1940 Karel de Frank
Karel de Frank — de Groote?
De Franken en de kerstening
door F.J. Los
uitgeverij “Volk en Bodem”
Amsterdam [Oogstmaand/augustus 1940]
Voorwoord
[7] Over de tekortkomingen der hedendaagsche geschiedschrijving zou een boekdeel zijn te vullen. Terwijl deze wetenschap haar taak, waar het de vaststelling en beschrijving der feiten betreft, meestal op bevredigende en soms zelfs op bewonderenswaardige wijze vervult, schiet zij gewoonlijk schromelijk te kort in het andere deel van haar taak: de belichting en verklaring der feiten. Het individualisme en materialisme van den tijd, die achter ons ligt, hebben de geschiedkundige gebeurtenissen en personen anders doen zien, dan wij die thans zien, maar er zijn nog andere oorzaken, die het beeld onzuiver maakten.
Tot deze behoort allereerst het veel voorkomend streven, om het beeld der geschiedenis niet al te onaangenaam te doen uitvallen voor de machthebbers der eeuw, die in laatste instantie ook beschikken over het wel en wee van den armen geschiedschrijver. Dit streven, waarvan de schrijver zich niet altijd bewust behoeft te zijn en dat voortkomt uit menschelijke zwakheld, doet vanzelfsprekend te kort aan de geschiedenis als wetenschap. Immers is wetenschap slechts het zoeken naar waarheld en de vraag, of de resultaten van dat zoeken den heerschenden machten al of niet aangenaam zullen zijn, is daarbij volkomen onverschillig.
Niets doet echter het beeld der geschiedenis, zooals wij het zien, zoozeer verschillen van dat, hetwelk tot dusver opgeld deed, als het inzicht, dat het ras als verklaringsfactor niet kan worden gemist. Terwijl de diepere oorzaken van het wereldgebeuren gewoonlijk worden gezocht in „omstandigheden”, vaak van materieelen aard, dus van het wisselende, blijft het onveranderlijk blijvende, de aangeboren aard, de erfelijke, aan het ras gebonden aanleg, doorgaans buiten beschouwing. Wat zich hier wreekt, is het algeheele gebrek aan biologisch inzicht, dat bij de meeste geschiedschrijvers valt op te merken en dat het beeld, dat zij van de geschiedkundige ontwikkeling ontwerpen, steeds onvolledig doet blijven. In het onbevredigende karakter der gegeven „verklaring” ligt vermoedelijk ook één der voornaamste oorzaken, waaraan het moet worden toegeschreven, dat de voor onze wereldbeschouwing zoo uiterst [8] belangrijke wetenschap der geschiedenis in onzen tijd bij velen in discrediet is geraakt.
Wanneer in dit boek getracht zal worden een juister inzicht te verkrijgen in een tijdperk der geschiedenis, dat voor ons Germanen van het grootste belang is, de periode namelijk, die, liggend tusschen Oudheid en Middeleeuwen, in de regeering van Karel den Frank — door velen nog steeds als „de Groote” vereerd — haar afsluiting en bekroning vindt, dient daarbij door den lezer steeds in het oog te worden gehouden, dat niet het geven van een nieuwe geschiedbeschrijving, maar het den weg banen naar een nieuwe geschiedbeschouwing ons doel is. Met deze doelstelling hangt samen, dat niet naar volledigheid is gestreefd, maar dat, integendeel, veel is weggelaten, wat niet ter zake diende, al is anderzijds wel getracht de daardoor in het geschiedverhaal ontstane hiaten toch zooveel mogelijk te overbruggen, teneinde den samenhang van het geheel niet te verstoren.
Nog een andere opmerking moet hier worden gemaakt. Dit werk is niet de vrucht van een zelfstandige bronnenstudie, maar berust op de zorgvuldige bestudeering en onderlinge vergelijking van een aantal werken en recente publicaties, die voor het meerendeel direct op de bronnen steunen en waarnaar in voetnoten wordt verwezen. De schrijver is er zich van bewust, dat hij meer een bemiddelaar is, dan wel de ontdekker van iets nieuws. Al heeft hij echter ook veel aan anderen ontleend, zoo heeft hij toch altijd ernaar gestreefd, niet critiekloos over te nemen, maar het gebruikte materiaal zoo goed mogelijk te schiften en daarbij een strikte onpartijdigheid in acht te nemen. Met name heeft hij getracht, ook aan de bestrijders en tegenstanders van het rassenstandpunt recht te doen wedervaren. Dit neemt evenwel niet weg, dat hij steeds de woorden indachtig is geweest, waarmee een Duitsch geleerde[1] de moeilijkheden, die aan de onbevooroordeelde beschouwing van de genoemde periode in den weg staan, als volgt kenschetst: „Wij willen tot waarheidsgetrouwe gedachten over Karel komen. Dat is ten opzichte van de bronnen, die zonder uitzondering onder de verdenking van eenzijdige begunstiging staan, een moeilijke taak... De bronnen uit dien tijd, waarvan niet een enkele van Saksische of van neutrale kant komt, zijn reeds lang uitgeput, maar toch in bijzonderheden slechts aan weinigen bekend”.
[9] Oorspronkelijk was voor dit boek de titel „Karel de Frank” gekozen. Het bleek evenwel ondoenlijk de figuur van dezen Frankenkoning voldoende te belichten, zonder eerst de geschiedkundige ontwikkeling te schetsen, die aan zijn regeering vooraf ging en de voorwaarden schiep, waaronder zijn optreden plaats vond. Zoo ontstond als vanzelf een meer omvattend werk, waarin ook aan de voorafgaande geschiedenis der Franken, alsmede aan de bekeeringsgeschiedenis der Germanen een nadere beschouwing wordt gewijd. Een samenvattend overzicht van de voorafgaande ontwikkeling vindt de lezer nu in de eerste drie hoofdstukken, die tezamen de inleiding vormen tot de beschouwing van de hoofdfiguur.
Moge dit boek den weg helpen banen naar een Germaansche geschiedbeschouwing, die in de plaats kan treden van de universalistische en internationalistische, die ons van jongsaf is bijgebracht, maar ons nooit heeft kunnen bevredigen.
* * *
Het bovenstaande werd geschreven, nadat het maniscript van dit werk tegen het eind van 1938 was voltooid. Nu de uitgave ervan mogelijk is geworden, dient hieraan nog te worden toegevoegd, dat, behalve een enkele later aangebrachte verbetering, ook het slotwoord uit een lateren tijd stamt. Dit slotwoord, waarin de in dit boek geschetste ontwikkeling nogmaals in haar hoofdtrekken wordt samengevat, waarna de lijn dezer ontwikkeling tot in het heden wordt doorgetrokken en tenslotte getracht wordt een blik op de toekomst te slaan, is eerst in Bloeimaand van dit jaar geschreven, onder den indruk van de geweldige gebeurtenissen, die zich kort tevoren hadden voltrokken.
Nog rest ons een woord van dank uit te spreken aan den heer J.C. Nachenius, secretaris van den Nederlandschen Kultuur Kring, voor den krachtigen steun, dien hij door zijn deskundige doch tevens opbouwende critiek ons bij het schrijven van dit boek heeft gegeven.
Castricum, Oogstmaand 1940. / DE SCHRIJVER.
[nog toe te voegen: blz. 10-156 (hk. 1-5), noten en landkaart]
Slotwoord
[157] Aan het einde van onze beschouwing gekomen schijnt het ons nuttig, de ontwikkeling, welke in dit boek breedvoerig is geschetst, nogmaals in haar hoofdtrekken samen te vatten. Keeren wij daarom tot ons uitgangspunt terug!
Ten tijde van het Imperium Romanum staan de Romaansche en de Germaansche wereld als twee scherp van elkaar gescheiden en gelijkwaardige machten naast en tegenover elkaar. Elk van deze werelden vormt een zelfstandig geheel, rust in zichzelf, gehoorzaamt aan eigen wetten en heeft haar eigen wereldbeschouwing, al vindt aan de grenzen, waar beide op elkander stooten, ook een wederzijdsche beïnvloeding plaats. Terwijl evenwel het volk, dat het Imperium schiep, in den loop der eeuwen door en door is verbasterd en zijn Noordras-element, waarop zijn oorspronkelijke kracht berustte, bijna geheel heeft verloren, staat aan de andere zijde dezer grenzen een volk, dat zijn jeugdige kracht, dank zij zijn onverbasterd gebleven bloed, ongebroken heeft weten te bewaren.
Met deze tegenstelling gaat een andere parallel. Tegenover de afgeleefde kultuur van het Imperium, welke dien naam feitelijk niet meer verdient, aangezien zij, opgebouwd als zij is uit de meest heterogene eiementen, met geen enkel ras meer direct verband houdt en feitelijk nog slechts den geest van den rassenchaos belichaamt, staat de gave, ofschoon jeugdige en onontwikkelde, kultuur der Germanen. De opgezamelde kennis uit het verleden, het geschoolde denken, de wetenschappelijke of quasi-wetenschappelijke methoden, de techniek en de uitwendige beschaving zijn echter grootendeels te vinden in het kamp hunner vijanden. Bovendien is daar ook een kerkelijk-politiek systeem, dat de organisatievormen van het Imperium heeft overgenomen, om zich de heerschappij over de zielen te verzekeren. Bezield door denzelfden imperialistischen waan, als voorheen de caesaren, zijn de dragers van dit [158] systeem erop uit de machtspolitiek van het afstervende, wereldlijke Rome voort te zetten en deze, onder gebruikmaking van andere middelen, te doen zegevieren ook daar, waar het Imperium faalde.
Het is deze langzaam afstervende wereld, welke onder de slagen, die haar tijdens de Volksverhuizing treffen, vrij plotseling en toch voor de tijdgenooten, die de draagwijdte der gebeurtenissen niet kunnen overzien, bijna onopgemerkt, bezwijkt. Zij wordt overweldigd door de Germaansche volken, die het West-Romeinsche Rijk veroveren en op zijn gebied hun eigen rijken stichten, doch er zich over het algemeen slechts in betrekkelijk kleine aantallen vestigen. Reeds tevoren zijn enkele dezer volken begonnen zich te bekeeren tot het Christendom, dat in het Romeinsche Rijk kort vóór zijn val de overhand had verkregen; nadat de verovering is voltooid en de verschillende stammen hun definitieve woonplaatsen hebben ingenomen, vindt deze bekeering verderen voortgang. Het is daarbij van de grootste beteekenis, dat het meerendeel dezer volken zich laat bekeeren niet tot het Roomsch-katholieke, maar tot het Ariaansche christendom. Hoewel van huis uit even on-Germaansch, heeft dit zich namelijk geheel los van Rome ontwikkeld en sterk den invloed van den Germaanschen geest ondergaan. Het is tegen monnikenwezen en mirakelzucht, stelt den Bijbel voorop en predikt in de landstaal. De bekeering der Germaansche volken tot dezen vorm van het Christendom, die als een voorlooper van het latere Protestantisme is te beschouwen, opent wijde perspectieven. De mogelijkheid schijnt aanwezig, dat zij, met behulp hunner christelijke leermeesters, zich toegang zullen verschaffen tot de schatten van wijsheid en kennis, die de afgeleefde kultuur van het Imperium uit het verleden had bewaard en zich aldus uit het arsenaal van den vijand de geestelijke wapenen zullen verschaffen, die zij behoeven in den strijd, dien zij tot verdediging van hun eigen aard in een rasvreemde omgeving op leven en dood moeten voeren. Deze mogelijkheid, hoewel langen tijd aanwezig, gaat echter niet in vervulling.
Terwijl de Ariaansche Germanen zich van de door hen onderworpen Romaansche bevolking afgezonderd houden, wordt dit weldra anders bij het eenige Germaansche volk, dat zich, bij monde van zijn koning, van het begin af voor het Roomsch-katholieke geloof verklaart. Politieke beweegredenen geven [159] daarbij den doorslag. Het betreft hier de daad van een zelfzuchtigen vorst, die tegen den wil van zijn volk, dat tot volgen moet worden gedwongen, een weg betreedt, die naar de geleidelijke versmelting van overwinnaars en overwonnenen zal voeren. Daarbij is Chlodwigs bekeering tot het Roomsche geloof (496) ook in zooverre van de grootste beteekenis, als zij hem de middelen verschaft, om met de medewerking en steun der onderworpen Romaansche bevolking de naburige Germaansche volken te verslaan en ten deele aan zijn gezag te onderwerpen. De eerste Germaansche vorst heeft zich daarmee in dienst gesteld van rasvreemde idealen en tevens is de grondslag gelegd van een boven-volkschen staat, waarin Germaansche en Romaansche kultuur- en bevolkingselementen zich steeds meer vermengen en waarvan de kerkelijke hiërarchie, die voorloopig met het koninklijk gezag hand in hand gaat, het bindend element vormt. In een wat lateren tijd gaan ook de andere Germaansche volken, die aan de vernietiging door Oost-Romeinen of Franken zijn ontkomen, tot het Roomsch-katholicisme over (± 600). Hun geringe getalsterkte en hun door vermenging met de onderworpen bevolking tenslotte toch ook verbasterd bloed zijn oorzaak, dat zij den strijd voor het behoud van den eigen volksaard op den duur niet kunnen volhouden, te minder, waar de band met het Germaansche kernland sinds lang is verbroken.
Zoo vormt het jaar 600 een beslissend keerpunt. De afgeleefde Romaansche wereld, die voor de wapenen der Germanen was bezweken, heeft zich door de opname van Noordras-bloed verjongd, de binnengedrongen veroveraars geestelijk overwonnen en hen in dienst gesteld van haar eigen idealen. Terzelfder tijd is het oude Germaansche kernland door het verlies van talrijke volksdeelen, die tot de beste behoorden, alsmede door het opdringen der Slaven, verkleind en verzwakt, terwijl zijn wereldbeschouwing en levensopvatting door den overgang van zijn weggetrokken zonen tot een nieuwe en onbegrepen leer aan het wankelen zijn gebracht. Daardoor zijn ook de grenzen tusschen beide werelden, die voorheen zoo duidelijk waren afgebakend, vervaagd en ten deele zelfs aan het ongeoefend oog onttrokken. Bij den strijd, die staat te ontbranden, zal het tweede Rome, evenals het eerste dat eeuwenlang had gedaan, Germanen gebruiken [160] tegen Germanen, maar deze strijd zal onder geheel andere krachtsverhoudingen plaats vinden, dan die, welke golden tusschen de vroegere Germaansche stammen en de Romeinsche legioenen en daarom zal hij ook geheel anders eindigen. De volkomen militaire overwinning, welke de binnendringende Germanen op het in verval geraakte keizerrijk behaalden, zal met een even volledige geestelijke overwinning van het nieuwe Imperium, dat in de plaats van het oude is getreden, worden beantwoord en, zooals de Vandalen het eindpunt van hun zegetocht vonden aan de randen der Sahara, zoo zal het Kruis zegevieren tot in Skandinavië en op IJsland. Daarmee zal zich een schouwspel voor ons oog ontrollen, dat de geschiedenis in vroeger en later tijd vaker te zien heeft gegeven. Men denke slechts aan het merkwaardige feit, dat de militaire en politieke vernietiging van Carthago met de Puniseering van het Romeinsche Rijk werd beantwoord.
De binnenlandsche woelingen en twisten, waardoor het Frankische Rijk na Chlodwigs dood gedurende langen tijd wordt geteisterd, veroorzaken een vrij langdurige onderbreking van deze ontwikkeling. De vreedzame prediking der leren vindt intusschen voornamelijk in de grensgebieden van het vroegere Imperium gehoor en wel in hoofdzaak bij de daar achtergebleven Romanen. Eerst nadat onder de eerste Arnulfingers (Karolingers) de eenheid van het rijk onder een krachtige leiding is hersteld, kan de groote aanval op het Germaansche kernland beginnen. Bij den dan beginnenden strijd gaan wereldlijk en kerkelijk gezag steeds hand in hand en banen de wapenen den weg naar de „bekeering”. Heftig is vooral het verzet der Friezen, onder wie de prediking van Willibrord eerst vruchten afwerpt, nadat Pippijn de Middelste hun koning Radbod bij Dorestad heeft verslagen (689). De overwinning, die Karel Martel aan de Boornzee op hertog Boppo bevecht (734), legt dan ook het Noorden van Friesland open voor de christelijke prediking. Bonifatius moet bij zijn zendingsarbeid in Hessen en Thuringen op dezelfde manier worden ondersteund. Eerst als deze steun hem onder Pippijn den Korten en Karloman ten volle wordt verleend, gelukt het hem zoowel het heidendom, als het ook in deze landen doorgedrongen Iersch-Schotsche Christendom te vernietigen. De onderwerping der Zwaben aan de kerkelijke hiërarchie wordt eerst [161] een feit, nadat de aanvoerders van dit volk in het bloedbad van Cannstadt (746) zijn gevallen.
Opmerkelijk is, dat bijna overal, waar de Roomsch-katholieke leer aan onverbasterd gebleven Germanen wordt gebracht, zij slechts door de toepassing van het uiterste geweld kan zegevieren. Een uitzondering vormen slechts de Angelsaksen en — in een veel lateren tijd — de bewoners van IJsland. Bij het eerstgenoemde volk was de overgang tot het Roomsch-katholicisme, evenals zulks bij Chlodwig het geval was geweest, te wijten aan politieke motieven. Bij de IJslanders, waar hij krachtens een besluit van het volksding geschiedde (1000), sproot hij voort uit den wensch de volksgemeenschap voor godsdienstige verdeeldheid te bewaren.[2]
Daarentegen is bij de Saksen, die zich in een dertigjarigen oorlog tegen hun bekeering verzetten, de afkeer van het hun opgedrongen geloof weer onmiskenbaar. Hoe diep deze afkeer wortelde, blijkt wel het best uit het feit, dat Karel de Frank teneinde hun verzet voorgoed te breken, tenslotte geen ander middel zag dan een gedwongen volksverhuizing, waardoor hij het bloed van dit volk opzettelijk verbasterde. Zijn verbeten worsteling met de laatste vrije en heidensche Germanen, die in Midden-Europa nog overig waren, brengt tenslotte de beslissing en de inzet der nog onverbruikte kracht der Noordsche volken kan deze uitkomst niet meer ongedaan maken. Door de onderwerping der Langobarden en de gebiedsuitbreidingen, die hij verder tot stand brengt, wordt hij tevens de stichter van een universeele monarchie, waarin bijkans heel het Roomsch-katholieke Europa is vereenigd. Tenslotte doet hij, door zich tot keizer te laten kronen, het Romeinsche Imperium herleven. Met recht kan Karel daarom worden beschouwd als de voornaamste grondlegger van het Middeleeuwsche Europa en onmiskenbaar is hij in heel het drama dat met de volkomen geestelijke onderwerping der Germanen eindigt, de centrale figuur. Ons oordeel over dit drama kan daarom niet verschillen van dat over zijn historische rol.
Zooals wij aan de hand van ons onderzoek zagen, bestaat er geen enkele reden, om Karel als een „echten Germaan” te verheerlijken, terwijl er alle grond aanwezig is, om aan zijn Germaanschen aard te twijfelen. Bovendien mist hij de oorspronkelijkheid, die, naar den maatstaf van ons ras, als de [162] meest kenmerkende eigenschap van het genie is te beschou- wen. Evenwel kan niet worden ontkend, dat — afgezien van alle geestverwantschap van godsdienstigen aard — al die- genen, voor wie de vervaging van alle grenzen het hoogste ideaal is, die de oplossing van het bijzondere in het algemeene begeeren, die de samensmelting der volken en nog meer die der rassen nastreven en in het bestaan eener „menschheid”, als zedelijke gemeenschap aller op aarde levende menschelijke individuen, gelooven, alle reden hebben om Karel en zijn werk te verheerlijken. Voor hen daarentegen, die juist in de ver- volmaking van het bijzondere hun ideaal zien, die in een natuurlijke wereldorde gelooven en het bestaan van afzonder- lijke volken en rassen als een door een hoogere macht gewilde werkelijkheid aanvaarden, staat de zaak anders. Karels Im- perium Christianum kunnen zij geenszins bewonderen en in- plaats van aan den overwinnenden Frankenkoning brengen zij liever hulde aan diens verslagen tegenstanders, Widukind en Göttrik. Zoo is ons oordeel over deze historische figuur in laatste instantie afhankelijk van de wereldbeschouwing, die wij zijn toegedaan.
* * *
Slaan wij ten besluite nog een blik op het verdere verloop der ontwikkeling! Na eeuwen van geestelijke slavernij, gedurende welke de Germaansche ziel zich slechts hier en daar en als in het verborgene kon uiten, onderging het kerkelijk gezag door de herleving van de studie der Oudheid tijdens de zoogenaamde Renaissance voor het eerst een ernstige verzwakking. Vervolgens bracht de Hervorming een gedeeltelijke bevrijding, die de tegenstelling tusschen het Germaansche en het Romaansche deel van Europa weer duidelijk aan den dag deed treden. Terwijl het „Avondland” zich staat en maatschappij slechts onder het beeld van een machine vermocht voor te stellen, vergeleek Luther beide met het dierlijke organisme en schonk daardoor aan het zich bevrijdende „Noordland” den grondslag voor een eigen wereldbeschouwing),[3] die aan de oud-Germaansche in menig opzicht verwant is. De volgende eeuwen hebben de tegenstelling, die Europa opnieuw had verdeeld, verdiept en verscherpt, maar de Fransche revolutie bracht voor het Noordland een gevaarlijke [163] reactie. Omstrikt door de denkbeelden van het Liberalisme, die op de grondgedachten dezer revolutie teruggaan en in de mechanische wereldbeschouwing van het Avondland hun diepsten oergrond vinden, en vervolgens verblind door het gedachtensysteem van het Marxisme, dat van nog vreemderen oorsprong is, dreigde het Noordland opnieuw van eigen aard te vervreemden. Een diepgaande bezinning op het eigen verleden en een wereldbrand waren noodig, om op het laatste oogenblik redding te brengen.
De opbouw van een Noordland, dat geheel van vreemde invloeden is bevrijd, dat weer — als het oude Germanië — rust in zichzelf en aan eigen wetten gehoorzaamt, is een taak voor de toekomst. Wordt zij volbracht, dan zal Europa in zekeren zin tot het uitgangspunt van zijn geschiedenis zijn teruggekeerd, want weer zal het zijn verdeeld in een Romaansche en een Germaansche wereld, die ook in geestelijk opzicht duidelijk zullen zijn gescheiden. Was dan heel deze ontwikkeling doelloos en vertoont de geschiedenis slechts een zinlooze herhaling ? In geenen deele! Niets in de geschiedenis voltrekt zich zonder doel, geen enkele gebeurtenis is zinloos. De eeuwenlange strijd tegen de geestelijke overheersching van rasvreemde elementen heeft voor de Germanen tenslotte geleid tot een volledige bewustwording van eigen aard en karakter. Deze bewustwording, die de vrucht is van een lange en wisselvallige geschiedenis, breekt zich eerst in onze dagen ruimer baan en dit houdt een belofte in voor de toekomst. Het nieuwe Germanië, dat wij zien groeien, zal daarom innerlijk rijker en daardoor ook krachtiger zijn dan het oude.
Noten
- ↑ Namelijk Wilhelm Teudt in „Germanische Heiligtümer”, Jena 1929, blz. 148 e.v., afgedrukt in Knöpp: „Karl und Widukind”, blz. 46.
- ↑ Wat de tot het Arianisme bekeerde Germanen betreft zij opgemerkt, dat de Gothen door den dwang der omstandigheden, na hardnekkig verzet tegen Constantinopel, zijn gekerstend. Van de kerstening der andere Ariaansche Germanen weten wij zeer weinig, in vele gevallen niets.
- ↑ Verg, Wilhelm Erbt: „Weltgeschichte auf rassischer Grundlage”, Leipzig 1936, blz. 308. Aan dit grootsch opgezette en diepzinnige boek ontleenden wij onze slotbeschouwing.