Jump to content

1875 Friesche Oudheden: OL: Difference between revisions

From Oera Linda Wiki
add
 
No edit summary
 
Line 1: Line 1:
[[File:MS-vgl.jpg|thumb|vergelijking originele HS blz 45 (links) met kopie als gebruikt in ''Friessche Oudheden'' (rechts)]]
[[File:MS-vgl.jpg|thumb|vergelijking originele HS blz 45 (links) met kopie als gebruikt in ''Friessche Oudheden'' (rechts)]]
  '''JJK 65''' Gehele titel: ''Friesche Oudheden — Afbeeldingen van Merkwaardige Voorwerpen van Wetenschap en Kunst, gevonden in de Archieven, Kerken, Kasteelen, Terpen enz. van Friesland'', samengesteld door W. Eekhof en uitgegeven door het Friesch Genootschap (juli 1875,), bl. 48-50 ''Het schrift van het Oera Linda-Bok'', met de afbeelding van een (NB!) recente kopie van HS blz. 45.
  '''[https://www.google.nl/books/edition/Friesche_oudheden/OO45PwXBFgEC JJK 65]''' Gehele titel: ''Friesche Oudheden — Afbeeldingen van Merkwaardige Voorwerpen van Wetenschap en Kunst, gevonden in de Archieven, Kerken, Kasteelen, Terpen enz. van Friesland'', samengesteld door W. Eekhof en uitgegeven door het Friesch Genootschap (juli 1875,), bl. 48-50 ''Het schrift van het Oera Linda-Bok'', met de afbeelding van een (NB!) recente kopie van HS blz. 45.


==H. Het Schrift van het Oera Linda-Bok.==
==H. Het Schrift van het Oera Linda-Bok.==
Line 9: Line 9:
De heer Dr. <u>E. Verwijs</u>, Archiveris-Bibliothekaris der provincie Friesland, hiervan onderrigt, gaf er kennis van aan Gedeputeerde Staten, die hem een persoonlijk onderzoek deswegens opdroegen. Den 17 December 1867 gaf hij een voorloopig verslag van zijne bevinding en berigt, dat de eigenaar hem het handschrift had toevertrouwd om het af te schrijven en te vertalen. Bij zijn vertrek naar Leiden, liet hij er, op kosten van het Friesch Genootschap, wel een afschrift van vervaardigen, doch de vertaling bleef achterwege.
De heer Dr. <u>E. Verwijs</u>, Archiveris-Bibliothekaris der provincie Friesland, hiervan onderrigt, gaf er kennis van aan Gedeputeerde Staten, die hem een persoonlijk onderzoek deswegens opdroegen. Den 17 December 1867 gaf hij een voorloopig verslag van zijne bevinding en berigt, dat de eigenaar hem het handschrift had toevertrouwd om het af te schrijven en te vertalen. Bij zijn vertrek naar Leiden, liet hij er, op kosten van het Friesch Genootschap, wel een afschrift van vervaardigen, doch de vertaling bleef achterwege.


Aan den volhardenden ijver en zorg van den heer Dr. J.G. <u>Ottema</u> had men het te danken, dat de inhoud verstaan en vertaald werd. Na een naauwkeurig onderzoek gaf hij daarvan den 10 Februarij 1871 in eene vergadering van het Genootschap een uitvoerig verslag, dat, daarna gedrukt en verspreid, de algemeene aandacht op dit merkwaardige stuk vestigde.
Aan den volhardenden ijver en zorg van den heer Dr. <u>J.G. Ottema</u> had men het te danken, dat de inhoud verstaan en vertaald werd. Na een naauwkeurig onderzoek gaf hij daarvan den 10 Februarij 1871 in eene vergadering van het Genootschap een uitvoerig verslag, dat, daarna gedrukt en verspreid, de algemeene aandacht op dit merkwaardige stuk vestigde.


Volgens hem was de intusschen opgerezen twijfel omtrent de echtheid van het handschrift ongegrond, en achtte hij het een allerbelangrijkst document voor de oude Friesche geschiedenis, waardoor geheel nieuwe en onbekende zaken aan het licht zijn gekomen. »Wij mogen dus aannemen (zoo eindigde hij),
Volgens hem was de intusschen opgerezen twijfel omtrent de echtheid van het handschrift ongegrond, en achtte hij het een allerbelangrijkst document voor de oude Friesche geschiedenis, waardoor geheel nieuwe en onbekende zaken aan het licht zijn gekomen. »Wij mogen dus aannemen (zoo eindigde hij),

Latest revision as of 12:27, 13 August 2025

vergelijking originele HS blz 45 (links) met kopie als gebruikt in Friessche Oudheden (rechts)
JJK 65 Gehele titel: Friesche Oudheden — Afbeeldingen van Merkwaardige Voorwerpen van Wetenschap en Kunst, gevonden in de Archieven, Kerken, Kasteelen, Terpen enz. van Friesland, samengesteld door W. Eekhof en uitgegeven door het Friesch Genootschap (juli 1875,), bl. 48-50 Het schrift van het Oera Linda-Bok, met de afbeelding van een (NB!) recente kopie van HS blz. 45.

H. Het Schrift van het Oera Linda-Bok.

Plaat 23.

De familie Over de Linden aan de Helder is in het bezit van een oud handschrift, waarvan het schrift, de taal en de inhoud haar onbekend waren, doch waarvan de overlevering haar de zorgvuldige bewaring, als van een familie-erfstuk, van geslacht tot geslacht had aanbevolen. Men giste, dat het in het oudfriesch was geschreven en vermoedde, dat het berigten omtrent vroege voorouders zou bevatten.

De heer Dr. E. Verwijs, Archiveris-Bibliothekaris der provincie Friesland, hiervan onderrigt, gaf er kennis van aan Gedeputeerde Staten, die hem een persoonlijk onderzoek deswegens opdroegen. Den 17 December 1867 gaf hij een voorloopig verslag van zijne bevinding en berigt, dat de eigenaar hem het handschrift had toevertrouwd om het af te schrijven en te vertalen. Bij zijn vertrek naar Leiden, liet hij er, op kosten van het Friesch Genootschap, wel een afschrift van vervaardigen, doch de vertaling bleef achterwege.

Aan den volhardenden ijver en zorg van den heer Dr. J.G. Ottema had men het te danken, dat de inhoud verstaan en vertaald werd. Na een naauwkeurig onderzoek gaf hij daarvan den 10 Februarij 1871 in eene vergadering van het Genootschap een uitvoerig verslag, dat, daarna gedrukt en verspreid, de algemeene aandacht op dit merkwaardige stuk vestigde.

Volgens hem was de intusschen opgerezen twijfel omtrent de echtheid van het handschrift ongegrond, en achtte hij het een allerbelangrijkst document voor de oude Friesche geschiedenis, waardoor geheel nieuwe en onbekende zaken aan het licht zijn gekomen. »Wij mogen dus aannemen (zoo eindigde hij),

dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw vóór onze jaartelling, het oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene eeuwenoude bevolking, in ’t bezit van eene ontwikkeling, beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden stamvader der Friesen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.”

Bij al het verschil van gevoelen over de echtheid en waarde, was het niet mogelijk een gegrond oordeel daarover te vellen vóór het geheele handschrift, dat in 1256 door Hiddo overa Linda was vervaardigd; gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld was. Dit geschiedde in 1872 onder den titel van: Thet Oera Linda Bok. Naar een handschrift wit de dertiende eeuw. Met vergunning van den eigenaar, den Heer C. over de Linden, aan den Helder, bewerkt, vertaald en uitgegeven door Dr. J.G. Ottema. Te Leeuwarden, bij H. Kuipers, 1872, 253 bl. gr. 8vo, met het bovenvermelde verslag als Inleiding. Hierbij zijn gevoegd twee naar photografiën gesteendrukte platen, van de figuren van het letterschrift en van bl. 45 van het handschrift. Van de laatste is onze plaat 28 een afdruk, waarvan wij den inhoud met de vertaling hier laten volgen:

[HS blz. 45 zoals hierboven weergegeven (rechts), met misleidend onderschrift:Fac-similé eener photographie van bl. 45 van het origineele Handschrift, in 1872 door Dr. J.G. Ottema uitgegeven onder den titel van: Thet Oera Linda-Bok [Lith. van A. v. Calsbeek te Leeuwn.].” gevolgd door Ottema’s transcriptie en vertaling van de betreffende bladzijde.]

Na de uitgave bleef het in ieders oog altijd merkwaardige boek een voorwerp van strijd, en zochten geloovigen en ongeloovigen hun gevoelen te verdedigen Dr. Ottema lichtte den inhoud nader toe in een geschrift: Geschiedkundige Aanteekeningen en Ophelderingen bij thet Oera Linda bok, 1873, en trachtte het in ’t volgende jaar nader te verdedigen in het geschrift: De Koninklijke Akademie en het Oera Linda boek. Dr. A.T. Reitsma te Groningen maakte er eene studie van, en droeg de vruchten van zijn historisch-kritisch onderzoek voor in drie vergaderingen van het Friesch Genootschap, waarbij hij tot het besluit kwam, dat dit werk zoowel in uit- als inwendige bewijzen de ontwijfelbare kenteekenen van echtheid in zich draagt; terwijl hij voor de historische waarde daarvan gunstige getuigenissen aanvoerde. In de laatste dier vergaderingen werd ook aan de bestrijders gelegenheid gegeven hunne bedenkingen aan te voeren. Toen werd ook het handschrift zelf vertoond, ten einde de echtheid daarvan, als in 1256 geschreven, door aanschouwing te doen beoordeelen.

Het meest uitvoerig onderzoek werd tot dusver door de Deventer Courant in 1874 medegedeeld en later afzonderlijk uitgegeven, onder den titel van: Naar aanleiding van Thet Oera Linda Bok. Historische schetsen met eenige in- en uitvallen. De schrijver, die overal blijken geeft van groote geleerdheid en onpartijdigheid, beantwoordt de bedenking, dat het boek eene vervalsching zou zijn, gepleegd na 1853, toen de paalwoningen in het meer van Zurich ontdekt werden, bl. 17 in dezer voege:

»Wie zou haar gepleegd hebben? Niet de eerste de beste was tot zoo iets in staat. Daartoe werd vereischt een nauwkeurige kennis van de oudste Friesche taal, waarvan slechts enkele gedenkstukken en dus een zeer geringe voorraad van woorden bestaat, en bovendien kennis van die taal, zooals zij zich in den loop der tijden wijzigde: een merkwaardig verschil toch valt op te merken tusschen de taalvormen, waarvan de eerste en de laatste samenstellers van ’t Oera Linda Bok zich bedienen. De vervalscher moest eene historische en geographische kennis bezitten zooals zelden wordt aangetroffen. Jarenlange studie waren een onverbiddelijke voorwaarde. ’t Schrijven van ’t vreemde letterschrift was een zure arbeid. En wat voordeel was er meê te behalen? Eer?... Maar een vervalscher heeft goede reden om zijn naam geheim te houden. — Geld?... ’t Was vooruit te berekenen, dat de uitgaaf nauwelijks de drukkosten zou dekken. — Genoegen om de geleerde heeren eens een poets te spelen?... Zou een door en door geleerd en talentvol man, zooals de maker moest zijn, zulk een bedenkelijk genot met zooveel opoffering van tijd en inspanning koopen? — Niets van dat alles laat zich denken.

»We staan hier dus voor een zonderling dilemma: òf we laten ons beet nemen door een met noeste vlijt tot stand gebracht gewrocht van een geleerd krankzinnige, òf een groot deel der oude geschiedenis wordt in zulk een licht gesteld, dat er noodzakelijk eene revolutie op dat gebied moet plaats hebben.

»Ge denkt wellicht nog aan de knutselarij van een zich vervelenden kloosterbroeder? - Ook deze uitkomst wordt ons afgesneden. Want we hopen later uiteen te zetten, dat in het Oera Lihda Bok een godsbegrip en eene zedeleer voorkomen zóó onovertreffelijk waar en zuiver, zoo anti-monniksch en anti-theologisch, dat iemand, onder den invloed van Katholieke of zelfs van Protestantsche dogma’s opgevoed, met geene mogelijkheid zulke echt vrijzinnige en volkomen onbevoordeelde gevoelens heeft kunnen uitspreken.”

En toch moest deze geleerde aan het slot verklaren:

»Ofschoon niets tegen de physische mogelijkheid indruischt; ofschoon ons geene vergrijpen, die van vervalsching overtuigen, in ’t oog zijn gevallen, — toch is er in de aanraking met de Grieksch-Romeinsche oudheid iets, dat onzen argwaan wekt. De eerlijkheid en openhartigheid van de heeren Over de Linden en dr. Ottema zijn bij ons boven allen twijfel verheven. Is er eene vervalsching, zij hebben er niet de hand in gehad, — hiervan zijn wij in gemoede overtuigd. Wij koesteren verdenking; doch zij is niet zwaar genoeg om in gemoede daarom ’t Oera Linda Bok te verwerpen.”

Mogen wij dit werk daarom geen merkwaardig boek noemen, dat dus werd beoordeeld? Zoolang het immer moeijelijk zal blijven, om in het begin der geschiedenis van elk volk juist te onderscheiden wat mythe, sage of versierde overlevering is, zoo lang zal het Oera Linda boek, waarin sommigen eene verheerlijking van den Frieschen volksstam zien, een voorwerp blijven van naauwgezet onderzoek. Niettemin zal ieder, na de lezing, moeten erkennen, dat het werk innerlijke kenmerken van groote waarde bezit. Gaarne vereenigen wij ons dus met het volgende oordeel van den Deventer geleerde:

»Ofschoon ik het boek van harte heb lief

gekregen, zie ik de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek toch zonder eenige ongerustheid te gemoet. Want, al wordt de historische trouw ook op de meest voldingende wijs te niet gedaan, dan zal het boek toch als

allegorie, als verdichting eene hooge zedelijke waarde blijven behouden.”[1]

Noot

  1. De afdruk der plaat uit het Oera Linda boek is in deze Friesche Oudheden opgenomen om tot toelichting te strekken van het Verslag van Dr. Ottema, in de Vrije Fries, XII 223, opgenomen.