1940 Karel de Frank: Difference between revisions
hoofdstukken |
inleidende opmerking en hk. 1 |
||
| Line 1: | Line 1: | ||
Deze tekst bevat de gebruikelijke misvattingen (zoals over een vermeend Romeins Rijk), voortkomend uit een geloof in de authenticiteit van bronnen over de ‘Klassieke Oudheid’ en de vroege ‘Middeleeuwen’, die in de zgn. ''Renaissance'' zouden zijn herondekt, gekopiëerd en vervolgens direct verloren gegaan. Deze dubieuze bronnen lijken deels te zijn gebaseerd op ware feiten en namen. Wanneer de de fictie eruit wordt gefilterd kan toch waardevolle informatie overblijven, die o.a. op basis van OL, nieuwe archeologie en genetica een reconstructie mogelijk kan maken. Andersom kan het ook dienen om delen uit OL beter te begrijpen. | |||
==Karel de Frank — de Groote?== | ==Karel de Frank — de Groote?== | ||
'''De Franken en de kerstening''' | '''De Franken en de kerstening''' | ||
| Line 35: | Line 37: | ||
===<small>Eerste hoofdstuk</small> — De Volksverhuizing en haar gevolgen=== | ===<small>Eerste hoofdstuk</small> — De Volksverhuizing en haar gevolgen=== | ||
[10] | [10] In de geschiedenis is geen tweede gebeurtenis aan te wijzen, die het aanzien van ons werelddeel zoo volkomen heeft veranderd en het verdere verloop van zijn geschiedenis zoo diepgaand heeft beïnvloed, als de Germaansche volksverhuizing, die mede aanleiding werd tot den ondergang van het Romeinsche Rijk. Een wereldrijk, da bijna de geheele toenmaals bekende wereld omvatte, dat eeuwen had getrotseerd en dat in den loop van zijn bestaan een zoodanige taaie levenskracht had getoond, dat het meerendeel zijner bewoners aan zijn onvergankelijkheid geloofde, stortte ineen en op zijn puinhoopen werden door volken, die tot dusver als barbaren waren veracht, de nieuwe rijken gesticht, die den grondslag zouden vormen voor een geheel nieuwe ontwikkeling. | ||
Niet slechts in haar beteekenis, maar ook in haar tragiek wordt de volksverhuizing nauwelijks door een andere gebeurtenis geevenaard. Heele volken gaan ten onder, andere worden uiteengeslagen, weer andere lijden enorme verliezen; gansche landstreken worden verwoest, steden in puin gelegd, kultuurschatten vernietigd. De grootste tragiek ligt echter in het lot der overwinnaars, het lot van die volken, welke hun doel tenslotte weten te bereiken, de stichters der nieuwe staten, die er — zij het veelal eerst na jarenlange omzwervingen — uiteindelijk in slagen zich duurzaam nieuwe woonplaatsen te verschaffen. Vandalen en Alanen, West-Gothen en Sueven, Boergonden en Langobarden, zij allen worden na korter of langer tijd geromaniseerd; behalve de taal, nemen zij de godsdienst en daarmee vele denkwijzen en gewoonten van de inheemsche bevolking over, verliezen daardoor hun Germaanschen volksaard en worden zoo van overwinnaars overwonnenen. Worden zij eenerzijds de redders van de Romeinsche kultuur en beschaving, daar het slechts aan hun aanwezigheid [11] is te danken, dat in een uitgeleefde wereld met een door en door verbasterde bevolking geestelijk leven mogelijk blijft, zoo gaan zij anderzijds voor het Germanendom als volken verloren, hetzij door romaniseering, hetzij — zooals de Oost-Gothen — door de barbaarsche oorlogvoering hunner vijanden. | |||
Terwijl dus door de Volksverhuizing aan den eenen kant den Germanen de rol toeviel van heerschers over geheel West-Europa, heeft zij aan den anderen kant toch ook den grondslag gelegd voor de geestelijke en kultureele onderwerping der Germanen aan den Romaanschen geest en daarmee voor de eersten een geestelijke slavernij ingeluid, die bestemd was om eeuwenlang te duren en die ook in onzen tijd nog niet door hen is afgeschud. Tevens heeft zij daardoor den weg gebaand naar de opheffing van een tegenstelling, die de geheele geschiedenis van het Romeinsche Imperium had beheerscht, want zoolang dit had bestaan waren de Germanen zijn meest geduchte tegenstanders geweest. Teneinde deze tegenstelling in het juiste licht te zien is het noodig eenigszins uitvoerig stil te staan, zoowel bij den aard van dit rijk, zijn bevolking en zijn kultuur, als bij het wezen en de geaardheid der toenmalige Germanen. | |||
<nowiki/>* * * | |||
Het Romeinsche Imperium geniet onder ons nog steeds een aanzien, dat het in bijna geen enkel opzicht verdient, in tegenstelling met het oude Rome. Alle misvattingen, die betreffende dit rijk heerschen, hier recht te zetten, is ondoenlijk; met een beknopt overzicht moet worden volstaan. | |||
In een bijna ononderbroken reeks oorlogen hadden de Romeinen alle volken van het Middellandsche Zee-gebied in een geweldig rijk vereenigd, dat in het Noorden zijn grenzen uitstrekte langs Rijn en Donau. De stichting van dit rijk deed een proces verder om zich grijpen, dat in het Oosten, waar oudere wereldrijken hadden bestaan, reeds enkele eeuwen vroeger was begonnen en dat bestond in een steeds verder gaande vermenging en onderlinge doordringing van alle binnen het Imperium aanwezige volken en rassen, godsdiensten en kulturen. Zoo werden alle volks- en rasgrenzen gaandeweg vervaagd en alle kultureele en godsdienstige tegenstellingen [12] opgeheven. Terwijl in de provinciën de rasmenging sterk was bevorderd door de stichting van talrijke Romeinsche kolonies, wier bewoners zich op den duur met de inheemsche bevolking vermengden, was zij in Italië zelf voornamelijk het gevolg van de op groote schaal gedreven slavernij, die een voortdurenden invoer van rasvreemde elementen — vooral van Syriërs e.a. Oosterlingen — tengevolge had. Als verzwarende omstandigheid kwam hier nog bij, dat in de talrijke oorlogen, maar vooral in de hardnekkige en uiterst bloedige burgeroorlogen, die Rome in den loop zijner geschiedenis bij herhaling hadden geteisterd, steeds weer het beste en krachtigste deel der bevolking op groote schaal was uitgeroeid<ref>Verg. Wolf: „Angewandte Geschichte”, Leipzig 1913, blz. 80.</ref>), terwijl | |||
de rest naar verhouding steeds in veel geringer mate was getroffen. Het eind van deze ontwikkeling bestond hierin, dat het geheele rijk door een ten zeerste verbasterde en ontaarde bevolking werd bewoond, waarin ook de Romeinen zelf grootendeels waren opgegaan. Door den bekenden H.S. Chamberlain is deze bevolking met den typeerenden naam „volkenchaos” aangeduid; juister nog is de benaming „rassenchaos”, die wij, in navolging van een anderen Duitschen schrijver<ref>Namelijk van Dr. R. Luft, die haar gebruikt in zijn verderop nog te noemen werkje over de Franken.</ref>), hier willen gebruiken. | |||
De rassenchaos stond op een geestelijk peil en bezat een regeeringsvorm en een „kultuur”, die met zijn wezen in overeenstemming waren. Want waar tegenstellingen en strijd zijn gaan ontbreken, waar, met de opheffing der grenzen, het nationaal besef verloren is gegaan en waar, tengevolge eener ongebreidelde rasmenging, het oorspronkelijke volkskarakter is uitgewischt, daar moeten geestelijk verval en zedenbederf hun intrede doen en is echte kultuur even onbestaanbaar als politieke vrijheid, die niet ontaardt in bandeloosheid. Daarom kan het ons niet bevreemden, dat in de kleurlooze massa, waaruit de rassenchaos in steeds toenemende mate ging bestaan, het type van den kuddemensch den toon aangaf, terwijl sterke en evenwichtige naturen onder haar zoo goed als ontbraken. Door het staatsgezag óf met behulp van „brood en spelen”, óf door ruw geweld in bedwang gehouden, werd het geestelijk leven dezer massa beheerscht eenerzijds door een grof materialisme, anderzijds door een even grof bijgeloof. Het zedelijk peil, waarop zij stond, wordt voldoende geteekend door het feit, dat tengevolge van de ontbinding van het gezin — eenmaal de wortel van Rome’s kracht! — waarmee een [13] schrikbarende toename van het aantal der ongehuwden en een even schrikbarende afname van het kindertal gepaard ging, de ontvolking van het rijk zulke afmetingen had aangenomen, dat heele landstreken braak lagen, terwijl het steeds meer noodzakelijk werd het leger met vreemde huurlingen — meerendeels Germanen — aan te vullen<ref>L.G. Tirala heeft in zijn „Rasse, Geist und Seele” ook voor het late Rome er op gewezen, dat kruising van bepaalde rassen homosexueele afwijkingen tengevolge heeft, waardoor de drang tot het grootbrengen van kinderen uitdooft.</ref>). | |||
Opperbevelhebber van dit leger en tevens hoofd van het geweldige bestuursapparaat, dat langs zuiver mechanischen weg den staat bijeenhield, was een keizer, die als een god door zijn onderdanen werd vereerd en wiens despotisch gezag van Aziatischen oorsprong was. Wel waren, sinds keizer Caracalla aan alle gemeenten van het rijk het burgerrecht had geschonken (212 n.C.), alle vrije inwoners van het rijk rechtens gelijk gesteld, maar dit was, zooals de historicus Wolf terecht opmerkt<ref>Verg. het genoemde werk van Wolf op blz. 81.</ref>), niet een gelijkheid in vrijheid, maar in knechtschap; het was bovendien de juridische erkenning van het feit, dat alle in vroeger tijd bestaand hebbende verschillen, ook die tusschen het heerschende staatsvolk en de rest der bevolking, volkomen waren uitgewischt. | |||
Tengevolge der steeds verder gaande vermenging was ook | |||
het verband tusschen ras en kultuur<ref>Een uitnemende uiteenzetting van dit verband vindt men in het werkje van H. Laagland, waarmede de reeks der uitgaven van „Der Vaderen Erfdeel” is geopend.</ref>) volkomen verbroken. De | |||
kultuur van het Imperium, feitelijk een mengelmoes van alle kulturen, die vroeger in het Middellandsche Zee-gebied hadden gebloeid, had zichzelf overleefd en was volkomen verstard. Niet in staat uit eigen kracht zichzelf een kultuur te scheppen, bewaarde deze ontaarde bevolking de geestelijke schatten, die vorige geslachten haar hadden nagelaten, zonder er zelf meer innerlijk deel aan te hebben en terwijl zij genoot van het klatergoud eener oppervlakkige en zuiver uitwendige beschaving, wist zij, dank zij een hoog ontwikkelde techniek, die haars gelijke niet had in de wereld, haar positie nog eeuwen te handhaven, zelfs tegenover vijanden, die in aangeboren kracht en begaafdheid haar verre overtroffen. | |||
De scherpste tegenstelling, die in en door den rassenchaos was overwonnen, was die tusschen het Christendom en den Romeinschen geest. Zoolang de geest van het oude Rome nog ongebroken was, had hij zich tot het uiterste tegen het Christendom verzet; juist de beste en meest nationaal gezinde keizers hebben getracht de nieuwe leer door vervolgingen te onderdrukken. Niet ten onrechte zagen zij in de nieuwe, uit het Oosten binnendringende, godsdienst een gevaar voor staat [14] en maatschappij. Inderdaad vormde een leer, die de gelijkheid aller menschen zoozeer op den voorgrond stelde, als het toenmalige Christendom<ref>De eerste christenen waren zelfs communisten, verg. Handelingen 4:34!</ref>), voor een staat en maatschappij, die — zooals overal, waar de samenleving gezond is! — op ongelijkheid berustten, een doodelijke bedreiging. Daar kwam dan nog bij, dat de neiging der christenen tot wereldontvluchting en askese hen vrijwel alles deed ontkennen en minachten, wat den Romeinschen staat groot had gemaakt. Daarom golden zij als vijanden van het menschengeslacht. | |||
Het ergste was evenwel, dat de christenen allengs een staat in den staat gingen vormen. Terwijl aan den eenen kant de Romeinsche staat, in verband met de door hem georganiseerde goddelijke vereering van den Keizer, sedert het eind der 2de eeuw meer en meer de vormen aannam van een kerk, aan het hoofd waarvan de Keizer stond in zijn hoedanigheid van opperpriester (pontifex maximus), kreeg aan den anderen kant de christelijke kerk, die er steeds meer toe overging ook de zuiver zakelijke verhoudingen tusschen haar leden te regelen en hun onderlinge geschillen te berechten, steeds meer weg van een staat. Zoo stonden twee machten tegenover elkaar, die elkaar op elk levensterrein bestreden in een strijd op leven en dood, die slechts met de volledige vernietiging van één van beiden scheen te kunnen eindigen. Toch eindigde hij met een compromis, want de zege, die het Christendom behaalde, toen het eerst door keizer Constantijn (323-336) met het heidendom werd gelijkgesteld en daarna door zijn opvolgers tot staatsgodsdienst werd verheven (353), was slechts in schijn volledig. Niet slechts had het zijn overwinning vooral hieraan te danken, dat het in zijn kerkelijke organisatie (de bisschoppelijke hiërarchie) de bestuursorganisatie van den Romeinschen staat was gaan navolgen, maar ook was het de Keizer, die deze organisatie voltooide. Doordat Constantijn zichzelf aan het hoofd der Kerk stelde, gaf hij aan haar organisatie het monarchale karakter, dat zij sindsdien heeft behouden. Van nog meer belang is evenwel het feit, dat de christelijke kerk ook den geest van haar vroegeren tegenstander overnam, door, evenals het rijk, dat zij tot dusver had bestreden, naar wereldheerschappij te gaan streven. Aan het keizerlijke Rome ontleende de christelijke kerk haar imperialistisch karakter. Op overeenkomstige wijze was op godsdienstig gebied de overwinning van het Christendom mogelijk gemaakt. Aan de [15] vermenging der godsdiensten, die in het Oosten reeds enkele eeuwen vóór Christus’ geboorte was begonnen, heeft het Christendom namelijk op zijn wijze meegedaan, inplaats van er weerstand aan te bieden. Zijn zegetocht was vooral hierdoor mogelijk geworden, dat het van de heidensche godsdiensten, die het op zijn weg ontmoette, en waaronder er enkele waren, die — zooals de Perzische Mithras- en de Egyptische Isisdienst — eveneens naar de wereldheerschappij streefden, in zijn ceremoniën en riten vele elementen overnam. Voor de massa werd de overgang ten zeerste vergemakkelijkt, doordat de Kerk haar heidensche voorstellingen en gebruiken rustig liet voortbestaan, zij het onder andere namen. Zoo leefden de heroënvereering<ref>Verg. Wolf: „Angewandte Kirchengeschichte” blz. 83.</ref>) en het veelgodendom voort in de vereering van heiligen, terwijl Maria en het kindeke Jezus de plaats innamen van de in het geheele rijk vereerde Egyptische godin Isis en haar zoon Horus<ref>Verg. Chamberlains „Grundlagen” blz. 557 der „Hauptausgabe”.</ref>). In de „mis” herleefde het heidensche offer en de reliquieënvereering was voor deze menschen een voortzetting, onder anderen naam, van de in de heidensche Oudheid overal in zwang zijnde doodenvereering. De overwoekering van het oorspronkelijke Christendom door aan het heidendom ontleende voorstellingen en gebruiken nam weldra zelfs zulke afmetingen aan, dat de Kerk — zooals Wolf het uitdrukt — een tooverinstituut dreigde te worden. Niets heeft echter den geest van het toenmalige Christendom zoozeer beïnvloed, als de volledige overname van het asketische<ref>Onder „askese” wordt verstaan opzettelijke zelfkwelling, waarvan wordt aangenomen, dat zij den goden (of God) aangenaam is.</ref>) levensideaal, dat in wereldontvluchting de hoogste deugd en in het „dooden van het vleesch” den weg tot zaligheid deed zien. Ook dit ideaal werd aan Oostersche godsdiensten ontleend (met name aan de Egyptische Serapisdienst), maar door het Christendom in praktijk gebracht op een schaal, als de wereld nog niet had aanschouwd. Het gaf aanleiding tot het ontstaan van het monnikwezen, waarbij alweer teekenend is, dat reeds kort nadat in Egypte het eerste klooster was opgericht<ref>Namelijk door Pachomius, die in 340 op het eiland Tabennae in den Nijl het eerste klooster stichtte.</ref>), heel het Oosten van het rijk met deze inrichtingen als overdekt was. Behalve dat het asketisch levensideaal veel heeft bijgedragen tot het ontstaan van een scherpe scheiding tusschen geestelijken en leeken, heeft het ook zijn stempel gezet op wat voortaan gold als „christelijke” moraal. | |||
Zoo vertolkte dat Christendom dus in elk opzicht de idealen, die leefden in den rassenchaos, te midden waarvan het zich [16] had ontwikkeld en die het van zijn kant zeker ook had bevorderd. Door de onderlinge tegenstrijdigheid dezer idealen — wereldontvluchting naast het streven naar wereldbeheersching, verheerlijking der armoede naast een grof materialisme, prediking van naastenliefde en „vrede op aarde” naast bloedige uitroeiing van ongeloovigen en ketters — deed het zich als het geestesproduct eener verbasterde bevolking kennen. Tevens had het zooveel heidensche bestanddeelen in zich opgenomen, dat de leer van zijn stichter daaronder geheel schuil was gegaan. Hoofdzaak voor ons is, dat dit Christendom<ref>De vormen, die het Christendom in den loop der eeuwen heeft aangenomen, loopen zeer uiteen en zijn talrijk. Zij zijn elk voor zich overtuigd „de ware leer” te verkondigen. Wij kiezen hier geen partij en laten Christus, die boven al deze ware leeren staat, buiten deze beschouwing.</ref>), opgekomen als het was in den rassenchaos, de idealen van dien chaos had overgenomen en daardoor tevens de wegbereider van dien chaos was geworden. Hoezeer beide verwant waren, moge blijken uit hetgeen Tirala in zijn boven genoemd werk daaromtrent opmerkt: | |||
<blockquote>Ik wijs er op, dat een pessimistisch opgevat Christendom met den aard van den volkenchaos van de Middellandsche Zeelanden in de eerste duizend jaren onzer tijdrekening overeenkwam. Voor deze menschen, die uit den bloed-chaos eener ongeregelde verbastering stamden, mag het volkomen juist zijn geweest, een godsdienst te kiezen, welke haar eenige toevlucht in de verlossing van dit leven en in een bovennatuurlijke genade zoekt, daar zinnelijkheid, erotiek en liefde hun als zonde moesten voorkomen. Ik geloof, dat het ook werkelijk zonde geweest zou zijn, wanneer deze lieden zich hadden voortgeplant! Daarentegen kan een pessimistische en daarom van het leven wegvoerende godsdienst op een gezond ras eenvoudig als een doodelijk vergift inwerken.</blockquote> | |||
<nowiki/>* * * | |||
Stellen wij nu tegenover de verbasterde en ontaarde bevolking dezer uitgeleefde wereld de toenmalige Germanen, dan blijkt reeds aanstonds hun meerderheid op geestelijk en zedelijk gebied. Het meest afdoende bewijs voor deze meerderheid is wel gelegen in het feit, dat het Romeinsche Rijk in de laatste eeuwen van zijn bestaan geen ander middel heeft gevonden, om zich tegen de steeds weer opdringende Germaansche stammen te verdedigen, dan het op groote schaal in dienst nemen van Germanen, die als soldaten in de legioenen werden [17] ingelijfd, of met vrouw en kinderen in de grensstreken als boeren werden gekoloniseerd. Tenslotte kwam het zoover, dat Germanen de legioenen aanvoerden en zelfs als regenten het rijk bestuurden. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de Vandaal Stilicho, die als regent voor keizer Honorius jarenlang het bewind voerde, als veldheer, met behulp der van de grenzen teruggeroepen legioenen, tot tweemaal toe Alarik afweerde (403) en Ìtalië van de binnengedrongen Germanen bevrijdde en die ook als staatsman groote talenten toonde te bezitten, totdat hij tenslotte door zijn kleingeestige benijders op laaghartige wijze werd vermoord (408). Hij en andere op den voorgrond tredende Germanen uit dit tijdvak steken, ofschoon heidenen, torenhoog uit boven hun Romaansch-christelijke omgeving en dat niet alleen in begaafdheid, maar ook in grootheid van karakter en zedelijke kracht. | |||
In hun nieuwe omgeving hebben deze Germanen ongetwijfeld veel aangetroffen, wat met hun geaardheid in strijd was en hun daarom onaanvaardbaar toe moest schijnen. Op het gebied der politiek moeten het keizerlijke absolutisme en de mechanische staatsopvatting, die aan de organisatie van het Imperium ten grondslag lag, in strijd als zij kwamen met hun aangeboren vrijheidszin en de hun van huis uit eigene organische staatsopvatting, hun tegen de borst hebben gestuit. Met de op zedelijk en maatschappelijk gebied heerschende toestanden en verhoudingen konden zij zich even moeilijk vereenigen. Zoo zien wij reeds Antoninus Pius (138—161), de eerste keizer, die waarschijnlijk volbloed Germaan was, een einde maken aan de sadistische slavenmishandelingen (De Germanen behandelden hun slaven goed!). Zijn echt Germaansche verdraagzaamheid op religieus gebied spreekt hieruit, dat zij, die op godsdienstige gronden den Keizer niet als een god konden huldigen, dit vrijelijk mochten nalaten. En vóór hem had Hadrianus (117-138), een keizer, die zeker veel Germaansch bloed had en die, in strijd met een eeuwenoude Romeinsche mode, een baard droeg (op den troon!), aan het ontzettende geknoei op het gebied van het recht een eind gemaakt. | |||
Op godsdienstig gebied was de tegenstelling zoo mogelijk nog grooter! Askese en wereldontvluchting waren den Germanen vreemd en de tegenstelling tusschen stof en geest, natuur en God, die aan deze idealen ten grondslag lag, was hun [18] volkomen onbekend. Voorts namen wondergeloof en magie in hun voorstellingswereld hoogstens een ondergeschikte plaats in, terwijl hun harmonische aanleg en de natuurverbondenheid van hun denken hen weinig behoefte deed gevoelen aan een „verlossing”. De elementen van „zuidelijk” heidendom, die het Christendom bevatte, waren voor deze „noordelijke”<ref>Deze onderscheiding lijkt ons noodzakelijk, daar onder den verzamelnaam „heidendom” de meest heterogene godsdiensten worden samengevat, die onderling soms zeer diepgaand verschillen. Zoo is tusschen het „heidendom” der Germanen en dat van het latere Rome het verschil stellig veel grooter en wezenlijker, dan tusschen het laatste en het Christendom.</ref>) heidenen al even onverteerbaar, als de Joodsche spitsvondigheid, die in de theologie tot een zoo rijke ontplooiïng was gekomen. Tenslotte was ook de Joodsche Godsvoorstelling, die in het Christendom was ingelijfd, van de hunne geheel verschillend. Niettegenstaande al deze tegenstellingen, waarvan zij zich, althans ten deele, ook klaar bewust geweest moeten zijn, was de nederlaag der Germanen op geestelijk gebied onvermijdelijk en hun geestelijke onderwerping aan den hen omringenden Romaanschen geest, dus aan de machten van den rassenchaos, op den duur onafwendbaar. Hoewel afgeleefd, genoot de Romeinsche kultuur, dank zij de schatten aan kennis en schoonheid, die zij belichaamde, dank zij vooral de macht van haar eeuwenoude traditie, nog altijd een overweldigend aanzien; tegenover de Germaansche kultuur, die nog in haar kinderschoenen stond, was haar positie volstrekt onaantastbaar. Op godsdienstig gebied was de overmacht van het Christendom evenwel niet minder groot. Niet alleen steunde dit op de macht eener hechte kerkelijke organisatie, maar ook bezat het een rijke literatuur en werd het verdedigd met de wapenen eener geslepen dialectiek, die haar argumenten ten deele ontleende aan Grieksche philosofen. Bovenal verschilde het Christendom van den Germaanschen godsdienst hierin, dat het al zijn gedachten en voorstellingen had samengevat in een theologisch systeem, welks grootschheid ook de Germanen op den duur moest imponeeren. Zoo bleek ook hier, zooals op zoo velerlei gebied, het ongeorganiseerde op den duur niet bestand tegen het georganiseerde; de systeemloosheid legde het af tegen het systeem! | |||
Opmerkelijk is het feit, dat de binnengedrongen Germaansche volken, op slechts een paar uitzonderingen na, aanvankelijk niet den later officieelen vorm van het Christendom aannamen, maar het zoogenaamde Arianisme, een van de orthodoxe geloofsbelijdenis op belangrijke punten afwijkende leer, die tot op zekere hoogte als een voorlooper kan gelden van het latere Protestantisme. Zoodoende kwamen deze volken reeds [19] aanstonds in een confessioneele tegenstelling te staan tot de hen omringende Romaansche bevolkingen, wat de kultureele ineensmelting en de vermenging van heerschers en overheerschten vertraagde. Toch is dit niet meer geweest dan een episode: op den duur bleek de overgang dezer volken naar het katholicisme onvermijdelijk en omstreeks het jaar 600 kreeg hij zijn beslag. Door hun langdurig verzet, dat toch nog bijna twee eeuwen heeft geduurd, hebben deze Germanen echter onweerlegbaar bewezen, dat de machten, die hun romaniseering trachtten te bewerken, met hun diepste wezen onvereenigbaar waren. Het waren dan ook niet theologische spitsvondigheden, die hen aan het Arianisme deden vasthouden, doch het bewustzijn van hun eigen aard. Het Ariaansche geloof heeft langen tijd de verbastering dezer Germanen tegengehouden. Tenslotte zijn zij evenwel voor de overmacht bezweken. | |||
Op militair en politiek gebied overwinnaars, werden de Germanen op geestelijk gebied niet slechts door de machten van den rassenchaos verslagen, maar zelfs volkomen onderworpen.In dit verband is het vooral merkwaardig, dat juist in den tijd, toen het Romeinsche Rijk voorgoed scheen onder te gaan, de grondslag werd gelegd voor zijn toekomstige herleving<ref>Op deze merkwaardige samenloop wijst Wolf op blz. 299 van zijn „Angewandte Geschichte”, waaraan de in den tekst volgende bijzonderheden zijn ontleend.</ref>). Terwijl Alarik Rome veroverde (410) en de scharen der Vandalen, Alanen en Sueven zich over Frankrijk en Spanje tot in Noord-Afrika uitbreidden, zoodat het West-Romeinsche Rijk van den aardbodem scheen te verdwijnen, schreef bisschop Augustinus van Hippo zijn beroemde boek „Over den Godsstaat” (De Civitate Dei). Daarin stelt hij de georganiseerde, zichtbare Kerk, die door de bisschoppen wordt bestuurd, als „Godsstaat” tegenover den aardschen „wereldstaat”, dien hij tot een werk des duivels verklaart. Terwijl aan den „Godsstaat” de wereldheerschappij toekomt, krijgt de „wereldstaat” eerst dan waarde en beteekenis, wanneer hij „met geweld de dwalenden naar de Kerk terugvoert”, want dat is zijn hoogste plicht. Tegenover de almachtige Kerk kent Augustinus aan den staat dus slechts de beteekenis toe van een uitvoerend orgaan, dat zich geheel in haar dienst heeft te stellen. Het universeele karakter van het Christendom komt wellicht nergens beter uit, dan in het feit, dat het in dit werk vervatte programma, dat bestemd was de ontwikkeling van heel West-Europa eeuwenlang te beheerschen en dat tot in onzen tijd [20] nawerkt, afkomstig was van dezen Noord-Afrikaanschen bastaard. | |||
Het nieuwe Imperium, waarvoor Augustinus den theoretischen grondslag had gelegd, werd door Leo I (440—461), den eersten bisschop van Rome, die met recht „paus” genoemd kan worden, praktisch voorbereid. Het hooge aanzien, dat hij in geheel Italië genoot, het overwicht, dat hij op de andere bisschoppen uitoefende en de politieke invloed, die hij bezat, kondigden reeds de monarchale positie aan, die zijn opvolgers later aan het hoofd van den „Godsstaat” zouden innemen. Meer dan eenige paus hebben echter de koningen der Germaansche Franken de verwezenlijking van Augustinus’ programma bevorderd. Aan hen is het tenslotte zelfs gelukt het Germaansche kernland, dat zich tegen het oude Imperium steeds met succes had verdedigd, bij het nieuwe in te lijven. Daarmee was de grondslag gelegd voor het gedwongen samengaan van de drie elementen, welker schijnbare versmelting de grondtrek zou vormen van de geschiedenis onzer Middeleeuwen: Germanen, Romaanschen geest en Christendom. De geschiedenis der Franken is daarom dan ook bijzonder belangrijk. | |||
===<small>Tweede hoofdstuk</small> — De Franken en het Frankische Rijk=== | ===<small>Tweede hoofdstuk</small> — De Franken en het Frankische Rijk=== | ||
Revision as of 14:57, 5 August 2026
Deze tekst bevat de gebruikelijke misvattingen (zoals over een vermeend Romeins Rijk), voortkomend uit een geloof in de authenticiteit van bronnen over de ‘Klassieke Oudheid’ en de vroege ‘Middeleeuwen’, die in de zgn. Renaissance zouden zijn herondekt, gekopiëerd en vervolgens direct verloren gegaan. Deze dubieuze bronnen lijken deels te zijn gebaseerd op ware feiten en namen. Wanneer de de fictie eruit wordt gefilterd kan toch waardevolle informatie overblijven, die o.a. op basis van OL, nieuwe archeologie en genetica een reconstructie mogelijk kan maken. Andersom kan het ook dienen om delen uit OL beter te begrijpen.
Karel de Frank — de Groote?
De Franken en de kerstening
door F.J. Los
uitgeverij “Volk en Bodem”
Amsterdam [Oogstmaand/augustus 1940]
Voorwoord
[7] Over de tekortkomingen der hedendaagsche geschiedschrijving zou een boekdeel zijn te vullen. Terwijl deze wetenschap haar taak, waar het de vaststelling en beschrijving der feiten betreft, meestal op bevredigende en soms zelfs op bewonderenswaardige wijze vervult, schiet zij gewoonlijk schromelijk te kort in het andere deel van haar taak: de belichting en verklaring der feiten. Het individualisme en materialisme van den tijd, die achter ons ligt, hebben de geschiedkundige gebeurtenissen en personen anders doen zien, dan wij die thans zien, maar er zijn nog andere oorzaken, die het beeld onzuiver maakten.
Tot deze behoort allereerst het veel voorkomend streven, om het beeld der geschiedenis niet al te onaangenaam te doen uitvallen voor de machthebbers der eeuw, die in laatste instantie ook beschikken over het wel en wee van den armen geschiedschrijver. Dit streven, waarvan de schrijver zich niet altijd bewust behoeft te zijn en dat voortkomt uit menschelijke zwakheld, doet vanzelfsprekend te kort aan de geschiedenis als wetenschap. Immers is wetenschap slechts het zoeken naar waarheld en de vraag, of de resultaten van dat zoeken den heerschenden machten al of niet aangenaam zullen zijn, is daarbij volkomen onverschillig.
Niets doet echter het beeld der geschiedenis, zooals wij het zien, zoozeer verschillen van dat, hetwelk tot dusver opgeld deed, als het inzicht, dat het ras als verklaringsfactor niet kan worden gemist. Terwijl de diepere oorzaken van het wereldgebeuren gewoonlijk worden gezocht in „omstandigheden”, vaak van materieelen aard, dus van het wisselende, blijft het onveranderlijk blijvende, de aangeboren aard, de erfelijke, aan het ras gebonden aanleg, doorgaans buiten beschouwing. Wat zich hier wreekt, is het algeheele gebrek aan biologisch inzicht, dat bij de meeste geschiedschrijvers valt op te merken en dat het beeld, dat zij van de geschiedkundige ontwikkeling ontwerpen, steeds onvolledig doet blijven. In het onbevredigende karakter der gegeven „verklaring” ligt vermoedelijk ook één der voornaamste oorzaken, waaraan het moet worden toegeschreven, dat de voor onze wereldbeschouwing zoo uiterst [8] belangrijke wetenschap der geschiedenis in onzen tijd bij velen in discrediet is geraakt.
Wanneer in dit boek getracht zal worden een juister inzicht te verkrijgen in een tijdperk der geschiedenis, dat voor ons Germanen van het grootste belang is, de periode namelijk, die, liggend tusschen Oudheid en Middeleeuwen, in de regeering van Karel den Frank — door velen nog steeds als „de Groote” vereerd — haar afsluiting en bekroning vindt, dient daarbij door den lezer steeds in het oog te worden gehouden, dat niet het geven van een nieuwe geschiedbeschrijving, maar het den weg banen naar een nieuwe geschiedbeschouwing ons doel is. Met deze doelstelling hangt samen, dat niet naar volledigheid is gestreefd, maar dat, integendeel, veel is weggelaten, wat niet ter zake diende, al is anderzijds wel getracht de daardoor in het geschiedverhaal ontstane hiaten toch zooveel mogelijk te overbruggen, teneinde den samenhang van het geheel niet te verstoren.
Nog een andere opmerking moet hier worden gemaakt. Dit werk is niet de vrucht van een zelfstandige bronnenstudie, maar berust op de zorgvuldige bestudeering en onderlinge vergelijking van een aantal werken en recente publicaties, die voor het meerendeel direct op de bronnen steunen en waarnaar in voetnoten wordt verwezen. De schrijver is er zich van bewust, dat hij meer een bemiddelaar is, dan wel de ontdekker van iets nieuws. Al heeft hij echter ook veel aan anderen ontleend, zoo heeft hij toch altijd ernaar gestreefd, niet critiekloos over te nemen, maar het gebruikte materiaal zoo goed mogelijk te schiften en daarbij een strikte onpartijdigheid in acht te nemen. Met name heeft hij getracht, ook aan de bestrijders en tegenstanders van het rassenstandpunt recht te doen wedervaren. Dit neemt evenwel niet weg, dat hij steeds de woorden indachtig is geweest, waarmee een Duitsch geleerde[1] de moeilijkheden, die aan de onbevooroordeelde beschouwing van de genoemde periode in den weg staan, als volgt kenschetst: „Wij willen tot waarheidsgetrouwe gedachten over Karel komen. Dat is ten opzichte van de bronnen, die zonder uitzondering onder de verdenking van eenzijdige begunstiging staan, een moeilijke taak... De bronnen uit dien tijd, waarvan niet een enkele van Saksische of van neutrale kant komt, zijn reeds lang uitgeput, maar toch in bijzonderheden slechts aan weinigen bekend”.
[9] Oorspronkelijk was voor dit boek de titel „Karel de Frank” gekozen. Het bleek evenwel ondoenlijk de figuur van dezen Frankenkoning voldoende te belichten, zonder eerst de geschiedkundige ontwikkeling te schetsen, die aan zijn regeering vooraf ging en de voorwaarden schiep, waaronder zijn optreden plaats vond. Zoo ontstond als vanzelf een meer omvattend werk, waarin ook aan de voorafgaande geschiedenis der Franken, alsmede aan de bekeeringsgeschiedenis der Germanen een nadere beschouwing wordt gewijd. Een samenvattend overzicht van de voorafgaande ontwikkeling vindt de lezer nu in de eerste drie hoofdstukken, die tezamen de inleiding vormen tot de beschouwing van de hoofdfiguur.
Moge dit boek den weg helpen banen naar een Germaansche geschiedbeschouwing, die in de plaats kan treden van de universalistische en internationalistische, die ons van jongsaf is bijgebracht, maar ons nooit heeft kunnen bevredigen.
* * *
Het bovenstaande werd geschreven, nadat het maniscript van dit werk tegen het eind van 1938 was voltooid. Nu de uitgave ervan mogelijk is geworden, dient hieraan nog te worden toegevoegd, dat, behalve een enkele later aangebrachte verbetering, ook het slotwoord uit een lateren tijd stamt. Dit slotwoord, waarin de in dit boek geschetste ontwikkeling nogmaals in haar hoofdtrekken wordt samengevat, waarna de lijn dezer ontwikkeling tot in het heden wordt doorgetrokken en tenslotte getracht wordt een blik op de toekomst te slaan, is eerst in Bloeimaand van dit jaar geschreven, onder den indruk van de geweldige gebeurtenissen, die zich kort tevoren hadden voltrokken.
Nog rest ons een woord van dank uit te spreken aan den heer J.C. Nachenius, secretaris van den Nederlandschen Kultuur Kring, voor den krachtigen steun, dien hij door zijn deskundige doch tevens opbouwende critiek ons bij het schrijven van dit boek heeft gegeven.
Castricum, Oogstmaand 1940. / DE SCHRIJVER.
[nog toe te voegen: blz. 10-156 (hk. 1-5), noten en landkaart]
Eerste hoofdstuk — De Volksverhuizing en haar gevolgen
[10] In de geschiedenis is geen tweede gebeurtenis aan te wijzen, die het aanzien van ons werelddeel zoo volkomen heeft veranderd en het verdere verloop van zijn geschiedenis zoo diepgaand heeft beïnvloed, als de Germaansche volksverhuizing, die mede aanleiding werd tot den ondergang van het Romeinsche Rijk. Een wereldrijk, da bijna de geheele toenmaals bekende wereld omvatte, dat eeuwen had getrotseerd en dat in den loop van zijn bestaan een zoodanige taaie levenskracht had getoond, dat het meerendeel zijner bewoners aan zijn onvergankelijkheid geloofde, stortte ineen en op zijn puinhoopen werden door volken, die tot dusver als barbaren waren veracht, de nieuwe rijken gesticht, die den grondslag zouden vormen voor een geheel nieuwe ontwikkeling.
Niet slechts in haar beteekenis, maar ook in haar tragiek wordt de volksverhuizing nauwelijks door een andere gebeurtenis geevenaard. Heele volken gaan ten onder, andere worden uiteengeslagen, weer andere lijden enorme verliezen; gansche landstreken worden verwoest, steden in puin gelegd, kultuurschatten vernietigd. De grootste tragiek ligt echter in het lot der overwinnaars, het lot van die volken, welke hun doel tenslotte weten te bereiken, de stichters der nieuwe staten, die er — zij het veelal eerst na jarenlange omzwervingen — uiteindelijk in slagen zich duurzaam nieuwe woonplaatsen te verschaffen. Vandalen en Alanen, West-Gothen en Sueven, Boergonden en Langobarden, zij allen worden na korter of langer tijd geromaniseerd; behalve de taal, nemen zij de godsdienst en daarmee vele denkwijzen en gewoonten van de inheemsche bevolking over, verliezen daardoor hun Germaanschen volksaard en worden zoo van overwinnaars overwonnenen. Worden zij eenerzijds de redders van de Romeinsche kultuur en beschaving, daar het slechts aan hun aanwezigheid [11] is te danken, dat in een uitgeleefde wereld met een door en door verbasterde bevolking geestelijk leven mogelijk blijft, zoo gaan zij anderzijds voor het Germanendom als volken verloren, hetzij door romaniseering, hetzij — zooals de Oost-Gothen — door de barbaarsche oorlogvoering hunner vijanden.
Terwijl dus door de Volksverhuizing aan den eenen kant den Germanen de rol toeviel van heerschers over geheel West-Europa, heeft zij aan den anderen kant toch ook den grondslag gelegd voor de geestelijke en kultureele onderwerping der Germanen aan den Romaanschen geest en daarmee voor de eersten een geestelijke slavernij ingeluid, die bestemd was om eeuwenlang te duren en die ook in onzen tijd nog niet door hen is afgeschud. Tevens heeft zij daardoor den weg gebaand naar de opheffing van een tegenstelling, die de geheele geschiedenis van het Romeinsche Imperium had beheerscht, want zoolang dit had bestaan waren de Germanen zijn meest geduchte tegenstanders geweest. Teneinde deze tegenstelling in het juiste licht te zien is het noodig eenigszins uitvoerig stil te staan, zoowel bij den aard van dit rijk, zijn bevolking en zijn kultuur, als bij het wezen en de geaardheid der toenmalige Germanen.
* * *
Het Romeinsche Imperium geniet onder ons nog steeds een aanzien, dat het in bijna geen enkel opzicht verdient, in tegenstelling met het oude Rome. Alle misvattingen, die betreffende dit rijk heerschen, hier recht te zetten, is ondoenlijk; met een beknopt overzicht moet worden volstaan.
In een bijna ononderbroken reeks oorlogen hadden de Romeinen alle volken van het Middellandsche Zee-gebied in een geweldig rijk vereenigd, dat in het Noorden zijn grenzen uitstrekte langs Rijn en Donau. De stichting van dit rijk deed een proces verder om zich grijpen, dat in het Oosten, waar oudere wereldrijken hadden bestaan, reeds enkele eeuwen vroeger was begonnen en dat bestond in een steeds verder gaande vermenging en onderlinge doordringing van alle binnen het Imperium aanwezige volken en rassen, godsdiensten en kulturen. Zoo werden alle volks- en rasgrenzen gaandeweg vervaagd en alle kultureele en godsdienstige tegenstellingen [12] opgeheven. Terwijl in de provinciën de rasmenging sterk was bevorderd door de stichting van talrijke Romeinsche kolonies, wier bewoners zich op den duur met de inheemsche bevolking vermengden, was zij in Italië zelf voornamelijk het gevolg van de op groote schaal gedreven slavernij, die een voortdurenden invoer van rasvreemde elementen — vooral van Syriërs e.a. Oosterlingen — tengevolge had. Als verzwarende omstandigheid kwam hier nog bij, dat in de talrijke oorlogen, maar vooral in de hardnekkige en uiterst bloedige burgeroorlogen, die Rome in den loop zijner geschiedenis bij herhaling hadden geteisterd, steeds weer het beste en krachtigste deel der bevolking op groote schaal was uitgeroeid[2]), terwijl de rest naar verhouding steeds in veel geringer mate was getroffen. Het eind van deze ontwikkeling bestond hierin, dat het geheele rijk door een ten zeerste verbasterde en ontaarde bevolking werd bewoond, waarin ook de Romeinen zelf grootendeels waren opgegaan. Door den bekenden H.S. Chamberlain is deze bevolking met den typeerenden naam „volkenchaos” aangeduid; juister nog is de benaming „rassenchaos”, die wij, in navolging van een anderen Duitschen schrijver[3]), hier willen gebruiken.
De rassenchaos stond op een geestelijk peil en bezat een regeeringsvorm en een „kultuur”, die met zijn wezen in overeenstemming waren. Want waar tegenstellingen en strijd zijn gaan ontbreken, waar, met de opheffing der grenzen, het nationaal besef verloren is gegaan en waar, tengevolge eener ongebreidelde rasmenging, het oorspronkelijke volkskarakter is uitgewischt, daar moeten geestelijk verval en zedenbederf hun intrede doen en is echte kultuur even onbestaanbaar als politieke vrijheid, die niet ontaardt in bandeloosheid. Daarom kan het ons niet bevreemden, dat in de kleurlooze massa, waaruit de rassenchaos in steeds toenemende mate ging bestaan, het type van den kuddemensch den toon aangaf, terwijl sterke en evenwichtige naturen onder haar zoo goed als ontbraken. Door het staatsgezag óf met behulp van „brood en spelen”, óf door ruw geweld in bedwang gehouden, werd het geestelijk leven dezer massa beheerscht eenerzijds door een grof materialisme, anderzijds door een even grof bijgeloof. Het zedelijk peil, waarop zij stond, wordt voldoende geteekend door het feit, dat tengevolge van de ontbinding van het gezin — eenmaal de wortel van Rome’s kracht! — waarmee een [13] schrikbarende toename van het aantal der ongehuwden en een even schrikbarende afname van het kindertal gepaard ging, de ontvolking van het rijk zulke afmetingen had aangenomen, dat heele landstreken braak lagen, terwijl het steeds meer noodzakelijk werd het leger met vreemde huurlingen — meerendeels Germanen — aan te vullen[4]).
Opperbevelhebber van dit leger en tevens hoofd van het geweldige bestuursapparaat, dat langs zuiver mechanischen weg den staat bijeenhield, was een keizer, die als een god door zijn onderdanen werd vereerd en wiens despotisch gezag van Aziatischen oorsprong was. Wel waren, sinds keizer Caracalla aan alle gemeenten van het rijk het burgerrecht had geschonken (212 n.C.), alle vrije inwoners van het rijk rechtens gelijk gesteld, maar dit was, zooals de historicus Wolf terecht opmerkt[5]), niet een gelijkheid in vrijheid, maar in knechtschap; het was bovendien de juridische erkenning van het feit, dat alle in vroeger tijd bestaand hebbende verschillen, ook die tusschen het heerschende staatsvolk en de rest der bevolking, volkomen waren uitgewischt.
Tengevolge der steeds verder gaande vermenging was ook het verband tusschen ras en kultuur[6]) volkomen verbroken. De kultuur van het Imperium, feitelijk een mengelmoes van alle kulturen, die vroeger in het Middellandsche Zee-gebied hadden gebloeid, had zichzelf overleefd en was volkomen verstard. Niet in staat uit eigen kracht zichzelf een kultuur te scheppen, bewaarde deze ontaarde bevolking de geestelijke schatten, die vorige geslachten haar hadden nagelaten, zonder er zelf meer innerlijk deel aan te hebben en terwijl zij genoot van het klatergoud eener oppervlakkige en zuiver uitwendige beschaving, wist zij, dank zij een hoog ontwikkelde techniek, die haars gelijke niet had in de wereld, haar positie nog eeuwen te handhaven, zelfs tegenover vijanden, die in aangeboren kracht en begaafdheid haar verre overtroffen.
De scherpste tegenstelling, die in en door den rassenchaos was overwonnen, was die tusschen het Christendom en den Romeinschen geest. Zoolang de geest van het oude Rome nog ongebroken was, had hij zich tot het uiterste tegen het Christendom verzet; juist de beste en meest nationaal gezinde keizers hebben getracht de nieuwe leer door vervolgingen te onderdrukken. Niet ten onrechte zagen zij in de nieuwe, uit het Oosten binnendringende, godsdienst een gevaar voor staat [14] en maatschappij. Inderdaad vormde een leer, die de gelijkheid aller menschen zoozeer op den voorgrond stelde, als het toenmalige Christendom[7]), voor een staat en maatschappij, die — zooals overal, waar de samenleving gezond is! — op ongelijkheid berustten, een doodelijke bedreiging. Daar kwam dan nog bij, dat de neiging der christenen tot wereldontvluchting en askese hen vrijwel alles deed ontkennen en minachten, wat den Romeinschen staat groot had gemaakt. Daarom golden zij als vijanden van het menschengeslacht.
Het ergste was evenwel, dat de christenen allengs een staat in den staat gingen vormen. Terwijl aan den eenen kant de Romeinsche staat, in verband met de door hem georganiseerde goddelijke vereering van den Keizer, sedert het eind der 2de eeuw meer en meer de vormen aannam van een kerk, aan het hoofd waarvan de Keizer stond in zijn hoedanigheid van opperpriester (pontifex maximus), kreeg aan den anderen kant de christelijke kerk, die er steeds meer toe overging ook de zuiver zakelijke verhoudingen tusschen haar leden te regelen en hun onderlinge geschillen te berechten, steeds meer weg van een staat. Zoo stonden twee machten tegenover elkaar, die elkaar op elk levensterrein bestreden in een strijd op leven en dood, die slechts met de volledige vernietiging van één van beiden scheen te kunnen eindigen. Toch eindigde hij met een compromis, want de zege, die het Christendom behaalde, toen het eerst door keizer Constantijn (323-336) met het heidendom werd gelijkgesteld en daarna door zijn opvolgers tot staatsgodsdienst werd verheven (353), was slechts in schijn volledig. Niet slechts had het zijn overwinning vooral hieraan te danken, dat het in zijn kerkelijke organisatie (de bisschoppelijke hiërarchie) de bestuursorganisatie van den Romeinschen staat was gaan navolgen, maar ook was het de Keizer, die deze organisatie voltooide. Doordat Constantijn zichzelf aan het hoofd der Kerk stelde, gaf hij aan haar organisatie het monarchale karakter, dat zij sindsdien heeft behouden. Van nog meer belang is evenwel het feit, dat de christelijke kerk ook den geest van haar vroegeren tegenstander overnam, door, evenals het rijk, dat zij tot dusver had bestreden, naar wereldheerschappij te gaan streven. Aan het keizerlijke Rome ontleende de christelijke kerk haar imperialistisch karakter. Op overeenkomstige wijze was op godsdienstig gebied de overwinning van het Christendom mogelijk gemaakt. Aan de [15] vermenging der godsdiensten, die in het Oosten reeds enkele eeuwen vóór Christus’ geboorte was begonnen, heeft het Christendom namelijk op zijn wijze meegedaan, inplaats van er weerstand aan te bieden. Zijn zegetocht was vooral hierdoor mogelijk geworden, dat het van de heidensche godsdiensten, die het op zijn weg ontmoette, en waaronder er enkele waren, die — zooals de Perzische Mithras- en de Egyptische Isisdienst — eveneens naar de wereldheerschappij streefden, in zijn ceremoniën en riten vele elementen overnam. Voor de massa werd de overgang ten zeerste vergemakkelijkt, doordat de Kerk haar heidensche voorstellingen en gebruiken rustig liet voortbestaan, zij het onder andere namen. Zoo leefden de heroënvereering[8]) en het veelgodendom voort in de vereering van heiligen, terwijl Maria en het kindeke Jezus de plaats innamen van de in het geheele rijk vereerde Egyptische godin Isis en haar zoon Horus[9]). In de „mis” herleefde het heidensche offer en de reliquieënvereering was voor deze menschen een voortzetting, onder anderen naam, van de in de heidensche Oudheid overal in zwang zijnde doodenvereering. De overwoekering van het oorspronkelijke Christendom door aan het heidendom ontleende voorstellingen en gebruiken nam weldra zelfs zulke afmetingen aan, dat de Kerk — zooals Wolf het uitdrukt — een tooverinstituut dreigde te worden. Niets heeft echter den geest van het toenmalige Christendom zoozeer beïnvloed, als de volledige overname van het asketische[10]) levensideaal, dat in wereldontvluchting de hoogste deugd en in het „dooden van het vleesch” den weg tot zaligheid deed zien. Ook dit ideaal werd aan Oostersche godsdiensten ontleend (met name aan de Egyptische Serapisdienst), maar door het Christendom in praktijk gebracht op een schaal, als de wereld nog niet had aanschouwd. Het gaf aanleiding tot het ontstaan van het monnikwezen, waarbij alweer teekenend is, dat reeds kort nadat in Egypte het eerste klooster was opgericht[11]), heel het Oosten van het rijk met deze inrichtingen als overdekt was. Behalve dat het asketisch levensideaal veel heeft bijgedragen tot het ontstaan van een scherpe scheiding tusschen geestelijken en leeken, heeft het ook zijn stempel gezet op wat voortaan gold als „christelijke” moraal.
Zoo vertolkte dat Christendom dus in elk opzicht de idealen, die leefden in den rassenchaos, te midden waarvan het zich [16] had ontwikkeld en die het van zijn kant zeker ook had bevorderd. Door de onderlinge tegenstrijdigheid dezer idealen — wereldontvluchting naast het streven naar wereldbeheersching, verheerlijking der armoede naast een grof materialisme, prediking van naastenliefde en „vrede op aarde” naast bloedige uitroeiing van ongeloovigen en ketters — deed het zich als het geestesproduct eener verbasterde bevolking kennen. Tevens had het zooveel heidensche bestanddeelen in zich opgenomen, dat de leer van zijn stichter daaronder geheel schuil was gegaan. Hoofdzaak voor ons is, dat dit Christendom[12]), opgekomen als het was in den rassenchaos, de idealen van dien chaos had overgenomen en daardoor tevens de wegbereider van dien chaos was geworden. Hoezeer beide verwant waren, moge blijken uit hetgeen Tirala in zijn boven genoemd werk daaromtrent opmerkt:
Ik wijs er op, dat een pessimistisch opgevat Christendom met den aard van den volkenchaos van de Middellandsche Zeelanden in de eerste duizend jaren onzer tijdrekening overeenkwam. Voor deze menschen, die uit den bloed-chaos eener ongeregelde verbastering stamden, mag het volkomen juist zijn geweest, een godsdienst te kiezen, welke haar eenige toevlucht in de verlossing van dit leven en in een bovennatuurlijke genade zoekt, daar zinnelijkheid, erotiek en liefde hun als zonde moesten voorkomen. Ik geloof, dat het ook werkelijk zonde geweest zou zijn, wanneer deze lieden zich hadden voortgeplant! Daarentegen kan een pessimistische en daarom van het leven wegvoerende godsdienst op een gezond ras eenvoudig als een doodelijk vergift inwerken.
* * *
Stellen wij nu tegenover de verbasterde en ontaarde bevolking dezer uitgeleefde wereld de toenmalige Germanen, dan blijkt reeds aanstonds hun meerderheid op geestelijk en zedelijk gebied. Het meest afdoende bewijs voor deze meerderheid is wel gelegen in het feit, dat het Romeinsche Rijk in de laatste eeuwen van zijn bestaan geen ander middel heeft gevonden, om zich tegen de steeds weer opdringende Germaansche stammen te verdedigen, dan het op groote schaal in dienst nemen van Germanen, die als soldaten in de legioenen werden [17] ingelijfd, of met vrouw en kinderen in de grensstreken als boeren werden gekoloniseerd. Tenslotte kwam het zoover, dat Germanen de legioenen aanvoerden en zelfs als regenten het rijk bestuurden. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de Vandaal Stilicho, die als regent voor keizer Honorius jarenlang het bewind voerde, als veldheer, met behulp der van de grenzen teruggeroepen legioenen, tot tweemaal toe Alarik afweerde (403) en Ìtalië van de binnengedrongen Germanen bevrijdde en die ook als staatsman groote talenten toonde te bezitten, totdat hij tenslotte door zijn kleingeestige benijders op laaghartige wijze werd vermoord (408). Hij en andere op den voorgrond tredende Germanen uit dit tijdvak steken, ofschoon heidenen, torenhoog uit boven hun Romaansch-christelijke omgeving en dat niet alleen in begaafdheid, maar ook in grootheid van karakter en zedelijke kracht.
In hun nieuwe omgeving hebben deze Germanen ongetwijfeld veel aangetroffen, wat met hun geaardheid in strijd was en hun daarom onaanvaardbaar toe moest schijnen. Op het gebied der politiek moeten het keizerlijke absolutisme en de mechanische staatsopvatting, die aan de organisatie van het Imperium ten grondslag lag, in strijd als zij kwamen met hun aangeboren vrijheidszin en de hun van huis uit eigene organische staatsopvatting, hun tegen de borst hebben gestuit. Met de op zedelijk en maatschappelijk gebied heerschende toestanden en verhoudingen konden zij zich even moeilijk vereenigen. Zoo zien wij reeds Antoninus Pius (138—161), de eerste keizer, die waarschijnlijk volbloed Germaan was, een einde maken aan de sadistische slavenmishandelingen (De Germanen behandelden hun slaven goed!). Zijn echt Germaansche verdraagzaamheid op religieus gebied spreekt hieruit, dat zij, die op godsdienstige gronden den Keizer niet als een god konden huldigen, dit vrijelijk mochten nalaten. En vóór hem had Hadrianus (117-138), een keizer, die zeker veel Germaansch bloed had en die, in strijd met een eeuwenoude Romeinsche mode, een baard droeg (op den troon!), aan het ontzettende geknoei op het gebied van het recht een eind gemaakt.
Op godsdienstig gebied was de tegenstelling zoo mogelijk nog grooter! Askese en wereldontvluchting waren den Germanen vreemd en de tegenstelling tusschen stof en geest, natuur en God, die aan deze idealen ten grondslag lag, was hun [18] volkomen onbekend. Voorts namen wondergeloof en magie in hun voorstellingswereld hoogstens een ondergeschikte plaats in, terwijl hun harmonische aanleg en de natuurverbondenheid van hun denken hen weinig behoefte deed gevoelen aan een „verlossing”. De elementen van „zuidelijk” heidendom, die het Christendom bevatte, waren voor deze „noordelijke”[13]) heidenen al even onverteerbaar, als de Joodsche spitsvondigheid, die in de theologie tot een zoo rijke ontplooiïng was gekomen. Tenslotte was ook de Joodsche Godsvoorstelling, die in het Christendom was ingelijfd, van de hunne geheel verschillend. Niettegenstaande al deze tegenstellingen, waarvan zij zich, althans ten deele, ook klaar bewust geweest moeten zijn, was de nederlaag der Germanen op geestelijk gebied onvermijdelijk en hun geestelijke onderwerping aan den hen omringenden Romaanschen geest, dus aan de machten van den rassenchaos, op den duur onafwendbaar. Hoewel afgeleefd, genoot de Romeinsche kultuur, dank zij de schatten aan kennis en schoonheid, die zij belichaamde, dank zij vooral de macht van haar eeuwenoude traditie, nog altijd een overweldigend aanzien; tegenover de Germaansche kultuur, die nog in haar kinderschoenen stond, was haar positie volstrekt onaantastbaar. Op godsdienstig gebied was de overmacht van het Christendom evenwel niet minder groot. Niet alleen steunde dit op de macht eener hechte kerkelijke organisatie, maar ook bezat het een rijke literatuur en werd het verdedigd met de wapenen eener geslepen dialectiek, die haar argumenten ten deele ontleende aan Grieksche philosofen. Bovenal verschilde het Christendom van den Germaanschen godsdienst hierin, dat het al zijn gedachten en voorstellingen had samengevat in een theologisch systeem, welks grootschheid ook de Germanen op den duur moest imponeeren. Zoo bleek ook hier, zooals op zoo velerlei gebied, het ongeorganiseerde op den duur niet bestand tegen het georganiseerde; de systeemloosheid legde het af tegen het systeem!
Opmerkelijk is het feit, dat de binnengedrongen Germaansche volken, op slechts een paar uitzonderingen na, aanvankelijk niet den later officieelen vorm van het Christendom aannamen, maar het zoogenaamde Arianisme, een van de orthodoxe geloofsbelijdenis op belangrijke punten afwijkende leer, die tot op zekere hoogte als een voorlooper kan gelden van het latere Protestantisme. Zoodoende kwamen deze volken reeds [19] aanstonds in een confessioneele tegenstelling te staan tot de hen omringende Romaansche bevolkingen, wat de kultureele ineensmelting en de vermenging van heerschers en overheerschten vertraagde. Toch is dit niet meer geweest dan een episode: op den duur bleek de overgang dezer volken naar het katholicisme onvermijdelijk en omstreeks het jaar 600 kreeg hij zijn beslag. Door hun langdurig verzet, dat toch nog bijna twee eeuwen heeft geduurd, hebben deze Germanen echter onweerlegbaar bewezen, dat de machten, die hun romaniseering trachtten te bewerken, met hun diepste wezen onvereenigbaar waren. Het waren dan ook niet theologische spitsvondigheden, die hen aan het Arianisme deden vasthouden, doch het bewustzijn van hun eigen aard. Het Ariaansche geloof heeft langen tijd de verbastering dezer Germanen tegengehouden. Tenslotte zijn zij evenwel voor de overmacht bezweken.
Op militair en politiek gebied overwinnaars, werden de Germanen op geestelijk gebied niet slechts door de machten van den rassenchaos verslagen, maar zelfs volkomen onderworpen.In dit verband is het vooral merkwaardig, dat juist in den tijd, toen het Romeinsche Rijk voorgoed scheen onder te gaan, de grondslag werd gelegd voor zijn toekomstige herleving[14]). Terwijl Alarik Rome veroverde (410) en de scharen der Vandalen, Alanen en Sueven zich over Frankrijk en Spanje tot in Noord-Afrika uitbreidden, zoodat het West-Romeinsche Rijk van den aardbodem scheen te verdwijnen, schreef bisschop Augustinus van Hippo zijn beroemde boek „Over den Godsstaat” (De Civitate Dei). Daarin stelt hij de georganiseerde, zichtbare Kerk, die door de bisschoppen wordt bestuurd, als „Godsstaat” tegenover den aardschen „wereldstaat”, dien hij tot een werk des duivels verklaart. Terwijl aan den „Godsstaat” de wereldheerschappij toekomt, krijgt de „wereldstaat” eerst dan waarde en beteekenis, wanneer hij „met geweld de dwalenden naar de Kerk terugvoert”, want dat is zijn hoogste plicht. Tegenover de almachtige Kerk kent Augustinus aan den staat dus slechts de beteekenis toe van een uitvoerend orgaan, dat zich geheel in haar dienst heeft te stellen. Het universeele karakter van het Christendom komt wellicht nergens beter uit, dan in het feit, dat het in dit werk vervatte programma, dat bestemd was de ontwikkeling van heel West-Europa eeuwenlang te beheerschen en dat tot in onzen tijd [20] nawerkt, afkomstig was van dezen Noord-Afrikaanschen bastaard.
Het nieuwe Imperium, waarvoor Augustinus den theoretischen grondslag had gelegd, werd door Leo I (440—461), den eersten bisschop van Rome, die met recht „paus” genoemd kan worden, praktisch voorbereid. Het hooge aanzien, dat hij in geheel Italië genoot, het overwicht, dat hij op de andere bisschoppen uitoefende en de politieke invloed, die hij bezat, kondigden reeds de monarchale positie aan, die zijn opvolgers later aan het hoofd van den „Godsstaat” zouden innemen. Meer dan eenige paus hebben echter de koningen der Germaansche Franken de verwezenlijking van Augustinus’ programma bevorderd. Aan hen is het tenslotte zelfs gelukt het Germaansche kernland, dat zich tegen het oude Imperium steeds met succes had verdedigd, bij het nieuwe in te lijven. Daarmee was de grondslag gelegd voor het gedwongen samengaan van de drie elementen, welker schijnbare versmelting de grondtrek zou vormen van de geschiedenis onzer Middeleeuwen: Germanen, Romaanschen geest en Christendom. De geschiedenis der Franken is daarom dan ook bijzonder belangrijk.
Tweede hoofdstuk — De Franken en het Frankische Rijk
[21]
Derde hoofdstuk — De Karolingers (Arnulfingers) en hun politiek
[41]
Vierde hoofdstuk — Karel de Frank
[81]
Vijfde hoofdstuk — De Noormannen als Wrekers der Germaansche Eer
[144]
Slotwoord
[157] Aan het einde van onze beschouwing gekomen schijnt het ons nuttig, de ontwikkeling, welke in dit boek breedvoerig is geschetst, nogmaals in haar hoofdtrekken samen te vatten. Keeren wij daarom tot ons uitgangspunt terug!
Ten tijde van het Imperium Romanum staan de Romaansche en de Germaansche wereld als twee scherp van elkaar gescheiden en gelijkwaardige machten naast en tegenover elkaar. Elk van deze werelden vormt een zelfstandig geheel, rust in zichzelf, gehoorzaamt aan eigen wetten en heeft haar eigen wereldbeschouwing, al vindt aan de grenzen, waar beide op elkander stooten, ook een wederzijdsche beïnvloeding plaats. Terwijl evenwel het volk, dat het Imperium schiep, in den loop der eeuwen door en door is verbasterd en zijn Noordras-element, waarop zijn oorspronkelijke kracht berustte, bijna geheel heeft verloren, staat aan de andere zijde dezer grenzen een volk, dat zijn jeugdige kracht, dank zij zijn onverbasterd gebleven bloed, ongebroken heeft weten te bewaren.
Met deze tegenstelling gaat een andere parallel. Tegenover de afgeleefde kultuur van het Imperium, welke dien naam feitelijk niet meer verdient, aangezien zij, opgebouwd als zij is uit de meest heterogene eiementen, met geen enkel ras meer direct verband houdt en feitelijk nog slechts den geest van den rassenchaos belichaamt, staat de gave, ofschoon jeugdige en onontwikkelde, kultuur der Germanen. De opgezamelde kennis uit het verleden, het geschoolde denken, de wetenschappelijke of quasi-wetenschappelijke methoden, de techniek en de uitwendige beschaving zijn echter grootendeels te vinden in het kamp hunner vijanden. Bovendien is daar ook een kerkelijk-politiek systeem, dat de organisatievormen van het Imperium heeft overgenomen, om zich de heerschappij over de zielen te verzekeren. Bezield door denzelfden imperialistischen waan, als voorheen de caesaren, zijn de dragers van dit [158] systeem erop uit de machtspolitiek van het afstervende, wereldlijke Rome voort te zetten en deze, onder gebruikmaking van andere middelen, te doen zegevieren ook daar, waar het Imperium faalde.
Het is deze langzaam afstervende wereld, welke onder de slagen, die haar tijdens de Volksverhuizing treffen, vrij plotseling en toch voor de tijdgenooten, die de draagwijdte der gebeurtenissen niet kunnen overzien, bijna onopgemerkt, bezwijkt. Zij wordt overweldigd door de Germaansche volken, die het West-Romeinsche Rijk veroveren en op zijn gebied hun eigen rijken stichten, doch er zich over het algemeen slechts in betrekkelijk kleine aantallen vestigen. Reeds tevoren zijn enkele dezer volken begonnen zich te bekeeren tot het Christendom, dat in het Romeinsche Rijk kort vóór zijn val de overhand had verkregen; nadat de verovering is voltooid en de verschillende stammen hun definitieve woonplaatsen hebben ingenomen, vindt deze bekeering verderen voortgang. Het is daarbij van de grootste beteekenis, dat het meerendeel dezer volken zich laat bekeeren niet tot het Roomsch-katholieke, maar tot het Ariaansche christendom. Hoewel van huis uit even on-Germaansch, heeft dit zich namelijk geheel los van Rome ontwikkeld en sterk den invloed van den Germaanschen geest ondergaan. Het is tegen monnikenwezen en mirakelzucht, stelt den Bijbel voorop en predikt in de landstaal. De bekeering der Germaansche volken tot dezen vorm van het Christendom, die als een voorlooper van het latere Protestantisme is te beschouwen, opent wijde perspectieven. De mogelijkheid schijnt aanwezig, dat zij, met behulp hunner christelijke leermeesters, zich toegang zullen verschaffen tot de schatten van wijsheid en kennis, die de afgeleefde kultuur van het Imperium uit het verleden had bewaard en zich aldus uit het arsenaal van den vijand de geestelijke wapenen zullen verschaffen, die zij behoeven in den strijd, dien zij tot verdediging van hun eigen aard in een rasvreemde omgeving op leven en dood moeten voeren. Deze mogelijkheid, hoewel langen tijd aanwezig, gaat echter niet in vervulling.
Terwijl de Ariaansche Germanen zich van de door hen onderworpen Romaansche bevolking afgezonderd houden, wordt dit weldra anders bij het eenige Germaansche volk, dat zich, bij monde van zijn koning, van het begin af voor het Roomsch-katholieke geloof verklaart. Politieke beweegredenen geven [159] daarbij den doorslag. Het betreft hier de daad van een zelfzuchtigen vorst, die tegen den wil van zijn volk, dat tot volgen moet worden gedwongen, een weg betreedt, die naar de geleidelijke versmelting van overwinnaars en overwonnenen zal voeren. Daarbij is Chlodwigs bekeering tot het Roomsche geloof (496) ook in zooverre van de grootste beteekenis, als zij hem de middelen verschaft, om met de medewerking en steun der onderworpen Romaansche bevolking de naburige Germaansche volken te verslaan en ten deele aan zijn gezag te onderwerpen. De eerste Germaansche vorst heeft zich daarmee in dienst gesteld van rasvreemde idealen en tevens is de grondslag gelegd van een boven-volkschen staat, waarin Germaansche en Romaansche kultuur- en bevolkingselementen zich steeds meer vermengen en waarvan de kerkelijke hiërarchie, die voorloopig met het koninklijk gezag hand in hand gaat, het bindend element vormt. In een wat lateren tijd gaan ook de andere Germaansche volken, die aan de vernietiging door Oost-Romeinen of Franken zijn ontkomen, tot het Roomsch-katholicisme over (± 600). Hun geringe getalsterkte en hun door vermenging met de onderworpen bevolking tenslotte toch ook verbasterd bloed zijn oorzaak, dat zij den strijd voor het behoud van den eigen volksaard op den duur niet kunnen volhouden, te minder, waar de band met het Germaansche kernland sinds lang is verbroken.
Zoo vormt het jaar 600 een beslissend keerpunt. De afgeleefde Romaansche wereld, die voor de wapenen der Germanen was bezweken, heeft zich door de opname van Noordras-bloed verjongd, de binnengedrongen veroveraars geestelijk overwonnen en hen in dienst gesteld van haar eigen idealen. Terzelfder tijd is het oude Germaansche kernland door het verlies van talrijke volksdeelen, die tot de beste behoorden, alsmede door het opdringen der Slaven, verkleind en verzwakt, terwijl zijn wereldbeschouwing en levensopvatting door den overgang van zijn weggetrokken zonen tot een nieuwe en onbegrepen leer aan het wankelen zijn gebracht. Daardoor zijn ook de grenzen tusschen beide werelden, die voorheen zoo duidelijk waren afgebakend, vervaagd en ten deele zelfs aan het ongeoefend oog onttrokken. Bij den strijd, die staat te ontbranden, zal het tweede Rome, evenals het eerste dat eeuwenlang had gedaan, Germanen gebruiken [160] tegen Germanen, maar deze strijd zal onder geheel andere krachtsverhoudingen plaats vinden, dan die, welke golden tusschen de vroegere Germaansche stammen en de Romeinsche legioenen en daarom zal hij ook geheel anders eindigen. De volkomen militaire overwinning, welke de binnendringende Germanen op het in verval geraakte keizerrijk behaalden, zal met een even volledige geestelijke overwinning van het nieuwe Imperium, dat in de plaats van het oude is getreden, worden beantwoord en, zooals de Vandalen het eindpunt van hun zegetocht vonden aan de randen der Sahara, zoo zal het Kruis zegevieren tot in Skandinavië en op IJsland. Daarmee zal zich een schouwspel voor ons oog ontrollen, dat de geschiedenis in vroeger en later tijd vaker te zien heeft gegeven. Men denke slechts aan het merkwaardige feit, dat de militaire en politieke vernietiging van Carthago met de Puniseering van het Romeinsche Rijk werd beantwoord.
De binnenlandsche woelingen en twisten, waardoor het Frankische Rijk na Chlodwigs dood gedurende langen tijd wordt geteisterd, veroorzaken een vrij langdurige onderbreking van deze ontwikkeling. De vreedzame prediking der leren vindt intusschen voornamelijk in de grensgebieden van het vroegere Imperium gehoor en wel in hoofdzaak bij de daar achtergebleven Romanen. Eerst nadat onder de eerste Arnulfingers (Karolingers) de eenheid van het rijk onder een krachtige leiding is hersteld, kan de groote aanval op het Germaansche kernland beginnen. Bij den dan beginnenden strijd gaan wereldlijk en kerkelijk gezag steeds hand in hand en banen de wapenen den weg naar de „bekeering”. Heftig is vooral het verzet der Friezen, onder wie de prediking van Willibrord eerst vruchten afwerpt, nadat Pippijn de Middelste hun koning Radbod bij Dorestad heeft verslagen (689). De overwinning, die Karel Martel aan de Boornzee op hertog Boppo bevecht (734), legt dan ook het Noorden van Friesland open voor de christelijke prediking. Bonifatius moet bij zijn zendingsarbeid in Hessen en Thuringen op dezelfde manier worden ondersteund. Eerst als deze steun hem onder Pippijn den Korten en Karloman ten volle wordt verleend, gelukt het hem zoowel het heidendom, als het ook in deze landen doorgedrongen Iersch-Schotsche Christendom te vernietigen. De onderwerping der Zwaben aan de kerkelijke hiërarchie wordt eerst [161] een feit, nadat de aanvoerders van dit volk in het bloedbad van Cannstadt (746) zijn gevallen.
Opmerkelijk is, dat bijna overal, waar de Roomsch-katholieke leer aan onverbasterd gebleven Germanen wordt gebracht, zij slechts door de toepassing van het uiterste geweld kan zegevieren. Een uitzondering vormen slechts de Angelsaksen en — in een veel lateren tijd — de bewoners van IJsland. Bij het eerstgenoemde volk was de overgang tot het Roomsch-katholicisme, evenals zulks bij Chlodwig het geval was geweest, te wijten aan politieke motieven. Bij de IJslanders, waar hij krachtens een besluit van het volksding geschiedde (1000), sproot hij voort uit den wensch de volksgemeenschap voor godsdienstige verdeeldheid te bewaren.[15]
Daarentegen is bij de Saksen, die zich in een dertigjarigen oorlog tegen hun bekeering verzetten, de afkeer van het hun opgedrongen geloof weer onmiskenbaar. Hoe diep deze afkeer wortelde, blijkt wel het best uit het feit, dat Karel de Frank teneinde hun verzet voorgoed te breken, tenslotte geen ander middel zag dan een gedwongen volksverhuizing, waardoor hij het bloed van dit volk opzettelijk verbasterde. Zijn verbeten worsteling met de laatste vrije en heidensche Germanen, die in Midden-Europa nog overig waren, brengt tenslotte de beslissing en de inzet der nog onverbruikte kracht der Noordsche volken kan deze uitkomst niet meer ongedaan maken. Door de onderwerping der Langobarden en de gebiedsuitbreidingen, die hij verder tot stand brengt, wordt hij tevens de stichter van een universeele monarchie, waarin bijkans heel het Roomsch-katholieke Europa is vereenigd. Tenslotte doet hij, door zich tot keizer te laten kronen, het Romeinsche Imperium herleven. Met recht kan Karel daarom worden beschouwd als de voornaamste grondlegger van het Middeleeuwsche Europa en onmiskenbaar is hij in heel het drama dat met de volkomen geestelijke onderwerping der Germanen eindigt, de centrale figuur. Ons oordeel over dit drama kan daarom niet verschillen van dat over zijn historische rol.
Zooals wij aan de hand van ons onderzoek zagen, bestaat er geen enkele reden, om Karel als een „echten Germaan” te verheerlijken, terwijl er alle grond aanwezig is, om aan zijn Germaanschen aard te twijfelen. Bovendien mist hij de oorspronkelijkheid, die, naar den maatstaf van ons ras, als de [162] meest kenmerkende eigenschap van het genie is te beschou- wen. Evenwel kan niet worden ontkend, dat — afgezien van alle geestverwantschap van godsdienstigen aard — al die- genen, voor wie de vervaging van alle grenzen het hoogste ideaal is, die de oplossing van het bijzondere in het algemeene begeeren, die de samensmelting der volken en nog meer die der rassen nastreven en in het bestaan eener „menschheid”, als zedelijke gemeenschap aller op aarde levende menschelijke individuen, gelooven, alle reden hebben om Karel en zijn werk te verheerlijken. Voor hen daarentegen, die juist in de ver- volmaking van het bijzondere hun ideaal zien, die in een natuurlijke wereldorde gelooven en het bestaan van afzonder- lijke volken en rassen als een door een hoogere macht gewilde werkelijkheid aanvaarden, staat de zaak anders. Karels Im- perium Christianum kunnen zij geenszins bewonderen en in- plaats van aan den overwinnenden Frankenkoning brengen zij liever hulde aan diens verslagen tegenstanders, Widukind en Göttrik. Zoo is ons oordeel over deze historische figuur in laatste instantie afhankelijk van de wereldbeschouwing, die wij zijn toegedaan.
* * *
Slaan wij ten besluite nog een blik op het verdere verloop der ontwikkeling! Na eeuwen van geestelijke slavernij, gedurende welke de Germaansche ziel zich slechts hier en daar en als in het verborgene kon uiten, onderging het kerkelijk gezag door de herleving van de studie der Oudheid tijdens de zoogenaamde Renaissance voor het eerst een ernstige verzwakking. Vervolgens bracht de Hervorming een gedeeltelijke bevrijding, die de tegenstelling tusschen het Germaansche en het Romaansche deel van Europa weer duidelijk aan den dag deed treden. Terwijl het „Avondland” zich staat en maatschappij slechts onder het beeld van een machine vermocht voor te stellen, vergeleek Luther beide met het dierlijke organisme en schonk daardoor aan het zich bevrijdende „Noordland” den grondslag voor een eigen wereldbeschouwing),[16] die aan de oud-Germaansche in menig opzicht verwant is. De volgende eeuwen hebben de tegenstelling, die Europa opnieuw had verdeeld, verdiept en verscherpt, maar de Fransche revolutie bracht voor het Noordland een gevaarlijke [163] reactie. Omstrikt door de denkbeelden van het Liberalisme, die op de grondgedachten dezer revolutie teruggaan en in de mechanische wereldbeschouwing van het Avondland hun diepsten oergrond vinden, en vervolgens verblind door het gedachtensysteem van het Marxisme, dat van nog vreemderen oorsprong is, dreigde het Noordland opnieuw van eigen aard te vervreemden. Een diepgaande bezinning op het eigen verleden en een wereldbrand waren noodig, om op het laatste oogenblik redding te brengen.
De opbouw van een Noordland, dat geheel van vreemde invloeden is bevrijd, dat weer — als het oude Germanië — rust in zichzelf en aan eigen wetten gehoorzaamt, is een taak voor de toekomst. Wordt zij volbracht, dan zal Europa in zekeren zin tot het uitgangspunt van zijn geschiedenis zijn teruggekeerd, want weer zal het zijn verdeeld in een Romaansche en een Germaansche wereld, die ook in geestelijk opzicht duidelijk zullen zijn gescheiden. Was dan heel deze ontwikkeling doelloos en vertoont de geschiedenis slechts een zinlooze herhaling ? In geenen deele! Niets in de geschiedenis voltrekt zich zonder doel, geen enkele gebeurtenis is zinloos. De eeuwenlange strijd tegen de geestelijke overheersching van rasvreemde elementen heeft voor de Germanen tenslotte geleid tot een volledige bewustwording van eigen aard en karakter. Deze bewustwording, die de vrucht is van een lange en wisselvallige geschiedenis, breekt zich eerst in onze dagen ruimer baan en dit houdt een belofte in voor de toekomst. Het nieuwe Germanië, dat wij zien groeien, zal daarom innerlijk rijker en daardoor ook krachtiger zijn dan het oude.
Noten
- ↑ Namelijk Wilhelm Teudt in „Germanische Heiligtümer”, Jena 1929, blz. 148 e.v., afgedrukt in Knöpp: „Karl und Widukind”, blz. 46.
- ↑ Verg. Wolf: „Angewandte Geschichte”, Leipzig 1913, blz. 80.
- ↑ Namelijk van Dr. R. Luft, die haar gebruikt in zijn verderop nog te noemen werkje over de Franken.
- ↑ L.G. Tirala heeft in zijn „Rasse, Geist und Seele” ook voor het late Rome er op gewezen, dat kruising van bepaalde rassen homosexueele afwijkingen tengevolge heeft, waardoor de drang tot het grootbrengen van kinderen uitdooft.
- ↑ Verg. het genoemde werk van Wolf op blz. 81.
- ↑ Een uitnemende uiteenzetting van dit verband vindt men in het werkje van H. Laagland, waarmede de reeks der uitgaven van „Der Vaderen Erfdeel” is geopend.
- ↑ De eerste christenen waren zelfs communisten, verg. Handelingen 4:34!
- ↑ Verg. Wolf: „Angewandte Kirchengeschichte” blz. 83.
- ↑ Verg. Chamberlains „Grundlagen” blz. 557 der „Hauptausgabe”.
- ↑ Onder „askese” wordt verstaan opzettelijke zelfkwelling, waarvan wordt aangenomen, dat zij den goden (of God) aangenaam is.
- ↑ Namelijk door Pachomius, die in 340 op het eiland Tabennae in den Nijl het eerste klooster stichtte.
- ↑ De vormen, die het Christendom in den loop der eeuwen heeft aangenomen, loopen zeer uiteen en zijn talrijk. Zij zijn elk voor zich overtuigd „de ware leer” te verkondigen. Wij kiezen hier geen partij en laten Christus, die boven al deze ware leeren staat, buiten deze beschouwing.
- ↑ Deze onderscheiding lijkt ons noodzakelijk, daar onder den verzamelnaam „heidendom” de meest heterogene godsdiensten worden samengevat, die onderling soms zeer diepgaand verschillen. Zoo is tusschen het „heidendom” der Germanen en dat van het latere Rome het verschil stellig veel grooter en wezenlijker, dan tusschen het laatste en het Christendom.
- ↑ Op deze merkwaardige samenloop wijst Wolf op blz. 299 van zijn „Angewandte Geschichte”, waaraan de in den tekst volgende bijzonderheden zijn ontleend.
- ↑ Wat de tot het Arianisme bekeerde Germanen betreft zij opgemerkt, dat de Gothen door den dwang der omstandigheden, na hardnekkig verzet tegen Constantinopel, zijn gekerstend. Van de kerstening der andere Ariaansche Germanen weten wij zeer weinig, in vele gevallen niets.
- ↑ Verg, Wilhelm Erbt: „Weltgeschichte auf rassischer Grundlage”, Leipzig 1936, blz. 308. Aan dit grootsch opgezette en diepzinnige boek ontleenden wij onze slotbeschouwing.