August T.A. Heyting: Difference between revisions
m Jan moved page August Heyting to August T.A. Heyting without leaving a redirect |
No edit summary |
||
| (3 intermediate revisions by the same user not shown) | |||
| Line 4: | Line 4: | ||
Heyting’s gevonden publicaties en geschriften over Oera Linda: | Heyting’s gevonden publicaties en geschriften over Oera Linda: | ||
* (1917-1934 brieven van H.A. Stadermann aan A. Heyting - zie [[Bibliografie Oera Linda | * (1917-1934 brieven van H.A. Stadermann aan A. Heyting - zie [[Bibliografie Oera Linda|JJK S 9a]]) | ||
* 1941 ([[Bibliografie Oera Linda | * 1941 ([[Bibliografie Oera Linda|JJK S 10]]) ''Simboliek in ons letterschrift en onze taal. -'' Rede voor de kelto-Germaanse studiekring Yggdrasil. Den Haag: blz. 20-28 over OLB. | ||
* 1941 (Kalma 611) ''Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek'' - In: ''Ons eigen volk''; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam - orgaan van het ''Nederlandsch Volkskundig Genootschap'', jrg. 2, 1941, blz. 140. Zie hieronder. | * 1941 (Kalma 611) ''Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek'' - In: ''Ons eigen volk''; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam - orgaan van het ''Nederlandsch Volkskundig Genootschap'', jrg. 2, 1941, blz. 140. Zie hieronder. | ||
* 1941 (Kalma 612) ''Het geheim van het Oera-Linda-Boek, een merkwaardig handschrift'' - uitgave onder begunstiging van de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil - Den Haag, 55 blz. gestencild. | * 1941 (Kalma 612) ''Het geheim van het Oera-Linda-Boek, een merkwaardig handschrift'' - uitgave onder begunstiging van de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil - Den Haag, 55 blz. gestencild. | ||
* 1943 ([[Bibliografie Oera Linda | * 1943 ([[Bibliografie Oera Linda|JJK aangevuld]]) ''Een Aanvulling op Eenige opmerkingen omtrent het Oera Linda Boek'' ''(...)'' - In: ''Ons eigen volk''; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam - orgaan van het ''Nederlandsch Volkskundig Genootschap'', jrg. 3, 1943, blz. 52. Zie hieronder. | ||
* 1945 ([[Bibliografie Oera Linda | * 1945 ([[Bibliografie Oera Linda|JJK S 11]]) Heyting, August, – Verweer. Den Haag: blz. 11-13 over OLB. | ||
== 1941 Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek == | == 1941 Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek == | ||
| Line 81: | Line 81: | ||
August Heyting. | August Heyting. | ||
== 1943 “Het geheim ...” stencil-uitgave == | |||
[[https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB16:002410001:00059 bron]: hetzelfde tijdschrift en jrg., blz. 55, boekbesprekingen] | |||
'''August Heyting.''' Het geheim van het Oera-Linda-boek. Een merkwaardig handschrift. Uitg. Trifos. Groot-Hertoginnelaan 81. den Haag. 1941. Trifos-reeks No. 16. Prijs ƒ 0.85. | |||
Eene stencil-uitgave, groot 55 pagina. De schrijver brengt weder nieuwe argumenten naar voren en wijst er op, dat het niet aangaat den inhoud van het Oera-Linda-boek als pure fantasie te beschouwen. Hij wijst er op, dat er bronnen aan ten grondslag liggen, welke wij nog niet kennen, maar welke zeer belangrijk zijn voor de vóórgeschiedenis van Friesland. J.R. <small>[[https://aldfryas.blogspot.com/2025/06/johannes-rasch-en-oera-linda.html Johannes Rasch] (1874-1945), oprichter (1929) tijdschrift ''Eigen Volk'', later ''Ons eigen Volk'']</small> | |||
[[Category:Translators and researchers]] | [[Category:Translators and researchers]] | ||
{{DEFAULTSORT:^H^}} | {{DEFAULTSORT:^H^}} | ||
Latest revision as of 05:44, 30 August 2025

Levensbeschrijvingen o.a. hier en hier.
Heyting’s gevonden publicaties en geschriften over Oera Linda:
- (1917-1934 brieven van H.A. Stadermann aan A. Heyting - zie JJK S 9a)
- 1941 (JJK S 10) Simboliek in ons letterschrift en onze taal. - Rede voor de kelto-Germaanse studiekring Yggdrasil. Den Haag: blz. 20-28 over OLB.
- 1941 (Kalma 611) Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek - In: Ons eigen volk; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam - orgaan van het Nederlandsch Volkskundig Genootschap, jrg. 2, 1941, blz. 140. Zie hieronder.
- 1941 (Kalma 612) Het geheim van het Oera-Linda-Boek, een merkwaardig handschrift - uitgave onder begunstiging van de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil - Den Haag, 55 blz. gestencild.
- 1943 (JJK aangevuld) Een Aanvulling op Eenige opmerkingen omtrent het Oera Linda Boek (...) - In: Ons eigen volk; maandblad voor de volkskunde van den Nederlandschen stam - orgaan van het Nederlandsch Volkskundig Genootschap, jrg. 3, 1943, blz. 52. Zie hieronder.
- 1945 (JJK S 11) Heyting, August, – Verweer. Den Haag: blz. 11-13 over OLB.
1941 Het wapen Over de Linden en het Oera Linda boek
[bron] August Heyting.
Onder deze tietel schrijft H.W.M.J. Kits Nieuwenkamp een artiekel in Eigen Volk 1934 blz. 143. Hij zegt:
Slaan we de brochure van Hof op, “Verwijs en het Oera Linda Boek”, dan lezen we daar op blz. 49 van genoemde brochure het volgende:
„Hoe het door Over de Linden verstrekte grondmateriaal (van het O.L.B.) er uitgezien heeft, en van welken omvang het was, laat zich zoolang we niet meer gegevens bezitten, moeilijk zeggen. Waarschijnlijk was ’t en in den vorm eener familiekroniek gegoten verzameling van verhalen, wetten enz. zooals het O.L.B. zelf, doch van geringer omvang en minder handig gearrangeerd. De godsdienst- en zedeleer van het 0.L.B. is daarin waarschijnlijk al aanwezig geweest; ook de eigenaardige tijdrekening, althans embryonaal.
De beide opdracht-brieven, waarmede het O.L.B. begint, zijn vrij zeker van Verwijs. Dat Liko Ovira Linda en broeder Eligius van ’t Oversticht (Eelco Verwijs’ oude pseudoniem) een en dezelfde zijn, zooals Dr. de Jong veronderstelt, (in zijn werk „Het Geheim van het Oera Linda-boek”) is zeer aannemelijk. Verwijs zal ook wel de uitvinder zijn van de Lindawrda en de man die deze bakermat der Over de Lindens vaagjes aanduidt als in den omtrek van Leeuwarden te zoeken. Over de Linden zelf zal bij de afleiding van zijn familienaam wel meer aan de rivier de Linde gedacht hebben; uit een der getuigenissen omtrent zijn vroegere praatjes hierover moet men opmaken dat hij weifelde tusschen Linde, de rivier, en lindeboomen. In zijn na 1867 door hemzelf uit oude muntstukjes vervaardigd — en natuurlijk voor overoud erfstuk uitgegeven — familiewapen staan drie linden bij een brug.
Tot zoover Hof.
Begrijpelijkerwijs frappeerde mij die zinsnede over het wapen van het geslacht Over de Linden. Wat dat wapen inderdaad een eigen maaksel van den mr. scheepstimmerman Cornelis over de Linden? ... De wapenvoorstelling zelf kunnen we uit een heraldisch oogpunt aan een nader onderzoek onderwerpen. En nu is het een feit gebleken, dat inderdaad het wapen Over de Linden ongetwijfeld ouder is dan 1867 en wel minstens 100 jaar ouder!
Wat toch bleek mij bij navraag?
In de heraldische collectie Scholten van Aschat, Ginneken 1920. wordt een 18e eeuwsche lakafdruk aangetroffen met het wapen over de Linden. Er staat bij Amsterdam, dus vermoedelijk oorspronkelijk van daar herkomstig van een 18e eeuwsch lid dezer familie toen ter tijde aldaar woonachtig. Het lak is onmiskenbaar [141] 18e eeuwsch, gezien den stijl en de uitvoering van het daarin af gedrukte familiewapen Over de Linden, vertoonende het navolgende wapen:
In zilver drie groene lindeboomen naast elkaar, op grasgrond.
We hebben hier een klein verschil, met name dat de brug door Hof in zijn beschrijving opgegeven, ontbreekt. Verder is het eender!!
In zooverre is dus Corn. Over de Linden in deze gerehabiliteerd, dat hij niet “zoomaar” omstreeks 1867 een nieuw wapen voor zijn familie heeft samengesteld en ontworpen!
Doch er is meer.
Ook een familie Onder de Linden bestaat en met die familie óók een wapen op dien naam en wat wil nu het toeval(?)? Deze familie Onder de Linden voert blijkens een lafafdruk hetzelfde wapen! Zijnde:
“In zilver drie groene lindeboomen naast elkaar op grasgrond. Helmteeken: een vlucht.”
Deze lakafdruk Onder de Linden is jonger en dateert uit de 19de eeuw. Was het geval omgekeerd, dan zou men zich inderdaad hebben kunnen afvragen of wellicht C. Over de Linden zijn familiewapen niet ontwierp. Nu echter niet, ook niet al was hem de familie Onder de Linden en het wapen bekend, aangezien zeer beslist de afdruk Over de Linden ouder is, dateerende van vóór 1800.
Met het bovenstaande is dus bewezen, dat het wapen van de familie Over de Linden zéker tusschen 1700 en 1800 is ontstaan en mogelijk zelfs is het, wat de wapenfiguren betreft, nog ouder, waarmede tevens bewezen is, dat C. O. de L. het onmogelijk ongeveer 1867 nieuw heeft kunnen ontwerpen, hetwelk natuurlijk niet wegneemt, dat hij de afbeelding, uit oude muntstukjes vervaardigd (hoe?), omstreeks dien tijd, als handig knutselaar, dat hij was. heeft kunnen maken!
Natuurlik, nu de bewering, dadelik maar zonder enige grond, Cornelis Over de Linden ten laste gelegd, dat deze zijn familiewapen zelf verzonnen heeft, volmaakt onhoudbaar is gebleken, wordt toch vriendelik de mogelikheid ondersteld, dat hij uit oude munten het wapen heeft vervaardigd, immers was hij, wordt er dan bij gezegd, een handig kuntselaar. Kortom: iets moet hem toch ten laste gelegd: beter ware geweest de lichtvaardige laster van Hof over de hekel te halen.
Het is veeleer aan te nemen, dat het wapen in bezit van C. Over de Linden inderdaad van overoude herkomst is, en daar wijst nog iets anders op.
Namelik dit. Het achttiende eeuwse wapen der Over de Lindens is gelijk aan dat der Onder de Lindens. Daarentegen verschilt het oude, in bezit van Corn. Over de Linden zijnde wapen: een klein verschil door de aanwezigheid van een brug. Waarin verschilt nu de naam der twee families? Onder de Linden wil zeggen: ter plaatse van de linden. Doch Over de Linden wil zeggen: aan de overzijde van de Linden, en hier past nu juist uitstekend de brug bij. Blijkbaar heeft men later niet best begrepen, wat die brug in het wapen deed, er staat immers niets van een brug in de naam. [142] dus .... men liet de brug naderhand maar weg, denkende met een overtolligheid te doen te hebben of zelfs iets, dat eigenlik niet in het wapen hoorde, en zodoende kreeg men het gelijke wapen als der Onder de Lindens. Deze opmerking is nimmer gemaakt, een bewijs, dat ook de heraldici, die de wapens der twee families bestudeerden, en bevreemd zijn over een gelijk wapen bij verschillende families, heelemaal niet aan de logica in het oude wapen der Over de Lindens hebben gedacht, een bewijs te meer, hoe dit wapen inderdaad van zeer oude tijd moet zijn en eerst door een later, zoveel oppervlakkiger tijd, niet meer in zijn zuivere waarden werd begrepen. Het echte wapen, het wapen met de brug, zal dateren van lang voor de achttiende eeuw.
Maar dan mogen we tevens aannemen, dat hier inderdaad een afstamming is uit een woonoord, gelegen aan de overzijde ener rivier. Vanwaar anders een brug? Het is daardoor tevens waarschijnlik, dat we hier inderdaad te doen hebben met de rivier de Linde, gelijk Cornelis Over de Linden niet er maar op los heeft gefantaseerd in én zijner “vroegere praatjes”, gelijk Hof het maar weer eens zo hoffelik uitdrukt.
Welke is die Linde? Een rivier van historiese betekenis, tevens ware schatkamer der natuur. Zij loopt tussen twee waterscheidingen in Friesland en ontspringt op “het Ronde” tussen Makkinga en Esloo. Zij was een echte grensrivier en vormde de oude Friese waterlinie door gebruikmaking van haar brede dal. Des winters stond de gehele Linde-vallei onder water, tot men in deze eeuw de rivier kanalieserde. Daarom was in dit dal ook geen bebouwing. De dorpen liggen op de waterscheidingen die de rivier in het Noorden van het stroomgebied van de Tjonger, in het Zuiden van de Steenwijker Aa afsluiten, op eenige kilometers afstand van de tegenwoordige overbedding. De Noordhelft behoorde aan enkele grootgrondbezitters, de Zuidkant is meer verkaveld.
Het was alleen mogelik de rivier te passeeren langs de Bekhofschans onder Oldeberkoop, de Blessebrug en bij Kuinre, maar in Augustus 1673 moesten de Friezen ervaren, dat de Munstersen, vermoedelik geholpen door verraders, nog enkel doorwaadbare plekken wisten te vinden en zo Friesland wisten te bereiken.
Waar de gesteldheid dezer afsluitings-grensrivier zodanig was, kan men voor zeker aannemen, dat de brug op het oude wapen der Over de Lindens een aanduiding is van de Blessebrug. Bles is een paard.
Hier is een allerbelangrijkste aanwijzing. Over die Blessebrug leidt namelik het pad naar een woud, hoogstwaarschijnlik het heilige Bahudennawoud, in welks wij-hof de Friezen hun grote kyriese strijdgodin Baduhenna eerden, een evenbeeld dus van Minerva, wellicht aanvankelik een burchtmaagd-aanvoerster als Jeanne d’Arc, naderhand opgenomen in het pantheon der Friesch-Germaanse mythologie.
De Blessebrug ligt ongeveer drie K.M. van Wolvega, een blijkbaar woeste streek, in welks omtrek nog in de 18de eeuw wolven huisden. Voorts ligt ze ongeveer slechts een halve K.M. van [143] Oldeholtspade, de geboorteplaats van Hengist, den veroveraar van een groot deel van Engeland, den verdelger der Keltiese Britten.
Deze laatste gegevens omtrent Hengist en Qldeholtpade, d.i. Oude Houtpad of Woudpad, zijn mij verstrekt door een kundigen vorser. Hengist’s dochter Ronixa huwde met den Brits-Keltiesen koning Vertigern. Bij een opstand der Britten tegen Vertigern met zijn Friezen werd Ronixa met haar piepjong kind verbrand op aanstichting van Ossians zoon den bard Merlin. Toen Hengist, terug uit Friesland, dit vernam, sprak hij de bloedwraak over de Britten uit en deze was vreselik.
Oldeholtspade, op de kaart niet alleen dicht bij de Blessebrug, maar ook bij Steggerda, afgeleid van steigeren, ook al op paard duidend, was, naar Occo van Scarl mededeelt, in een, om volmaakt onbekende redenen, apokrief genoemde geschiedschrijving, de woonplaats der Friese hertogen. Ook dit is belangrijk.
De brug in het wapen der over de Lindens duidt op een woonoord aan de overkant van het woud, gelegen dichtbij de hertogelike burg. Het is zeer natuurlijk om een document, het welk men voor het oog der ná-wereld wil verborgen houden, omdat het anders gelijk zo groot aantal documenten met vernietiging zoude worden bedreigd, niet op de hertogelike burg zelf, maar in de nabijheid ervan te bewaren.
Men weet, hoe tengevolge van de Romaanse vernielzucht vele eeuwen lang een dichte sluier hangt over de geschiedenis en de cultuur van Nederland, die plotseling met een schier moderne, volmaakte dichteres als Hadewijch voor den dag treedt. — Het blijkt hoe langer hoe meer, dat verschillende uitdrukkingen van Hadewijch nauw in verband staan met oud-Germaanse vóór-Christelijke voorstellingen. Zie daarover Dr. Otto Plassmanns studies over dit onderwerp. Ook heeft Hadewijch zelve ondanks haar hoog aanzien. over vervolging geklaagd.
Wanneer wij al deze afleidingen overzien — en hebben wij daartoe niet het recht en de plicht? — dan krijgen de uitlatingen en de familiemythe van Over de Linden, dat hij spruit was uit een overoude, voorname familie, veel zin. Het feit, dat in zijn bezit ook werd gevonden een door niemand als echt betwist, zeer oud en zeer zeldzaam exemplaar van een kroniek omtrent het Saksiese tijdperk met nog onbekende bizonderheden, legt toch zeker enig gewicht in de schaal. Wel was er na de vele blijken van vernielzucht gegronde aanleiding tot de vermaning in de aanvangsbrief van het Oera Linda Boek aan de erfgenamen:
om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de ogen van een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig is van al onze oude zeden.
1943 Een Aanvulling
op Eenige opmerkingen omtrent het Oera Linda Boek door J.F. Overwijn in het Westfriesch Jaarboek uitgeg. door de West-Frieze Styk, 1940.
[bron: hetzelfde tijdschrift, jrg 3, 1943, blz. 52]
Met veel belangstelling las ik in deel 3 van het Westfriesch Jaarboek het art. van den heer J. F. Overwijn over het Oera Linda Boek. Is het mij vergund enige aanvullende opmerkingen te maken?
Op blz. 18 zegt de heer 0., dat het Latynse ius (justus) steeds heeft betekend en nog beduidt: recht en rechtvaardig. In dit verband zij gewezen op ons woord juist; wat juist is, is het rechte en rechtvaardige. Wie juist zegt, spreekt het rechte. Een juist oordeel is een rechtvaardig oordeel.
Jes is van dezejlfde stam, zegt de heer C., de priesters noemen het Fo, verkeerdelik vertolkt door valsch. Zulks vindt bevestiging in de Noorse mythologie, waar de god van het recht Foseti, gemeenlik gezegd ook de namen Foseta en Fosta draagt. Reden waarom ik, ten einde verwarring in een wirwar gestalten, namen en begrippen te voorkomen, in mijn werk Yggdrasil de voorkeur heb gegeven, aan Forseti voor naam van den rechtsgod.
Nog is bij deze bladzijde op te merken, dat Boeddha de naam Gautama of Gautamo draagt, en de Noorse god Tyr de naam Gauta: Gauta Tyr. Tyr is hetzelfde woord als Dur, mannelik godsbegrip. Het zou betekenen Hemel, Tyr zou dus de loodrechte lijn van het kosmiese kruis zijn en is dan ook zwaardgod, lichtgod. Het woord tir betekent in het Perzies pijl, vergelijk het Franse werkwoord tirer. Een zonnegod wordt ook vaak voorgesteld als pijlgod, de zonnestraal als pijl (bijv. Wodan en Hoenir).
De heer O. schrijft de naam Wralda in tweeën, nl. Wr.alda, en in een lezing legde hij Wr. uit als in zichzelf terugkerende beweging. Op blz. 57—58 van mijn Yggdrasil deel I behandel ik de letter w als eigen aan het begrip draaiing, wieling, en zeg 0.a.: In dit begrip der draaiing zit het begrip van het scheppingsproces, van het oer of wr (ur). Mijns inziens zit hier in de letter r de kracht: het verzet (tegendraaiing) bedwingende kracht; zoals men bijv. kan merken in de met wr aanvangende werkwoorden: wrochten, wringen, wroeten, wreken, wrikken, worstelen (Engels: wrestle), wraken, wrokken, wriemelen, wrijten, wrong (haarwrong), wrevel.
Op blz. 19 spreekt de heer Overwijn over „de gangbare laag-bij-de grondsche taxeering der Germanen als barbaren. Het is wederom de Romein, die ons aan dezen laster helpt.” Hier zij opgemerkt, dat het woord barbaar oorspronkelik de betekenis van dapper had, hetgeen nog doorklinkt in ons woord braaf (houd braaf stand) en het Frans brave, zelfs in de toejuiching bravo. Het woord barbaar, waarvan zou het zijn afgeleid? Wellicht van baard, barbe, daar de Germanen veelal grote, wilde baarden droegep, waarmede zij op de Romeinse beeldhouwwerken staan afgebeeld? Daaruit zou dan een dubbele betekenis kunnen zijn voortgesproten, nl. die van ongeciviliseerd, en tevens die van dapper, want dat waren die wilde, vreemde tegenstanders beiden in het oog der Romeinen: onbeschaafd en dapper, en hun grote baarden waren eigenlik zinbeeld dier twee eigenschappen.
August Heyting.
1943 “Het geheim ...” stencil-uitgave
[bron: hetzelfde tijdschrift en jrg., blz. 55, boekbesprekingen]
August Heyting. Het geheim van het Oera-Linda-boek. Een merkwaardig handschrift. Uitg. Trifos. Groot-Hertoginnelaan 81. den Haag. 1941. Trifos-reeks No. 16. Prijs ƒ 0.85.
Eene stencil-uitgave, groot 55 pagina. De schrijver brengt weder nieuwe argumenten naar voren en wijst er op, dat het niet aangaat den inhoud van het Oera-Linda-boek als pure fantasie te beschouwen. Hij wijst er op, dat er bronnen aan ten grondslag liggen, welke wij nog niet kennen, maar welke zeer belangrijk zijn voor de vóórgeschiedenis van Friesland. J.R. [Johannes Rasch (1874-1945), oprichter (1929) tijdschrift Eigen Volk, later Ons eigen Volk]