd.

Onder den „vromen” Childebert I (558) vernietigt dan een koninklijk besluit de nog officieel bestaande godsdienstvrijheid en wordt het Germaansche godsgeloof met hen, die het aanhangen, vogelvrij verklaard. Onomwonden wordt in dit besluit erkend, dat de overredingsgave der bisschoppen en de kracht der christelijke leer zelf onmogelijk het doel kunnen bereiken, weshalve de staat thans met zijn geheele macht dient in te grijpen. Alle zinnebeelden en heiligdommen in het rijk moeten worden vernietigd; wie den christelijken priesters dit belet zal voor den Koning terecht staan. Verder worden [30] ook alle heidensche gezangen, vierdagen en reien verboden. Bij overtreding dezer voorschriften zullen onvrijen met 100 slagen worden getuchtigd en vrijen worden gevangen gezet „opdat wie naar heilzame woorden niet hoort, door lichamelijke pijn tot geestelijke genezing kome[28]”, Daarmee was het heidensche geloof weliswaar door den staat verboden en uit het openbare leven verbannen, maar dit verhinderde niet, dat het in allerlei zeden en gebruiken in stilte bleef voortleven en in deze vermomming zelfs de christelijke kerk binnendrong. Hoe taai het verzet was, dat de Germaansche aard aan de hem opgedrongen vreemde leer bood, blijkt uit het feit, dat nog omstreeks het jaar 624 — meer dan een eeuw na den dood van Chlodwig! — bijna de geheele landbevolking om Amiens en Noyon en in heel Vlaanderen heidensch was. Volgens Luft mag zelfs worden aangenomen, dat in Neustrië — het westelijke rijksdeel met een grootendeels Romaansche bevolking — het heidendom eerst omstreeks het jaar 650 was verdwenen, terwijl het in Austrasië[29] — het Oostelijke, overwegend Germaansche, rijksdeel — nog eeuwenlang weerstand bood.

Het eerste en belangrijkste gevolg van deze dwangkerstening was een schrikwekkende zedenverwildering, die nauwelijks haar weerga in de geschiedenis vindt. Deze ontaarding wordt ook door christelijke geschiedschrijvers (met name kerk-geschiedschrijvers) erkend, maar door hen gewoonlijk verklaard als een overblijfsel van „heidensche” barbaarschheid. Het staat evenwel vast, dat deze zedenverwildering bij de Franken eerst is ingetreden na hun bekeering, terwijl zij ook valt op te merken bij die Germaansche volken, welke op soortgelijke wijze tot het Christendom werden bekeerd, tot zelfs in Noorwegen toe. Verder is het opvallend, dat de demoralisatie bij het koningshuis en bij den adel begon, dus bij het volksdeel, dat het eerst het Christendom aannam, terwijl zij in het reeds vroeg christelijk geworden Neustrië veel eerder om zich greep, dan in het nog lang heidensch gebleven Austrasië. Zoo wijst alles erop, dat in de bekeering zelf de oorzaak is te zoeken.

Dit behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij bedenken, dat alle ethische waarden, die den grondslag van de Germaansche samenleving vormden — waarop hier niet uitvoerig kan worden ingegaan — als het ware onderst boven gekeerd [31] werden. Een godsdienst, die zijn bijzonderen, tijdelijken vorm in den rassenchaos en voor de menschen van dien rassenchaos had gekregen, werd zonder overgang opgedrongen aan een volk van algeheel anderen aard en aanleg. Wat in hun oogen goed en heilig was geweest, werd duivelswerk; het sibbebewustzijn werd ondermijnd, het volk uiteengescheurd. Daar komt nog bij, dat de moraal der nieuwe geestelijke machthebbers naar Germaansch begrip op een laag peil stond. Dit blijkt al dadelijk uit de wijze, waarop bisschop Gregorius[30] van Tours, één der meest vooraanstaande mannen van zijn tijd, de misdaden vergoelijkt, die Chlodwig na zijn bekeering tot het Christendom bedreef. Onmiddellijk nadat hij heeft beschreven, hoe de bekeerde Frankenkoning al zijn familieleden vermoordde en door gemeen verraad en omkooperij ook de andere gouwkoningen der Franken uit den weg ruimde, vervolgt deze geschiedschrijvende bisschop: „God wierp dag op dag Chlodwigs vijanden voor hem ter neer en vermeerderde zijn rijk, tot loon hiervoor, dat hij met een oprecht hart voor God wandelde en deed, wat goed was in de oogen des Heeren.”

Inplaats van de op aangeboren eergevoel gegronde Germaansche moraal, die aan het voorgeslacht der Franken steeds de kracht had gegeven, om een eervollen dood te verkiezen boven een leven in schande, stelde de Kerk dus een op lage zelfzucht speculeerende loon-moraal, die hierop neerkwam, dat alles goed was, wat haarzelf voordeel bracht. Geen wonder, dat — waar beide opvattingen zoo volkomen met elkaar in strijd waren en de door de Kerk gepredikte moraal zoozeer tegen den Germaanschen aard indruischte — de tot het Christendom bekeerde Franken alle houvast verloren en ten prooi werden aan een innerlijke onzekerheid, die met de zelfverzekerheid hunner heidensche voorouders in de schrilste tegenstelling stond. Behalve bij Chlodwig zelf komt dit verlies der innerlijke zekerheid ook sterk tot uiting bij zijn nageslacht, dat, met slechts weinige uitzonderingen, liederlijk en misdadig is geweest. Door een betrouwbaar geschiedschrijver[31] wordt het als volgt gekarakteriseerd:

De familiegeschiedenis der Merowingers vormt een bijna ononderbroken keten van schanddaden en misdrijven: onbeteugelde hartstochten van allerlei aard, matelooze haat, ongebreidelde [32] zinnelijkheid, grenzenlooze wraak- en heerschzucht worden botgevierd in ruwe gewelddaden, in sexueele verwildering, in trouwbreuk en verraad, in broeder- en verwantenmoord, kortweg in gruweldaden van allerlei soort. Zoo vertoont zich een zóó ontzettend en huiveringwekkend beeld van zedelijke verwaarloozing, als zich in de wereldgeschiedenis gelukkig maar zelden heeft herhaald. Zoekt men naar een verklaring, dan moet worden gewezen op de uitwerking, die het bekend worden met de ondeugden van de ontaarde Romeinsche kultuur bij menschen van ongebroken natuurkracht moest hebben. Daarmee is in overeenstemming, dat deze verwildering bijna uitsluitend beperkt bleef tot de hoogere klassen der bevolking[32]. Deze kringen der Romeinsche[33] maatschappij waren reeds lang ontzenuwd, zwak in ’t goede zoowel als in ’t kwade; bij de Germaansche krachtmenschen met hun ongebroken hartstocht dijden ook hun ondeugden tot een huiveringwekkende grootte uit. Daar kwam nog bij, dat de Germanen hun aangeboren godsdienst verloren, terwijl de nieuwe godsdienst, dien zij voorloopig toch slechts voor het uiterlijk beleden, reeds ontaard was. Voor dezen godsdienst stond immers het „rechte geloof” aan bepaalde formules veel hooger dan ware zedelijkheid; daarom vermocht hij, ondanks het uiterlijke aanzien, dat de clerus genoot, geen zedelijk houvast te bieden. Rechtgeloovigheid en rijke schenkingen aan de Kerk dekten alle zonden toe.

Hoewel de gevolgen, die de nauwe aanraking met de ontaarde Romeinsche kultuur, het leven temidden van den Gallischen rassenchaos en de overgang tot het Christendom noodzakelijk voor de Franken moesten hebben, door den schrijver dezer regelen zeer juist worden geteekend, ziet hij toch voorbij, dat de ontaarding en verbastering van dit volk ook nog op een andere hoofdoorzaak zijn terug te voeren. Want terwijl eenerzijds de kerstening bij hen soortgelijke ontaardingsverschijnselen te voorschijn riep als bij de andere Germaansche volken, vond anderzijds — en dat vooral in het Zuiden — ook vermenging met den rassenchaos plaats, waardoor het Frankische bloed zelf werd verbasterd. Juist het samengaan van deze twee factoren, die beide in dezelfde richting gingen en elkaar versterkten, moet wel de oorzaak zijn, dat de ontaarding hier zulke afmetingen kon aannemen. Het [33] toenmalige Christendom, als godsdienstvorm van een bastaardbevolking, daaraan aangepast en er door gevormd, paste bij de onderworpen Gallisch-Romaansche bevolking en vond in haar massa een steun, maar werkte door zijn ideologie de verbastering der Franken in de hand. Daarbij moet worden opgemerkt, dat de scheidsmuur, die het Ariaansche geloof langen tijd voor de in Zuid-Europa heerschende Germanen was geweest, hier van het begin af ontbrak. Want daarin ligt de beteekenis, die deze vorm van het Christendom voor het behoud van den Germaanschen aard heeft gehad. Daar kwam evenwel nog bij, dat het Arianisme in den eeredienst het gebruik van de eigen taal toestond, inplaats van het voor Germaansche ooren onverstaanbare Latijn. Tenslotte stond het ook in zijn dogmatiek minder ver van de Germaansche voorstellingswereld af, al hebben de Germanen zich niet het meest om die reden ertoe aangetrokken gevoeld; want in dialectische spitsvondigheden en dogmatisch getwist en geredeneer stelden zij niet het minste belang.


Hoezeer beide oorzaken parallel loopen blijkt ook bij een nadere beschouwing van de positie der vrouw. Als hoedster van den heiligen haard, van de eer en van de overlevering genoot de vrouw bij de Germanen vanouds een hoog aanzien. In de vrouw vereerde de heidensche Germaan een vonk van het goddelijke, ja, soms zag hij in haar iets geheimzinnigs. De invloed, dien vrouwen uitoefenden, ging somtijds zóó ver, dat zij ook in de politiek een beslissende rol speelden. Zoo was de „profetes” Veleda tijdens den opstand van Claudius Civilis de raadgeefster van haar volk in den strijd tegen de Romeinen. Van een gelijkwaardige levensgezellin werd de vrouw nu echter onder christelijk-Romaanschen invloed verlaagd tot de dienstmaagd en het eigendom van den man, haar heer! Het feit, dat op de synode te Macon (585) de daar vergaderde bisschoppen in allen ernst streden over de vraag „of men de vrouw onder de benaming mensch kon begrijpen”, is teekenend voor de mate van achting, die het Christendom de vrouw toedroeg.

Het meerendeel der vrouwen, die ons uit de geschiedenis der latere Merowingers bekend zijn, staat in liederlijkheid en misdadigheid geenszins bij de mannen ten achter. In de figuur van de Neustrische koningin Fredegonde, een monster in [34] vrouwengedaante, zooals de geschiedenis slechts weinige heeft aan te wijzen, bereikt deze moreele ontaarding haar hoogtepunt. Opmerkelijk is evenwel, dat de weinige vrouwen, die door hun zedelijke reinheid hoog boven hun omgeving uitsteken, van niet-Frankischen, maar wel zuiver Germaanschen, oorsprong zijn. Tot hen is in de eerste plaats te rekenen de figuur van Brunhilde, de West-Gothische koningsdochter op den troon van Austrasië, die de eer en de macht van haar geslacht met onverzettelijke kracht en taaie volharding tot het uiterste wist te verdedigen, totdat een snood verraad haar in handen van een wreedaardigen vijand deed vallen. Met haar nietswaardige tegenspeelster, Fredegonde[34], langen tijd ten onrechte min of meer op één lijn gesteld, is zij eerst door een hedendaagsche geschiedschrijfster[35] in haar eer hersteld. Zij was christin, maar het Germaansche eer-begrip was niettemin het richtsnoer van haar, aan tegenslagen en teleurstelling zoo rijke, leven.

Is de vernedering der vrouw reeds kenmerkend voor de „kultuur,” die de Franken thans deelachtig werden, zoo wordt deze niet minder duidelijk geteekend door het demonen- en wondergeloof, dat de Kerk onder haar leden ingang wist te doen vinden. Niet slechts vervulde het demonengeloof in het leven der christelijk geworden Franken een bijna alles overheerschende plaats, maar ook werd door hen, in navolging hunner geestelijke leidslieden, waaronder zelfs een Gregorius van Tours, het demonische vaak met het goddelijke op één lijn gesteld, ja, vereenzelvigd. Door deze vermenging werd de voorstelling omtrent den eeuwigen strijd tusschen de machten van het goede en die van het booze, die van de Germaansche wereldbeschouwing deel uitmaakte, geleidelijk vervaagd. Onder aanroeping van den naam des Heeren beging men thans de afschuwelijkste misdaden en dat met een goed geweten, daar men God als zijn medeplichtige meende te kunnen beschouwen. Ook de kerk-heiligen namen in de voorstelling dezer menschen vaak demonische trekken aan. Zoo verhaalt Gregorius van Tours[36] van een diaken, bij wien de heilige Nicetius des nachts verscheen en hem zoo hard „met gebalde vuist op de keel” sloeg, dat de arme man des anderen daags slechts „met gezwollen hals en onder hevige pijnen” zijn dienst kon verrichten. Hoe ver het wondergeloof ging, moge blijken uit een paar andere feiten.

[35] De in Saragossa door de Franken belegerde Gothen droegen, toen hun toestand benard begon te worden, het hemd van den heiligen Vincentius over de muren en liepen in boetekleed, onder gebed en psalmgezang, achter deze reliquie aan. Het middel hielp, want de belegerende Franken waren niet minder bijgeloovig en hieven, uit vrees voor dit overblijfsel van den heilige, het beleg op. Het gedrag van Chilperik, kleinzoon van Chlodwig en gemaal van Fredegonde, bewijst, dat men ook bij het begaan van misdrijven de hulp der reliquieën niet wilde missen. Deze vorst had met zijn broeders een verdeelingsverdrag gesloten, waarbij o.a. werd bepaald, dat geen der vorsten zonder verlof van zijn mede-onderteekenaars het gemeenschappelijke Parijs zou betreden; wie het toch deed zou vervloekt zijn. Chilperik brak het verdrag en trok vlak vóór Paschen Parijs binnen. Om evenwel den vloek te ontgaan, liet hij bij zijn intocht de relequieën van vele heiligen voor zich uit dragen, alsof hij hen medeplichtig wilde maken, om zoo een kwade daad in een goede te doen keeren.

De Kerk bracht geen kultuur, maar maakte het volk onwetend, bijgeloovig en onderdanig, om zoodoende haar macht te bevestigen; het is, alsof zij het in deze eeuw nog te druk heeft met het vernielen der voorhanden Germaansche kultuur. Bovendien waren haar dienaren van een bijzonder laag gehalte. Het geestelijke en moreele peil der Roomsche geestelijkheid, die in dit tijdvak nog zoo goed als geheel uit Romanen bestond, wordt door Luft als volgt gekenschetst:

Brasserij, drankzucht, onverzadelijke begeerte naar rijkdom en zingenot, dom mirakelgeloof, wreedheid overgaand in sadisme, behoorden bijna regelmatig bij deze geestelijkheid. Spoedig werd het onder de rijksgrooten gebruikelijk, zich voor hun misdaden van geestelijken te bedienen: die hadden immers overal toegang. Fredegonde, de wreedaardige koningin, zond herhaaldelijk geestelijken uit als moordenaars.

* * *

Werpen wij tenslotte nog een blik op de organisatie van den Groot-Frankischen staat! Voor den inwendigen bouw van dezen staat is het in hooge mate kenmerkend, dat niet meer [36] alleen de vrij geboren Germanen dienstplichtig waren, maar alle vrijen zonder uitzondering — in tegenstelling met de andere op voormalig Romeinsch gebied gestichte Germaansche staten. Verhoogde dit eenerzijds zijn militaire kracht, zoo staat hier tegenover, dat met deze regeling de volksche grondslag van den Frankischen staat onherroepelijk was prijs gegeven. Terwijl in de rijken der Oost-Gothen en Vandalen het Germaansche staatsvolk een soort krijgerkaste vormde, die zich maar weinig met de inheemsche bevolking vermengde en het bewustzijn van zijn eigen aard en ras behield, was in het Frankische Rijk de militaire gelijkstelling één der oorzaken, waardoor het oorspronkelijk heerschende volk gaandeweg zijn volksbewustzijn verloor en zijn lichamelijke en geestelijke ondergang in den rassenchaos tegemoet ging.


Minder nadeelig, ofschoon in wezen even on-Germaansch, was de versterking van het koninklijk gezag. Aan het zelfbestuur der gouwen, die eertijds hun vorsten zelf kozen, kwam een einde; voortaan werden de gouwen bestuurd door graven, die door den Koning werden benoemd. Al was deze verandering ook op den duur noodzakelijk en al kwam zij stellig ten goede aan de kracht, die de staat naar buiten kon ontplooien, zoo was de geest, waarin deze ontwikkeling zich voltrok, toch niet Germaansch; daarvoor stond zij te zeer onder den invloed van Rome. De vrije boer, eens de volksgenoot van den Koning, werd nu diens onderdaan en het beambtendom, dat zich langzamerhand over het vrije volk heenschoof, verving den ouden adel.

Zonder meer werd van Rome overgenomen de vorm van het, ook in Gallië overheerschend geworden, grootgrondbezit, dat in de door Chlodwig veroverde gebieden grootendeels van Romaansche in Germaansche handen overging. De grootste grondbezitster werd weldra de Kerk, die 100 jaar na zijn dood, dank zij de rijke schenkingen, die vorsten en adel haar hadden gedaan, in het bezit van meer dan een derde van den bodem van Frankrijk was gekomen. Dank zij dit uitgestrekte grondbezit ontwikkelde zich, naast den dienstadel, die in opkomst was, ook een kerkelijke aristocratie. Beide werden reeds spoedig voor de koninklijke macht gevaarlijk, terwijl de in aantal voortdurend toenemende groote landgoederen, waarop de bewerking van den grond was toevertrouwd aan hoorigen [37] („coloni”), bovendien ook voor de vrijheid en zelfstandigheid van den Frankischen boer een bedreiging vormden.

On-Germaansch is tenslotte ook de buitenlandsche politiek der latere Merowingers, waarin arglist, wreedheid en trouweloosheid den boventoon voeren. Onder de zonen van Chlodwig wordt de op verovering beluste politiek nog een tijdlang voortgezet, zoodat het Frankische Rijk vooreerst nog een bedreiging blijft voor zijn buren. Het eerste slachtoffer waren de Thuringers, die in 531 bij Burgscheidungen aan de Unstrut een verpletterende nederlaag[37] leden tegen Theoderik en Lothar I, zonen van Chlodwig, en de met hen verbonden Saksen. Hun koning, Hermanfried, wordt onder belofte van persoonlijke veiligheid naar Zülpich gelokt en daar, tijdens een wandeling met Theoderik, van den stadsmuur af te pletter geworpen. Vervolgens komen de Boergonden aan de beurt, wier rijk in 534 voor goed werd veroverd. Hun koning, Sigismund, wordt na zijn gevangenneming met vrouw en kinderen in een diepe bron verdronken.

Laaghartig was ook de houding, die deze Frankenkoningen aannamen tegenover Witichis, den koning der Oost-Gothen, die, door den Oost-Romeinschen veldheer Belisarius in het nauw gebracht, hun Provence en Raetië afstond onder beding van hulp (536). Wel overschreed Theodebert, die zijn vader, Theoderik, was opgevolgd, daarop met een leger de Alpen, maar inplaats van den Gothen hulp te brengen, begon hij het land voor zichzelf te veroveren en beide partijen te bestrijden. Het blijvende gevolg van al deze ondernemingen bestond echter hierin, dat, behalve de Thuringers, ook de Alemannen[38], die, voorzoover zij in Raetië woonden, na hun nederlaag tegen Chlodwig zich onder bescherming van Theoderik den Grooten hadden gesteld, en tenslotte ook de Beieren het oppergezag van het Frankische Rijk moesten erkennen. Terwijl van de „Frankische laagheid”, die hier voor het eerst in de geschiedenis wordt vermeld, steeds Germanen het slachtoffer zijn, geeft deze eerste aanval op het Germaansche kernland de richting aan, waarin de buitenlandsche politiek van het Frankische Rijk zich voortaan zal bewegen. Onder Karel den Frank zou deze politiek haar natuurlijke afsluiting vinden.

* * *

[38] Zoo heeft dan het Frankische Rijk, dat bestemd was alle andere op Romaansch gebied gestichte Germaansche rijken te overleven, de erfenis van het Romeinsche keizerrijk aanvaard en de voor de Middeleeuwen kenmerkende krachten tot ontwikkeling gebracht[39]. Zooals reeds blijkt uit de militaire gelijkstelling van alle vrijen, bezat dit rijk van het begin af feitelijk hetzelfde universeele karakter, dat ook het Romeinsche Imperium had gekenmerkt. Doordat tengevolge van de geweldige vergrooting van het grondgebied het volksding (d.i. de volksvergadering van alle vrije Franken) weldra niet meer bijeenkwam, ging de bevoorrechte positie van het heerschende staatsvolk nog meer verloren. Zoodoende kwam dit universeele karakter nog duidelijker tot uiting, terwijl tevens de macht van den Koning naar Romeinsch voorbeeld in aanzienlijke mate kon worden versterkt. Daarbij is te bedenken, dat de Frankische koning tegenover zijn Romaansche onderdanen in de rechten der Romeinsche imperatoren trad, zoodat zijn macht van het begin af in hooge mate een absolutistischen stempel droeg. Ook in dit opzicht is het Frankische Rijk dus in wezen on-Germaansch! Chlodwig, de schepper van dezen niet meer op een volkschen grondslag rustenden staat, is dan ook niet als een voorvechter, maar eerder als een verrader van onzen Germaanschen stam te beschouwen.


Zijn optreden heeft voor de Germanen twee belangrijke gevolgen gehad, waarop hier nog in het kort moet worden gewezen. Terwijl Chlodwig eenerzijds door zijn veroveringen het edele volk der Franken heeft blootgesteld aan dezelfde gevaren, waardoor zonder uitzondering alle Germaansche volken in het Zuiden ten onder zijn gegaan, heeft hij anderzijds daardoor ook den grondslag gelegd voor het ontstaan van een macht, die door haar gemengden oorsprong en universeel karakter op den duur een doodelijke bedreiging zou worden voor alle Germaansche volken, ook die van het Germaansche kernland. Want terwijl in de door hem veroverde gebieden, waar zij slechts de dunne bovenlaag der bevolking vormden, de Franken reeds spoedig volledig werden geromaniseerd, vermocht het door hem gestichte rijk, dank zij den steun, dien het van de massa der Romaansche bevolking ontving, naar buiten een geweldige kracht te ontwikkelen. Zoo zien wij aan den eenen kant in het overwegend Romaansch [39] gebleven deel van Gallië de daar gevestigde Franken als volk ten onder gaan, terwijl wij anderzijds het Frankische Rijk reeds onder Chlodwig voor zijn buren een gevaar zien worden. Onder zijn zonen zien wij het vervolgens tot in het hart van Duitschland doordringen. Het verlies van den eigen Germaanschen aard gaat bij het Frankische Rijk dus gepaard met de voortdurende bedreiging van de vrijheid en zelfstandigheid der andere Germaansche volken en de politiek der Frankische koningen schijnt gedoemd den Germaanschen volksaard, die zij bij hun eigen volk reeds onherstelbaar hebben verminkt, nu ook bij de andere Germaansche volken gewelddadig te vernietigen.


Tegenover deze, voor het eigen volk gevaarlijke, politiek steekt de door de eerste Merowingers en door het voorgeslacht van Chlodwig in ruimeren zin gevolgde gedragslijn gunstig af. Terwijl Chlodwig door zijn veroveringen aan de afgeleefde Romaansche wereld nieuw leven inblies en zoodoende de feitelijke grondlegger werd van het latere Frankrijk, dus van een staat, die bestemd was in het verloop van zijn geschiedenis meer en meer een overwegend Romaansch karakter te verkrijgen en zijn oorspronkelijke Germaansche trekken gaandeweg te verliezen, hebben zijn voorvaderen daarentegen door hun geleidelijk voortdringen in het Romeinsche gebied, dat — zooals wij reeds zagen — met kolonisatie van het veroverde land gepaard ging, het Germaansche stamland blijvend vergroot. Aan hen is het te danken, dat Vlaanderen en onze Zuidelijke provincies, alsmede het Duitsche Rijnland, voorzoover dat links van den Rijn is gelegen, een overwegend Germaansch karakter hebben verkregen en een bevolking, waarin het Noordras overheerscht. De betrekkelijke raszuiverheid der hier in gesloten verband gekoloniseerde Franken wordt vooral hierdoor bewezen, dat de on-Germaansche politiek van den Frankischen staat er niet in is geslaagd het Germaansche karakter dezer streken volkomen te vernietigen. Niet alleen handhaafde zich hier de Germaansche taal, maar ook bleef hier de Germaansche volksaard, ondanks alle geweld, dat men hem aandeed, in wezen behouden. In de Zuid-Nederlanders zoowel, als in de Duitsche Rijnlanders, leeft de geest van dit deel der Franken, dat voor [40] een algeheele verbastering gespaard bleef, nog altijd voort; bij de Noord-Nederlanders is het Germaansche bloed dezer Franken versterkt door dat van andere Germaansche stammen, de Saksen en Friezen.

Komt — van een volksch-Germaansch standpunt bezien — de lof, die door onze van alle inzicht in de beteekenis van het ras verstoken geschiedschrijvers ten onrechte aan Chlodwig is toegezwaaid, eerder aan zijn voorgeslacht toe, zoo is — van ditzelfde standpunt uit beoordeeld — de stille bewondering dezer geschiedschrijvers voor de eerste Karolingers evenmin gerechtvaardigd. In het volgende hoofdstuk zal blijken, hoezeer ook de politiek van dit geslacht de vernietiging van het Germaansche wezen heeft bevorderd.

Derde hoofdstuk — De Karolingers (Arnulfingers) en hun politiek

[41]

Vierde hoofdstuk — Karel de Frank

[81]

Vijfde hoofdstuk — De Noormannen als Wrekers der Germaansche Eer

[144] Wellicht is er geen tweede historische gebeurtenis aan te wijzen, waaronder onder geschiedkundigen zoowel, als onder leeken zooveel vooroordeel en wanbegrip heerschen, als de invallen der Noormannen[40]. Deze invallen, die gedurende meer dan twee eeuwen (787-±1000) het gekerstend deel van Europa hebben geteisterd, worden door een geschiedschrijving, die in haar verklarende taak hier wel in een zeer bijzondere mate te kort schiet, ons nog steeds afgeschilderd als een uiting van barbaarsche roofzucht en moordlust. De oorzaak dezer misvatting is hierin te zoeken, dat men zijn oordeel nog altijd zoogoed als uitsluitend grondt op de berichten van kroniekschrijvende monniken en andere geestelijken, die uit den aard der zaak vijanden dezer heidenen waren. Niet alleen, dat men zoodoende een uitgesproken „zuidelijk” standpunt inneemt, dat niet van eenzijdigheid valt vrij te pleiten, maar men ontneemt zich ook de mogelijkheid, om door een ernstig onderzoek naar de omstandigheden, waaronder deze Noordsche krijgers in hun vaderland leefden, naar hun kultuur en beschaving, zich ’n oordeel te vormen omtrent de beweegredenen, waardoor zij zich bij hun optreden lieten leiden. Een nadere bestudeering van den Noorman in zijn land van herkomst is echter het eenige middel, waardoor wij in staat gesteld kunnen worden, deze beweegredenen met een groote mate van waarschijnlijkheid te bepalen.

Het is de verdienste van hedendaagsche Duitsche geleerden, onder wie zich uitnemende kenners der oud-Noorsche letterkunde bevinden[41], de vroegste geschiedenis van het Noorden voor het eerst beter te hebben belicht. De bestudeering der oud-Noorsche bronnen, die door de geschiedschrijvers tevoren nauwelijks waren geraadpleegd, gepaard aan een scherpere [145] critiek ten opzichte van de Latijnsch-christelijke berichtgeving, is voor hen het middel geweest, om tot den dieperen ondergrond der gebeurtenissen door te dringen. Daar wij bij onze beschouwing van het Noorden willen uitgaan en van een Germaansch standpunt het verloop der gebeurtenissen willen bezien, kan een beknopt overzicht van de oudste geschiedenis der Noordsche volken hier niet worden gemist, ook al valt dit schijnbaar buiten het kader van ons boek. Het beeld, dat thans van deze geschiedenis kan worden ontworpen, doet menige misvatting, die bij ons omtrent de Noormannen van jongsaf had postgevat, als vanzelf verdwijnen.

* * *

Volgens de tot dusver gehuldigde opvatting waren de Noord-Germanen, voordat zij omstreeks het jaar 1000 werden bekeerd, kultuurlooze barbaren en was hun land een land zonder geschiedenis. Hoe geheel anders is evenwel het beeld van de vroegste ontwikkeling dezer volken, wanneer wij het bezien in het nieuwe licht, dat door talrijke praehistorische vondsten daarop wordt geworpen! De prachtige, uit brons gegoten „loeren”[42] uit den Bronstijd (±1800-±800 vóór Chr.), die met name in Jutland zijn gevonden, getuigen van de groote kunstvaardigheid der Noord-Germaansche stammen reeds in deze vroege periode; zij zijn één der vele bewijzen voor de hooge ouderdom hunner kultuur. De groote rotsteekeningen uit dit tijdvak, welke in Skandinavië[43] worden aangetroffen en slechts als het werk van een grootere gemeenschap zijn te verklaren, leveren met hun afbeeldingen van schepen, soms met een honderdtal roeiers bemand, van ploegende boeren en weidende koeien, van ruiters met lans en schild en soms ook van strijdwagens het overtuigende bewijs niet slechts van een betrekkelijk reeds zeer hooge kultureele, maar ook van een aan de kinderschoenen reeds ontgroeide politieke ontwikkeling. Zonder een zekere mate van staatkundige organisatie zijn de scheepsbouw en zeevaart, waarvan deze teekeningen getuigenis afleggen, evenmin verklaarbaar, als het voorkomen van geweldige gedenkteekenen, zooals het „koningsgraf” van Hågå in Uppland[44]. Met koninklijke aanvoerders, die met de volkskoningen der oudste, uit het Noorden afkomstige, Iraniërs en Grieken zijn te vergelijken, moet daarom reeds [146] voor 3000 jaar de geschiedkundige overlevering van het Noorden zijn begonnen[45].

De spaarzame berichten, die de Grieken en Romeinen ons omtrent de Noordsche volken hebben achtergelaten, zijn met het stomme getuigenis dezer rotswanden in overeenstemming. Pytheas van Massilia, een Grieksche zeeman, die vermoedelijk in de vierde eeuw vóór Christus leefde, vertelt in zijn reisverhaal, dat ons uit latere uittreksels slechts ten deele bekend is, alleen van zijn vaart, zes dagen voorbij Brittanje, naar Thule, van de korte nachten aldaar, van de korenbouw en het brouwen van mede. Daarentegen spreekt Plinius (79 na Chr.), in wiens verloren gegane boeken misschien nog meer over het Noorden heeft gestaan, van de vijfhonderd gouwen der Noord-Germanen, die hij Hellevionen noemt, van Nerigon[46] of Berricen en van het groote eiland Skadinavia. In 98 na Christus spreekt Tacitus van de „staten” der Zweden, hun koningen, hun rijkdom en hun vloten. Van de rest der Kimbren in het Noorden van Denemarken zegt hij: „Zij zijn een klein volk, maar hun roem is geweldig”. Dit bericht is in zooverre van groot belang, als het bewijst, dat de herinnering aan de groote daden van een volk, dat Rome eenmaal op zijn grondvesten had doen beven, onder zijn in het Noorden achtergebleven stamverwanten nog na twee eeuwen voortleefde.

Een geschiedkundige overlevering, deels van zeer ouden datum, heeft onder de heidensche Noord-Germanen dan ook zeker duizend jaar vóór hun bekeering reeds bestaan. Echter was deze overlevering. afgezien van op zichzelf staande en late mededeelingen op met runen bekraste staven en steenen[47] — van welke „runensteenen” er alleen in Zweden echter meer dan 3000 zijn gevonden — van mondeling karakter. In heldenliederen en stafrijmverzen werd de herinnering aan het verleden voornamelijk bewaard. Daarom is het niet te verwonderen, dat deze herinnering in menig opzicht kon worden vervalscht en verwrongen, zoodra de nieuwe machten, die met de invoering van het Christendom zegevierden en wier belang meebracht, het beeld van het heidensche verleden zooveel mogelijk te verduisteren, ertoe overgingen haar voor een deel op schrift te brengen.

Van deze geschiedvervalsching geeft vooral Zweden, het land, dat wel de oudste geschiedenis heeft gehad, een voorbeeld. De voor ons bewaard gebleven geslachtslijst van dertig [147] Zweedsche koningen uit den heidenschen tijd is afkomstig van den Noorschen skald (= dichter en zanger) Thjodolf, die leefde tegen het einde der negende eeuw. In den vorm echter, waarin zij ons door IJslandsche geschiedschrijvers uit den vroeg-christelijken tijd is overgeleverd, heeft zij veel weg van een „chronique scandaleuse”. Bloedige familietwisten met moord en doodslag, overspel, strijd met de Denen en Gothen en menschenoffers, die op grond van de onwaarschijnlijkste motieven heeten te zijn gebracht, wisselen elkaar in bonte volgorde af. Koning Högni, die door zijn eigen vrouw met behulp van een gouden keten aan een boom bij het latere Stockholm zou zijn opgehangen, is in dit sombere relaas zeker wel de figuur, die het meest tot de verbeelding spreekt. Intusschen vernemen wij toch ook andere klanken. Van een lateren vorst, koning Oenund, lezen wij, dat het Zweden onder hem wél ging, dat hij de Esthen opnieuw onderwierp, bosschen liet kappen en boerderijen liet oprichten en bovenal, dat hij wegen deed aanleggen door wouden en moerassen en over het gebergte, waarom hij „Wegen-Oenund” werd genoemd[48]. Deze mededeeling staat in het verhaal niet alleen, daar ook van andere vorsten wordt vermeld, dat zij boschgrond deden ontginnen. Hoewel de christelijke kroniekschrijvers in hun vooringenomenheid deze heidensche vorsten niet zwart genoeg kunnen schilderen, valt hun beschavingspeil den onbevangen lezer dus toch sterk mee.

Deze indruk wordt bevestigd door hetgeen ons is overgeleverd van de wetten der Zweden en Gothen[49]. Ofschoon deze eerst in den christelijken tijd zijn opgeteekend, zijn zij in hun kern toch uit een veel vroegeren tijd afkomstig. Beide volken waren, na een periode van zwaren onderlingen strijd, die met de overwinning der Zweden was geëindigd, in één rijk vereenigd, dat eerst in een lateren tijd (na 300) door deelingen schijnt te zijn versplinterd. De koningskeuze, welke binnen het geslacht der Inglingen moest plaats vinden en de huldiging van den verkozen vorst waren nauwkeurig geregeld. Daarbij valt op te merken, dat de koningsmacht in sterke mate door den invloed der „jarlen” of edelen en zeker niet minder door het recht der vrije boeren, die samen met de edelen op een „ding” den koning kozen, was beperkt.

In Noorwegen, dat nog niet tot één enkel rijk was vereenigd, waren de gouwkoningen eveneens van de medewerking der [148] uit vrije boeren bestaande volksvergaderingen afhankelijk. Van de oudste geschiedenis van dit land, die door de IJslandsche geleerden volkomen is veronachtzaamd, getuigen slechts runensteenen, plaatsnamen en koningsgraven. De geschiedenis der koningen, die in den heidenschen tijd over Denemarken hebben geregeerd, is eveneens bijna geheel verloren. Niettemin is het feit van belang, dat ook de Denen minstens reeds eenige eeuwen, voordat zij met het Frankische Rijk in botsing kwamen, door koningen werden geleid. De geschiedenis dezer botsing kan in haar draagwijdte en beteekenis dan ook niet worden begrepen, wanneer men vasthoudt aan de voorstelling, die in de toenmalige Noordsche volken enkel barbaren vermag te zien, inplaats van volken met een reeds eeuwenoude kultuur en even oude geschiedenis.

* * *

Het hier gegeven overzicht van de vroegste geschiedenis van het Noorden kan ons doen zien, hoe onwaarschijnlijk het is, dat de invallen der Noormannen, of Vikingers[50] zooals zij zichzelf noemden, enkel en alleen het werk geweest zouden zijn van woeste zeeschuimers, die slechts om te moorden en te plunderen hun krijgstochten ondernamen. Teveel is door onze geschiedschrijvers dan ook voorbij gezien, dat het ontbreken van een uit dit tijdvak stammende Noordsche kroniekschrijving, waarin wij de motieven en inzichten der Noordsche aanvoerders en vorsten als uit hun eigen mond zouden kunnen vernemen, een sterke eenzijdigheid der berichtgeving tengevolge heeft. Inplaats van het uitgangspunt van hun beschouwing in het Noorden te zoeken en den Noorman eerst in zijn vaderland te bestudeeren, teneinde zoodoende in staat te worden gesteld de wijze, waarop hij in de geschiedenis ingreep, uit zijn geschiedenis en wereldbeschouwing, zijn geaardheid en de ruimte van zijn gezichtskring te verklaren, bespieden deze geschiedvorschers — zij het ook onbewust — den Viking nog altijd door het kloostervenster, daarbij voorgelicht door mannen, die dezen heidenschen krijgsman in zijn diepste wezen niet konden en niet wilden begrijpen.

Een andere tekortkoming der tot dusver gangbare geschiedbeschouwing bestaat hierin, dat men zich onvoldoende rekenschap geeft van de omstandigheden, waaronder het eerste [149] optreden der Noormannen plaats vond. Dit optreden moet namelijk worden gezien als het directe antwoord op de onderwerping en gedwongen bekeering der Saksen door den Frankenkoning. De barbaarsche en wreede middelen, die deze daarbij aanwendde, moeten onder de heidensche bewoners van het Noorden afschuw en verontwaardiging hebben gewekt. Met zekerheid kan worden aangenomen, dat de tragische gebeurtenissen in het nabuurland, waarmee men door ras en taal ten nauwste was verbonden[51], bij de Noordsche volken op dezelfde manier weerklank hebben gevonden, als de heldenstrijd der Finnen in onze dagen. Tweemaal (in 777 en 782) zocht Widukind een toevluchtsoord bij den Deenschen koning Siegfried en met hem kwamen ongetwijfeld vele andere vluchtelingen, die zeker in staat waren een sterk medegevoel met het lijden van het Germaansche broedervolk op te wekken. Zonder twijfel ontstond in de Noordsche landen tevens het besef, dat ook de eigen toekomst bij een verder opdringen der reeds zoo geweldig toegenomen Frankische macht ten zeerste bedreigd was te achten. De gedachtengang, die zich daarbij aan velen opdrong, wordt door een Duitschen schrijver[52] in de volgende bewoordingen weergeven:

Na het bloedige voorbeeld van Neder-Saksen moet het voor de bewoners van het Noorden een uitgemaakte zaak zijn geweest, dat beide, de wereldlijke macht der Franken en het christelijke priesterdom, doodsvijanden van hun godsdienst, zede en gemeenschapsorde waren. Juist in het kloosterwezen en het monnikendom moesten de Vikingers daarom veel eerder de voorhoede van den vijand zien, dan een organisatie tot verbreiding van de liefdeleer van Christus.

Zoo kwam het tenslotte tot een ingrijpen in den oorlog, die door Alfred Rosenberg terecht de „Eerste Dertigjarige oorlog” der Duitsche geschiedenis is genoemd. De Noordsche volken traden daarbij op dezelfde wijze in het krijt als verdedigers der Germaansche wereldbeschouwing tegen een rasvreemde leer, als hun nazaten het in den tweeden Dertigjarigen oorlog zouden doen. Een kort overzicht der gebeurtenissen uit dit tijdvak kan ons leeren, hoezeer het waarschijnlijk is, dat de leiders dezer volken, die geenszins barbaren waren, maar integendeel mannen met een zeer ruimen gezichtskring, zich daarbij van hun doel klaar bewust zijn geweest.

[150] De inval, die een aantal Noren uit Hördaland[53] in het jaar 787 in Wessex deden, vormt het begin der eigenlijke Vikingtochten. Al dadelijk is het merkwaardig, dat hij werd ondernomen kort na de eerste bloedige onderwerping der Saksen (785). Evenwel is omtrent dezen eersten inval te weinig bekend, dan dat het verantwoord zou zijn, hier bepaalde gevolgtrekkingen te maken. Anders staat het echter met den volgenden inval, die in het jaar 793 Northumberland trof. Daarbij wordt namelijk het klooster Lindisfarme, dat in Noord-Engeland het voornaamste centrum was der Roomsch-katholieke missie, door Vikingers verwoest. Gezien het feit, dat kloosters de steunpunten waren der gedwongen bekeering, die op het vasteland van Europa steeds met de onderwerping aan het Frankische staatsgezag gepaard ging en tevens in aanmerking nemend, dat deze, aan godsdienstige afzondering en bespiegeling gewijde, oorden door Karel — zooals wij in het vorige hoofdstuk reeds zagen — tevens werden gebruikt als staatsgevangenissen, waarin hij zijn vijanden en met name ook vele Saksische jongelingen opsloot, kan hier wel nauwelijks sprake zijn van toeval.

In de volgende jaren laten de Vikingers Engeland voorloopig met rust, maar weer is het merkwaardig, dat zij dan hun aanvallen in hoofdzaak richten tegen lerland, het land, dat gedurende langen tijd het uitstralingspunt was geweest der christelijke zending in Noord-West-Europa. Ook zijn het vooral kerken en kloosters, die door den Vikingerstorm worden getroffen en monniken, die daarbij als slachtoffers vallen. Zoo wordt in 813 het op het Hebrideneiland Jona gelegen klooster, dat aan de Iersche monniken tot uitgangspunt had gediend voor de bekeering van Schotland, door de Vikingers verwoest. De rijkdommen dezer kloosters kunnen dit merkwaardige verschijnsel niet afdoende verklaren. De invallen der Vikingers werden dan ook reeds door Ranke, den grooten Duitschen historicus, in verband gebracht met de godsdienstige ondernemingen van het christelijke Europa, in het bijzonder met die van het Iersche en Angelsaksische priesterdom, waarop zij als het ware het heidensche antwoord vormen.

Het gebied van het Frankische Rijk schijnt aanvankelijk door de Noormannen te zijn ontzien. Eerst in het jaar 800 vernemen wij van aanvallen der Vikingers op de kust van Gallië. Karel richt daartegen een kustbewaking op en laat tevens [151] een vloot bouwen, waartoe hij gedurende langen tijd te Rouaan verblijf houdt[54]. In 804, dus op het oogenblik, waarop hij de Saksen opnieuw en thans voorgoed heeft onderworpen, wisselt hij gezanten met den Denenkoning Göttrik, of Godofried — zooals de Franken hem noemden — vermoedelijk den opvolger van den boven genoemden Siegfried. Deze verschijnt met zijn vloot en zijn geheele ruiterij in zijn vesting Sliesthorp (= Sleeswijk), op de grens van het door Karel kort tevoren onderworpen Noord-Albingsche gebied, en wil den Keizer in diens legerplaats opzoeken, maar wordt door zijn gevolg, dat de spreekwoordelijk geworden trouweloosheid der Franken blijkbaar maar al te goed kende, daarvan weerhouden. Bij de dan volgende onderhandelingen eischt Karel, naar het schijnt tevergeefs, de uitlevering van Saksische vluchtelingen. Althans is korten tijd later de breuk tusschen beide heerschers een feit.

Merkwaardig is dan de krachtsontplooiïng, waartoe Göttrik, die, behalve een bekwaam aanvoerder, ook een krachtige en zelfbewuste persoonlijkheid moet zijn geweest, in staat blijkt. In het jaar 808 zien wij hem aanvallend optreden. Tezamen met de, aan het Frankische Rijk vijandig gezinde, Slavische Wilzen doet hij een inval in het gebied der met Karel verbonden, eveneens Slavische, Abotriten[55], verdrijft hun hoofdman Drosoeg en onderwerpt — zij het onder zware verliezen — twee derde van hun gebied. Eerst wanneer Karels gelijknamige zoon met een leger aanrukt, wijkt hij terug, verwoest zelf de hem toebehoorende handelsplaats Reric[56] en laat dan door zijn leger den grenswal aanleggen, die later onder den naam „Danewirk” bekend zou staan. Deze grenswal, die zich uitstrekte van de uitmonding van de Eider in de Noordzee tot het in de Oostzee uitmondende Schlei en slechts één uitvalspoort bezat, was bestemd het Deensche gebied tegen een aanval uit het Zuiden te beschermen. Zoowel de aanleg van deze grensversterking, als heel het verdere gedrag van Göttrik getuigt van een doelbewust handelen en geeft blijk van een strategisch talent, dat zeker niet voor dat der Frankische aanvoerders behoefde onder te doen.

Nadat de vredesonderhandelingen waren mislukt en Karel den aanleg van het Danewirk met den bouw van de vesting Esesfelt (—= Itzehoe) had beantwoord, ontbrandde de krijg opnieuw (810). Göttrik benutte vooreerst zijn overmacht ter zee; [152] hij zond een vloot van 200 zeilen naar Friesland, die alle voor de kust gelegen eilanden plunderde en een leger aan wal zette, dat den Frieschen heerban in drie gevechten versloeg. Het gewest werd daarbij als een veroverde provincie behandeld; het moest een jaarlijksche schatting van 100 pond zilver opbrengen, waarvan de eerste termijn onmiddellijk was te voldoen.

Op het bericht dezer gebeurtenissen laat Karel in allerijl een vloot bouwen en de kust van zijn rijk in staat van verdediging brengen. Hij verlaat zelfs zijn palts te Aken en stelt zich aan het hoofd van een leger, waarmee hij tegen den Denenvorst, die intusschen ook de Abotriten opnieuw heeft onderworpen, optrekt. In de buurt van Verden, bij de uitmonding van de Aller in de Wezer, komen beide legers tegenover elkaar te staan. Hoezeer ook voor Karel alles op het spel stond, blijkt uit het feit, dat — volgens Frankische berichten — Göttrik zich niet alleen reeds als meester van Friesland en Saksen beschouwde, maar ook het voornemen te kennen gaf, om, na Karel te hebben verslagen, als heer van geheel Germanië in Aken binnen te rukken[57]. Voordat het evenwel kwam tot den beslissenden slag, die — naar het oordeel van Ranke — alles had kunnen keeren en Karel had kunnen verpletteren, werd de Denenkoning door één zijner eigen landslieden vermoord. Hemming, zijn neef en opvolger, sloot met den Keizer vrede (811), waarmee de mogelijkheid, om Saksen alsnog den greep van het Frankisch-kerkelijke gezag te ontwringen, voorgoed verdween. De dood van Göttrik vormt daarom een beslissend keerpunt in de geschiedenis. Bezien vanuit het standpunt der Kerk, wordt de op hem gepleegde moord door den geschiedschrijver Adam van Bremen[58] terecht als een daad der Voorzienigheid geprezen. Vanuit een Germaansch gezichtspunt beoordeeld, was het daarentegen een onherstelbaar verlies, dat de oeroude kultuurgemeenschap, welke vroeger de Noord-Germanen met hun zuidelijke stamverwanten had vereenigd, thans voorgoed was verbroken.

* * *

In het tijdperk van verval, dat voor het Frankische Rijk begint met den dood van keizer Karel, verdienen twee dingen onze aandacht. Vooreerst zien wij reeds Lodewijk den Vromen [153] (814—840) tegen de Noordsche rijken de middelen aanwenden, die de kerkelijke hiërarchie uiteindelijk in staat zouden stellen, ook het Noorden aan haar gezag te onderwerpen. Door politieke intrigues zou tenslotte worden bereikt, wat door wapengeweld alleen niet was te verwezenlijken. Lodewijk neemt een uitgeweken Deenschen prins, Harald genaamd, onder zijn bescherming en deze doet, na den Keizer als leenheer te hebben gehuldigd, een drietal invallen in Denemarken. De krachtige koning Ragnar Lodbrok vindt daartegen steun in Noorwegen. Zoo ontwikkelt zich een burgeroorlog, welke door dezelfde macht wordt bevorderd, die wellicht ook reeds achter den moord op Göttrik had gestaan. Teneinde meerdere hulp te verkrijgen, moet Harald zich in 826 met 500 Denen op plechtige wijze te Mainz laten doopen. Dank zij de gewapende hulp des Keizers kan hij dan Sleeswijk bezetten, waar hij de heidensche heiligdommen verwoest, de priesters verjaagt, de vereering der „valsche goden” uitroeit[59] en ter eere van den christengod een kerk bouwt. Wel wordt hij reeds het volgend jaar door Ragnar verjaagd, waarop de oude eeredienst in zijn rechten wordt hersteld, maar dit kon den val van het heidendom en de daarmee gepaard gaande vernietiging der oude volksvrijheden toch slechts vertragen. De uiteindelijke zegepraal van het Christendom was evenwel niet te danken aan de bekeeringspogingen van Ansgar, die, door Lodewijk tot bisschop van Hamburg benoemd, enkele missiereizen naar het Noorden ondernam, welke hoegenaamd geen vruchten afwierpen. Ook ditmaal besliste weer het geweld.

Nadat Gorm de Oude (900-935) de koningsmacht in Denemarken had bevestigd, werd zijn zoon, Harald Blaatand (d.i. Blauwtand, 935-985), door keizer Otto II verslagen en gedwongen tot de invoering van het Christendom. Een nieuwe heidensche reactie onder Swen (985-1014) kon dit niet meer ongedaan maken. Zijn zoon, Kanoet („de Groote”, 1014-1035), die, behalve over Denemarken en het door zijn vader veroverde Engeland, ook over Noorwegen regeerde, liet zich doopen en onderwierp daardoor het Noorden opnieuw — en thans voorgoed — aan het kerkelijk gezag. Aan de invallen der Noormannen in het gekerstende deel van Europa kwam daardoor als vanzelf een einde. Opmerkelijk is, dat deze onderwerping ook in Noorwegen en Zweden is voorafgegaan door de invoering eener gecentraliseerde monarchie, die den [154] adel aan zijn gezag ondergeschikt wist te maken. Zonder twijfel beteekende dit een geweldige omwenteling, die diep in den maatschappelijken opbouw der Noordsche volken heeft ingegrepen, maar hier verder buiten beschouwing moet blijven. Slechts zij opgemerkt, dat zij zeker niet zonder Karolingischen invloed tot stand kwam. Ofschoon het aan de Kerk in de Noordsche rijken niet gelukte een even onweerstaanbaren greep op de zielen te verkrijgen, als in de reeds eerder binnen haar machtsgebied getrokken landen, was haar overwinning toch onmiskenbaar.

In de tweede plaats heeft het den schijn, dat de invallen der Noormannen in deze periode meer en meer ontaarden. Hun aanval van het jaar 845, waarbij zij met hun vloten Hamburg — het uitgangspunt van de door Lodewijk in het oog gevatte bekeering van het Noorden — en tegelijkertijd Parijs veroveren, wijst nog op een planmatig handelen. Daarentegen is uit de gebeurtenissen der volgende jaren, waarin zoovele Frankische steden door de Vikingers worden geplunderd, nauwelijks meer het beeld van een doelbewuste oorlogvoering te construeeren. Meer en meer schijnen de ondernemingen der Noormannen te ontaarden in op zichzelf staande rooftochten, waarbij niet meer een politiek doel, maar roof en plundering op den voorgrond staan. Toch blijft het merkwaardig, dat zij zelfs op Westfrankisch gebied het heidendom doen herleven en het stallen der paarden in de paltskapel van Karel den Frank te Nijmegen had wellicht mede ten doel, de overwinning van dit heidendom symbolisch tot uitdrukking te brengen. Hoezeer de Vikingerscharen echter gaandeweg den band met het vaderland verliezen, blijkt wel het best uit het feit, dat zij zich tenslotte ook tegen dit vaderland laten gebruiken. Het is de boven reeds genoemde Harald Blaatand, die den bond der Joms-Vikingers[60] als zijn beroepssoldaten in dienst neemt en hen gebruikt bij een aanval op Noorwegen, dat hij, behalve aan zijn eigen gezag, ook aan dat der Kerk wenschte te onderwerpen. Andere Vikingers wendt hij terzelfdertijd aan tegen Zweden[61]. Als zeeroovers en beroepssoldaten hebben de Vikingers aldus hun loopbaan beëindigd, die zij als voorvechters der Germaansche wereldbeschouwing waren begonnen.

Toch bewijzen ook de feiten uit dit tijdvak, dat de Noormannen geenszins barbaren waren en niet enkel als woeste [155] zeeschuimers van zich hebben doen spreken. In de deelen van Europa, waar zij zich blijvend vestigden, hebben zij rijken gesticht, die door hun voorbeeldige organisatie de bewondering der tijdgenooten opwekten en even zoovele uitstralingspunten werden van Noordsche scheppingsdrang en daadkracht. Herinnerd zij hier slechts aan de stichting van het hertogdom Normandië door den Noorman Rolf en zijn metgezellen (912), de van daaruit plaats vindende verovering van Zuid-Italië en Sicilië (1042-1130) door de twaalf dappere zonen van den ouden graaf Tankred van Hauteville en de eveneens vanuit Normandië ondernomen verovering van Engeland door Willem den Veroveraar (1066). Wat Oost-Europa betreft is daar de stichting van Rusland door de „Warägers” (van het oud-Noorsche „vaeringjar” = gevolgslieden) van den Zweed Hrurekr (Slavisch: Rjurik) tegenover te stellen. De invloed, die de Noormannen aldus op de verdere politieke en kultureele ontwikkeling van ons werelddeel hebben uitgeoefend, kan wel nauwelijks worden overschat. Indien zelfs in de donkerste periode der Middeleeuwen de Germaansche geest toch nog een enkele maal zich weet te uiten, is dit zeker in de eerste plaats aan Noordschen invloed te danken. Men denke slechts aan het opmerkelijke feit, dat de typisch Germaansche kunstvorm der gothiek juist in Normandië is ontstaan, wat zeker niet aan toeval mag worden toegeschreven. Niet minder opmerkelijk is, dat Frederik II, de keizer, die door zijn vrijzinnige opvattingen zich den onverzoenlijken haat van het priesterdom op den hals haalde, een Normandische vrouw tot moeder had[62]. De Noordsche veroveringsdrang vindt verder ook in de Kruistochten en vele andere ondernemingen een uitlaat en het sterke Noordras-element in de door de Noormannen gestichte staten heeft zijn invloed nog eeuwenlang doen gevoelen.

Een andere verdienste, waardoor de Vikingers zich een eervolle plaats in de geschiedenis hebben verworven, zijn hun ontdekkingsreizen, die aanleiding gaven tot de kolonisatie van voorheen niet of nauwelijks bevolkte gebieden. Wij noemen hier slechts de kolonisatie van het kort tevoren door hen ontdekte IJsland (874), de ontdekking van Groenland (982), waar eveneens een volksplanting werd gesticht en de mislukte poging zich blijvend te vestigen op de oostkust van Noord-Amerika (1000). De geweldige uitbreidingsdrang, die [156] bij de Noordsche volken in dit tijdvak valt op te merken, moet in ruimer verband zonder twijfel worden beschouwd als de laatste fase der Germaansche Volksverhuizing, die in een vroegere periode het staatkundige en kultureele beeld van Europa reeds zoo grondig had gewijzigd. Behalve aan een betrekkelijke overbevolking, die in het rotsachtige en onvruchtbare Skandinavië zich uit den aard der zaak eerder voelbaar maakte dan elders en aan den tot uitzwermen sterk geneigden aard van het Noordras, dat ongetwijfeld meer behoefte aan ruimte heeft dan vele andere rassen, moet deze expansiezucht echter ook aan politieke oorzaken worden toegeschreven. Het was de Noorsche koning Harald Harfager (d.i. Schoonhaar, ±860-933), die door de invoering van een gecentraliseerde monarchie naar Karolingisch voorbeeld en de daarmee gepaard gaande onteigening der odalsgoederen vele adels- en boerengeslachten ertoe bracht, zich in overzeesche gebieden en tot dusver onontgonnen streken van Skandinavië zelf een nieuwe woonplaats te zoeken. De grootscheepsche uittocht, die daardoor ontstond, was aan liefde voor de oude volksvrijheid te danken en beroofde daarom Noorwegen van zijn beste elementen.

Zoo heeft de Vikingerstorm, die het christelijke Europa op zijn grondvesten deed beven, het politieke overwicht van het Germaansche element in dit werelddeel nogmaals versterkt en het daarbij opnieuw met Noordras-bloed doordrongen en bevrucht. Hij heeft echter tevens het eigen Noordsche vaderland verzwakt, de aanraking met de geestelijke machten van het Zuiden vergroot en daardoor, ongewild en onbedoeld, de overwinning dezer machten bevorderd. Het is de tragiek der geschiedenis, dat juist de overwinningen, die door de Noormannen met de wapenen werden bevochten, den weg hebben gebaand naar hun geestelijke onderwerping aan een kerkelijk-politiek systeem, tot welks bestrijders zij zich hadden opgeworpen. De vrije geest van het Noordras, door de Vikingers zoo duidelijk vertolkt, leed in politiek opzicht de nederlaag tegen de georganiseerde geestesmacht uit het Zuiden, die in Karels Imperium Christianum was belichaamd.

Slotwoord

[157] Aan het einde van onze beschouwing gekomen schijnt het ons nuttig, de ontwikkeling, welke in dit boek breedvoerig is geschetst, nogmaals in haar hoofdtrekken samen te vatten. Keeren wij daarom tot ons uitgangspunt terug!

Ten tijde van het Imperium Romanum staan de Romaansche en de Germaansche wereld als twee scherp van elkaar gescheiden en gelijkwaardige machten naast en tegenover elkaar. Elk van deze werelden vormt een zelfstandig geheel, rust in zichzelf, gehoorzaamt aan eigen wetten en heeft haar eigen wereldbeschouwing, al vindt aan de grenzen, waar beide op elkander stooten, ook een wederzijdsche beïnvloeding plaats. Terwijl evenwel het volk, dat het Imperium schiep, in den loop der eeuwen door en door is verbasterd en zijn Noordras-element, waarop zijn oorspronkelijke kracht berustte, bijna geheel heeft verloren, staat aan de andere zijde dezer grenzen een volk, dat zijn jeugdige kracht, dank zij zijn onverbasterd gebleven bloed, ongebroken heeft weten te bewaren.

Met deze tegenstelling gaat een andere parallel. Tegenover de afgeleefde kultuur van het Imperium, welke dien naam feitelijk niet meer verdient, aangezien zij, opgebouwd als zij is uit de meest heterogene eiementen, met geen enkel ras meer direct verband houdt en feitelijk nog slechts den geest van den rassenchaos belichaamt, staat de gave, ofschoon jeugdige en onontwikkelde, kultuur der Germanen. De opgezamelde kennis uit het verleden, het geschoolde denken, de wetenschappelijke of quasi-wetenschappelijke methoden, de techniek en de uitwendige beschaving zijn echter grootendeels te vinden in het kamp hunner vijanden. Bovendien is daar ook een kerkelijk-politiek systeem, dat de organisatievormen van het Imperium heeft overgenomen, om zich de heerschappij over de zielen te verzekeren. Bezield door denzelfden imperialistischen waan, als voorheen de caesaren, zijn de dragers van dit [158] systeem erop uit de machtspolitiek van het afstervende, wereldlijke Rome voort te zetten en deze, onder gebruikmaking van andere middelen, te doen zegevieren ook daar, waar het Imperium faalde.

Het is deze langzaam afstervende wereld, welke onder de slagen, die haar tijdens de Volksverhuizing treffen, vrij plotseling en toch voor de tijdgenooten, die de draagwijdte der gebeurtenissen niet kunnen overzien, bijna onopgemerkt, bezwijkt. Zij wordt overweldigd door de Germaansche volken, die het West-Romeinsche Rijk veroveren en op zijn gebied hun eigen rijken stichten, doch er zich over het algemeen slechts in betrekkelijk kleine aantallen vestigen. Reeds tevoren zijn enkele dezer volken begonnen zich te bekeeren tot het Christendom, dat in het Romeinsche Rijk kort vóór zijn val de overhand had verkregen; nadat de verovering is voltooid en de verschillende stammen hun definitieve woonplaatsen hebben ingenomen, vindt deze bekeering verderen voortgang. Het is daarbij van de grootste beteekenis, dat het meerendeel dezer volken zich laat bekeeren niet tot het Roomsch-katholieke, maar tot het Ariaansche christendom. Hoewel van huis uit even on-Germaansch, heeft dit zich namelijk geheel los van Rome ontwikkeld en sterk den invloed van den Germaanschen geest ondergaan. Het is tegen monnikenwezen en mirakelzucht, stelt den Bijbel voorop en predikt in de landstaal. De bekeering der Germaansche volken tot dezen vorm van het Christendom, die als een voorlooper van het latere Protestantisme is te beschouwen, opent wijde perspectieven. De mogelijkheid schijnt aanwezig, dat zij, met behulp hunner christelijke leermeesters, zich toegang zullen verschaffen tot de schatten van wijsheid en kennis, die de afgeleefde kultuur van het Imperium uit het verleden had bewaard en zich aldus uit het arsenaal van den vijand de geestelijke wapenen zullen verschaffen, die zij behoeven in den strijd, dien zij tot verdediging van hun eigen aard in een rasvreemde omgeving op leven en dood moeten voeren. Deze mogelijkheid, hoewel langen tijd aanwezig, gaat echter niet in vervulling.

Terwijl de Ariaansche Germanen zich van de door hen onderworpen Romaansche bevolking afgezonderd houden, wordt dit weldra anders bij het eenige Germaansche volk, dat zich, bij monde van zijn koning, van het begin af voor het Roomsch-katholieke geloof verklaart. Politieke beweegredenen geven [159] daarbij den doorslag. Het betreft hier de daad van een zelfzuchtigen vorst, die tegen den wil van zijn volk, dat tot volgen moet worden gedwongen, een weg betreedt, die naar de geleidelijke versmelting van overwinnaars en overwonnenen zal voeren. Daarbij is Chlodwigs bekeering tot het Roomsche geloof (496) ook in zooverre van de grootste beteekenis, als zij hem de middelen verschaft, om met de medewerking en steun der onderworpen Romaansche bevolking de naburige Germaansche volken te verslaan en ten deele aan zijn gezag te onderwerpen. De eerste Germaansche vorst heeft zich daarmee in dienst gesteld van rasvreemde idealen en tevens is de grondslag gelegd van een boven-volkschen staat, waarin Germaansche en Romaansche kultuur- en bevolkingselementen zich steeds meer vermengen en waarvan de kerkelijke hiërarchie, die voorloopig met het koninklijk gezag hand in hand gaat, het bindend element vormt. In een wat lateren tijd gaan ook de andere Germaansche volken, die aan de vernietiging door Oost-Romeinen of Franken zijn ontkomen, tot het Roomsch-katholicisme over (± 600). Hun geringe getalsterkte en hun door vermenging met de onderworpen bevolking tenslotte toch ook verbasterd bloed zijn oorzaak, dat zij den strijd voor het behoud van den eigen volksaard op den duur niet kunnen volhouden, te minder, waar de band met het Germaansche kernland sinds lang is verbroken.


Zoo vormt het jaar 600 een beslissend keerpunt. De afgeleefde Romaansche wereld, die voor de wapenen der Germanen was bezweken, heeft zich door de opname van Noordras-bloed verjongd, de binnengedrongen veroveraars geestelijk overwonnen en hen in dienst gesteld van haar eigen idealen. Terzelfder tijd is het oude Germaansche kernland door het verlies van talrijke volksdeelen, die tot de beste behoorden, alsmede door het opdringen der Slaven, verkleind en verzwakt, terwijl zijn wereldbeschouwing en levensopvatting door den overgang van zijn weggetrokken zonen tot een nieuwe en onbegrepen leer aan het wankelen zijn gebracht. Daardoor zijn ook de grenzen tusschen beide werelden, die voorheen zoo duidelijk waren afgebakend, vervaagd en ten deele zelfs aan het ongeoefend oog onttrokken. Bij den strijd, die staat te ontbranden, zal het tweede Rome, evenals het eerste dat eeuwenlang had gedaan, Germanen gebruiken [160] tegen Germanen, maar deze strijd zal onder geheel andere krachtsverhoudingen plaats vinden, dan die, welke golden tusschen de vroegere Germaansche stammen en de Romeinsche legioenen en daarom zal hij ook geheel anders eindigen. De volkomen militaire overwinning, welke de binnendringende Germanen op het in verval geraakte keizerrijk behaalden, zal met een even volledige geestelijke overwinning van het nieuwe Imperium, dat in de plaats van het oude is getreden, worden beantwoord en, zooals de Vandalen het eindpunt van hun zegetocht vonden aan de randen der Sahara, zoo zal het Kruis zegevieren tot in Skandinavië en op IJsland. Daarmee zal zich een schouwspel voor ons oog ontrollen, dat de geschiedenis in vroeger en later tijd vaker te zien heeft gegeven. Men denke slechts aan het merkwaardige feit, dat de militaire en politieke vernietiging van Carthago met de Puniseering van het Romeinsche Rijk werd beantwoord.


De binnenlandsche woelingen en twisten, waardoor het Frankische Rijk na Chlodwigs dood gedurende langen tijd wordt geteisterd, veroorzaken een vrij langdurige onderbreking van deze ontwikkeling. De vreedzame prediking der leren vindt intusschen voornamelijk in de grensgebieden van het vroegere Imperium gehoor en wel in hoofdzaak bij de daar achtergebleven Romanen. Eerst nadat onder de eerste Arnulfingers (Karolingers) de eenheid van het rijk onder een krachtige leiding is hersteld, kan de groote aanval op het Germaansche kernland beginnen. Bij den dan beginnenden strijd gaan wereldlijk en kerkelijk gezag steeds hand in hand en banen de wapenen den weg naar de „bekeering”. Heftig is vooral het verzet der Friezen, onder wie de prediking van Willibrord eerst vruchten afwerpt, nadat Pippijn de Middelste hun koning Radbod bij Dorestad heeft verslagen (689). De overwinning, die Karel Martel aan de Boornzee op hertog Boppo bevecht (734), legt dan ook het Noorden van Friesland open voor de christelijke prediking. Bonifatius moet bij zijn zendingsarbeid in Hessen en Thuringen op dezelfde manier worden ondersteund. Eerst als deze steun hem onder Pippijn den Korten en Karloman ten volle wordt verleend, gelukt het hem zoowel het heidendom, als het ook in deze landen doorgedrongen Iersch-Schotsche Christendom te vernietigen. De onderwerping der Zwaben aan de kerkelijke hiërarchie wordt eerst [161] een feit, nadat de aanvoerders van dit volk in het bloedbad van Cannstadt (746) zijn gevallen.

Opmerkelijk is, dat bijna overal, waar de Roomsch-katholieke leer aan onverbasterd gebleven Germanen wordt gebracht, zij slechts door de toepassing van het uiterste geweld kan zegevieren. Een uitzondering vormen slechts de Angelsaksen en — in een veel lateren tijd — de bewoners van IJsland. Bij het eerstgenoemde volk was de overgang tot het Roomsch-katholicisme, evenals zulks bij Chlodwig het geval was geweest, te wijten aan politieke motieven. Bij de IJslanders, waar hij krachtens een besluit van het volksding geschiedde (1000), sproot hij voort uit den wensch de volksgemeenschap voor godsdienstige verdeeldheid te bewaren.[63]

Daarentegen is bij de Saksen, die zich in een dertigjarigen oorlog tegen hun bekeering verzetten, de afkeer van het hun opgedrongen geloof weer onmiskenbaar. Hoe diep deze afkeer wortelde, blijkt wel het best uit het feit, dat Karel de Frank teneinde hun verzet voorgoed te breken, tenslotte geen ander middel zag dan een gedwongen volksverhuizing, waardoor hij het bloed van dit volk opzettelijk verbasterde. Zijn verbeten worsteling met de laatste vrije en heidensche Germanen, die in Midden-Europa nog overig waren, brengt tenslotte de beslissing en de inzet der nog onverbruikte kracht der Noordsche volken kan deze uitkomst niet meer ongedaan maken. Door de onderwerping der Langobarden en de gebiedsuitbreidingen, die hij verder tot stand brengt, wordt hij tevens de stichter van een universeele monarchie, waarin bijkans heel het Roomsch-katholieke Europa is vereenigd. Tenslotte doet hij, door zich tot keizer te laten kronen, het Romeinsche Imperium herleven. Met recht kan Karel daarom worden beschouwd als de voornaamste grondlegger van het Middeleeuwsche Europa en onmiskenbaar is hij in heel het drama dat met de volkomen geestelijke onderwerping der Germanen eindigt, de centrale figuur. Ons oordeel over dit drama kan daarom niet verschillen van dat over zijn historische rol.


Zooals wij aan de hand van ons onderzoek zagen, bestaat er geen enkele reden, om Karel als een „echten Germaan” te verheerlijken, terwijl er alle grond aanwezig is, om aan zijn Germaanschen aard te twijfelen. Bovendien mist hij de oorspronkelijkheid, die, naar den maatstaf van ons ras, als de [162] meest kenmerkende eigenschap van het genie is te beschouwen. Evenwel kan niet worden ontkend, dat — afgezien van alle geestverwantschap van godsdienstigen aard — al diegenen, voor wie de vervaging van alle grenzen het hoogste ideaal is, die de oplossing van het bijzondere in het algemeene begeeren, die de samensmelting der volken en nog meer die der rassen nastreven en in het bestaan eener „menschheid”, als zedelijke gemeenschap aller op aarde levende menschelijke individuen, gelooven, alle reden hebben om Karel en zijn werk te verheerlijken. Voor hen daarentegen, die juist in de vervolmaking van het bijzondere hun ideaal zien, die in een natuurlijke wereldorde gelooven en het bestaan van afzonderlijke volken en rassen als een door een hoogere macht gewilde werkelijkheid aanvaarden, staat de zaak anders. Karels Imperium Christianum kunnen zij geenszins bewonderen en inplaats van aan den overwinnenden Frankenkoning brengen zij liever hulde aan diens verslagen tegenstanders, Widukind en Göttrik. Zoo is ons oordeel over deze historische figuur in laatste instantie afhankelijk van de wereldbeschouwing, die wij zijn toegedaan.

* * *

Slaan wij ten besluite nog een blik op het verdere verloop der ontwikkeling! Na eeuwen van geestelijke slavernij, gedurende welke de Germaansche ziel zich slechts hier en daar en als in het verborgene kon uiten, onderging het kerkelijk gezag door de herleving van de studie der Oudheid tijdens de zoogenaamde Renaissance voor het eerst een ernstige verzwakking. Vervolgens bracht de Hervorming een gedeeltelijke bevrijding, die de tegenstelling tusschen het Germaansche en het Romaansche deel van Europa weer duidelijk aan den dag deed treden. Terwijl het „Avondland” zich staat en maatschappij slechts onder het beeld van een machine vermocht voor te stellen, vergeleek Luther beide met het dierlijke organisme en schonk daardoor aan het zich bevrijdende „Noordland” den grondslag voor een eigen wereldbeschouwing),[64] die aan de oud-Germaansche in menig opzicht verwant is. De volgende eeuwen hebben de tegenstelling, die Europa opnieuw had verdeeld, verdiept en verscherpt, maar de Fransche revolutie bracht voor het Noordland een gevaarlijke [163] reactie. Omstrikt door de denkbeelden van het Liberalisme, die op de grondgedachten dezer revolutie teruggaan en in de mechanische wereldbeschouwing van het Avondland hun diepsten oergrond vinden, en vervolgens verblind door het gedachtensysteem van het Marxisme, dat van nog vreemderen oorsprong is, dreigde het Noordland opnieuw van eigen aard te vervreemden. Een diepgaande bezinning op het eigen verleden en een wereldbrand waren noodig, om op het laatste oogenblik redding te brengen.


De opbouw van een Noordland, dat geheel van vreemde invloeden is bevrijd, dat weer — als het oude Germanië — rust in zichzelf en aan eigen wetten gehoorzaamt, is een taak voor de toekomst. Wordt zij volbracht, dan zal Europa in zekeren zin tot het uitgangspunt van zijn geschiedenis zijn teruggekeerd, want weer zal het zijn verdeeld in een Romaansche en een Germaansche wereld, die ook in geestelijk opzicht duidelijk zullen zijn gescheiden. Was dan heel deze ontwikkeling doelloos en vertoont de geschiedenis slechts een zinlooze herhaling ? In geenen deele! Niets in de geschiedenis voltrekt zich zonder doel, geen enkele gebeurtenis is zinloos. De eeuwenlange strijd tegen de geestelijke overheersching van rasvreemde elementen heeft voor de Germanen tenslotte geleid tot een volledige bewustwording van eigen aard en karakter. Deze bewustwording, die de vrucht is van een lange en wisselvallige geschiedenis, breekt zich eerst in onze dagen ruimer baan en dit houdt een belofte in voor de toekomst. Het nieuwe Germanië, dat wij zien groeien, zal daarom innerlijk rijker en daardoor ook krachtiger zijn dan het oude.

Noten

  1. Namelijk Wilhelm Teudt in „Germanische Heiligtümer”, Jena 1929, blz. 148 e.v., afgedrukt in Knöpp: „Karl und Widukind”, blz. 46.
  2. Verg. Wolf: „Angewandte Geschichte”, Leipzig 1913, blz. 80.
  3. Namelijk van Dr. R. Luft, die haar gebruikt in zijn verderop nog te noemen werkje over de Franken.
  4. L.G. Tirala heeft in zijn „Rasse, Geist und Seele” ook voor het late Rome er op gewezen, dat kruising van bepaalde rassen homosexueele afwijkingen tengevolge heeft, waardoor de drang tot het grootbrengen van kinderen uitdooft.
  5. Verg. het genoemde werk van Wolf op blz. 81.
  6. Een uitnemende uiteenzetting van dit verband vindt men in het werkje van H. Laagland, waarmede de reeks der uitgaven van „Der Vaderen Erfdeel” is geopend.
  7. De eerste christenen waren zelfs communisten, verg. Handelingen 4:34!
  8. Verg. Wolf: „Angewandte Kirchengeschichte” blz. 83.
  9. Verg. Chamberlains „Grundlagen” blz. 557 der „Hauptausgabe”.
  10. Onder „askese” wordt verstaan opzettelijke zelfkwelling, waarvan wordt aangenomen, dat zij den goden (of God) aangenaam is.
  11. Namelijk door Pachomius, die in 340 op het eiland Tabennae in den Nijl het eerste klooster stichtte.
  12. De vormen, die het Christendom in den loop der eeuwen heeft aangenomen, loopen zeer uiteen en zijn talrijk. Zij zijn elk voor zich overtuigd „de ware leer” te verkondigen. Wij kiezen hier geen partij en laten Christus, die boven al deze ware leeren staat, buiten deze beschouwing.
  13. Deze onderscheiding lijkt ons noodzakelijk, daar onder den verzamelnaam „heidendom” de meest heterogene godsdiensten worden samengevat, die onderling soms zeer diepgaand verschillen. Zoo is tusschen het „heidendom” der Germanen en dat van het latere Rome het verschil stellig veel grooter en wezenlijker, dan tusschen het laatste en het Christendom.
  14. Op deze merkwaardige samenloop wijst Wolf op blz. 299 van zijn „Angewandte Geschichte”, waaraan de in den tekst volgende bijzonderheden zijn ontleend.
  15. Namelijk door Dr. R. Luft in zijn „Die Franken und das Christentum”, München 1936, een voortreffelijk werkje, dat op een uitgebreid bronnenonderzoek steunt en waaraan wij een groot deel der in dit hoofdstuk vervatte gegevens ontleenden.
  16. Waarom ontbreken hun namen in onze geschiedenisboeken? De tragische ondergang dezer Frankische vorsten, die ongetwijfeld tot ons voorgeslacht zijn te rekenen, lijkt ons toch wel de vermelding waard.
  17. Trier was in die dagen een Romeinsch centrum.
  18. Namelijk Salvianus in zijn „de gubernatione dei”; verg. Luft blz. 16.
  19. Ook deze trek is tevens Indogermaansch, want reis- en treklust zijn kenmerkend voor alle tot het Noordras behoorende volken.
  20. Verg. Luft blz. 15.
  21. De Ubiërs woonden toen b.v. al op den linker-Rijnoever bij Keulen.
  22. De naam is afgeleid óf van Isala = IJsel, óf van Salon = Salland, óf van het Latijnsche woord „sal” = zout(water); in het laatste geval zou Salische Franken de beteekenis hebben van Zee-Franken.
  23. Ripuariërs, van het Latijnsche woord „ripa” = oever, beteekent: „oeverbewoners”, n.l. van den Rijn.
  24. Chlod = beroemd, wig = strijd; een andere schrijfwijze van dezen naam, de oudste vorm van ons Lodewijk, is Hluodwig.
  25. De stamvader en naamgever der Merowingers.
  26. De zoon van den voormaligen Romeinschen stadhouder Aegidius.
  27. Misschien bij Zülpich (Tolbiacum) ten Z.W. van Keulen; vast staat dat echter niet.
  28. Luft, aan wien wij deze gegevens ontleenen, heeft hier geput uit het werk van Rettberg: „Kirchengeschichte Deutschlands” § 43 blz. 287, naar hij in een noot mededeelt.
  29. De naam is afgeleid van „auster”, het Germaansche woord voor Oosten, en beteekent dus „Oostland”. De beteekenis van het woord Neustrië bleef lang onverklaard. Naar P. Kretschmer meedeelt, is de oudere vorm echter Neaustria — ook wel Niuwistria, of Niustria — zoodat het duidelijk is, dat Neustrië beteekent Nieuw-Austrië (= Austrasië). Verg. „Germanien” van Juni 1938 blz. 206.
  30. Hij leefde van 538-594 en is de schrijver van een omvangrijk werk over de Frankische geschiedenis, dat de hoofdbron voor de kennis van dit tijdvak is geworden.
  31. Namelijk door Dr. A. Baldamus in Weber-Baldamus’ „Weltgeschichte”, deel II § 34.
  32. Een meening, die wij niet kunnen onderschrijven. Hoewel de verwildering in de hoogere klassen — die het eerst bekeerd werden — begon en daar ook de grootste afmetingen aannam, valt uit tal van aanwijzingen af te leiden, dat zij zich op den duur over het geheele volk verspreidde. Men bedenke slechts, dat de grenzen tusschen de klassen onder invloed van het Christendom zoozeer vervaagden, dat de Germaansche standenmaatschappij als het ware onderst-boven werd gekeerd.
  33. De schrijver vergeet hier aan toe te voegen, dat deze maatschappij reeds christelijk was geworden, maar daardoor in wezen niet was veranderd; met het oude Rome had deze bevolking niets meer gemeen.
  34. Die van geboorte een onvrije dienstmaagd was!
  35. Namelijk door Dr. Ulrike Garbe in haar voortreffelijke studie: „Frauen des Merowingerhauses”, Leipzig 1936.
  36. Luft blz. 34.
  37. Als gevolg daarvan moesten de Thuringers het Main-gebied aan het Frankische Rijk afstaan; vandaar de namen „Ober-Franken” en „Unter-Franken”, die deelen van dit gebied nog heden dragen en die ons dus niet ertoe mogen verleiden, hier de bakermat der Franken te gaan zoeken.
  38. De Frankische naam voor de Zwaben, die voor de Franschen later de benaming is geworden voor de Duitschers in het algemeen.
  39. Aldus omschrijft Baldamus de historische beteekenis van het Frankische Rijk.
  40. Naar als bekend mag worden aangenomen, werden onder dezen naam in het Frankische Rijk de Germaansche volken begrepen, die Denemarken en Skandinavië bewoonden.
  41. Zoo Dr. B. Kammer, aan wiens op een uitgebreide bronnenstudie berustende werken vele gegevens voor dit hoofdstuk zijn ontleend. Met name zijn jongste werk: „Der Machtkampf zwischen Volk, König uad Kirche im alten Norden”, Leipzig 1939, werd door ons geraadpleegd.
  42. Groote blaasinstrumenten van 1,51 tot 2,38 M. lang. Op te merken valt, dat Jutland, het middelpunt der Bronstijdkultuur, toenmaals rijk was door den handel in barnsteen. Verg. H. Laagland: „Beknopte geschiedenis van het Noordras”, blz. 124.
  43. Met name in het district Bohus ten N. van Gothenburg.
  44. De landstreek benoorden het Mälar Meer, vanwaar, in verband met de daar gelegen oeroude heiligdommen van Uppsala en Sigtuna, de politieke vereeniging van Zweden is uitgegaan.
  45. Volgens Kummer op blz. 137 van zijn genoemde werk.
  46. Waarschijnlijk Noorwegen, dat in het Zweedsch nog „Norrigen” heet.
  47. De oudste dezer steenen dateeren uit het begin onzer jaartelling.
  48. Verg. Kummer blz. 240.
  49. Deze in Zuid-Zweden wonende Gothen, ook wel Göthen of Gauten genoemd, waren de achtergebleven resten van de stammen der Oost- en West-Gothen, die tijdens de Volksverhuizing vanuit Zuid-Rusland doordrongen in het Romeinsche Rijk.
  50. De naam beteekent mogelijk „krijgslieden”, maar wordt ook wel afgeleid van vik = golf, inham.
  51. Noord-Germanen en Saksen behoorden namelijk beiden tot den stam der Ingvaeonen, één der drie stammen, waarin volgens de door Tacitus meegedeelde Tuisto-sage de West-Germanen waren onderverdeeld. Daarom ook leidde het Zweedsche koningsgeslacht der Inglingen zijn herkomst af van Ingvi, den mythischen oervader van dezen stam.
  52. Namelijk door K. Rosenfelder op blz. 31 van Kummers: „Der nordische Mensch der Wikingerzeit”, Leipzig 1935.
  53. De streek om Bergen.
  54. Verg. Dahn, deel I blz. 319 e.v.
  55. Beide stammen woonden in het gebied beoosten de beneden-Elbe.
  56. De ligging dezer stad is onbekend.
  57. Men vergelijke de grootsche plannen, die Gustaaf Adolf na zijn op Tilly behaalde overwinnnigen koesterde en het aan hem toegeschreven voornemen, om zich tot keizer te laten kronen. Het optreden van dezen Zweedschen vorst vormt hier een treffende historische parallel.
  58. Schrijver van een „Hamburgsche Kerkgeschiedenis”, waarin veel over de volken van het Noorden wordt medegedeeld († na 1076).
  59. De uitdrukking is van Saxo Grammaticus († 1204), den schrijver van de oudste geschiedenis van Denemarken. Verg. Kummer blz. 196.
  60. Zoo genoemd naar hun sterkte, de Jomsburg, op het in den Odermond gelegen eiland Wollin.
  61. Verg. Kummer blz. 200.
  62. Namelijk Constantia, de erfgename der Normandische vorsten van Zuid-Italië en Sicilië.
  63. Wat de tot het Arianisme bekeerde Germanen betreft zij opgemerkt, dat de Gothen door den dwang der omstandigheden, na hardnekkig verzet tegen Constantinopel, zijn gekerstend. Van de kerstening der andere Ariaansche Germanen weten wij zeer weinig, in vele gevallen niets.
  64. Verg, Wilhelm Erbt: „Weltgeschichte auf rassischer Grundlage”, Leipzig 1936, blz. 308. Aan dit grootsch opgezette en diepzinnige boek ontleenden wij onze slotbeschouwing.